3. Verblijfsregeling
3.1 Vorm
van de verblijfsregeling
3.2
Omgangsgerechtigden
3.3
Gezinsleven
3.4
Naleving van de
verblijfsregeling
3.5
Omgangsplicht
3.2
Omgangsgerechtigden
3.2.
Titularissen van het
persoonlijk contactrecht
3.2.1.
Principieel
omgangsgerechtigden.
3.2.1.1.
Ouders.
3.2.2.
Grootouders.
3.2.2.
Virtueel
omgangsgerechtigden.
III.
Modaliteiten van de
verblijfsregeling en
recht op persoonlijk
contact
A.
Contactvormen.
B.
Duur
C.
Plaats.
D.
Verplaatsing.
1.
Algemeen
In
beginsel is iedere ouder
titularis van het recht op
persoonlijk contact met zijn
kinderen.
Indien de
ouders samenwonen, zal dit
geen problemen opleveren
want hun recht op contact
wordt automatisch opgenomen
in hun bewaringsrecht.
Indien de
ouders apart wonen,
blijft dit recht op
persoonlijk contact bestaan
maar zal het moeilijker uit
te oefenen zijn. Bij een
gezamenlijke ouderlijke
gezagsuitoefening wordt dit
recht geconcretiseerd in een
bepaalde verblijfsregeling
en anders benoemd (cfr.
supra, p.13).
Om
verwarring te vermijden kan
het begrip ‘recht op
persoonlijk contact’ het
best enkel worden toegepast
bij een exclusieve regeling
van ouderlijk gezag.
Er zijn
drie categorieën van
personen waaraan de wet een
vorderingsrecht toekent:
- de ouders (art.
374, 4de lid B.W.)
-
de grootouders (art. 375bis
B.W.)
-
derden
Het
minderjarig kind zelf is
geen titularis van het recht
op persoonlijk contact,
hoewel werd overwogen om dit
toch mogelijk te maken via
omzetting van artikel 9.3
van het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten
van het Kind in Belgisch
recht.
De ouders
en grootouders ressorteren
onder de principieel
omgangsgerechtigden. Derden
daarentegen zijn virtueel
omgangsgerechtigden.
De
principieel
omgangsgerechtigden kunnen
altijd aanspraak maken op
persoonlijk contact met het
kind.
In het
geval van de ouders zal
enkel in uitzonderlijk
ernstige omstandigheden die
de belangen van het kind
schaden, het contact worden
geweigerd. De ouder die het
recht op persoonlijk contact
niet wil toekennen, zal
moeten bewijzen dat dit
schadelijk zou zijn voor het
kind.
Het is
belangrijk op te merken dat
in het kader van het recht
op persoonlijk contact
inzake de grootouders geen
concrete
uitoefeningsregeling kan
worden uitgesproken als
de ouders zich niet
verzetten tegen het contact
van de grootouders met hun
kleinkinderen. Dit geldt
zowel indien de ouders
gehuwd zijn als wanneer ze
gescheiden leven. M.a.w. als
de ouders gehuwd zijn en ze
leven op gespannen voet met
de grootouders, wat met zich
meebrengt dat deze hun
kleinkinderen niet mogen
zien, hebben de grootouders
het recht om persoonlijk
contact te vorderen.
Indien de
ouders uit elkaar zijn,
oefenen de grootouders in
principe het persoonlijk
contactrecht uit via hun
zoon of dochter. Wanneer dit
wordt belemmerd, kunnen ze
ook een vordering tot recht
op persoonlijk contact
indienen.
Er is
sprake van een subsidiair
contactrecht ten opzichte
van (één van) de ouders
omdat de contact- of
omgangsregeling van de
grootouders in functie van
dat van de ouders moet
worden geregeld en zo nodig
worden beperkt. Het gaat
hier bv. over 1 dag om de 14
dagen of zelfs maar 1 dag in
de maand.
Deze
personen kunnen enkel
aanspraak maken op
persoonlijk contact met het
kind in uitzonderlijke
omstandigheden, namelijk als
dit door bijzondere
omstandigheden het beste zou
zijn voor het kind (bv. het
hebben van een affectieve
band met het kind). Diegene
die dan de contactregeling
wil bekomen, zal het bewijs
van deze bijzondere
omstandigheden moeten
leveren. Dan nog kan het
persoonlijk contact worden
geweigerd als dit strijdig
zou zijn met het belang van
het kind.
