f4j.be » verblijfsregeling informatie over het recht op familie- en gezinsleven na scheiding      :: Ga naar  
 

f4j.be home


Datum  16/10/06

3.  Verblijfsregeling

 

3.4  Naleving van de verblijfsregeling

 

DE MOGELIJKHEDEN TOT HANDHAVING

  • A.  De gedwongen tenuitvoerlegging

  •     1.  Begripsverduidelijking

  •     2.  Tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder

  •     3.  Het aspect manu militari

  •     4.  Concreet voorbeeld

  • B.  De dwangsom

  •     1.  Algemene definitie

  •     2.  Dwangsom in het familierecht

  •     3.  Enkele discussiepunten

  • C.  Strafsancties

  •     1.  Algemeen

  •     2.  Wettelijke basis

  •     2.1. Verduidelijking van art. 431 Sw.

  •     2.2. Verduidelijking van art. 432 Sw.

  •     3.  Instellen van een strafvordering

  •     4.  Concreet voorbeeld

  •     5.  Bevrijdingsgronden

  •     5.1.  Rechtvaardigingsgrond ‘noodtoestand’

  •     5.2.  Schulduitsluitingsgronden

  •     5.2.1.  Overmacht

  •     5.2.2.  Onoverwinnelijke dwaling

  •     5.2.3.  Bijzondere omstandigheden

  • D.  De schadevergoeding

  • E.  Jeugdbeschermingsmaatregelen

  •     1.  Algemeen

  •     2.  Ontzetting uit het ouderlijk gezag

  •     2.1.  Begripsomschrijving

  •     2.2.  Toepassing

  •     2.3.  Kenmerken

  •     2.4.  Gevolgen

  • F.  Wijziging van de bestaande situatie

  •     1.  Algemeen

  •     2.  Bespreking van enkele voorbeelden

  •     2.1.  Voorbeeld uit de rechtspraak

  •     2.2.  Voorbeeld omdraaien van de hoofdverblijfplaats

  •  

    3.1  DE MOGELIJKHEDEN TOT HANDHAVING

     Het is geen uitzondering dat gerechtelijke uitspraken in verband met het ouderlijk gezag en het recht op persoonlijk contact niet worden nageleefd. Het zijn delicate kwesties die niet eenvoudig af te dwingen zijn vermits het om kinderen gaat wiens belangen zeker niet mogen worden geschaad. 

     In dit hoofdstuk bespreek ik de verschillende handhavingmogelijkheden die een titularis van het contactrecht zoal kan aanwenden wanneer er wordt geweigerd de kinderen af te geven.

     Hierbij hanteer ik het begrip ‘contactrecht’ als algemene term voor zowel het recht op persoonlijk contact (ingeval van een exclusieve gezagsuitoefening) als voor het recht op omgang met het kind in navolging van de verblijfsregeling bij gezamenlijke uitoefening van het gezag.

    Hoe kan men dit contactrecht afdwingen?

     

            

     

    A.  De gedwongen tenuitvoerlegging 

    1.  Begripsverduidelijking

     Als eerste mogelijkheid behandel ik de rechtstreeks gedwongen uitvoering of reële executie. Het ‘rechtstreekse’ volgt uit het feit dat de schuldenaar daadwerkelijk wordt gedwongen de vooropgestelde prestatie(s) te verrichten. 

     Directe executie vindt altijd plaats na vonnissen die iemand niet veroordelen tot het betalen van een geldsom. Ze kunnen onmiddellijk na de betekening van het vonnis of homologatie van de familierechterlijke overeenkomst (echtscheiding met onderlinge toestemming) worden uitgevoerd.

    Bij onrechtstreeks gedwongen uitvoeringsmogelijkheden zoals bevel, beslag of verkoop vinden we verschillende fases terug die hier niet worden toegepast.

     

            

     

    2.  Tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder

     Als één van de ouders weigert het kind af te staan aan de titularis van het contactrecht overeenkomstig de vastgelegde rechterlijke modaliteiten, kan de titularis vragen om over te gaan tot de gedwongen uitvoering van de rechterlijke uitspraak. Vermits hij niet zelf tot de uitvoering mag overgaan, zal hij beroep doen op de overheid meer bepaald op een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder kan zo nodig worden bijgestaan door de openbare macht (politie).

    De gerechtsdeurwaarders zelf pleiten voor een meer sociaal-psychologisch verantwoorde aanpak bij de uitvoering van de vonnissen in verband met het contactrecht. Zij zijn van mening dat wanneer ze worden bijgestaan door de openbare macht dit alleen maar traumatiserend en stigmatiserend werkt t.a.v de kinderen. Ze verkiezen eerder de bijstand van een sociaal assistent.

     Vooraleer de contactgerechtigde ouder een gerechtsdeurwaarder kan inschakelen, moet hij beschikken over de uitgifte van een uitvoerbare titel voorzien van een formulier van tenuitvoerlegging.

    Deze uitgifte van een uitvoerbare titel is een afschrift van een rechterlijke beslissing of authentieke akte die een titel bevat waarin het vorderingsrecht of uitdrukkelijke machtiging tot reële executie wordt erkend.

    De daadwerkelijke tenuitvoerlegging kan dan ook enkel betrekking hebben op het beschreven vorderingsrecht in de uitvoerbare titel.

    Er kan niet worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing indien deze nog vatbaar is voor verzet of hoger beroep tenzij de rechterlijke beslissing voorlopig uitvoerbaar werd verklaard.

     De gerechtsdeurwaarder moet in eerste instantie het vonnis aan de onwillige ouder betekenen. Samen met de betekening wordt aan de weigerende partij ook het bevel gegeven tot nakoming van zijn verplichtingen (zie bijlage 1 ‘Betekening’). Het vonnis geeft een termijn aan binnen dewelke de verplichting, namelijk het afgeven van de kinderen, moet worden nagekomen.

    Indien dit niet gebeurt, kan de deurwaarder overgaan tot uitvoering van het vorderingsrecht bepaald in het vonnis. Hij zal een P.V. van vaststelling of uitvoering opmaken (zie bijlage 2 ‘P.V. van vaststelling’).

    De deurwaarder mag niet uitvoeren tussen 21u en 6u of op zaterdag, zon- en feestdagen.

    In het geval er geen gevolg wordt gegeven aan een betekening - bevel tot naleving van het contactrecht, kan de deurwaarder zo nodig overgaan tot het leggen van uitvoerend beslag om de kosten van de vruchteloze betekening en eventueel van het proces-verbaal van vaststelling terug te vorderen.7 

    Als er betwistingen ontstaan inzake tenuitvoerlegging is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd.   

    In principe is de gedwongen tenuitvoerlegging toegestaan maar de rechter kan dit ten alle tijde verbieden.

    Zoals eerder vermeld moeten de regelingen betreffende het ouderlijk gezag en het recht op persoonlijk contact worden bepaald en uitgeoefend in ‘het belang van het kind’. De rechter is bevoegd om de gedwongen uitvoering uit te sluiten wegens psychologische redenen of de leeftijd van het kind.

    Zo bepaalt een belangrijk Cassatiearrest dat als een kind met een zeker onderscheidings- vermogen, zelf het contact of de omgang met de contactgerechtigde weigert, de rechter een vonnis kan uitspreken waarin hij het gebruik van uitvoerings- en/of dwangmaatregelen tegen het kind verbiedt.8

     

            

     

    3.  Het aspect ‘manu militari’

     De gedwongen uitvoering werd tot enkele jaren geleden aanzien als de enige ‘echte’ uitvoering van het contactrecht. De gerechtsdeurwaarder was toen nog bevoegd om de kinderen zo nodig manu militari (met dwang) mee te nemen.

