f4j.be » verblijfsregeling omgangsgerechtigden      :: Ga naar  
 

f4j.be home


Datum  16/10/06

3.  Verblijfsregeling

  • 3.1  Vorm van de verblijfsregeling

  • 3.2  Omgangsgerechtigden

  • 3.3  Gezinsleven

  • 3.4  Naleving van de verblijfsregeling

  • 3.5  Omgangsplicht

  • 3.2.  Omgangsgerechtigden

    3.2  Omgangsgerechtigden

  • 3.2.  Titularissen van het persoonlijk contactrecht

  • 3.2.1.  Principieel omgangsgerechtigden.

  • 3.2.1.1.  Ouders.

  • 3.2.2.  Grootouders.

  • 3.2.2.  Virtueel omgangsgerechtigden.

  • III.  Modaliteiten van de verblijfsregeling en recht op persoonlijk contact

  • A.  Contactvormen.

  • B.  Duur

  • C.  Plaats.

  • D.  Verplaatsing.

  •  

            

     

    B.  ‘Recht op persoonlijk contact’ 

    1.  Algemeen

    In beginsel is iedere ouder titularis van het recht op persoonlijk contact met zijn kinderen.

    Indien de ouders samenwonen, zal dit geen problemen opleveren want hun recht op contact wordt automatisch opgenomen in hun bewaringsrecht.

    Indien de ouders apart wonen, blijft dit recht op persoonlijk contact bestaan maar zal het moeilijker uit te oefenen zijn. Bij een gezamenlijke ouderlijke gezagsuitoefening wordt dit recht geconcretiseerd in een bepaalde verblijfsregeling en anders benoemd (cfr. supra, p.13).

    Om verwarring te vermijden kan het begrip ‘recht op persoonlijk contact’ het best enkel worden toegepast bij een exclusieve regeling van ouderlijk gezag.

     

            

     

     

    2.  Titularissen van het persoonlijk contactrecht

    Er zijn drie categorieën van personen waaraan de wet een vorderingsrecht toekent:

  • - de ouders (art. 374, 4de lid B.W.)

  • - de grootouders (art. 375bis B.W.)

  • - derden

  •  Het minderjarig kind zelf is geen titularis van het recht op persoonlijk contact, hoewel werd overwogen om dit toch mogelijk te maken via omzetting van artikel 9.3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in Belgisch recht.

     De ouders en grootouders ressorteren onder de principieel omgangsgerechtigden. Derden daarentegen zijn virtueel omgangsgerechtigden.

     

    2.1.  Principieel omgangsgerechtigden

     De principieel omgangsgerechtigden kunnen altijd aanspraak maken op persoonlijk contact met het kind.

     

    2.1.1.  Ouders

     In het geval van de ouders zal enkel in uitzonderlijk ernstige omstandigheden die de belangen van het kind schaden, het contact worden geweigerd. De ouder die het recht op persoonlijk contact niet wil toekennen, zal moeten bewijzen dat dit schadelijk zou zijn voor het kind.

    2.2.2.  Grootouders

    Het is belangrijk op te merken dat in het kader van het recht op persoonlijk contact inzake de grootouders geen concrete uitoefeningsregeling kan worden uitgesproken als de ouders zich niet verzetten tegen het contact van de grootouders met hun kleinkinderen. Dit geldt zowel indien de ouders gehuwd zijn als wanneer ze gescheiden leven. M.a.w. als de ouders gehuwd zijn en ze leven op gespannen voet met de grootouders, wat met zich meebrengt dat deze hun kleinkinderen niet mogen zien, hebben de grootouders het recht om persoonlijk contact te vorderen.

    Indien de ouders uit elkaar zijn, oefenen de grootouders in principe het persoonlijk contactrecht uit via hun zoon of dochter. Wanneer dit wordt belemmerd, kunnen ze ook een vordering tot recht op persoonlijk contact indienen.

    Er is sprake van een subsidiair contactrecht ten opzichte van (één van) de ouders omdat de contact- of omgangsregeling van de grootouders in functie van dat van de ouders moet worden geregeld en zo nodig worden beperkt. Het gaat hier bv. over 1 dag om de 14 dagen of zelfs maar 1 dag in de maand.