De
categorie ‘derden’ is zeer
uitgebreid, het gaat van
broers/zussen tot
pleegouders.
Het recht
van persoonlijk contact van
deze groep is subsidiair aan
dat van de principieel
omgangsgerechtigden.
Als de
bevoegde rechter de
uitoefening van het
persoonlijk contact toekent,
moet hij de concrete
modaliteiten, zoals gegroeid
doorheen de rechtspraak,
vastleggen. Het betreft o.a.
de contactvorm, de duur, de
plaats, de regeling omtrent
het afhalen en terugbrengen
(en bij-horende kosten,
enz.).
Deze
modaliteiten worden
individueel bepaald,
rekening houdend met de
omstandigheden waarin het
kind zich bevindt en in zijn
belang. Ook de psychische
toestand van de ouders wordt
tegenwoordig vaak in
aanmerking genomen.
Vermits
de regeling van het recht op
persoonlijk contact in geval
van exclusieve uitoefening
van het gezag niet veel
afwijkt van de secundaire
verblijfsregeling in geval
van gezamenlijke
gezagsuitoefening, worden
dezelfde modaliteiten
toegepast.
Het recht
op persoonlijk contact of de
secundaire verblijfsregeling
kan verschillende vormen
aannemen:
- ofwel op een directe
wijze, bv. de minderjarige
thuis ontvangen, bij zich
laten verblijven voor een
bepaalde periode of een
bezoekje brengen
-
ofwel op indirecte
wijze indien direct contact
niet mogelijk is omwille van
de grote geografische
afstand tussen het kind en
de contactgerechtigde, bv.
schriftelijk en telefonisch
contact.
Verschillende rechters
spelen ook in op de moderne
communicatiemiddelen zoals
de GSM en de evolutie van
het elektronische verkeer.
Zo ontstaat het
“elektronisch contactrecht”.
Hiertoe
behoort bijvoorbeeld het
recht om enkele uren per
week met je kinderen te
chatten,
te e-mailen of visueel
contact te hebben via een
webcam.
In het
kader van een secundair
verblijf of verblijf inzake
persoonlijk contact wordt
meestal gekozen voor het
klassieke systeem van de
weekend- en vakantieregeling
(1 weekend om de 14 dagen en
de helft van de vakanties).
Hierbij
treedt een probleem op de
voorgrond, namelijk de
bepaling van het
begintijdstip van het
weekend en de vakantie.
Begint de vakantie
vrijdagavond of
maandagmorgen volgend op de
laatste schooldag?
In een
arrest probeerde het Hof van
Beroep duidelijkheid te
scheppen. Het Hof oordeelde
dat het eerste weekend dat
voor het contactrecht in
aanmerking kwam, datgene is
dat volledig in de betrokken
maand is gelegen (van
vrijdag tot en met zondag).
Het kind kan zowel
vrijdagavond als
zaterdagmorgen naar de
contactgerechtigde
vertrekken. Het is in het
belang van het kind om de
weekends te benoemen en het
beginpunt duidelijk te
bepalen zodat hieromtrent
geen discussie meer mogelijk
is tussen de ouders. Nog
volgens het Hof begint de
vakantie altijd op de
maandag na de laatste
schooldag.
Het meest
voorkomend zal de
uitoefening van het recht op
persoonlijk contact of
secundaire huisvestingsrecht
plaatsvinden in het huis van
de rechthebbende. Soms
blijkt een neutrale en
veilige ontmoetingsruimte
meer geschikt waarbij
eventueel deskundige
begeleiding wordt voorzien (bv.
wanneer het kind wordt
getraumatiseerd door de
contactgerechtigde ouder of
wanneer deze een misdrijf
heeft gepleegd, enz.).
Een
voorbeeld van zo een
gespecialiseerd centrum is
het Centrum voor Algemeen
Welzijnswerk (CAW).
In
speciale gevallen kan het
ook voorkomen dat het recht
op persoonlijk contact enkel
mag worden uitgeoefend in
aanwezigheid van een
familielid (meestal de
grootouders) of een derde of
alleen in afwezigheid van
bv. de nieuwe partner van de
contactgerechtigde ouder.