     Sinds de Vaste Raad van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders 9 de richtlijn in verband met het ‘manu militari’ weghalen van kinderen goedkeurde, treedt een belangrijke verandering op de voorgrond.

    De eerste alinea van deze richtlijn bepaalt:  

    “In geval van weigering, is het de gerechtsdeurwaarders niet toegelaten de beslissing manu militari uit te voeren. Hij beperkt zich tot het opmaken van een vaststelling en beëindigt zijn werkzaamheden …”

     Tegenwoordig is het dus minder eenvoudig om via een deurwaarder het contactrecht af te dwingen. Na de betekening van het vonnis en het bevel tot nakomen van de verplichting doet hij enkel nog een vaststelling van de overtreding van het niet-afgeven van de kinderen en brengt dit ter kennis van het parket indien er sprake is van een inbreuk op de strafwet (art. 29 Sv.). Het parket heeft dan de opdracht ofwel de openbare orde te herstellen ofwel te oordelen dat ‘het belang van het kind’ primeert op de begane overtreding waarna er geen verdere stappen worden ondernomen. 

    Het gevolg van de concrete toepassing van deze richtlijn zou zijn dat een rechterlijke uitspraak niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wat in principe niet aanvaardbaar is.

     

            

     

    4.  Concreet voorbeeld

     Enkele jaren geleden heeft een vader de Nationale Kamer van de Gerechtsdeurwaarders en de Belgische Staat (in de persoon van de minister van Justitie) gedagvaard. De vader had beroep gedaan op een deurwaarder omdat zijn recht op persoonlijk contact niet werd gerespecteerd door de moeder. Deze deurwaarder zou volgens het dagvaardingsexploot van de vader, hebben gezegd dat hij de titel waarover de vader beschikte niet kon uitvoeren omwille van de nieuwe richtlijn betreffende het ‘manu militari’ uitvoeren.

    De vader eiste de intrekking (of minstens de schorsing) van die bepaalde richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.

    Deze procedure werd gevoerd voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kortgeding, te Brugge (25 oktober 2000) maar liep niet goed af want deze verklaarde zich onbevoegd. Uiteraard veroorzaakte deze zaak veel ophef. Weer werd er trouwens geen concreet antwoord verstrekt op de vraag of  de daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, die vaststelt dat de regeling i.v.m. het contactrecht niet wordt gerespecteerd, fysieke dwang mag gebruiken (‘het kind grijpen’) om de naleving van de regeling af te dwingen.

     Het is niet duidelijk voor de gerechtsdeurwaarders wat ze nu wel of niet mogen doen en in welke mate ze het begrip ‘dwang’ moeten interpreteren. Deze moeilijkheid ontstaat omdat de gedwongen uitvoering niet wettelijk is gereglementeerd. Wel vermeldt de wet dat de deurwaarder bevoegd is om een vonnis uit te voeren en verplicht is daartoe zijn ambt te verlenen maar hoe ze daarbij juist te werk moeten gaan is een groot vraagteken.

     Enkele procureurs–generaal hebben in de vorm van omzendbrieven aangemaand om vooral voorzichtig te werk te gaan. Bij de uitvoering van rechterlijke beslissingen betreffende het contactrecht moet elke vorm van geweld die onverenigbaar is met de belangen van het kind, worden vermeden. Het kan een trauma veroorzaken bij het jonge kind.

    In zijn arrest van 7 maart 1975 erkende het Hof van Cassatie een algemeen rechtsbeginsel, omschreven als “het verbod van dwanguitvoering tegen de persoon en van het binnendringen in het gebied van de persoonlijkheid.”

    Dit rechtsbeginsel vertoont verschillende aspecten zoals o.a. de bewegingsvrijheid, het verbod van fysieke dwang op de persoon van de schuldenaar en het recht op eerbiediging van de lichamelijke integriteit en de menselijke waardigheid. De fysieke integriteit wordt beschermd door art. 8  van het E.V.R.M. en een aantasting ervan wordt enkel toegelaten indien:           

  • -         dit door de wet is voorzien;

  • -         dit nodig is in het belang van de samenleving (bv. veiligheid van het land, bescherming van de openbare orde, enz.).

  •  ‘Dit wil niet zeggen dat indien de wet zou voorzien in de gedwongen uitvoering, manu militari,  deze dan ook ten alle tijden mag worden toegepast. Het ligt niet automatisch vervat in de rechterlijke beslissing tot contactrecht maar de rechter moet het uitdrukkelijk bevelen.’ 10

     

            

     

    B.  De dwangsom 

    1.  Algemene definitie

     In tegenstelling tot de vorige besproken mogelijkheid tot handhaving, is de dwangsom een indirect of onrechtstreeks uitvoeringsmiddel, meer bepaald een bijkomende veroordeling tot het betalen van een geldsom (~ burgerlijke boete) door de schuldenaar opdat deze zijn hoofdveroordeling zou nakomen. Dit drukkingsmiddel wordt opgelegd ofwel per dag vertraging dat een ouder zich niet aan de contactregeling houdt ofwel per overtreding van de veroordeling.

    De dwangsom is geen schadevergoeding of strafrechterlijke sanctie maar een drukkingsmiddel van burgerlijke aard met concreet effect indien het bedrag voldoende hoog is.

    Het verbeuren11 van een dwangsom gebeurt op één voorwaarde namelijk wanneer de veroordeelde zijn hoofdveroordeling niet behoorlijk uitvoert.

     

            

    2.  Dwangsom in het familierecht

     In het familierecht in ruime zin, is het opleggen van een dwangsom enkel wenselijk in het kader van de uitvoering van het ouderlijk gezag en het recht op persoonlijk contact.

    Meer bepaald in situaties waarbij de hoofdveroordeling de veroordeelde partij aanspoort zijn verplichtingen inzake het ouderlijk gezag of het recht op persoonlijk contact na te komen, kan de rechter een dwangsom opleggen op uitdrukkelijk verzoek van (één van) beide ouders.12 Hij zal dit algemeen rechtsmiddel toestaan zodat de naleving van de door de rechtbank opgelegde modaliteiten beter worden gerespecteerd en kunnen worden verzekerd. Eerst en vooral gaat hij na of deze maatregel noodzakelijk is. Als op het moment van de beoordeling niet voldoende bewijs wordt geleverd betreffende het risico van niet-afgifte van het kind, wijst de rechter meestal de gevorderde dwangsom af. In het geval de toepassing van de dwangsom toch wordt toegelaten, kan deze worden opgelegd zowel aan de ouder met het ouderlijk gezag als aan de titularis van het recht op persoonlijk contact. Het is de taak van de rechter om de modaliteiten van de dwangsom te bepalen: gedurende welke periode loopt de dwangsom, het bedrag, enz.

    De rechter kan de dwangsom niet ambtshalve opleggen maar wel ambtshalve verhogen.

    Ook hier kan de gerechtsdeurwaarder optreden, namelijk als de verschuldigde dwangsom niet wordt betaald. Nadat hij een vaststelling van niet-afgifte van de kinderen heeft gedaan, kan de gerechtsdeurwaarder de dwangsom opeisen en zo nodig beslag leggen.

     Vóór de invoering van de dwangsom was de gedwongen uitvoering van het contactrecht bij niet- naleving ervan, de meest voor de hand liggende oplossing.

