3.1
DE MOGELIJKHEDEN TOT
HANDHAVING
Het is
geen uitzondering dat
gerechtelijke uitspraken in
verband met het ouderlijk
gezag en het recht op
persoonlijk contact niet
worden nageleefd. Het zijn
delicate kwesties die niet
eenvoudig af te dwingen zijn
vermits het om kinderen gaat
wiens belangen zeker niet
mogen worden geschaad.
In dit
hoofdstuk bespreek ik
de verschillende
handhavingmogelijkheden die
een titularis van het
contactrecht zoal kan
aanwenden wanneer er wordt
geweigerd de kinderen af te
geven.
Hierbij
hanteer ik het begrip
‘contactrecht’ als algemene
term voor zowel het recht op
persoonlijk contact (ingeval
van een exclusieve
gezagsuitoefening) als voor
het recht op omgang met het
kind in navolging van de
verblijfsregeling bij
gezamenlijke uitoefening van
het gezag.
Hoe kan
men dit contactrecht
afdwingen?
Als
eerste mogelijkheid behandel
ik de rechtstreeks gedwongen
uitvoering of reële
executie. Het
‘rechtstreekse’ volgt uit
het feit dat de schuldenaar
daadwerkelijk wordt
gedwongen de vooropgestelde
prestatie(s) te verrichten.
Directe
executie vindt altijd plaats
na vonnissen die iemand niet
veroordelen tot het betalen
van een geldsom. Ze kunnen
onmiddellijk na de
betekening van het vonnis of
homologatie van de
familierechterlijke
overeenkomst (echtscheiding
met onderlinge toestemming)
worden uitgevoerd.
Bij
onrechtstreeks gedwongen
uitvoeringsmogelijkheden
zoals bevel, beslag of
verkoop vinden we
verschillende fases terug
die hier niet worden
toegepast.
Als één
van de ouders weigert het
kind af te staan aan de
titularis van het
contactrecht overeenkomstig
de vastgelegde rechterlijke
modaliteiten, kan de
titularis vragen om
over te gaan tot de
gedwongen uitvoering van de
rechterlijke uitspraak.
Vermits hij niet zelf tot de
uitvoering mag overgaan, zal
hij beroep doen op de
overheid meer bepaald op een
gerechtsdeurwaarder. De
gerechtsdeurwaarder kan zo
nodig worden bijgestaan door
de openbare macht (politie).
De
gerechtsdeurwaarders zelf
pleiten voor een meer
sociaal-psychologisch
verantwoorde aanpak bij de
uitvoering van de vonnissen
in verband met het
contactrecht. Zij zijn van
mening dat wanneer ze worden
bijgestaan door de openbare
macht dit alleen maar
traumatiserend en
stigmatiserend werkt t.a.v
de kinderen. Ze verkiezen
eerder de bijstand van een
sociaal assistent.
Vooraleer
de contactgerechtigde ouder
een gerechtsdeurwaarder kan
inschakelen, moet hij
beschikken over de uitgifte
van een uitvoerbare titel
voorzien van een formulier
van tenuitvoerlegging.
Deze
uitgifte van een uitvoerbare
titel is een afschrift van
een rechterlijke beslissing
of authentieke akte die een
titel bevat waarin het
vorderingsrecht of
uitdrukkelijke machtiging
tot reële executie wordt
erkend.
De
daadwerkelijke
tenuitvoerlegging kan dan
ook enkel betrekking hebben
op het beschreven
vorderingsrecht in de
uitvoerbare titel.
Er kan
niet worden overgegaan tot
tenuitvoerlegging van de
rechterlijke beslissing
indien deze nog vatbaar is
voor verzet of hoger beroep
tenzij de rechterlijke
beslissing voorlopig
uitvoerbaar werd verklaard.
De
gerechtsdeurwaarder moet in
eerste instantie het vonnis
aan de onwillige ouder
betekenen. Samen met de
betekening wordt aan de
weigerende partij ook het
bevel gegeven tot nakoming
van zijn verplichtingen (zie
bijlage 1 ‘Betekening’). Het
vonnis geeft een termijn aan
binnen dewelke de
verplichting, namelijk het
afgeven van de kinderen,
moet worden nagekomen.
Indien
dit niet gebeurt, kan de
deurwaarder overgaan tot
uitvoering van het
vorderingsrecht bepaald in
het vonnis. Hij zal een P.V.
van vaststelling of
uitvoering opmaken (zie
bijlage 2 ‘P.V. van
vaststelling’).
De
deurwaarder mag niet
uitvoeren tussen 21u en 6u
of op zaterdag, zon- en
feestdagen.
In het
geval er geen gevolg wordt
gegeven aan een betekening -
bevel tot naleving van het
contactrecht, kan
de deurwaarder zo nodig
overgaan tot het leggen van
uitvoerend beslag om de
kosten van de vruchteloze
betekening en eventueel van
het proces-verbaal van
vaststelling terug te
vorderen.
Als er
betwistingen ontstaan inzake
tenuitvoerlegging is de
rechtbank van eerste aanleg
bevoegd.
In
principe is de gedwongen
tenuitvoerlegging toegestaan
maar de rechter kan dit ten
alle tijde verbieden.
Zoals
eerder vermeld moeten de
regelingen betreffende het
ouderlijk gezag en het recht
op persoonlijk contact
worden bepaald en
uitgeoefend in ‘het belang
van het kind’. De rechter is
bevoegd om de gedwongen
uitvoering uit te sluiten
wegens psychologische
redenen of de leeftijd van
het kind.
Zo
bepaalt een belangrijk
Cassatiearrest dat als
een kind met een zeker
onderscheidings- vermogen,
zelf het contact of de
omgang met de
contactgerechtigde weigert,
de rechter een vonnis kan
uitspreken waarin hij het
gebruik van uitvoerings-
en/of dwangmaatregelen tegen
het kind verbiedt.
De
gedwongen uitvoering werd
tot enkele jaren geleden
aanzien als de enige ‘echte’
uitvoering van het
contactrecht. De
gerechtsdeurwaarder was toen
nog bevoegd om de kinderen
zo nodig manu militari (met
dwang) mee te nemen.
Sinds de
Vaste Raad van de Nationale
Kamer van
Gerechtsdeurwaarders
de richtlijn in
verband met het ‘manu
militari’ weghalen van
kinderen goedkeurde, treedt
een belangrijke verandering
op de voorgrond.
De eerste
alinea van deze richtlijn
bepaalt:
“In
geval van weigering, is het
de gerechtsdeurwaarders niet
toegelaten de beslissing
manu militari uit te voeren.