In
verband met het halen en
terugbrengen van de kinderen
en de eraan gekoppelde
kosten moet een goede
regeling worden uitgewerkt.
Principieel gaat men ervan
uit dat beide ouders een
deel van de vervoerskosten
betalen maar hier kan men
natuurlijk van afwijken.
In de
rechtspraak worden
verschillende mogelijkheden
gehanteerd om de kinderen
van de ene ouder naar de
andere te brengen. Het kind
wordt bijvoorbeeld door één
van de ouders naar de andere
gebracht die het kind dan
terugbrengt, de ene ouder
brengt het kind naar school
en wordt na schooltijd
afgehaald door de andere,
enz.
De
regeling m.b.t. het
ouderlijk gezag en het
eventueel daarbij horende
recht op persoonlijk contact
kan zowel gerechtelijk als
conventioneel tot stand
komen. Dit laatste is het
geval bij echtscheiding met
onderlinge toestemming waar
alles voorafgaand wordt
geregeld in de
familierechtelijke
overeenkomst.
Als de
gezagsuitoefening
gerechtelijk moet worden
vastgelegd, is in beginsel
de jeugdrechtbank bevoegd
waarop dan twee
uitzonderingen zijn terug te
vinden.
Vóór de echtscheiding
en bij echtelijke problemen
beslist de vrederechter over
de dringende en voorlopige
maatregelen waarbij ook de
uitoefening van het
ouderlijk gezag en het recht
op contact wordt besproken (art.
223, eerste lid, B.W.). Deze
beschikking blijft van
kracht totdat zij wordt
gewijzigd door een uitspraak
in kortgeding tijdens de
echtscheidingsprocedure of
door de jeugdrechter na de
echtscheiding. De juridische
grondslag hiervoor is
artikel 302 van het B.W.
Toch wordt in de praktijk
aangenomen (maar soms
juridisch betwist), dat het
ook betrekking heeft op
uitspraken van de
vrederechter op grond van
artikel 223 B.W.
Vanaf de
inleiding van de
echtscheidingsprocedure
is de
voorzitter van de rechtbank
van eerste aanleg, zetelend
in kortgeding, bevoegd in
verband met de voorlopige
maatregelen (o.a. inzake
ouderlijk gezag en
persoonlijk contact).
De
maatregelen i.v.m. het
ouderlijk gezag (en de
onderhoudsbijdrage), bevolen
door de rechter
in kortgeding, blijven
gelden nà de echtscheiding
en dit op grond van artikel
302 B.W.
Indien er
een familierechterlijke
overeenkomst is opgesteld
bij een echtscheiding met
onderlinge toestemming,
wordt deze al dan niet
gehomologeerd door de
rechter. In deze
overeenkomst moeten de
ouders een akkoord hebben
over o.a. de maatregelen
m.b.t de kinderen,
huisvesting,
onderhoudsgelden, enz.
Na de echtscheiding
is de jeugdrechtbank bevoegd
voor alle betwistingen
inzake ouderlijk gezag.
Art. 387bis B.W. –
‘In alle
gevallen, en onverminderd de
bevoegdheid van de
voorzitter van de rechtbank
van eerste aanleg,
rechtsprekend in kort geding
overeenkomstig art. 1280
Ger.W., kan de
jeugdrechtbank in het belang
van het kind, op verzoek van
beide ouders of één van hen,
dan wel van de procureur des
Konings alle beschikkingen
met betrekking tot het
ouderlijk gezag opleggen of
wijzigen.’
In
beginsel is ook hier de
jeugdrechtbank bevoegd (art.
387 B.W.).
Het
contactrecht van de
grootouders en alle andere
personen dan de ouders
(derden) wordt altijd
bepaald door de
jeugdrechtbank.
Het
toepassingsgebied van het
hoorrecht (van een
minderjarige) vindt men in
grote mate terug in de
echtscheidingsprocedure. Om
deze reden vind ik het
nuttig om dit kort te
bespreken.
1.
Algemeen
Sinds de
aangepaste echtscheidingswet
van 30 juni 1994
, hebben
minderjarige kinderen
hoorrecht in een al lopende
rechtszaak. Juridisch is dit
hoorrecht gebaseerd op art.
931e.v. Ger.W.
2.