    2.2.  Virtueel omgangsgerechtigden

    Deze personen kunnen enkel aanspraak maken op persoonlijk contact met het kind in uitzonderlijke omstandigheden, namelijk als dit door bijzondere omstandigheden het beste zou zijn voor het kind (bv. het hebben van een affectieve band met het kind). Diegene die dan de contactregeling wil bekomen, zal het bewijs van deze bijzondere omstandigheden moeten leveren. Dan nog kan het persoonlijk contact worden geweigerd als dit strijdig zou zijn met het belang van het kind.

    De categorie ‘derden’ is zeer uitgebreid, het gaat van broers/zussen tot pleegouders.

    Het recht van persoonlijk contact van deze groep is subsidiair aan dat van de principieel omgangsgerechtigden.

     

            

     

    III.  Modaliteiten van de verblijfsregeling en recht op persoonlijk contact

    Als de bevoegde rechter de uitoefening van het persoonlijk contact toekent, moet hij de concrete modaliteiten, zoals gegroeid doorheen de rechtspraak, vastleggen. Het betreft o.a. de contactvorm, de duur, de plaats, de regeling omtrent het afhalen en terugbrengen (en bij-horende kosten, enz.).

    Deze modaliteiten worden individueel bepaald, rekening houdend met de omstandigheden waarin het kind zich bevindt en in zijn belang. Ook de psychische toestand van de ouders wordt tegenwoordig vaak in aanmerking genomen.

    Vermits de regeling van het recht op persoonlijk contact in geval van exclusieve uitoefening van het gezag niet veel afwijkt van de secundaire verblijfsregeling in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, worden dezelfde modaliteiten toegepast.

      

    A.  Contactvormen

    Het recht op persoonlijk contact of de secundaire verblijfsregeling kan verschillende vormen aannemen:

  • - ofwel op een directe wijze, bv. de minderjarige thuis ontvangen, bij zich laten verblijven voor een bepaalde periode of een bezoekje brengen

  • - ofwel op indirecte wijze indien direct contact niet mogelijk is omwille van de grote geografische afstand tussen het kind en de contactgerechtigde, bv. schriftelijk en telefonisch contact.

  • Verschillende rechters spelen ook in op de moderne communicatiemiddelen zoals de GSM en de evolutie van het elektronische verkeer. Zo ontstaat het “elektronisch contactrecht”.

    Hiertoe behoort bijvoorbeeld het recht om enkele uren per week met je kinderen te chatten3, te e-mailen of visueel contact te hebben via een webcam.

      

    B.  Duur

     In het kader van een secundair verblijf of verblijf inzake persoonlijk contact wordt meestal gekozen voor het klassieke systeem van de weekend- en vakantieregeling (1 weekend om de 14 dagen en de helft van de vakanties).

    Hierbij treedt een probleem op de voorgrond, namelijk de bepaling van het begintijdstip van het weekend en de vakantie. Begint de vakantie vrijdagavond of maandagmorgen volgend op de laatste schooldag?

    In een arrest probeerde het Hof van Beroep duidelijkheid te scheppen. Het Hof oordeelde dat het eerste weekend dat voor het contactrecht in aanmerking kwam, datgene is dat volledig in de betrokken maand is gelegen (van vrijdag tot en met zondag). Het kind kan zowel vrijdagavond als zaterdagmorgen naar de contactgerechtigde vertrekken. Het is in het belang van het kind om de weekends te benoemen en het beginpunt duidelijk te bepalen zodat hieromtrent geen discussie meer mogelijk is tussen de ouders. Nog volgens het Hof begint de vakantie altijd op de maandag na de laatste schooldag.4

     

    C.  Plaats

     Het meest voorkomend zal de uitoefening van het recht op persoonlijk contact of secundaire huisvestingsrecht plaatsvinden in het huis van de rechthebbende. Soms blijkt een neutrale en veilige ontmoetingsruimte meer geschikt waarbij eventueel deskundige begeleiding wordt voorzien (bv. wanneer het kind wordt getraumatiseerd door de contactgerechtigde ouder of wanneer deze een misdrijf heeft gepleegd, enz.).