    Tegenwoordig is de dwangsom een algemeen aanvaard en doeltreffend middel. De toepassing van dit middel bevindt zich meer in het kader van ‘het belang van het kind’. Het opleggen van een dwangsom aan één van de ouders is minder ingrijpend voor het kind dan het worden weggehaald door een deurwaarder (en de openbare macht).

     

            

     

    3.  Enkele discussiepunten 

     “Moet de dwangsom in dezelfde beslissing als de veroordeling tot de hoofdvordering worden bepaald en/of kan een andere rechter dan deze die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken, bevoegd zijn om later nog een dwangsom op te leggen?”

     

    Omtrent deze vraag vinden we in de rechtspraak verschillende standpunten terug.

    Eén rechtbank13 oordeelt dat de verbeurte van een dwangsom een bijkomende veroordeling is en dat hij moet worden gevorderd voor de bevoegde rechter inzake de hoofdveroordeling.

    Een andere rechtbank14 stelt dat het geen enkel probleem oplevert om een dwangsom na de hoofdveroordeling uit te spreken en dit zelfs in een afzonderlijke procedure door een andere rechter. De argumentatie hiervoor is dat noch uit art. 1385bis Ger.W. noch uit enig andere wettelijke bepaling kan worden afgeleid dat de dwangsom samen met de hoofdveroordeling moet worden geregeld. In principe kan er daarenboven toch niet onmiddellijk worden vanuit gegaan dat het toegekende contactrecht niet zal worden nageleefd (met uitzondering van het bestaan van een grondige aanleiding tot niet- naleving ervan, bv. als de ouder in het verleden zich al tegen elk contact heeft verzet).

    De rechtspraak bepaalt ook dat een dwangsom voor het eerst kan worden gevorderd in hoger beroep of op verzet.

     In de praktijk brengt de dwangsom de ouders niet altijd tot redelijk inzicht. Sommige betalen het bedrag zonder problemen maar blijven de omgang boycotten, anderen zijn niet vermogend of laten zich onvermogend verklaren.

     Alhoewel de rechtspraak er van uit gaat dat de verplichtingen van het ouderlijk gezag (art. 203 van B.W.) niet kunnen worden uitgeoefend zonder contact met de kinderen, kan een ouder niet onder verbeurte van een dwangsom, verplicht worden om zijn kinderen op te vangen. Het gaat hier over een recht op contact en geen juridisch afdwingbare verplichting. Het kan wel als een ‘morele’ plicht worden beschouwd.

     Eerder heb ik vermeld dat de dwangsom een indirect uitvoeringsmiddel is. Er is hier geen sprake van directe dwang zoals bij de besproken gedwongen tenuitvoerlegging. Met betrekking tot de dwangsom wordt er in principe een keuze vooropgesteld, nl. ofwel de verplichting nakomen  ofwel betalen. In het opzicht van het contactrecht is dit een delicate zaak. Iemand kan niet worden gedwongen zijn kind op te voeden vermits dit een bijzondere affectieve gezindheid veronderstelt. Het zou tegen het belang van het kind zijn als dit ergens moet verblijven waar het niet is gewenst m.a.w. als de ouder het kind bij zich laat verblijven enkel en alleen omdat hij de betaling van de dwangsom wil vermijden. De toepassing van de dwangsom is mogelijk maar ook hier is voorzichtigheid of behoedzaamheid aangewezen.

     De best mogelijke middelen om een verkrijging in natura te bekomen, zijn de dwangsom en de gedwongen uitvoering.

    ‘Naast deze mogelijkheden kunnen er nog enkele andere dwangmaatregelen worden toegepast vb. het tegenonderzoek door een door de ouder vrij gekozen geneesheer indien de andere ouder een medisch attest voorlegt dat het omgangsrecht belet.’15 Hier ga ik echter niet verder op in.

     

            

     

     C.  Strafsancties

     Een derde mogelijkheid tot handhaving van het contactrecht zijn de strafsancties. De niet-afgifte van een kind aan de contactgerechtigde titularis is een misdrijf. Deze contactgerechtigde kan een strafrechterlijke procedure instellen tegen de weigerende titularis.

     

    1.  Algemeen

     Niet alleen degene die door positieve handelingen (bv. het daadwerkelijk niet-afgeven van het kind) de rechterlijke beslissing betreffende het contactrecht verhindert, is strafbaar maar ook degene die zijn gezag niet laat gelden ten opzichte van het kind dat zelf het contactrecht niet respecteert, tenzij uitzonderlijke omstandigheden (o.a. verkrachting, mishandeling, vergaande verwaarlozing, enz.). In het geval dat een ouder zijn gezag niet laat gelden, wil ik erop wijzen dat dit meestal enkel strafbaar is als dit gebeurt t.a.v een jonger kind. T.a.v een ouder kind met een zeker onderscheidingsvermogen, is het minder eenvoudig om als ouder zijn gezag te laten gelden als het zich verzet. Ze ontwikkelen een eigen mening of gedacht en willen dat deze wordt gerespecteerd  

     

            

     

    2.  Wettelijke basis

     Het misdrijf ‘het onttrekken of niet-afgeven van een minderjarige’ wordt bestraft op basis van art. 431en art. 432 van het Strafwetboek (voorheen art. 369bis Sw.).

    Deze artikelen werden in gevoerd door de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechterlijke bescherming van de minderjarige, dewelke art. 368 - 371 Sw. (“Ontvoering van minderjarigen”) heeft opgeheven.

     

            

     
    2.1. Verduidelijking van art. 431 Sw.

     Hierin worden de straffen beschreven  die worden toegepast als degene (eender welke titularis) die het bewaringsrecht heeft over een kind onder de 12 jaar, dit niet afgeeft aan diegene die het recht heeft op omgang  in de afgesproken periodes, en omgekeerd. Het gaat om een gevangenisstraf van 8 dagen tot 1 jaar en/of een geldboete van € 130 tot € 5000.

    De straffen worden verhoogd (gevangenisstraf tot 5 jaar en geldboete vanaf € 250) als de schuldige het minderjarige kind méér dan 5 dagen verborgen houdt of onrechtmatig vasthoudt in het buitenland (ontvoering). 

            

     
    2.2. Verduidelijking van art. 432 Sw.

     De straffen die hier worden vermeld (gevangenisstraf van 8 dagen tot 1 jaar en/of geldboete van € 130 tot 5000) zijn van toepassing wanneer de vader of moeder het minderjarige kind ontrekt aan de rechtsvervolging, ingesteld tegen dit kind door o.a de Wet op de Jeugdbescherming, of wanneer één van de ouders het minderjarige kind onttrekt aan het materiële bewaringsrecht van de andere, aan wie de bevoegde overheid het heeft toegewezen, of als men het kind niet afgeeft aan de ouder die het recht heeft om het kind op te eisen, of als men het kind ontvoert ook al is het kind hiermee akkoord.

    Is hier sprake van een verzwarende omstandigheid, bv. als de schuldige geheel of gedeeltelijk is ontzet uit het ouderlijk gezag, dan kan de gevangenisstraf tot 3 jaar worden verhoogd.

     Als één van de ouders het minderjarige kind méér dan 5 dagen verborgen houdt of het onrechtmatig vasthoudt in het buitenland, worden de straffen verhoogd (gevangenisstraf tot 5 jaar en/of geldboete van min. € 250 - 5000)

    Indien de schuldige (vader of moeder) geheel of gedeeltelijk uit de ouderlijke macht is ontzet, begint de gevangenisstraf vanaf minstens 3 jaar. 

