3. Verblijfsregeling
3.1.
De verblijfsregeling en
recht op persoonlijk
contact
A. Regeling van het
verblijf
3.1.1
In het geval van
gezamenlijk ouderlijk
gezag.
3.1.1
Secundaire
verblijfsregeling.
3.1.2
Twee-verblijfsregeling.
3.1.3
In het geval van
exclusieve
gezagsuitoefening.
Indien de
ouders niet meer samenleven,
zal er een verblijfsregeling
voor de kinderen worden
uitgewerkt. Deze bepaalt
waar, wanneer en hoelang de
kinderen bij welke ouder
verblijven.
De
verblijfsregeling wordt
bepaald in ‘het belang van
het kind’ en eventueel in
samenspraak met een
kinderpsycholoog of
maatschappelijk assistent.
Indien er
wordt gekozen voor het
systeem van gezamenlijk
ouderlijk gezag kan de
verblijfsregeling in twee
grote delen worden
afgebakend, namelijk de
secundaire verblijfsregeling
en de twee-verblijfsregeling.
1.1.
Secundaire verblijfsregeling
Deze
verblijfsregeling, ook
gekend als het klassieke
verblijfssysteem, bepaalt
dat het kind zijn
hoofdverblijfplaats houdt
bij één ouder en daar de
meeste tijd zal doorbrengen.
Deze ouder heeft het
primaire verblijfsrecht.
Uiteraard
heeft de andere ouder recht
op secundaire huisvesting
van het kind.
De meest
voorkomende secundaire
verblijfsregeling is de
helft van de
vakantieperiodes van meer
dan drie dagen en buiten de
vakanties één weekend om de
twee weken van vrijdagavond
(of zaterdagmorgen) tot en
met zondagavond.
Deze
regeling is maar één van de
vele mogelijkheden waarop
deze periodes kunnen worden
ingedeeld. De klassieke
regeling kan bijvoorbeeld
ook worden uitgebreid met
woensdagnamiddagen. Er wordt
voor de beste oplossing
gekozen op voorwaarde dat de
duur van de verblijven niet
even lang is.
Er zijn
verschillende criteria om
deze regeling als al dan
niet geschikt te beschouwen:
-
de materiële
leefomstandigheden;
-
de (on)beschikbaarheid
van de ouders;
-
de graad van
affectiviteit in de relatie
tussen ouder en kind;
-
de mening van de
kinderen;
-
…
De
twee-verblijfsregeling is
een volwaardige
bilocatieregeling. De
minderjarige verblijft
alternerend bij de ouders
gedurende een gelijkdurige
periode (bv. één week bij de
moeder, één week bij de
vader, enz.). Ook hierop
zijn variaties mogelijk.
Ik wil
nog opmerken dat ook in dit
geval de wettelijke
hoofdverblijfplaats van het
kind aan één ouder moet
worden toegekend. Het kind
moet een vaste domicilie
hebben waarmee het in de
bevolkingsregisters staat
ingeschreven.
Het
gebeurt wel eens dat er een
voorlopige bilocatieregeling
wordt uitgesproken in
afwachting van een betere
regeling na onderzoek van de
feitelijke situatie.
Voorwaarden
die men in acht nam tot toekennen
van de bilocatie waren o.a.:
-
geen grote
geografische afstand tussen
beide ouders;
-
leeftijd van het kind
(het is beter indien het
geen baby meer is);
-
beschikbaarheid van
de ouders;
-
goede verstandhouding
tussen de ouders;
-
…
Tot voor
kort stonden de rechtbanken
erg voorzichtig en zelfs
weigerachtig t.a.v. de
toepassing van de
bilocatieregeling - zeker
indien er geen akkoord was
tussen de partijen - omdat
dan de kinderen zich
voortdurend moeten
verplaatsen en heen en weer
worden verhuisd.
Sinds
de bilocatiewet van 18
juli 2006 is de rechter
verplicht te onderzoeken of
een gelijke huisvesting
mogelijk is, indien één van
de ouders hierom verzoekt.
Of
bilocatie/co-ouderschap
in
het belang van het kind
is complexe vaak delicaat,
waarbij het erg opvallend is
dat de vrouwenbeweging wel
gelijke rechten wil, maar
niet een gelijke
zorgverdelingen van de
kinderen na scheiding.
In de
rechtspraak vinden we
uitzonderlijk weliswaar, een
bijzondere verblijfsregeling
terug die een tijdelijke oplossing kan
bieden, namelijk de regeling
waarbij de ouders
afwisselend bij de kinderen
verblijven en de kinderen in
één huis blijven wonen,
namelijk daar waar ze hun
wettelijke woonplaats
hebben.
Zo
oordeelde bv. de
vrederechter te Bastenaken
dat de rechten van de
echtgenoten op het vlak van
de huisvesting van de
kinderen en de toewijzing
van de echtelijke
verblijfplaats gelijkwaardig
zijn. Nu er geen enkel
argument was om de ene of
andere echtgenoot deze
rechten toe te wijzen,
oordeelde de vrederechter
dat hij de echtgenoten kon
opleggen voor een periode
van drie maanden,
beurtelings twee weken in de
laatste echtelijke
verblijfplaats bij de
kinderen te wonen.
Het kind
verblijft logischerwijze bij
de ouder met het exclusief
ouderschap over dat bepaald
kind. De andere ouder heeft
recht op persoonlijk
contact met het kind en
een recht op toezicht over
de opvoeding. Dit laatste
houdt onder meer in dat deze
ouder nuttige informatie,
bv. inzake de opvoeding, mag
opvragen zowel bij de
gezaghoudende ouder als bij
derden.
Art. 1280, 2de
lid en art. 931 3-7de
lid Ger.W.