    Een voorbeeld van zo een gespecialiseerd centrum is het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk (CAW).

    In speciale gevallen kan het ook voorkomen dat het recht op persoonlijk contact enkel mag worden uitgeoefend in aanwezigheid van een familielid (meestal de grootouders) of een derde of alleen in afwezigheid van bv. de nieuwe partner van de contactgerechtigde ouder.

    D.  Verplaatsing

    In verband met het halen en terugbrengen van de kinderen en de eraan gekoppelde kosten moet een goede regeling worden uitgewerkt. Principieel gaat men ervan uit dat beide ouders een deel van de vervoerskosten betalen maar hier kan men natuurlijk van afwijken.

    In de rechtspraak worden verschillende mogelijkheden gehanteerd om de kinderen van de ene ouder naar de andere te brengen. Het kind wordt bijvoorbeeld door één van de ouders naar de andere gebracht die het kind dan terugbrengt, de ene ouder brengt het kind naar school en wordt na schooltijd afgehaald door de andere, enz.

     

            

      

    IV.  Materieel bevoegde rechtbanken

    De regeling m.b.t. het ouderlijk gezag en het eventueel daarbij horende recht op persoonlijk contact kan zowel gerechtelijk als conventioneel tot stand komen. Dit laatste is het geval bij echtscheiding met onderlinge toestemming waar alles voorafgaand wordt geregeld in de familierechtelijke overeenkomst.

    Als de gezagsuitoefening gerechtelijk moet worden vastgelegd, is in beginsel de jeugdrechtbank bevoegd waarop dan twee uitzonderingen zijn terug te vinden. 

      

            

     

    A.  Gehuwde ouders

    1.  Vóór de echtscheiding

    Vóór de echtscheiding en bij echtelijke problemen beslist de vrederechter over de dringende en voorlopige maatregelen waarbij ook de uitoefening van het ouderlijk gezag en het recht op contact wordt besproken (art. 223, eerste lid, B.W.). Deze beschikking blijft van kracht totdat zij wordt gewijzigd door een uitspraak in kortgeding tijdens de echtscheidingsprocedure of door de jeugdrechter na de echtscheiding. De juridische grondslag hiervoor is artikel 302 van het B.W. Toch wordt in de praktijk aangenomen (maar soms juridisch betwist), dat het ook betrekking heeft op uitspraken van de vrederechter op grond van artikel 223 B.W.

    2.  Tijdens de echtscheiding

    Vanaf de inleiding van de echtscheidingsprocedure is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kortgeding, bevoegd in verband met de voorlopige maatregelen (o.a. inzake ouderlijk gezag en persoonlijk contact).

    De maatregelen i.v.m. het ouderlijk gezag (en de onderhoudsbijdrage), bevolen door de rechter  in kortgeding, blijven gelden nà de echtscheiding en dit op grond van artikel 302 B.W.

    Indien er een familierechterlijke overeenkomst is opgesteld bij een echtscheiding met onderlinge toestemming, wordt deze al dan niet gehomologeerd door de rechter. In deze overeenkomst moeten de ouders een akkoord hebben over o.a. de maatregelen m.b.t de kinderen, huisvesting, onderhoudsgelden, enz.

    3.  Na de echtscheiding

    Na de echtscheiding is de jeugdrechtbank bevoegd voor alle betwistingen inzake ouderlijk gezag.

     

    Art. 387bis B.W. – ‘In alle gevallen, en onverminderd de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding overeenkomstig art. 1280 Ger.W., kan de jeugdrechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of één van hen, dan wel van de procureur des Konings alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen.’

     

            

     

    B.  Niet-gehuwde ouders (feitelijk of wettelijk samenwonenden) 

    In beginsel is ook hier de jeugdrechtbank bevoegd (art. 387 B.W.).

    Het contactrecht van de grootouders en alle andere personen dan de ouders (derden) wordt  altijd bepaald door de jeugdrechtbank.