     

            

     

    3.  Instellen van een strafvordering

     De strafvordering kan op verschillende wijzen in werking worden gesteld: 

  • -         het indienen van een klacht bij de openbare macht (politie of parket);

  • -         het indienen van een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter;

  • -         het rechtstreeks dagvaarden voor de correctionele rechtbank.

  •  Als een klacht moet worden ingediend over het niet- afgeven van de kinderen, moet naar de politie worden gestapt om een aangifte te doen. De politie zal dan een verklaring afnemen en naar een kopie van het uitvoerbaar vonnis vragen waarin alle modaliteiten van de verblijfsregeling en het persoonlijk contact zijn vermeld. Eventueel kan de politie ook ter plaatse gaan vaststellen dat er wordt geweigerd de kinderen af te geven. In eerste instantie wijst de politie de weigerende persoon erop dat hij een strafbare handeling stelt en dat hij/zij het best de kinderen kan meegeven. Blijft de persoon dit weigeren, dan zal de politie het proces-verbaal met insluitend de verklaring van beide partijen, het afschrift van het vonnis en eventueel het proces-verbaal van vaststelling overmaken aan het parket. De politie heeft geen seponeringsbevoegdheid.

     Het parket beslist of het dossier wordt behandeld of geseponeerd en kan ook een bijkomend onderzoek vragen of strafbemiddeling inroepen waarbij wordt geprobeerd een minnelijke schikking te treffen tussen de partijen. De uiteindelijk gemaakte keuze houdt verband met de ernst van de situatie.

    In de grote meerderheid van de gevallen wordt de klacht geseponeerd. Het is daarom aan te raden herhaaldelijk een klacht neer te leggen en genoeg bewijsmateriaal, objectieve getuigen en aanwijzingen, af te leveren. Het O.M. kan wel terugkomen op zijn beslissing tot seponeren, maar de verzoekende partij heeft geen rechtsmiddelen ter beschikking om zich ertegen te verzetten.

    Bij vervolging wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de correctionele rechtbank. Het O.M treedt op in naam van de benadeelde (in het belang van het kind) en wordt vertegenwoordigd door de procureur.

    Als de zaak niet wordt geseponeerd, kan het nog een hele tijd duren voordat ze voor de strafrechter verschijnt. Deze mogelijkheid kan dus het best worden aangewend als de zaak niet dringend is (weinig voorkomend) en er genoeg geduld kan worden opgebracht.

    Als de klacht systematisch wordt geseponeerd, wordt het best een advocaat onder de arm genomen om een rechtstreekse dagvaarding voor de correctionele rechtbank uit te brengen.

     Ik wil er graag op wijzen dat de politie nooit kinderen weghaalt tenzij er sprake is van kindermishandeling. In zo een situatie moet zij beschikken over een vonnis van de jeugdrechtbank vooraleer zij mag overgaan tot afhalen van de kinderen.

     In het geval van burgerlijke partijstelling bij een onderzoeksrechter, voert deze een onderzoek. Als het onderzoek iets heeft opgeleverd en werd beëindigd, verschijnt de zaak voor de Raadkamer die dan weer beslist om de zaak te verwijzen naar de correctionele rechtbank of buiten vervolging te stellen.

    Een onderzoeksrechter bepaalt ambtshalve de modaliteiten van het onderzoek.

     In 2003 werden er ongeveer 17.000 klachten, i.v.m. het niet-naleven van het contactrecht neergelegd, waarvan de grote meerderheid werd geseponeerd.

    Slechts een fractie van deze klachten leidt tot een veroordeling van de contactweigerende ouder tot het betalen van een dwangsom of een gevangenisstraf.

    Het is een feit dat een aantal parketten op regelmatige basis een seponeringsbeleid toepassen. Ten eerste is het misdrijf van niet-afgeven van de kinderen geen prioritair misdrijf. Ten tweede is de achtergrond voor dit beleid ook nog ergens anders te situeren. Meestal stelt het parket vast, als (één van) de ouders klacht indienen, dat het om echtscheidingsproblemen gaat. In dat geval is het beter dat (één van) de ouders naar de burgerlijke rechter stapt want de strafrechter kan het probleem inhoudelijk niet aanpakken. Hij kan enkel straffen en hiermee bereikt niemand iets. Eerst en vooral raakt het de kinderen. En de ouder die ervoor heeft gezorgd dat de andere ouder een gevangenisstraf moet uitzitten, wordt meestal niet vriendelijk onthaald door de kinderen.

     

            

     

    4.  Concreet voorbeeld

     De gerechtsdeurwaarder bij wie ik mijn stage doormaakte, gaf me een voorbeeldje van een werkelijk meegemaakte situatie waaruit de effectiviteit van de strafvordering wel degelijk bleek:

     Een echtpaar was gewikkeld in een ‘vecht’scheiding, waarbij de moeder vastbesloten weigerde de kinderen mee te geven aan de vader die daardoor zijn contactrecht niet kon uitoefenen. De gerechtsdeurwaarder was een vijftiental keren ter plaatse geweest en ondervond er de grootste moeilijkheden om de kinderen mee te krijgen. Hysterische toestanden zowel van de kinderen als van de moeder, er werden schijnwerpers en een videocamera op hem gericht zodat ze konden filmen hoe de gerechtsdeurwaarder te werk ging, … Dit tafereel herhaalde zich telkens weer totdat de moeder voorwaardelijk werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. Vanaf toen was er plotseling geen enkel probleem meer. De kinderen gingen, zoals het was afgesproken, om de veertien dagen met hun vader mee …

     

            

     

    5.  Bevrijdingsgronden

     Er kunnen verschillende gronden worden ingeroepen om de ouder (of andere titularis) van zijn strafrechterlijke aansprakelijkheid te bevrijden.

    Vooreerst bespreek ik de rechtvaardigingsgrond ‘noodtoestand’, daarna enkele schulduitsluitingsgronden (overmacht en onoverwinnelijke dwaling).

     

    5.1.  Rechtvaardigingsgrond ‘noodtoestand’

     De noodtoestand (of onweerstaanbare drang) als rechtvaardigingsgrond, speelt als er een ernstig en voortdurend gevaar optreedt betreffende de fysieke of psychische toestand/integriteit (gezondheid) van het kind door de uitoefening of naleving van de rechterlijke beslissing inzake het contactrecht.

    Degene die deze grond opwerpt zal moeten aantonen dat het daadwerkelijk uitvoeren van de beslissing zal leiden tot het voormeld gevaar en men zal moeten bewijzen dat de reden waarom de beslissing niet werd gevolgd, voldoet aan de subsidiariteit- en proportionaliteitsvereiste.

    ‘De subsidiariteitvereiste impliceert dat de niet-naleving van de beslissing m.b.t. de bewaring van de minderjarige de enige manier was om diens gezondheid te beschermen.

    Het proportionaliteitsbeginsel vereist daarenboven dat het gevrijwaarde belang – i.e. de bescherming van de gezondheid van de minderjarige – een grotere waarde heeft dan het geschonden belang, nl. de naleving van de beslissing.’16

    Deze rechtvaardigingsgrond wordt niet veel aanvaard door de rechter omdat het bewijs leveren van het bestaan van dit ernstig gevaar niet makkelijk is.

    Het is vanzelfsprekend dat een ouder die zich voor de strafrechter moet verantwoorden zich niet kan beroepen op beschuldigingen (bv. van seksueel misbruik) als bevrijdingsgrond, waarmee de burgerlijke rechter in zijn vonnis al rekening heeft gehouden. 

     Een mogelijke oplossing indien de fysieke integriteit van het kind dreigt te worden geschaad, is de uitoefening van het recht op persoonlijk contact in een neutrale ontmoetingsruimte met gespecialiseerd toezicht.