Hij beperkt zich tot het
opmaken van een vaststelling
en beëindigt zijn
werkzaamheden …”
Tegenwoordig is het dus
minder eenvoudig om via een
deurwaarder het contactrecht
af te dwingen. Na de
betekening van het vonnis en
het bevel tot nakomen van de
verplichting doet hij enkel
nog een vaststelling van de
overtreding van het
niet-afgeven van de kinderen
en brengt dit ter kennis van
het parket indien er sprake
is van een inbreuk op de
strafwet (art. 29 Sv.). Het
parket heeft dan de opdracht
ofwel de openbare orde te
herstellen ofwel te oordelen
dat ‘het belang van het
kind’ primeert op de begane
overtreding waarna er geen
verdere stappen worden
ondernomen.
Het
gevolg van de concrete
toepassing van deze
richtlijn zou zijn dat een
rechterlijke uitspraak niet
meer ten uitvoer kan worden
gelegd wat in principe niet
aanvaardbaar is.
Enkele
jaren geleden heeft een
vader de Nationale Kamer van
de Gerechtsdeurwaarders en
de Belgische Staat (in de
persoon van de minister van
Justitie) gedagvaard. De
vader had beroep gedaan op
een deurwaarder omdat zijn
recht op persoonlijk contact
niet werd gerespecteerd door
de moeder. Deze deurwaarder
zou volgens het
dagvaardingsexploot van de
vader, hebben gezegd dat hij
de titel waarover de vader
beschikte niet kon uitvoeren
omwille van de nieuwe
richtlijn betreffende het
‘manu militari’ uitvoeren.
De vader
eiste de intrekking (of
minstens de schorsing) van
die bepaalde richtlijn van
de Nationale Kamer van
Gerechtsdeurwaarders.
Deze
procedure werd gevoerd voor
de voorzitter van de
rechtbank van eerste aanleg,
zetelend in kortgeding, te
Brugge (25 oktober 2000)
maar liep niet goed af want
deze verklaarde zich
onbevoegd. Uiteraard
veroorzaakte deze zaak veel
ophef. Weer werd er trouwens
geen concreet antwoord
verstrekt op de vraag of
de daartoe aangezochte
gerechtsdeurwaarder, die
vaststelt dat de regeling
i.v.m. het contactrecht niet
wordt gerespecteerd, fysieke
dwang mag gebruiken (‘het
kind grijpen’) om de
naleving van de regeling af
te dwingen.
Het is
niet duidelijk voor de
gerechtsdeurwaarders wat ze
nu wel of niet mogen doen en
in welke mate ze het begrip
‘dwang’ moeten
interpreteren. Deze
moeilijkheid ontstaat omdat
de gedwongen uitvoering niet
wettelijk is
gereglementeerd. Wel
vermeldt de wet dat de
deurwaarder bevoegd is om
een vonnis uit te voeren en
verplicht is daartoe zijn
ambt te verlenen maar hoe ze
daarbij juist te werk moeten
gaan is een groot
vraagteken.
Enkele
procureurs–generaal hebben
in de vorm van omzendbrieven
aangemaand om vooral
voorzichtig te werk te gaan.
Bij de uitvoering van
rechterlijke beslissingen
betreffende het contactrecht
moet elke vorm van geweld
die onverenigbaar is met de
belangen van het kind,
worden vermeden. Het kan een
trauma veroorzaken bij het
jonge kind.
In zijn
arrest van 7 maart 1975
erkende het Hof van Cassatie
een algemeen rechtsbeginsel,
omschreven als “het verbod
van dwanguitvoering tegen de
persoon en van het
binnendringen in het gebied
van de persoonlijkheid.”
Dit
rechtsbeginsel vertoont
verschillende aspecten zoals
o.a. de bewegingsvrijheid,
het verbod van fysieke dwang
op de persoon van de
schuldenaar en het recht op
eerbiediging van de
lichamelijke integriteit en
de menselijke waardigheid.
De fysieke integriteit wordt
beschermd door art. 8 van
het E.V.R.M. en een
aantasting ervan wordt enkel
toegelaten
indien:
-
dit door de wet is
voorzien;
-
dit nodig is in het
belang van de samenleving
(bv. veiligheid van het
land,
bescherming van de openbare
orde, enz.).
‘Dit wil
niet zeggen dat indien de
wet zou voorzien in de
gedwongen uitvoering, manu
militari, deze dan ook ten
alle tijden mag worden
toegepast. Het ligt niet
automatisch vervat in de
rechterlijke beslissing tot
contactrecht maar de rechter
moet het uitdrukkelijk
bevelen.’
In tegenstelling tot de
vorige besproken
mogelijkheid tot handhaving,
is de dwangsom een indirect
of onrechtstreeks
uitvoeringsmiddel,
meer bepaald een bijkomende
veroordeling tot het betalen
van een geldsom (~
burgerlijke boete) door de
schuldenaar opdat deze zijn
hoofdveroordeling zou
nakomen. Dit drukkingsmiddel
wordt opgelegd ofwel per dag
vertraging dat een ouder
zich niet aan de
contactregeling houdt ofwel
per overtreding van de
veroordeling.
De dwangsom is geen
schadevergoeding of
strafrechterlijke sanctie
maar een drukkingsmiddel van
burgerlijke aard met
concreet effect indien het
bedrag voldoende hoog is.
Het verbeuren
van een dwangsom gebeurt op
één voorwaarde namelijk
wanneer de veroordeelde zijn
hoofdveroordeling niet
behoorlijk uitvoert.
In het familierecht in ruime
zin, is het opleggen van een
dwangsom enkel wenselijk in
het kader van de uitvoering
van het ouderlijk gezag en
het recht op
persoonlijk contact.
Meer bepaald in
situaties waarbij de
hoofdveroordeling de
veroordeelde partij
aanspoort zijn
verplichtingen inzake het
ouderlijk gezag of het recht
op persoonlijk contact na te
komen, kan de rechter een
dwangsom opleggen op
uitdrukkelijk verzoek van
(één van) beide ouders.
Hij zal dit algemeen
rechtsmiddel toestaan zodat
de naleving van de
door de rechtbank opgelegde
modaliteiten
beter worden gerespecteerd
en kunnen worden verzekerd.
Eerst en vooral gaat hij na
of deze maatregel
noodzakelijk is. Als
op het moment van de
beoordeling niet voldoende
bewijs wordt geleverd
betreffende het risico van
niet-afgifte van het kind,
wijst de rechter meestal de
gevorderde dwangsom af. In
het geval de toepassing van
de dwangsom toch wordt
toegelaten, kan deze worden
opgelegd zowel aan de ouder
met het ouderlijk gezag als
aan de titularis van het
recht op persoonlijk
contact. Het is de taak van
de rechter om de
modaliteiten van de dwangsom
te bepalen: gedurende welke
periode loopt de dwangsom,
het bedrag, enz.
De
rechter kan de dwangsom niet
ambtshalve opleggen maar wel
ambtshalve verhogen.
Ook hier
kan de gerechtsdeurwaarder
optreden, namelijk als de
verschuldigde dwangsom niet
wordt betaald. Nadat hij een
vaststelling van
niet-afgifte van de kinderen
heeft gedaan, kan de
gerechtsdeurwaarder de
dwangsom opeisen en zo nodig
beslag leggen.