     

            

     

    C.  Het hoorrecht (-plicht) van de minderjarige

    Het toepassingsgebied van het hoorrecht (van een minderjarige) vindt men in grote mate terug in de echtscheidingsprocedure. Om deze reden vind ik het nuttig om dit kort te bespreken.

    1.  Algemeen

    Sinds de aangepaste echtscheidingswet van 30 juni 1994 5, hebben minderjarige kinderen hoorrecht in een al lopende rechtszaak. Juridisch is dit hoorrecht gebaseerd op art. 931e.v. Ger.W.

    2.  Procedure

    Eerst en vooral is het belangrijk om te weten dat het horen van een minderjarige verbonden is aan een belangrijke voorwaarde: de minderjarige moet over het vereiste onderscheidings-vermogen beschikken. De rechter beoordeelt het al dan niet aanwezig zijn van het gevraagde onderscheidingsvermogen (ongeveer vanaf 7 jaar). Kinderen ouder dan 12 jaar zullen in de meeste gevallen gehoord worden, tenzij in uitzonderlijke omstandigheden.

    Een minderjarige jonger dan 15 jaar mag niet onder ede worden gehoord. Zijn verklaringen gelden enkel als inlichtingen (art. 931, 1ste lid Ger.W).

    Het hoorrecht kan ofwel ambtshalve worden beslist door de rechter vooraleer hij een vonnis uitspreekt, ofwel kan de minderjarige er zelf om verzoeken. 

    Als de rechter het kind uitnodigt (per gerechtsbrief) voor een verhoor, kan dit enkel met de toestemming van het kind. Als dit weigert, kan het dus niet worden gedwongen.

    Er kan geen beroep worden aangetekend tegen dit initiatief van de rechter door bv. de ouders.

    In het geval de minderjarige er om verzoekt, richt hij zijn verzoek per eigenhandig geschreven brief aan de bevoegde rechter, aan de griffier of aan de procureur des Konings.

    Dit verzoek kan enkel worden geweigerd bij een speciaal gemotiveerde beschikking, namelijk  de afwezigheid van het vereiste onderscheidingsvermogen van de minderjarige. Tegen deze rechterlijke weigering kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

    Indien de rechter op het verzoek ingaat, wordt de minderjarig in de meeste gevallen persoonlijk gehoord door de rechter zelf of door een persoon aangewezen door de rechter (bv. een maatschappelijk assistent of kinderpsycholoog).

    Het verhoor vindt plaats op een locatie die de rechter bepaalt en waarbij de ouders niet aanwezig zijn. Eventueel kan de rechter in het belang van het kind beslissen dat het wordt bijgestaan door een advocaat of een andere vertrouwenspersoon.

    Er wordt een proces-verbaal van dit ‘persoonlijk’ onderhoud  opgemaakt (enkel de ervaringen van het kind zonder eventuele beïnvloeding van de ouders) en gevoegd bij het dossier van de rechtspleging. De ouders mogen dit verslag in principe niet lezen.

    Na het verhoor heeft de rechter normaal een beter zicht gekregen op de situatie en leefomgeving van het kind. Zodoende kan hij een juister/preciezer oordeel vellen in ‘het belang van het kind’. Maar in ieder geval zal het kind niet kunnen beslissen bij wie het verblijft. Meestal houdt de rechter wel rekening met de wensen en noden van het kind maar enkel in die gevallen waar er geen sprake is van manipulatie door één van de ouders. 

    Er moet gewezen worden op het feit dat door het horen van de minderjarige deze geen partij in het geschil wordt.

    De kosten van het verhoor worden gedeeld door de ouders.

    De omstandigheden waarin kinderen kunnen gehoord worden, zijn opgenomen in de wet.

     

            

     

    3.  Hoorplicht of -recht?

     

    3.1.  Jeugdrechtbank

    In geval van een geschil inzake ouderlijk gezag is de jeugdrechtbank verplicht de betrokken minderjarige vanaf 12 jaar op te roepen en te horen. De juridische grondslag hiervoor is art. 56bis van de Wet op de Jeugdbescherming. Indien het kind jonger is dan 12 spreekt men over een hoormogelijkheid. Het is de jeugdrechter die beslist of het al dan niet horen van de minderjarige is aangewezen.