     

            

     
    5.2.  Schulduitsluitingsgronden

     

    5.2.1.  Overmacht

     Een eerste schulduitsluitingsgrond, overmacht, kan worden ingeroepen als de vrije wil van de ouder door bepaalde omstandigheden volledig werd uitgeschakeld.

     Er bestaan twee soorten overmacht:    

  • -    materiële of fysieke overmacht (bv. een ziekte);

  • -         morele of psychologische overmacht (bv. de noodzaak tot bescherming van de integriteit van de minderjarige).

  •  

    5.2.2.  Onoverwinnelijke dwaling

     De onoverwinnelijke dwaling is een tweede schulduitsluitingsgrond. Deze is van toepassing wanneer elke redelijke en voorzichtige persoon in die bepaalde omstandigheden op dezelfde manier zou hebben gereageerd of gehandeld.

     

    5.2.3.  Bijzondere omstandigheden

     De recente rechtspraak is geneigd om nog een derde nieuwe schulduitsluitingsgrond te hanteren, nl. ‘bijzondere omstandigheden’ (inzake verzet van het kind).

    Deze bijzondere omstandigheden zijn de inspanningen van de niet-contactgerechtigde ouder om de weigerende minderjarige er toch toe aan te zetten de contactregeling na te leven. Het maakt deel uit van de opvoedingsplicht van de ouders. Wordt deze niet vervuld, dan wordt het belang van het kind geschaad tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals o.a. verkrachting, verwaarlozing, …

    Een voorbeeldje uit de rechtspraak: de volgehouden weigering van de minderjarige om de beslissing m.b.t. diens bewaring na te leven kan een bijzondere omstandigheid uitmaken op voorwaarde dat de beklaagde de weigering van de minderjarige niet alleen niet heeft aangemoedigd, maar – rekening houdend met de leeftijd van het kind – ook geprobeerd heeft deze ertoe aan te zetten om de beslissing wel na te leven.17

     

            

     

    D.  De schadevergoeding

     De strafrechter kan op verzoek van de in gebreke blijvende ouder een schadevergoeding toekennen ten voordele van de benadeelde. Deze schadevergoeding heeft meestal een louter moreel karakter en heeft vaak de symbolische waarde van € 1. In slechts enkele gevallen zal een hoger bedrag worden bevolen. 

    Situaties waarin een schadevergoeding kan worden toegekend zijn bv.:  

  • de uitvoering van de vordering tot contactrecht is onmogelijk is. Dan zal er een vervangende morele schadevergoeding worden opgelegd (uitvoering bij equivalent). De schadevergoeding moet worden betaald door diegene die de modaliteiten van het contactrecht niet eerbiedigt;

  • m.b.t. een beslissing inzake het contactrecht wordt hoger beroep ingesteld en dit enkel met het doel de zaak te boycotten (omdat er bv. een emotionele afkeer bestaat t.a.v. de ex-partner). Dan zal die persoon worden veroordeeld tot het betalen van een morele schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Dit laatste moet worden bewezen a.d.h.v. objectieve gegevens en criteria.

  •  

            

     

    E.  Jeugdbeschermingsmaatregelen

     

    1.  Algemeen

     In uitzonderlijke ernstige situaties kan de rechter oordelen om een jeugdbeschermingsmaatregel op te leggen t.o.v. de ouders. Het gaat dan over gevallen waarbij één ouder zich hardnekkig verzet tegen contact van het kind met de andere ouder of deze van allerlei zaken beschuldigt of alles in het werk stelt om het contactrecht te boycotten.

    Hierbij wordt vaak de persoon vergeten die hier het meeste onder lijdt, namelijk hun kind zelf. Het is een onevenwichtige en schadelijke situatie die de psychische gezondheid van het kind kan aantasten.  

    De rechtspraak oordeelt dat in de meest erge situaties betreffende het boycotten van het contactrecht, het mogelijk moet zijn om die ouder uit het ouderlijk gezag te ontzetten wegens misbruik van gezag (art. 32, 2° Jeugdbeschermingswet).

     

            

     

    2.  Ontzetting uit het ouderlijk gezag

     

    2.1.  Begripsomschrijving

     Deze regeling ter bescherming van de kinderen t.a.v hun ouders situeert zich in het kader van de jeugdbeschermingsmaatregelen.  

     ‘Onder de volledige ontzetting uit het ouderlijk gezag wordt verstaan: de ontneming aan de ouders van de ouderlijke rechten (en plichten) i.v.m. het onderhoud en de opvoeding van de kinderen (ouderlijk gezag), van hun recht om in bepaalde handelingen toe te stemmen (huwelijk en adoptie), van hun eigen recht op het genot van de goederen van hun kinderen en van de rechten die ze hebben n.a.v. de handelingsonbekwaamheid van die kinderen. Verder zijn de ouders dan ook vervallen van het recht op onderhoud en erfrecht dat ze t.a.v hun kinderen hebben op grond van de verwantschap.’18

     

    De ontzetting uit het ouderlijk gezag kan ook nog worden uitgesproken bij meerderjarigheid van de kinderen.

     

            

     
    2.2.  Toepassing

     De feiten die aanleiding geven tot het uitvoeren van de ontzetting moeten ernstig zijn en vaststaan op het moment van de rechterlijke uitspraak.

    Deze feiten kunnen zijn:

  • -         een strafrechterlijke veroordeling van een ouder

  • -         indien een ouder huwt met iemand die uit het ouderlijk gezag is ontzet;

  • -         slechte behandeling, misbruik (van gezag), erge nalatigheid waardoor de belangen van het kind ernstig worden geschaad.

  •  Indien het gedrag van de bijna uit het ouderlijk gezag ontzette ouder een verbetering vertoont zodat het geen gevaar meer vormt voor de kinderen, kan de ontzetting niet meer worden uitgesproken. De ernstig gebeurde feiten in het verleden vormen geen grond meer tot ontzetting in het heden. De rechter zal de zaak uitstellen en onderzoeken in welke mate er sprake is van een verbetering van het gedrag.

     

           

     
    2.3.  Kenmerken

     Het uitspreken van de ontzetting in o.a. bovenvermelde gevallen is facultatief. Met andere woorden, de jeugdrechter is niet verplicht de ontzetting uit te spreken. De rechter bepaalt zelf waar en wanneer dit noodzakelijk is.  

     De ontzetting kan geheel of gedeeltelijk worden uitgesproken. Bij een gedeeltelijke ontzetting wordt de ouder ontzet uit één of meerdere ouderlijke rechtsbekwaamheden die de jeugdrechter in het vonnis bepaalt.

     Ook is de ontzetting algemeen of bijzonder. Dit heeft te maken met het feit of ze van toepassing is op alle kinderen of op bepaalde kinderen van het gezin.

     

            

    2.4.  Gevolgen

     Meestal zal de niet-ontzette ouder worden aangeduid om de ontzette ouder te vervangen, tenzij dit strijdig is met het belang van het kind. In dat geval duidt de jeugdrechtbank een persoon aan die de rechten van het ouderlijk gezag zal uitoefenen. Indien de minderjarige door een jeugdrechter wordt toevertrouwd aan een sociale dienst, zal deze iemand aanwijzen. De vervanger van de ontzette persoon noemt men de ‘provoogd’.