Vóór de
invoering van de dwangsom
was de gedwongen uitvoering
van het contactrecht bij
niet- naleving ervan, de
meest voor de hand liggende
oplossing.
Tegenwoordig is de dwangsom
een algemeen aanvaard en
doeltreffend middel. De
toepassing van dit middel
bevindt zich meer in het
kader van ‘het belang van
het kind’. Het opleggen van
een dwangsom aan één van de
ouders is minder ingrijpend
voor het kind dan het worden
weggehaald door een
deurwaarder (en de openbare
macht).
“Moet
de dwangsom in dezelfde
beslissing als de
veroordeling tot de
hoofdvordering worden
bepaald en/of kan een andere
rechter dan deze die de
hoofdveroordeling heeft
uitgesproken, bevoegd zijn
om later nog een dwangsom op
te leggen?”
Omtrent
deze vraag vinden we in de
rechtspraak verschillende
standpunten terug.
Eén
rechtbank
oordeelt dat de verbeurte
van een dwangsom een
bijkomende veroordeling is
en dat hij moet worden
gevorderd voor de bevoegde
rechter inzake de
hoofdveroordeling.
Een
andere rechtbank
stelt dat het geen enkel
probleem oplevert om een
dwangsom na de
hoofdveroordeling uit te
spreken en dit zelfs in een
afzonderlijke procedure door
een andere rechter. De
argumentatie hiervoor is dat
noch uit art. 1385bis
Ger.W. noch uit enig
andere wettelijke bepaling
kan worden afgeleid dat de
dwangsom samen met de
hoofdveroordeling moet
worden geregeld. In principe
kan er daarenboven toch niet
onmiddellijk worden vanuit
gegaan dat het
toegekende contactrecht niet
zal worden nageleefd (met
uitzondering van het bestaan
van een grondige aanleiding
tot niet- naleving ervan,
bv. als de ouder in het
verleden zich al tegen elk
contact heeft verzet).
De
rechtspraak bepaalt ook dat
een dwangsom voor het eerst
kan worden gevorderd in
hoger beroep of op verzet.
In de praktijk brengt de
dwangsom de ouders niet
altijd tot redelijk inzicht.
Sommige betalen het bedrag
zonder problemen maar
blijven de omgang boycotten,
anderen zijn niet vermogend
of laten zich onvermogend
verklaren.
Alhoewel
de rechtspraak er van uit
gaat dat de verplichtingen
van het ouderlijk gezag
(art. 203 van B.W.) niet
kunnen worden uitgeoefend
zonder contact met de
kinderen, kan een ouder niet
onder verbeurte van een
dwangsom, verplicht worden
om zijn kinderen op te
vangen. Het gaat hier over
een recht op contact
en geen juridisch
afdwingbare verplichting.
Het kan wel als een ‘morele’
plicht worden beschouwd.
Eerder
heb ik vermeld dat de
dwangsom een indirect
uitvoeringsmiddel is. Er is
hier geen sprake van directe
dwang zoals bij de besproken
gedwongen tenuitvoerlegging.
Met betrekking tot de
dwangsom wordt er in
principe een keuze
vooropgesteld, nl. ofwel de
verplichting nakomen
ofwel betalen. In het
opzicht van het contactrecht
is dit een delicate zaak.
Iemand kan niet
worden gedwongen zijn kind
op te voeden vermits dit een
bijzondere affectieve
gezindheid veronderstelt.
Het zou tegen het belang van
het kind zijn als dit ergens
moet verblijven waar het
niet is gewenst m.a.w. als
de ouder het kind bij zich
laat verblijven enkel en
alleen omdat hij de betaling
van de dwangsom wil
vermijden. De toepassing van
de dwangsom is mogelijk maar
ook hier is voorzichtigheid
of behoedzaamheid
aangewezen.
De best
mogelijke middelen om een
verkrijging in natura te
bekomen, zijn de dwangsom en
de gedwongen uitvoering.
‘Naast
deze mogelijkheden kunnen er
nog enkele andere
dwangmaatregelen worden
toegepast vb. het
tegenonderzoek door een door
de ouder vrij gekozen
geneesheer indien de andere
ouder een medisch attest
voorlegt dat het
omgangsrecht belet.’
Hier ga ik echter niet
verder op in.
C.
Strafsancties
Een derde
mogelijkheid tot handhaving
van het contactrecht zijn de
strafsancties. De
niet-afgifte van een kind
aan de contactgerechtigde
titularis is een misdrijf.
Deze contactgerechtigde kan
een strafrechterlijke
procedure instellen tegen de
weigerende titularis.
Niet
alleen degene die door
positieve handelingen (bv.
het daadwerkelijk
niet-afgeven van het kind)
de rechterlijke beslissing
betreffende het contactrecht
verhindert, is strafbaar
maar ook degene die zijn
gezag niet laat gelden ten
opzichte van het kind dat
zelf het contactrecht niet
respecteert, tenzij
uitzonderlijke
omstandigheden (o.a.
verkrachting, mishandeling,
vergaande verwaarlozing,
enz.). In het geval dat een
ouder zijn gezag niet laat
gelden, wil ik erop wijzen
dat dit meestal enkel
strafbaar is als dit gebeurt
t.a.v een jonger kind. T.a.v
een ouder kind met een zeker
onderscheidingsvermogen, is
het minder eenvoudig om als
ouder zijn gezag te laten
gelden als het zich verzet.
Ze ontwikkelen een eigen
mening of gedacht en willen
dat deze wordt gerespecteerd
Het
misdrijf ‘het onttrekken of
niet-afgeven van een
minderjarige’ wordt bestraft
op basis van art. 431en art.
432 van het Strafwetboek
(voorheen art. 369bis Sw.).
Deze
artikelen werden in gevoerd
door de wet van 28 november
2000 betreffende de
strafrechterlijke
bescherming van de
minderjarige, dewelke art.
368 - 371 Sw. (“Ontvoering
van minderjarigen”) heeft
opgeheven.
Hierin
worden de straffen
beschreven die worden
toegepast als degene (eender
welke titularis) die het
bewaringsrecht heeft over
een kind onder de 12 jaar,
dit niet afgeeft aan
diegene die het recht heeft
op omgang in de afgesproken
periodes, en omgekeerd. Het
gaat om een gevangenisstraf
van 8 dagen tot 1 jaar en/of
een geldboete van € 130 tot
€ 5000.
De straffen worden verhoogd
(gevangenisstraf tot 5 jaar
en geldboete vanaf € 250)
als de schuldige het
minderjarige kind méér dan 5
dagen verborgen houdt of
onrechtmatig vasthoudt in
het buitenland (ontvoering).