Procedure
Eerst en vooral is het
belangrijk om te weten dat
het horen van een
minderjarige verbonden is
aan een belangrijke
voorwaarde: de minderjarige
moet over het vereiste
onderscheidings-vermogen
beschikken. De rechter
beoordeelt het al dan niet
aanwezig zijn van het
gevraagde
onderscheidingsvermogen
(ongeveer vanaf 7 jaar).
Kinderen ouder dan 12 jaar
zullen in de meeste gevallen
gehoord worden, tenzij in
uitzonderlijke
omstandigheden.
Een minderjarige jonger dan
15 jaar mag niet onder ede
worden gehoord. Zijn
verklaringen gelden enkel
als inlichtingen (art. 931,
1ste lid Ger.W).
Het
hoorrecht kan ofwel
ambtshalve worden beslist
door de rechter vooraleer
hij een vonnis uitspreekt,
ofwel kan de minderjarige er
zelf om verzoeken.
Als de
rechter het kind uitnodigt
(per gerechtsbrief) voor een
verhoor, kan dit enkel met
de toestemming van het kind.
Als dit weigert, kan het dus
niet worden gedwongen.
Er kan
geen beroep worden
aangetekend tegen dit
initiatief van de rechter
door bv. de ouders.
In het
geval de minderjarige er om
verzoekt, richt hij zijn
verzoek per eigenhandig
geschreven brief aan de
bevoegde rechter, aan de
griffier of aan de procureur
des Konings.
Dit
verzoek kan enkel worden
geweigerd bij een speciaal
gemotiveerde beschikking,
namelijk de afwezigheid van
het vereiste
onderscheidingsvermogen van
de minderjarige. Tegen deze
rechterlijke weigering kan
geen rechtsmiddel worden
aangewend.
Indien de
rechter op het verzoek
ingaat, wordt de minderjarig
in de meeste gevallen
persoonlijk gehoord door de
rechter zelf of door een
persoon aangewezen door de
rechter (bv. een
maatschappelijk assistent of
kinderpsycholoog).
Het
verhoor vindt plaats op een
locatie die de rechter
bepaalt en waarbij de ouders
niet aanwezig zijn.
Eventueel kan de rechter in
het belang van het kind
beslissen dat het wordt
bijgestaan door een advocaat
of een andere
vertrouwenspersoon.
Er wordt
een proces-verbaal van dit
‘persoonlijk’ onderhoud
opgemaakt (enkel de
ervaringen van het kind
zonder eventuele
beïnvloeding van de ouders)
en gevoegd bij het dossier
van de rechtspleging. De
ouders mogen dit verslag in
principe niet lezen.
Na het
verhoor heeft de rechter
normaal een beter zicht
gekregen op de situatie en
leefomgeving van het kind.
Zodoende kan hij een
juister/preciezer oordeel
vellen in ‘het belang van
het kind’. Maar in ieder
geval zal het kind niet
kunnen beslissen bij wie het
verblijft. Meestal houdt de
rechter wel rekening met de
wensen en noden van het kind
maar enkel in die gevallen
waar er geen sprake is van
manipulatie door één van de
ouders.
Er moet
gewezen worden op het feit
dat door het horen van de
minderjarige deze geen
partij in het geschil wordt.
De kosten
van het verhoor worden
gedeeld door de ouders.
De omstandigheden waarin
kinderen kunnen gehoord
worden, zijn opgenomen in de
wet.
In geval
van een geschil inzake
ouderlijk gezag is de
jeugdrechtbank verplicht
de betrokken minderjarige
vanaf 12 jaar op te roepen
en te horen. De juridische
grondslag hiervoor is art.
56bis van de Wet op
de Jeugdbescherming. Indien
het kind jonger is dan 12
spreekt men over een
hoormogelijkheid. Het is de
jeugdrechter die beslist of
het al dan niet horen van de
minderjarige is aangewezen.
Indien
hier een geschil omtrent het
ouderlijk gezag en/of recht
op persoonlijk contact wordt
behandeld, bestaat er enkel
het gemeenrechtelijk
hoorrecht, geen hoorplicht.
Hoe dit
juist in zijn werk gaat,
wordt onder punt 2
(procedure) besproken.
In dit
geval geldt hetzelfde als
bij een geschil voor de
voorzitter van de rechtbank
van eerste aanleg met het
enige verschil dat het niet
uitdrukkelijk in de wet is
bepaald.