     De normale ontzetting is in essentie een tijdelijke maatregel. Deze regeling kan worden ingetrokken of gewijzigd. De rechter kan de wijziging of intrekking ambtshalve bevelen, ook het openbaar ministerie kan dit vorderen en zelfs de ouders kunnen hierom verzoeken. In dit laatste opzicht geldt het verzoek tot wijziging of intrekking pas na één jaar vanaf de dag dat de

    ontzetting werd bevolen en in kracht van gewijsde is getreden. 

     Toch bestaat er ook een bijzondere vorm van ontzetting, nl. de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen. De ouders verliezen hun ouderlijk gezag buiten hun wil om en los van enige jeugdbeschermingsmaatregel. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een ouder in de onmogelijkheid verkeert om zijn gezag uit te oefenen omdat hij onbekwaam is verklaard of omdat er een vermoeden bestaat van afwezigheid van die ouder.  

    De vaststelling van de onmogelijkheid kan gebeuren door de rechter a.d.h.v. een bepaalde procedure (art. 1236bis Ger.W.). Deze procedure wordt ofwel ambtshalve ingesteld door de procureur des Konings ofwel op verzoek van een belanghebbende. Het advies van verschillende personen (vader, moeder, broers/zussen, de minderjarige zelf indien 12 jaar) wordt ingewonnen. Degene met een negatief advies wordt opgeroepen voor de rechtbank van eerste aanleg.   

     

            

     

    F.  Wijziging van de bestaande situatie

     Het kan zijn dat men al tot verschillende, van de hiervóór besproken, mogelijkheden tot afdwingen van het contactrecht is overgegaan maar deze geen oplossing hebben geboden. Of misschien zijn er nieuwe en onvoorziene omstandigheden ontstaan waardoor een wijziging zich opdringt.

    In deze gevallen is er de mogelijkheid tot wijziging van de bestaande regeling inzake ouderlijk gezag.

     

    1.  Algemeen

     De ouders kunnen steeds, zowel tijdens als na de echtscheiding, de wijzigingen onderling overeenkomen. Vermits de wijziging betrekking heeft op een overeenkomst inzake het ouderlijk gezag moet de wijziging in gemeen akkoord worden bekrachtigd door de jeugdrechtbank.

    Indien één ouder de bestaande regeling inzake ouderlijk gezag (verblijfsregeling of recht op persoonlijk contact) wil herzien, moet deze aantonen dat er zich nieuwe omstandigheden voordoen buiten de wil van de partijen, met een ingrijpende invloed tot gevolg voornamelijk op de kinderen maar eventueel ook op de toestand van de ouders. De wijziging moet in het belang van het kind worden gevorderd. Ook hier dient men een verzoekschrift in bij de jeugdrechtbank.

    Zolang de echtscheidingsprocedure nog bezig is voor de rechtbank van eerste aanleg is deze rechtbank bevoegd. 

    Wanneer het kind zelf beslist om een wijziging door te voeren en dus niet meer naar de andere ouder wil gaan, zal de jeugdrechter dit meestal soepel beoordelen. Het kind moet wel een zekere leeftijd hebben bereikt en over het nodige onderscheidingsvermogen beschikken ( ± 12 jaar).  

     De wijzigingen kunnen variëren van bv. kleine wijziging met betrekking tot het ophalen en afzetten van het kind, wijziging inzake contactvorm tot bv. het wijzigen van het gezamenlijk ouderlijk gezag in exclusieve gezagsuitoefening of overheveling van de exclusieve uitoefening van de ene ouder naar de andere. Dit laatste gebeurt in de praktijk echter zelden. 

     Ik wil er nog op wijzen dat in het geval van bijzondere ernstige omstandigheden, zoals bv. het strafrechterlijk beschuldigd zijn van seksueel misbruik, het contactrecht voor een bepaalde tijd kan worden geschorst. In de praktijk wordt hier eerder een wijziging van de bestaande regeling uitgesproken.

     

            

     

    2.  Bespreking van enkele voorbeelden

     

    2.1.  Voorbeeld uit de rechtspraak

     ‘De weerstand door één ouder van een secundaire huisvestingsrecht (verblijfsregeling) van de andere ouder is een situatie die aanleiding kan geven tot een wijziging van het hoofdverblijf. Zo oordeelde het Hof van Beroep te Luik dat de moeder die op een onverantwoorde manier het verblijf van haar vierjarige dochter bij haar vader belemmerde, strijdig was met het belang van het kind en de rechten van de vader. Aan hem werd het recht toegekend om het kind hoofdzakelijk te huisvesten. Het Hof achtte deze extreme oplossing de enig mogelijke, nu de moeder volhardde in haar houding.’19

     

            

    2.2.  Voorbeeld omdraaien van de hoofdverblijfplaats

     Op 25 april 2005 heeft een voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zetelend in kortgeding, bij voorlopige maatregel een toch wel historische uitspraak gedaan. Hij heeft de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag van de moeder overgedragen aan de vader.

    Een korte situatieschets: drie jaar geleden overleed het zoontje van dit koppel aan een hersentumor. De vrouw kon dit moeilijk verwerken en wou scheiden. Eerst oefenden de ouders samen het ouderlijk gezag uit over hun dochtertje. Toen de echtscheiding in 2002 werd uitgesproken, kreeg de moeder de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag (materiële bewaringsrecht) toegekend. De vader had het recht op persoonlijk contact met hun kind. De vrouw maakte de uitoefening van dit recht van de vader echter erg moeilijk en er werd beroep gedaan op het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk (CAW). Hier ontmoetten de vader en het kind elkaar regelmatig. Tot op een bepaald moment ook dit door de moeder werd geweigerd.

    De man stapte naar de rechter om de domiciliëring om te keren. Tegen alle verwachting in keurde de rechter dit goed. De moeder van het kind tekent beroep aan.

    Het is duidelijk dat de rechter hiermee een schokeffect wou teweegbrengen en een signaal geven aan de ouders die zich in zo’n situatie bevinden om eerst na te denken vooraleer men het recht op contact weigert of boycot. Het is in het belang van het kind om het contact met de twee ouders te behouden (tenzij uitzonderlijke omstandigheden).

    Tegenwoordig wordt geopteerd voor de gezamenlijke gezagsuitoefening van het ouderlijk gezag met bilocatieregeling. In de gevallen waarin het exclusief ouderlijk gezag wordt uitgesproken, wordt dit echter vaak toegekend aan de moeder. De gescheiden vaders behouden het recht om hun kind te zien, maar toch wordt dit te vaak geschonden. Het grootste probleem lijkt dat de gerechtelijke instanties niet veel ondernemen om dit te verhelpen. Dit klopt echter niet. Het is niet zo dat de parketten er geen aandacht aan besteden maar ze beschikken over een tekort aan wettelijke middelen om snel en efficiënt op te treden.

    Zowel het wetsontwerp van minister Onkelinx als het wetsvoorstel van Guy Swennen kunnen hier een oplossing bieden (cfr. infra, hfdst. IV).

     

            

     

    Kanttekening

    Zoals eerder al vermeld (cfr. supra, p.27-28) worden heel veel klachten geseponeerd en als ze dan al worden behandeld en uitgesproken, worden ze zelden uitgevoerd omdat het niet in het belang van het kind zou zijn. Maar is het wel in het belang van het kind dat het van één van zijn ouders vervreemdt door weigering van het contactrecht !?

    Ik ben het eens met het standpunt van het SBO (Steunpunt Blijvend Ouderschap). Zij zijn van mening dat andere rechters dit voorbeeld moeten volgen. Ik hoop ook dat dit niet de eerste en laatste keer zal zijn dat een rechter zo een uitspraak doet. Op korte termijn zal dit misschien de aandacht van de mensen trekken en zal er rekening mee worden gehouden, maar als moet blijken dat het slechts een éénmalige gebeurtenis was, is het risico groot dat snel terug in het oude patroon wordt vervallen.