De
straffen die hier worden
vermeld (gevangenisstraf van
8 dagen tot 1 jaar en/of
geldboete van € 130 tot
5000) zijn van toepassing
wanneer de vader of
moeder het
minderjarige kind
ontrekt aan de
rechtsvervolging, ingesteld
tegen dit kind door o.a de
Wet op de Jeugdbescherming,
of wanneer één van de ouders
het minderjarige kind
onttrekt aan het materiële
bewaringsrecht van de
andere, aan wie de bevoegde
overheid het heeft
toegewezen, of als men het
kind niet afgeeft aan de
ouder die het recht heeft om
het kind op te eisen, of als
men het kind ontvoert ook al
is het kind hiermee akkoord.
Is hier
sprake van een verzwarende
omstandigheid, bv. als de
schuldige geheel of
gedeeltelijk is ontzet uit
het ouderlijk gezag, dan kan
de gevangenisstraf tot 3
jaar worden verhoogd.
Als één
van de ouders het
minderjarige kind méér dan 5
dagen verborgen houdt of het
onrechtmatig vasthoudt in
het buitenland, worden de
straffen verhoogd
(gevangenisstraf tot 5 jaar
en/of geldboete van min. €
250 - 5000)
Indien de
schuldige (vader of moeder)
geheel of gedeeltelijk uit
de ouderlijke macht is
ontzet, begint de
gevangenisstraf vanaf
minstens 3 jaar.
De strafvordering kan op
verschillende wijzen in
werking worden gesteld:
-
het indienen van een
klacht bij de openbare macht
(politie of parket);
-
het indienen van een
klacht met burgerlijke
partijstelling bij de
onderzoeksrechter;
-
het rechtstreeks
dagvaarden voor de
correctionele rechtbank.
Als een klacht moet worden
ingediend over het niet-
afgeven van de kinderen,
moet naar de politie worden
gestapt om een aangifte te
doen. De politie zal dan een
verklaring afnemen en naar
een kopie van het
uitvoerbaar vonnis vragen
waarin alle modaliteiten van
de verblijfsregeling en het
persoonlijk contact zijn
vermeld. Eventueel kan de
politie ook ter plaatse gaan
vaststellen dat er wordt
geweigerd de kinderen af te
geven. In eerste instantie
wijst de politie de
weigerende persoon erop dat
hij een strafbare handeling
stelt en dat hij/zij het
best de kinderen kan
meegeven. Blijft de persoon
dit weigeren, dan zal de
politie het proces-verbaal
met insluitend de verklaring
van beide partijen, het
afschrift van het vonnis en
eventueel het proces-verbaal
van vaststelling overmaken
aan het parket. De politie
heeft geen
seponeringsbevoegdheid.
Het parket beslist of het
dossier wordt behandeld of
geseponeerd en kan ook een
bijkomend onderzoek vragen
of strafbemiddeling inroepen
waarbij wordt geprobeerd een
minnelijke schikking te
treffen tussen de partijen.
De uiteindelijk gemaakte
keuze houdt verband met de
ernst van de situatie.
In de grote meerderheid van
de gevallen wordt de klacht
geseponeerd. Het is daarom
aan te raden herhaaldelijk
een klacht neer te leggen en
genoeg bewijsmateriaal,
objectieve getuigen en
aanwijzingen, af te leveren.
Het O.M. kan wel terugkomen
op zijn beslissing tot
seponeren, maar de
verzoekende partij heeft
geen rechtsmiddelen ter
beschikking om zich ertegen
te verzetten.
Bij vervolging wordt de zaak
aanhangig gemaakt bij de
correctionele rechtbank. Het
O.M treedt op in naam van de
benadeelde (in het belang
van het kind) en wordt
vertegenwoordigd door de
procureur.
Als de zaak niet wordt
geseponeerd, kan het nog een
hele tijd duren voordat ze
voor de strafrechter
verschijnt. Deze
mogelijkheid kan dus het
best worden aangewend als de
zaak niet dringend is
(weinig voorkomend) en er
genoeg geduld kan worden
opgebracht.
Als de klacht systematisch
wordt geseponeerd, wordt het
best een advocaat onder de
arm genomen om een
rechtstreekse dagvaarding
voor de correctionele
rechtbank uit te brengen.
Ik wil er
graag op wijzen dat de
politie nooit kinderen
weghaalt tenzij er sprake is
van kindermishandeling. In
zo een situatie moet zij
beschikken over een vonnis
van de jeugdrechtbank
vooraleer zij mag overgaan
tot afhalen van de kinderen.
In het
geval van burgerlijke
partijstelling bij een
onderzoeksrechter, voert
deze een onderzoek. Als het
onderzoek iets heeft
opgeleverd en werd
beëindigd, verschijnt de
zaak voor de Raadkamer die
dan weer beslist om de zaak
te verwijzen naar de
correctionele rechtbank of
buiten vervolging te
stellen.
Een
onderzoeksrechter bepaalt
ambtshalve de modaliteiten
van het onderzoek.
In 2003 werden er ongeveer
17.000 klachten, i.v.m. het
niet-naleven van het
contactrecht neergelegd,
waarvan de grote meerderheid
werd geseponeerd.
Slechts een fractie van deze
klachten leidt tot een
veroordeling van de
contactweigerende ouder tot
het betalen van een dwangsom
of een gevangenisstraf.
Het is een feit dat een
aantal parketten op
regelmatige basis een
seponeringsbeleid toepassen.
Ten eerste is het misdrijf
van niet-afgeven van de
kinderen geen prioritair
misdrijf. Ten tweede is de
achtergrond voor dit beleid
ook nog ergens anders te
situeren. Meestal stelt het
parket vast, als (één van)
de ouders klacht indienen,
dat het om
echtscheidingsproblemen
gaat. In dat geval is het
beter dat (één van) de
ouders naar de burgerlijke
rechter stapt want de
strafrechter kan het
probleem inhoudelijk niet
aanpakken. Hij kan enkel
straffen en hiermee bereikt
niemand iets. Eerst en
vooral raakt het de
kinderen. En de ouder die
ervoor heeft gezorgd dat de
andere ouder een
gevangenisstraf moet
uitzitten, wordt meestal
niet vriendelijk onthaald
door de kinderen.
De
gerechtsdeurwaarder bij wie
ik mijn stage doormaakte,
gaf me een voorbeeldje van
een werkelijk meegemaakte
situatie waaruit de
effectiviteit van de
strafvordering wel degelijk
bleek:
Een
echtpaar was gewikkeld in
een ‘vecht’scheiding,
waarbij de moeder
vastbesloten weigerde de
kinderen mee te geven aan de
vader die daardoor zijn
contactrecht niet kon
uitoefenen. De
gerechtsdeurwaarder was een
vijftiental keren ter
plaatse geweest en ondervond
er de grootste moeilijkheden
om de kinderen mee te
krijgen. Hysterische
toestanden zowel van de
kinderen als van de moeder,
er werden schijnwerpers en
een videocamera op hem
gericht zodat ze konden
filmen hoe de
gerechtsdeurwaarder te werk
ging, … Dit tafereel
herhaalde zich telkens weer
totdat de moeder
voorwaardelijk werd
veroordeeld tot een
gevangenisstraf. Vanaf toen
was er plotseling geen enkel
probleem meer. De kinderen
gingen, zoals het was
afgesproken, om de veertien
dagen met hun vader mee …
Er kunnen
verschillende gronden worden
ingeroepen om de ouder (of
andere titularis) van zijn
strafrechterlijke
aansprakelijkheid te
bevrijden.