    3.2.  Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg

    Indien hier een geschil omtrent het ouderlijk gezag en/of recht op persoonlijk contact wordt behandeld, bestaat er enkel het gemeenrechtelijk hoorrecht, geen hoorplicht.6

    Hoe dit juist in zijn werk gaat, wordt onder punt 2 (procedure) besproken.

    3.3.  Vredegerecht

    In dit geval geldt hetzelfde als bij een geschil voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg met het enige verschil dat het niet uitdrukkelijk in de wet is bepaald.

     

            

     


    2 Vred. Bastenaken 3 mei 1996, J.L.M.B 1996, 979 in G., BAETEMAN, J., GERLO, E., GULDIX, A., WYLLEMAN, G., VERSCHELDEN en S., BROUWERS, “Personen- en familierecht 1995-2000”, T.P.R. 2001, (1551) 1947

    3 Op 26 juni 2004 publiceerde De Standaard een artikel inzake het ‘chatrecht’. De vader had zijn recht om te chatten met zijn kinderen in de familierechterlijke overeenkomst (opgesteld bij echtscheiding onderlinge toestemming) laten opnemen. Hierdoor verwerft hij een bepaalde zekerheid omdat dit recht nu afdwingbaar is. Dit was de eerste keer dat dit in Vlaanderen werd toegekend.  

    4 Gent 15 november 1999, T.J.K. 2000, 34 noot G. Decock

    5 B.S. 21 juli 1994, in werking getreden op 1 oktober 1994

    6 Art. 1280, 2de lid en art. 931 3-7de lid Ger.W.

     

            

    Verwante links:  

     
    Datum   Type Titel Bron
    08/11/05 document Omaverdriet reportage omgangsrecht voor grootouders Recht V Antwoord

     

          

    Verwante links:  

    Datum   Type Titel Bron
    20/11/89 document art. 3 IVRK -belang v kind is steeds de eerste overweging - Belgische Wet
    20/11/89 document art. 18 IVRK -beide ouders verantwoordelijk voor opvoeding Belgische Wet
    20/11/89 document art. 8 IVRK -behoud van familiebetrekkingen - Belgische Wet
    20/11/89 document art. 9§3 IVRK -frequent & regelmatig contact met ouderS - Belgische Wet
    20/11/89 document art. 7§1 IVRK -recht op verzorging door de ouderS - Belgische Wet
    04/10/50 document art. 8 EVRM -recht op familie- en gezinsleven- Belgische Wet
    21/02/02 document art. 10 grondwet -alle Belgen man/vrouw gelijk voor d wet- Belgische Wet
    21/02/02 document art. 11 grondwet - geen discriminatie - Belgische Wet
    23/03/00 document art. 22bis grondwet -eerbiedig integriteit v/h kind - Belgische Wet
    04/09/06 document aanpassing art. 374 BW -de bilocatiewet van 04/09/2006- Belgische Wet
    13/04/95 document art. 374 BW - gescheiden ouders blijven gezag behouden - Belgische Wet
    13/04/95 document art. 373 BW - gescheiden ouders handelen samen o gezag- Belgische Wet
    13/04/95 document art. 203 BW -ouderS zorgen naar evenredig v middelen voor huisvesting levensonderhoud toezicht opvoeding opleiding Belgische Wet
    17/03/01 document art. 432 Sw -zware straffen voorzien schending familieleven Belgische Wet

          

    Verwante links:

     
    Datum   Type Titel Bron
             

     

            


    bij favorieten  E-mail paginalink
    suggestie/opmerking? print selectie
     
    f4j.be bilocatiewet co-ouderschap gezagsco-ouderschap verblijfsco- ouderschap omgangsrecht het belang van het kind Ouderschap echtscheiding scheiding samenwonende ouders kinderen moeder vader verblijfsregeling alimentatie onderhoudsgeld opvoeding ouderlijk gezag hoederecht bezoekrecht Bemiddeling gelijkmatig verdeelde huisvesting vechtscheiding oudervervreemding kindermishandeling ouderverstoting parental alienation papa mama familierecht.