     

            

     

    Internationale verblijfsregelingen en ouderlijk gezag

     

    Datum Type Titel Bron
      document Internationale verblijfsregelingen en ouderlijk gezag  

     

            

     

     HOOFDSTUK IV :  RECENTE ONTWIKKELINGEN

     

    A.  Proceduregebonden bemiddeling inzake ouderlijk gezag en het contactrecht

     Al verschillende keren heb ik er op gewezen dat heel de materie van de uitoefening van het ouderlijk gezag bij niet-samenlevende ouders en de eruit voortspruitende regelingen inzake het contactrecht, een gevoelige materie is. In de meeste gevallen is één van de ouders het niet eens met de uitgesproken regeling van de rechter. Het gevolg daarvan zijn wrijvingen en het boycotten van de regeling. Het is dan ook nog eens moeilijk afdwingbaar en zeker niet in het belang van het kind.

    Wanneer de ouders onderling bepaalde regelingen overeenkomen, zoals het geval is bij echtscheiding met onderlinge toestemming, geeft dit minder aanleiding tot wrevel.

     Sinds enkele jaren wordt dan ook in de rechtspraak de techniek van de bemiddeling toegepast als een preventief middel voor allerlei problemen in verband met het ouderlijk gezag.

    De wet van 19 februari 200121 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, heeft de artikelen 734bis §1-5 Ger.W. ingevoerd. Op basis hiervan kan de rechter een bemiddelaar aanstellen in alle familiale geschillen en dus ook inzake ouderlijk gezag.

     De rechter kan in een procedure waarin hij kennis neemt van vorderingen betreffende artikel 371-387bis B.W., een bemiddelaar aanwijzen. Dit zowel op verzoek van de partijen als ambtshalve met instemming van de ouders. De ouders moeten zowel instemmen met de bemiddeling als met de voorgestelde bemiddelaar.

    Binnen een opgelegde, verlengbare, termijn moet een professionele bemiddelaar zijn opdracht vervullen.

     Samengevat kan men stellen dat er twee belangrijke redenen aan de basis liggen om deze specifieke bemiddeling in de wet op te nemen:

     

  • -         de rechter heeft nu een wettelijke grondslag om de zaak te verdagen en een bemiddelaar aan te wijzen;

  • -         het is een humane preventieve oplossing tegen mogelijke gezinsdrama’s.

  •  

    De volledige procedure kan worden teruggevonden, zoals hoger vermeld, in artikel 734bis §1-5 Ger.W.

       

     

            

     

    B.  Mogelijke ontwikkelingen in de wet tot betere afdwingbaarheid van het
          contactrecht

     Vermits het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact moeilijk zijn te handhaven en in sommige situaties tot grote moeilijkheden leiden, is de politieke overheid van mening dat de wet toch moet voorzien in verschillende mogelijkheden tot afdwingbaarheid.

     In wat volgt licht ik kort een wetsontwerp en enkele wetsvoorstellen toe die een betere afdwingbaarheid proberen te regelen.

     

    1.  Wetsvoorstel Martine Taelman (federaal volksvertegenwoordiger voor de VLD)

     Het weigeren van het contactrecht maakt een misdrijf uit. Dit kan natuurlijk worden bestraft met een strafrechterlijke sanctie maar dit is geen oplossing in het belang van het kind.

    De argumentatie van Taelman’s voorstel steunt op het feit dat de meerderheid van de ingediende klachten worden geseponeerd en dit wekt het idee bij de onwillige persoon dat er toch geen rekening mee wordt gehouden of er iets aan wordt gedaan dus waarom het niet meer doen.

    Het wetsvoorstel van Martine Taelman voorziet om deze reden in een dwangmiddel dat efficiënter is dan enig ander middel, nl. de omkering van het verblijfsrecht. Indien er binnen een korte periode (bv. zes maanden) een aantal klachten van niet-afgeven van de kinderen werden ingediend, wordt de zaak automatisch aanhangig gemaakt bij de burgerlijke rechtbank. De rechter zal dan afwegen of een omkering mogelijk en beter is, in het belang van het kind.   

     

            

     

    2.  Wetsontwerp minister van Justitie, Laurette Onkelinx

     Dit voorontwerp, reeds goedgekeurd door de ministerraad, hanteert verschillende punten.

     

    Eerst en vooral streeft het naar het model van de twee-verblijfsregeling als norm ingeval er een regeling moet worden getroffen inzake het verblijf bij een gezamenlijke gezagsuitoefening bij niet samenwonenden. Dit geeft duidelijk weer dat de ouders gelijkwaardig zijn. Dit model wordt niet automatisch toegepast maar de rechter moet in elke situatie onderzoeken of deze regeling mogelijk is, in het belang van het kind.

     Bilocatie werkt enkel onder een aantal voorwaarden

     Verschillende personen, o.a. Mevr. Roosje Uyttendaele -advocate specialisatie familierecht- en Mevr. Ria Renders -kinderpsycholoog-  zijn van mening dat de toepassing van deze regeling als wettelijke norm een stap achteruit is. We hervallen in dezelfde situatie als vóór 1995 toen het klassieke systeem van hoede - en bezoekrecht de bevoorrechte regeling was.

    De bilocatieregeling moet juridisch mogelijk zijn maar ik vrees dat bepaalde rechters andere mogelijkheden niet meer of minder grondig gaan onderzoeken vermits zij nu een bepaalde regeling krijgen voorgeschoteld.     

     Ten tweede moeten de dwangmaatregelen worden gereglementeerd. Hiermee worden zowel de gedwongen uitvoering door de deurwaarder als de onbeperkte inbeslagname van de dwangsom op het inkomen bedoeld. 

    Ook een vereenvoudiging van de procedureregeling bij de jeugdrechtbank inzake het ouderlijk gezag wordt voorgesteld. Dat houdt in:

  • -         het benadrukken van de noodzakelijkheid van voorlopige maatregelen;

  • -         het instellen van een nieuwe evaluatie van de situatie indien de twee-verblijfsregeling in eerste instantie niet werd bevolen;

  • -    de invoering van een mechanisme, het neerleggen van conclusies of het schriftelijk verzoek bij de griffie, moet het mogelijk maken dat er geen nieuwe procedure moet worden ingesteld indien er een wijziging van de omstandigheden optreedt. 

  •   Minister Onkelinx is van mening dat in eerste instantie en vooraleer er wordt overgegaan tot het afdwingen van het contactrecht, een oplossing moet worden gezocht a.d.h.v. bemiddeling.

     

            

     

    3.  Wetsvoorstel Guy Swennen (sp.a-spirit)

     

    3.1.  Samenvatting

     ‘Als het omgangsrecht wordt geweigerd of ernstig bemoeilijkt, moet snel worden ingegrepen omdat de psychologische schade groeit met de tijd.

    De bestaande procedures laten echter niet toe kort op de bal te spelen. Om dit te verhelpen stelt de indiener voor de bestaande regeling grondig aan te passen.

     Centraal staat een ‘snel-omgangsrechter’, die op heel korte termijn kan worden ingeschakeld en ten gronde beslissen. Hij krijgt daarbij ruime bevoegdheden met inbegrip van het opleggen van straffen aan de onwillige ouder. De feiten moeten wel ernstig genoeg zijn en vastgesteld zijn door een gerechtsdeurwaarder wiens optreden evenwel financieel toegankelijker wordt. Nieuw is de mogelijkheid een ‘omgangsbudy’ in te schakelen, die de verdere uitoefening van het ouderlijk gezag begeleidt. Andere mogelijkheden zijn het opleggen van een dwangsom en de omrekening van hoofdzakelijk verblijf en omgangsrecht.