Vooreerst
bespreek ik de
rechtvaardigingsgrond
‘noodtoestand’, daarna
enkele
schulduitsluitingsgronden
(overmacht en
onoverwinnelijke dwaling).
De
noodtoestand (of
onweerstaanbare drang) als
rechtvaardigingsgrond,
speelt als er een ernstig en
voortdurend gevaar optreedt
betreffende de fysieke of
psychische
toestand/integriteit
(gezondheid) van het kind
door de uitoefening of
naleving van de rechterlijke
beslissing inzake het
contactrecht.
Degene
die deze grond opwerpt zal
moeten aantonen dat het
daadwerkelijk uitvoeren van
de beslissing zal leiden tot
het voormeld gevaar en
men zal moeten bewijzen dat
de reden waarom de
beslissing niet werd gevolgd,
voldoet aan de
subsidiariteit- en
proportionaliteitsvereiste.
‘De
subsidiariteitvereiste
impliceert dat de
niet-naleving van de
beslissing m.b.t. de
bewaring van de minderjarige
de enige manier was om diens
gezondheid te beschermen.
Het
proportionaliteitsbeginsel
vereist daarenboven dat het
gevrijwaarde belang – i.e.
de bescherming van de
gezondheid van de
minderjarige – een grotere
waarde heeft dan het
geschonden belang, nl. de
naleving van de beslissing.’
Deze
rechtvaardigingsgrond wordt
niet veel aanvaard door de
rechter omdat het bewijs
leveren van het bestaan van
dit ernstig gevaar niet
makkelijk is.
Het is
vanzelfsprekend dat een
ouder die zich voor de
strafrechter moet
verantwoorden zich niet kan
beroepen op beschuldigingen
(bv. van seksueel misbruik)
als bevrijdingsgrond,
waarmee de burgerlijke
rechter in zijn vonnis al
rekening heeft gehouden.
Een
mogelijke oplossing indien
de fysieke integriteit van
het kind dreigt te worden
geschaad, is de uitoefening
van het recht op persoonlijk
contact in een neutrale
ontmoetingsruimte met
gespecialiseerd toezicht.
Een
eerste
schulduitsluitingsgrond,
overmacht, kan worden
ingeroepen als de vrije wil
van de ouder door bepaalde
omstandigheden volledig werd
uitgeschakeld.
Er
bestaan twee soorten
overmacht:
-
materiële of fysieke
overmacht (bv. een ziekte);
-
morele of
psychologische overmacht (bv.
de noodzaak tot bescherming
van de integriteit van de
minderjarige).
De
onoverwinnelijke dwaling is
een tweede
schulduitsluitingsgrond.
Deze is van toepassing
wanneer elke redelijke en
voorzichtige persoon in die
bepaalde omstandigheden op
dezelfde manier zou hebben
gereageerd of gehandeld.
De
recente rechtspraak is
geneigd om nog een derde
nieuwe
schulduitsluitingsgrond te
hanteren, nl. ‘bijzondere
omstandigheden’ (inzake
verzet van het kind).
Deze
bijzondere omstandigheden
zijn de inspanningen van de
niet-contactgerechtigde
ouder om de weigerende
minderjarige er toch toe aan
te zetten de contactregeling
na te leven. Het maakt deel
uit van de opvoedingsplicht
van de ouders. Wordt deze
niet vervuld, dan wordt het
belang van het kind geschaad
tenzij er sprake is van
uitzonderlijke
omstandigheden zoals o.a.
verkrachting, verwaarlozing,
…
Een
voorbeeldje uit de
rechtspraak: de volgehouden
weigering van de
minderjarige om de
beslissing m.b.t. diens
bewaring na te leven kan een
bijzondere omstandigheid
uitmaken op voorwaarde dat
de beklaagde de weigering
van de minderjarige niet
alleen niet heeft
aangemoedigd, maar –
rekening houdend met de
leeftijd van het kind – ook
geprobeerd heeft deze ertoe
aan te zetten om de
beslissing wel na te leven.
De
strafrechter kan op verzoek
van de in gebreke blijvende
ouder een schadevergoeding
toekennen ten voordele van
de benadeelde. Deze
schadevergoeding heeft
meestal een louter moreel
karakter en heeft vaak de
symbolische waarde van € 1.
In slechts enkele gevallen
zal een hoger bedrag worden
bevolen.
Situaties
waarin een schadevergoeding
kan worden toegekend zijn
bv.:
de uitvoering
van de vordering tot
contactrecht is onmogelijk
is. Dan zal er een
vervangende morele
schadevergoeding worden
opgelegd (uitvoering bij
equivalent). De
schadevergoeding moet worden
betaald door diegene die de
modaliteiten van het
contactrecht niet
eerbiedigt;
m.b.t. een beslissing
inzake het contactrecht
wordt hoger beroep ingesteld
en dit enkel met het doel de
zaak te boycotten (omdat er
bv. een emotionele afkeer
bestaat t.a.v. de
ex-partner). Dan zal die
persoon worden veroordeeld
tot het betalen van een
morele schadevergoeding
wegens tergend en roekeloos
hoger beroep. Dit laatste
moet worden bewezen a.d.h.v.
objectieve gegevens en
criteria.
1.
Algemeen
In uitzonderlijke ernstige
situaties kan de rechter
oordelen om een
jeugdbeschermingsmaatregel
op te leggen t.o.v. de
ouders. Het gaat dan over
gevallen waarbij één ouder
zich hardnekkig verzet tegen
contact van het kind met de
andere ouder of deze van
allerlei zaken beschuldigt
of alles in het werk stelt
om het contactrecht te
boycotten.
Hierbij wordt vaak de
persoon vergeten die hier
het meeste onder lijdt,
namelijk hun kind zelf. Het
is een onevenwichtige en
schadelijke situatie die de
psychische gezondheid van
het kind kan aantasten.
De rechtspraak oordeelt dat
in de meest erge situaties
betreffende het boycotten
van het contactrecht, het
mogelijk moet zijn om die
ouder uit het ouderlijk
gezag te ontzetten wegens
misbruik van gezag (art. 32,
2° Jeugdbeschermingswet).
Deze
regeling ter bescherming van
de kinderen t.a.v hun ouders
situeert zich in het kader
van de
jeugdbeschermingsmaatregelen.
‘Onder de
volledige ontzetting uit het
ouderlijk gezag wordt
verstaan: de ontneming aan
de ouders van de ouderlijke
rechten (en plichten) i.v.m.
het onderhoud en de
opvoeding van de kinderen
(ouderlijk gezag), van hun
recht om in bepaalde
handelingen toe te stemmen
(huwelijk en adoptie), van
hun eigen recht op het genot
van de goederen van hun
kinderen en van de rechten
die ze hebben n.a.v. de
handelingsonbekwaamheid van
die kinderen. Verder zijn de
ouders dan ook vervallen van
het recht op onderhoud en
erfrecht dat ze t.a.v hun
kinderen hebben op grond van
de verwantschap.’
De
ontzetting uit het ouderlijk
gezag kan ook nog worden
uitgesproken bij
meerderjarigheid van de
kinderen.
De feiten
die aanleiding geven tot het
uitvoeren van de ontzetting
moeten ernstig zijn en
vaststaan op het moment van
de rechterlijke uitspraak.
Deze
feiten kunnen zijn:
-
een
strafrechterlijke
veroordeling van een
ouder
-
indien een ouder huwt
met iemand die uit het
ouderlijk gezag is ontzet;
-
slechte behandeling,
misbruik (van gezag), erge
nalatigheid waardoor de
belangen van het kind
ernstig worden geschaad.
Indien
het gedrag van de bijna uit
het ouderlijk gezag ontzette
ouder een verbetering
vertoont zodat het geen
gevaar meer vormt voor de
kinderen, kan de ontzetting
niet meer worden
uitgesproken. De ernstig
gebeurde feiten in het
verleden vormen geen grond
meer tot ontzetting in het
heden. De rechter zal de
zaak uitstellen en
onderzoeken in welke mate er
sprake is van een
verbetering van het gedrag.
Het
uitspreken van de ontzetting
in o.a. bovenvermelde
gevallen is facultatief. Met
andere woorden, de
jeugdrechter is niet
verplicht de ontzetting uit
te spreken. De rechter
bepaalt zelf waar en wanneer
dit noodzakelijk is.
De
ontzetting kan geheel of
gedeeltelijk worden
uitgesproken. Bij een
gedeeltelijke ontzetting
wordt de ouder ontzet uit
één of meerdere ouderlijke
rechtsbekwaamheden die de
jeugdrechter in het vonnis
bepaalt.
Ook is de
ontzetting algemeen of
bijzonder. Dit heeft te
maken met het feit of ze van
toepassing is op alle
kinderen of op bepaalde
kinderen van het gezin.
Meestal
zal de niet-ontzette ouder
worden aangeduid om de
ontzette ouder te vervangen,
tenzij dit strijdig is met
het belang van het kind. In
dat geval duidt de
jeugdrechtbank een persoon
aan die de rechten van het
ouderlijk gezag zal
uitoefenen. Indien de
minderjarige door een
jeugdrechter wordt
toevertrouwd aan een sociale
dienst, zal deze iemand
aanwijzen. De vervanger van
de ontzette persoon noemt
men de ‘provoogd’.
De
normale ontzetting is in
essentie een tijdelijke
maatregel. Deze regeling kan
worden ingetrokken of
gewijzigd. De rechter kan de
wijziging of intrekking
ambtshalve bevelen, ook het
openbaar ministerie kan dit
vorderen en zelfs de ouders
kunnen hierom verzoeken. In
dit laatste opzicht geldt
het verzoek tot wijziging of
intrekking pas na één jaar
vanaf de dag dat de
ontzetting werd bevolen en
in kracht van gewijsde is
getreden.
Toch
bestaat er ook een
bijzondere vorm van
ontzetting, nl. de
voortdurende onmogelijkheid
om het ouderlijk gezag uit
te oefenen. De ouders
verliezen hun ouderlijk
gezag buiten hun wil om en
los van enige
jeugdbeschermingsmaatregel.
Dit is bijvoorbeeld het
geval wanneer een ouder in
de onmogelijkheid verkeert
om zijn gezag uit te oefenen
omdat hij onbekwaam is
verklaard of omdat er een
vermoeden bestaat van
afwezigheid van die ouder.
De
vaststelling van de
onmogelijkheid kan gebeuren
door de rechter a.d.h.v. een
bepaalde procedure (art.
1236bis Ger.W.). Deze
procedure wordt ofwel
ambtshalve ingesteld door de
procureur des Konings ofwel
op verzoek van een
belanghebbende. Het advies
van verschillende personen
(vader, moeder,
broers/zussen, de
minderjarige zelf indien 12
jaar) wordt ingewonnen.
Degene met een negatief
advies wordt opgeroepen voor
de rechtbank van eerste
aanleg.
Het kan zijn dat men al tot
verschillende, van de
hiervóór besproken,
mogelijkheden tot afdwingen
van het contactrecht is
overgegaan maar deze geen
oplossing hebben geboden. Of
misschien zijn er nieuwe en
onvoorziene omstandigheden
ontstaan waardoor een
wijziging zich opdringt.
In deze gevallen is er de
mogelijkheid tot wijziging
van de bestaande regeling
inzake ouderlijk gezag.
1.
Algemeen
De ouders kunnen steeds,
zowel tijdens als na de
echtscheiding, de
wijzigingen onderling
overeenkomen. Vermits de
wijziging betrekking heeft
op een overeenkomst inzake
het ouderlijk gezag moet de
wijziging in gemeen akkoord
worden bekrachtigd door de
jeugdrechtbank.
Indien één ouder de
bestaande regeling inzake
ouderlijk gezag
(verblijfsregeling of recht
op persoonlijk contact) wil
herzien, moet deze aantonen
dat er zich nieuwe
omstandigheden voordoen
buiten de wil van de
partijen, met een
ingrijpende invloed tot
gevolg voornamelijk op de
kinderen maar eventueel ook
op de toestand van de
ouders. De wijziging moet in
het belang van het kind
worden gevorderd. Ook hier
dient men een verzoekschrift
in bij de jeugdrechtbank.
Zolang de
echtscheidingsprocedure nog
bezig is voor de rechtbank
van eerste aanleg is deze
rechtbank bevoegd.
Wanneer het kind zelf
beslist om een wijziging
door te voeren en dus niet
meer naar de andere ouder
wil gaan, zal de
jeugdrechter dit meestal
soepel beoordelen. Het kind
moet wel een zekere leeftijd
hebben bereikt en over het
nodige
onderscheidingsvermogen
beschikken ( ± 12 jaar).
De wijzigingen kunnen
variëren van bv. kleine
wijziging met betrekking tot
het ophalen en afzetten van
het kind, wijziging inzake
contactvorm tot bv. het
wijzigen van het gezamenlijk
ouderlijk gezag in
exclusieve gezagsuitoefening
of overheveling van de
exclusieve uitoefening van
de ene ouder naar de andere.