     Tenslotte stelt de auteur voor om ook meer preventief te werk te gaan door het informeren van de ouders.’22

     

    3.2.  Krachtlijnen    

     Zoals eerder besproken (cfr. supra, p. 17, IV), zijn er verschillende rechters bevoegd om beschikkingen te treffen inzake ouderlijk gezag en bijhorend contactrecht.

    Het wetsvoorstel bepaalt dat de rechter die het laatste een oordeel heeft geveld over het contactrecht wordt aanzien als de bevoegde rechter indien er verdere problemen zijn in verband met de uitgesproken regelingen.

    Deze zaken kunnen dan snel opnieuw aan de bevoegde rechter worden voorgelegd. Een ander voordeel is dat de rechter al vertrouwd is met het dossier hetgeen het nemen van beslissingen vergemakkelijkt.

    Niet enkel een snelle omgangsrechter is nodig, ook zou de zaak prioritair en snel moeten worden behandeld d.m.v. burgerlijk omgangsrecht-snelrecht.

    Niet alle problemen komen in aanmerking voor dit snelrecht. Het moet gaan over ernstige feiten (het boycotten van het contactrecht) en niet de kleine belemmeringen.

    Het is noodzakelijk dat de gerechtsdeurwaarder de feiten tweemaal moet vaststellen zodat er geen sprake is van toeval of misverstand.

     De mogelijkheid tot het inschakelen van een ‘omgangsbudy’ d.w.z. het aanwijzen van een maatschappelijk assistent die de verdere uitoefening van het ouderlijk gezag en het contactrecht op de voet volgt en bemiddelt indien nodig. Deze kan de zaak ook aanhangig maken bij de rechter als de bemiddeling niet zou helpen en/of (één van) de ouders zich blijft verzetten.

    De ouders worden geïnformeerd aan de hand van een preventiebrochure. De voornaamste bedoeling van deze folder is aan de ouders duidelijk te maken wat ze hun kinderen aan doen door de ouderlijke oorlog uit te vechten via het contactrecht en dus via de kinderen.

     

            

     


    7 Gent 12 december 1995, R.W. 1996-97, 159

    8 Cass. 11 maart 1994, R.W. 1994-95, 671

    9 Uitgevaardigd op 21 maart 1996 en op 2 april 1996 aan alle deurwaarders meegedeeld

    10 P. TAELMAN, “Reële executie”, in E. DIRIX en P. TAELMAN (eds), Beslag- en executierecht. Naar een collectief beslagrecht, Antwerpen, Intersentia rechtswetenchappen, 2001, 258-266

    11 De rechter oordeelt dat de schuldige de dwangsom daadwerkelijk moet betalen

    12 Benelux Gerechtshof 11 mei 1982, R.W. 1982-83, 289

    13 Hof van Beroep te Luik

    14 Hof van Beroep te Antwerpen

    15 A. DE WOLF, “Ontwikkelingen inzake het ouderlijk gezag en het recht op contact” in Prof. Dr. P. SENAEVE (ed.), Personen- en familierecht,  Brugge, die Keure, 2000-01, 105

    16 G., BAETEMAN, J., GERLO, E., GULDIX, A., WYLLEMAN, G., VERSCHELDEN en S., BROUWERS, “Personen- en familierecht 1995-2000”, T.P.R. 2001, (1551) 1972

    17 Corr. Brussel 15 april 1996, Rev. dr. pén. 1997, 231 in G., BAETEMAN, J., GERLO, E., GULDIX, A., WYLLEMAN, G., VERSCHELDEN en S., BROUWERS, “Personen- en familierecht 1995-2000”, T.P.R. 2001, (1551) 1974

    18 A. HEYVAERT, Het personen- en gezinsrecht ont(k)leed. Theorieën over personen-en gezinsrecht rond een syllabus van de Belgische techniek, Gent, Mys & Breesch, 1997, 227-229

    19 Luik 8 november 1999, Rev. trim. dr. farm. 2000, 693- 696 in G., BAETEMAN, J., GERLO, E., GULDIX, A., WYLLEMAN, G., VERSCHELDEN en S., BROUWERS, “Personen- en familierecht 1995-2000”, T.P.R. 2001, (1551) 1943

    20 bewaringsrecht in geval van exclusieve gezagsuitoefening en primair verblijfsrecht ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening

    21 Toepassing van de Overeenkomst tussen het Koningrijk België en het Koningrijk Marokko van 30 april 1981 betreffende de wederzijdse rechtshulp in burgerlijke zaken, handelszaken en bestuurszaken, alsmede inzake juridische informatie en de Overeenkomst tussen België en Tunesië van 27 april 1989 betreffende wederzijdse rechtshulp in burgerlijke zaken en in handelszaken

    21 B.S. 3 april 2001, in werking getreden op 1 oktober 2001

    22 wetsvoorstel tot het waarborgen van het omgangsrecht tussen ouders en kinderen en tussen grootouders en kleinkinderen, 30 maart 2004

     

            

     

    Verwante links:

            

    Verwante links:  

    Datum   Type Titel Bron
    20/11/89 document art. 3 IVRK -belang v kind is steeds de eerste overweging - Belgische Wet
    20/11/89 document art. 18 IVRK -beide ouders verantwoordelijk voor opvoeding Belgische Wet
    20/11/89 document art. 8 IVRK -behoud van familiebetrekkingen - Belgische Wet
    20/11/89 document art. 9§3 IVRK -frequent & regelmatig contact met ouderS - Belgische Wet
    20/11/89 document art. 7§1 IVRK -recht op verzorging door de ouderS - Belgische Wet
    04/10/50 document art. 8 EVRM -recht op familie- en gezinsleven- Belgische Wet
    21/02/02 document art. 10 grondwet -alle Belgen man/vrouw gelijk voor d wet- Belgische Wet
    21/02/02 document art. 11 grondwet - geen discriminatie - Belgische Wet
    23/03/00 document art. 22bis grondwet -eerbiedig integriteit v/h kind - Belgische Wet
    04/09/06 document aanpassing art. 374 BW -de bilocatiewet van 04/09/2006- Belgische Wet
    13/04/95 document art. 374 BW - gescheiden ouders blijven gezag behouden - Belgische Wet
    13/04/95 document art. 373 BW - gescheiden ouders handelen samen o gezag- Belgische Wet
    13/04/95 document art. 203 BW -ouderS zorgen naar evenredig v middelen voor huisvesting levensonderhoud toezicht opvoeding opleiding Belgische Wet
    17/03/01 document art. 432 Sw -zware straffen voorzien schending familieleven Belgische Wet

          

    Verwante links:

     
    Datum   Type Titel Bron
             

     

            


    bij favorieten  E-mail paginalink
    suggestie/opmerking? print selectie
     
    f4j.be bilocatiewet co-ouderschap gezagsco-ouderschap verblijfsco- ouderschap omgangsrecht het belang van het kind Ouderschap echtscheiding scheiding samenwonende ouders kinderen moeder vader verblijfsregeling alimentatie onderhoudsgeld opvoeding ouderlijk gezag hoederecht bezoekrecht Bemiddeling gelijkmatig verdeelde huisvesting vechtscheiding oudervervreemding kindermishandeling ouderverstoting parental alienation papa mama familierecht.