Dit laatste gebeurt in de
praktijk echter
zelden.
Ik wil er nog op wijzen dat
in het geval van bijzondere
ernstige omstandigheden,
zoals bv. het
strafrechterlijk beschuldigd
zijn van seksueel misbruik,
het contactrecht voor een
bepaalde tijd kan
worden geschorst. In de
praktijk wordt hier eerder
een wijziging van de
bestaande regeling
uitgesproken.
‘De
weerstand door één ouder van
een secundaire
huisvestingsrecht
(verblijfsregeling) van de
andere ouder is een situatie
die aanleiding kan geven tot
een wijziging van het
hoofdverblijf. Zo oordeelde
het Hof van Beroep te Luik
dat de moeder die op een
onverantwoorde manier het
verblijf van haar vierjarige
dochter bij haar vader
belemmerde, strijdig was met
het belang van het kind en
de rechten van de vader. Aan
hem werd het recht toegekend
om het kind hoofdzakelijk te
huisvesten. Het Hof achtte
deze extreme oplossing de
enig mogelijke, nu de moeder
volhardde in haar houding.’
Op
25 april 2005 heeft
een voorzitter van de
rechtbank van eerste aanleg
te Dendermonde, zetelend in
kortgeding, bij voorlopige
maatregel een toch wel
historische uitspraak
gedaan. Hij heeft de
exclusieve uitoefening van
het ouderlijk gezag van de
moeder overgedragen aan de
vader.
Een korte situatieschets:
drie jaar geleden overleed
het zoontje van dit koppel
aan een hersentumor. De
vrouw kon dit moeilijk
verwerken en wou scheiden.
Eerst oefenden de ouders
samen het ouderlijk gezag
uit over hun dochtertje.
Toen de echtscheiding in
2002 werd uitgesproken,
kreeg de moeder de
exclusieve uitoefening van
het ouderlijk gezag
(materiële bewaringsrecht)
toegekend. De vader had het
recht op persoonlijk contact
met hun kind. De vrouw
maakte de uitoefening van
dit recht van de vader
echter erg moeilijk en er
werd beroep gedaan op het
Centrum voor Algemeen
Welzijnswerk (CAW). Hier
ontmoetten de vader en het
kind elkaar regelmatig. Tot
op een bepaald moment ook
dit door de moeder werd
geweigerd.
De man stapte naar de
rechter om de domiciliëring
om te keren. Tegen alle
verwachting in keurde
de rechter dit goed. De
moeder van het kind tekent
beroep aan.
Het is duidelijk dat de
rechter hiermee een
schokeffect wou
teweegbrengen en een signaal
geven aan de ouders die zich
in zo’n situatie bevinden om
eerst na te denken vooraleer
men het recht op contact
weigert of boycot. Het is in
het belang van het kind om
het contact met de twee
ouders te behouden (tenzij
uitzonderlijke
omstandigheden).
Tegenwoordig wordt geopteerd
voor de gezamenlijke
gezagsuitoefening van het
ouderlijk gezag met
bilocatieregeling. In de
gevallen waarin het
exclusief ouderlijk gezag
wordt uitgesproken, wordt
dit echter vaak toegekend
aan de moeder. De gescheiden
vaders behouden het recht om
hun kind te zien, maar
toch wordt dit te vaak
geschonden. Het grootste
probleem lijkt dat de
gerechtelijke instanties
niet veel ondernemen om dit
te verhelpen. Dit klopt
echter niet. Het is niet zo
dat de parketten er geen
aandacht aan besteden maar
ze beschikken over een
tekort aan wettelijke
middelen om snel en
efficiënt op te treden.
Zowel het wetsontwerp van
minister Onkelinx als het
wetsvoorstel van Guy Swennen
kunnen hier een oplossing
bieden (cfr. infra,
hfdst. IV).
Kanttekening
Zoals eerder al vermeld
(cfr. supra, p.27-28) worden
heel veel klachten
geseponeerd en als ze dan al
worden behandeld en
uitgesproken, worden ze
zelden uitgevoerd omdat het
niet in het belang van het
kind zou zijn. Maar is het
wel in het belang van het
kind dat het van één van
zijn ouders vervreemdt door
weigering van het
contactrecht !?
Ik ben het eens met het
standpunt van het SBO
(Steunpunt Blijvend
Ouderschap). Zij zijn van
mening dat andere rechters
dit voorbeeld moeten volgen.
Ik hoop ook dat dit niet de
eerste en laatste keer zal
zijn dat een rechter zo een
uitspraak doet. Op korte
termijn zal dit misschien de
aandacht van de mensen
trekken en zal er rekening
mee worden gehouden, maar
als moet blijken dat het
slechts een éénmalige
gebeurtenis was, is het
risico groot dat snel terug
in het oude patroon wordt
vervallen.
Internationale
verblijfsregelingen en
ouderlijk gezag
HOOFDSTUK IV : RECENTE
ONTWIKKELINGEN
Al
verschillende keren heb ik
er op gewezen dat heel de
materie van de uitoefening
van het ouderlijk gezag bij
niet-samenlevende ouders en
de eruit voortspruitende
regelingen inzake het
contactrecht, een gevoelige
materie is. In de meeste
gevallen is één van de
ouders het niet eens met de
uitgesproken regeling van de
rechter. Het gevolg daarvan
zijn wrijvingen en het
boycotten van de regeling.
Het is dan ook nog eens
moeilijk afdwingbaar en
zeker niet in het belang van
het kind.
Wanneer
de ouders onderling bepaalde
regelingen overeenkomen,
zoals het geval is bij
echtscheiding met onderlinge
toestemming, geeft dit
minder aanleiding tot
wrevel.
Sinds
enkele jaren wordt dan ook
in de rechtspraak de
techniek van de bemiddeling
toegepast als een preventief
middel voor allerlei
problemen in verband met het
ouderlijk gezag.
De wet
van 19 februari 2001
betreffende de
proceduregebonden
bemiddeling in familiezaken,
heeft de artikelen 734bis
§1-5 Ger.W. ingevoerd.
Op basis hiervan kan de
rechter een bemiddelaar
aanstellen in alle familiale
geschillen en dus ook inzake
ouderlijk gezag.
De
rechter kan in een procedure
waarin hij kennis neemt van
vorderingen betreffende
artikel 371-387bis
B.W., een bemiddelaar
aanwijzen. Dit zowel op
verzoek van de partijen als
ambtshalve met instemming
van de ouders. De ouders
moeten zowel instemmen met
de bemiddeling als met de
voorgestelde bemiddelaar.
Binnen
een opgelegde, verlengbare,
termijn moet een
professionele bemiddelaar
zijn opdracht vervullen.
Samengevat kan men stellen
dat er twee belangrijke
redenen aan de basis liggen
om deze specifieke
bemiddeling in de wet op te
nemen:
-
de rechter heeft nu
een wettelijke grondslag om
de zaak te verdagen en een
bemiddelaar aan te wijzen;
-
het is een humane
preventieve oplossing tegen
mogelijke gezinsdrama’s.
De
volledige procedure kan
worden teruggevonden, zoals
hoger vermeld, in artikel
734bis §1-5 Ger.W.
Vermits
het ouderlijk gezag, de
verblijfsregeling en het
recht op persoonlijk
contact moeilijk zijn te
handhaven en in sommige
situaties tot grote
moeilijkheden leiden, is de
politieke overheid
van mening dat de wet toch
moet voorzien in
verschillende mogelijkheden
tot afdwingbaarheid.
In wat
volgt licht ik kort een
wetsontwerp en enkele
wetsvoorstellen toe die een
betere afdwingbaarheid
proberen te regelen.
Het
weigeren van het
contactrecht maakt een
misdrijf uit. Dit kan
natuurlijk worden bestraft
met een strafrechterlijke
sanctie maar dit is geen
oplossing in het belang van
het kind.
De
argumentatie van Taelman’s
voorstel steunt op het feit
dat de meerderheid van de
ingediende klachten worden
geseponeerd en dit wekt het
idee bij de onwillige
persoon dat er toch geen
rekening mee wordt gehouden
of er iets aan wordt gedaan
dus waarom het niet meer
doen.
Het
wetsvoorstel van Martine
Taelman voorziet om deze
reden in een dwangmiddel dat
efficiënter is dan enig
ander middel, nl. de
omkering van het
verblijfsrecht. Indien er
binnen een korte periode
(bv. zes maanden) een aantal
klachten van niet-afgeven
van de kinderen werden
ingediend, wordt de zaak
automatisch aanhangig
gemaakt bij de burgerlijke
rechtbank. De rechter zal
dan afwegen of een omkering
mogelijk en beter is, in het
belang van het kind.
Dit
voorontwerp, reeds
goedgekeurd door de
ministerraad, hanteert
verschillende punten.
Eerst en
vooral streeft het naar het
model van de
twee-verblijfsregeling als
norm ingeval er een regeling
moet worden getroffen inzake
het verblijf bij een
gezamenlijke
gezagsuitoefening bij niet
samenwonenden. Dit geeft
duidelijk weer dat de ouders
gelijkwaardig zijn. Dit
model wordt niet automatisch
toegepast maar de rechter
moet in elke situatie
onderzoeken of deze regeling
mogelijk is, in het belang
van het kind.
Bilocatie
werkt enkel onder een aantal
voorwaarden
De
bilocatieregeling moet
juridisch mogelijk zijn maar
ik vrees dat bepaalde
rechters andere
mogelijkheden niet meer of
minder grondig gaan
onderzoeken vermits zij nu
een bepaalde regeling
krijgen voorgeschoteld.
Ook een
vereenvoudiging van de
procedureregeling bij de
jeugdrechtbank inzake het
ouderlijk gezag wordt
voorgesteld. Dat houdt in:
-
het benadrukken van
de noodzakelijkheid van
voorlopige maatregelen;
-
het instellen van een
nieuwe evaluatie van de
situatie indien de
twee-verblijfsregeling in
eerste instantie niet werd
bevolen;
- de
invoering van een
mechanisme, het neerleggen
van conclusies of het
schriftelijk verzoek bij de
griffie, moet het mogelijk
maken dat er geen nieuwe
procedure moet worden
ingesteld indien er een
wijziging van de
omstandigheden optreedt.
Minister
Onkelinx is van mening dat
in eerste instantie en
vooraleer er wordt
overgegaan tot het afdwingen
van het contactrecht, een
oplossing moet worden
gezocht a.d.h.v.
bemiddeling.
3.1.
Samenvatting
De
bestaande procedures laten
echter niet toe kort op de
bal te spelen. Om dit te
verhelpen stelt de indiener
voor de bestaande regeling
grondig aan te passen.
Centraal
staat een
‘snel-omgangsrechter’, die
op heel korte termijn kan
worden ingeschakeld en ten
gronde beslissen. Hij krijgt
daarbij ruime bevoegdheden
met inbegrip van het
opleggen van straffen aan de
onwillige ouder. De feiten
moeten wel ernstig genoeg
zijn en vastgesteld zijn
door een gerechtsdeurwaarder
wiens optreden evenwel
financieel toegankelijker
wordt. Nieuw is de
mogelijkheid een
‘omgangsbudy’ in te
schakelen, die de verdere
uitoefening van het
ouderlijk gezag begeleidt.
Andere mogelijkheden zijn
het opleggen van een
dwangsom en de omrekening
van hoofdzakelijk verblijf
en omgangsrecht.
Tenslotte
stelt de auteur voor om ook
meer preventief te werk te
gaan door het informeren van
de ouders.’
3.2.
Krachtlijnen
Zoals
eerder besproken (cfr.
supra, p. 17, IV), zijn er
verschillende rechters
bevoegd om beschikkingen te
treffen inzake ouderlijk
gezag en bijhorend
contactrecht.
Het
wetsvoorstel bepaalt dat de
rechter die het laatste een
oordeel heeft geveld over
het contactrecht wordt
aanzien als de bevoegde
rechter indien er verdere
problemen zijn in verband
met de uitgesproken
regelingen.
Deze
zaken kunnen dan snel
opnieuw aan de bevoegde
rechter worden voorgelegd.
Een ander voordeel is dat de
rechter al vertrouwd is met
het dossier hetgeen het
nemen van beslissingen
vergemakkelijkt.
Niet
enkel een snelle
omgangsrechter is nodig, ook
zou de zaak prioritair en
snel moeten worden behandeld
d.m.v. burgerlijk
omgangsrecht-snelrecht.
Niet alle
problemen komen in
aanmerking voor dit
snelrecht. Het moet gaan
over ernstige feiten (het
boycotten van het
contactrecht) en niet de
kleine belemmeringen.
Het is
noodzakelijk dat de
gerechtsdeurwaarder de
feiten tweemaal moet
vaststellen zodat er geen
sprake is van toeval of
misverstand.
De
mogelijkheid tot het
inschakelen van een
‘omgangsbudy’ d.w.z. het
aanwijzen van een
maatschappelijk assistent
die de verdere uitoefening
van het ouderlijk gezag en
het contactrecht op de voet
volgt en bemiddelt indien
nodig. Deze kan de zaak ook
aanhangig maken bij de
rechter als de bemiddeling
niet zou helpen en/of (één
van) de ouders zich blijft
verzetten.
De ouders
worden geïnformeerd aan de
hand van een
preventiebrochure. De
voornaamste bedoeling van
deze folder is aan de ouders
duidelijk te maken wat ze
hun kinderen aan doen door
de ouderlijke oorlog uit te
vechten via het contactrecht
en dus via de kinderen.
Verwante links: