Artikel
371 burgerlijk wetboek
Art.
371 BW.
<W 1995-04-13/37, art. 5, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Een kind en zijn ouders zijn
op elke leeftijd aan elkaar
respect verschuldigd.
Artikel
372 burgerlijk wetboek
Art.
372. BW
<W 1995-04-13/37, art. 6, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Een kind blijft onder het
gezag van zijn ouders tot
aan zijn meerderjarigheid of
zijn ontvoogding.
Artikel
373 burgerlijk wetboek
Art.
373. BW
<W 1995-04-13/37, art. 7, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Wanneer de ouders
samenleven, oefenen zij het
gezag over de persoon van
het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden
die te goeder trouw zijn,
wordt elke ouder geacht te
handelen met de andere ouder
wanneer hij, alleen, een
handeling stelt die met
gezag verband houdt behouden
de bij de wet bepaalde
uitzonderingen. Bij
gebreke van instemming kan
één van beide ouders de zaak
bij de jeugdrechtbank
aanhangig maken. De
rechtbank kan één van de
ouders toestemming verlenen
alleen op te treden voor één
of meer bepaalde
handelingen.
Artikel
374 burgerlijk wetboek
Art.
374. BW
<W 1995-04-13/37, art. 8, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Wanneer de ouders niet
samenleven, blijven zij het
ouderlijk gezag gezamenlijk
uitoefenen en geldt het in
artikel 373, tweede lid,
bepaalde vermoeden.
Bij gebreke van
overeenstemming over de
organisatie van de
huisvesting van het kind,
over de belangrijke
beslissingen betreffende
zijn gezondheid, zijn
opvoeding, zijn opleiding en
zijn ontspanning en over de
godsdienstige of
levensbeschouwelijke keuzes
of wanneer deze
overeenstemming strijdig
lijkt met het belang van het
kind, kan de bevoegde
rechter de uitoefening van
het ouderlijk gezag
uitsluitend opdragen aan één
van beide ouders.
Hij kan eveneens bepalen
welke beslissingen met
betrekking tot de opvoeding
alleen met instemming van
beide ouders kunnen worden
genomen. Hij bepaalt
de wijze waarop de ouder die
niet het ouderlijk gezag
uitoefent, persoonlijk
contact met het kind
onderhoudt. Dat persoonlijk
contact kan enkel om
bijzonder ernstige redenen
worden geweigerd.
De ouder die niet het
ouderlijk gezag uitoefent,
behoudt het recht om
toezicht te houden op de
opvoeding van het kind. Hij
kan bij de andere ouder of
bij derden alle nuttige
informatie hieromtrent
inwinnen en zich in het
belang van het kind tot de
jeugdrechtbank wenden.
In elk geval bepaalt de
rechter de wijze waarop het
kind wordt gehuisvest en de
plaats waar het in het
bevolkingsregister wordt
ingeschreven als hebbende
aldaar zijn hoofdverblijf.
Toevoeging - bilocatiewet
van 18 juli 2006 -Art.
2. Artikel 374 van het
Burgerlijk Wetboek,
gewijzigd bij de wet van 13
april 1995, waarvan de
bestaande tekst § 1 zal
vormen, wordt aangevuld met
een § 2, luidende :
§ 2. Ingeval de ouders niet
samenleven en hun geschil
bij de rechtbank aanhangig
wordt gemaakt, wordt het
akkoord over de huisvesting
van de kinderen door de
rechtbank gehomologeerd,
tenzij het akkoord kennelijk
strijdig is met het belang
van het kind.
Bij gebrek aan akkoord, in
geval van gezamenlijk
ouderlijk gezag, onderzoekt
de rechtbank op vraag van
minstens één van de ouders
bij voorrang de mogelijkheid
om de huisvesting van het
kind op een gelijkmatige
manier tussen de ouders vast
te leggen.
Ingeval de rechtbank echter
van oordeel is dat de
gelijkmatig verdeelde
huisvesting, niet de meest
passende oplossing is, kan
zij evenwel beslissen om een
ongelijk verdeeld verblijf
vast te leggen.
De rechtbank oordeelt in
ieder geval bij een met
bijzondere redenen omkleed
vonnis, en rekening houdend
met de concrete
omstandigheden van de zaak
en het belang van de
kinderen en de ouders.
Artikel
375 burgerlijk wetboek
Art. 375.
<W 31-03-1987, art. 42>
Indien de afstamming niet is
vastgesteld ten aanzien van
een van de ouders of indien
een van beiden overleden of
afwezig is dan wel in de
onmogelijkheid verkeert zijn
wil te kennen te geven,
oefent de andere dat gezag
alleen uit.
(Als van beide ouders er
geen overblijft die in staat
is het ouderlijk gezag uit
te oefenen, moet een
voogdijregeling worden
uitgewerkt.)
<W
1995-04-13/37, art. 9, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Artikel
375bis burgerlijk wetboek
Art.
375bis.
<ingevoegd bij W
1995-04-13/37, art. 10, 003; Inwerkingtreding :
03-06-1995>
De grootouders hebben het
recht persoonlijk contact
met het kind te onderhouden.
Datzelfde recht kan aan
ieder ander persoon worden
toegekend, indien hij
aantoont dat hij met het
kind een bijzondere
affectieve band heeft.
Bij gebreke van een
overeenkomst tussen de
partijen, wordt over de
uitoefening van dat recht in
het belang van het kind op
verzoek van de partijen of
van de procureur des Konings
beslist door de
jeugdrechtbank.
Artikel
387bis burgerlijk wetboek
Art.
387bis.<ingevoegd
bij W 1995-04-13/37, art.
15, 003; Inwerkingtreding :
03-06-1995>
In alle gevallen, en
onverminderd de bevoegdheid
van de voorzitter van de
rechtbank van eerste aanleg,
rechtsprekend in kort geding
overeenkomstig artikel 1280
van het Gerechtelijk
Wetboek, kan de
jeugdrechtbank in het belang
van het kind, op verzoek van
beide ouders of van één van
hen, dan wel van de
procureur des Konings alle
beschikkingen met betrekking
tot het ouderlijk gezag
opleggen of wijzigen.
Toevoeging - bilocatiewet
van 18 juli 2006Art.
3. Artikel 387bis van
hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 13 april
1995, wordt aangevuld met de
volgende leden :
Onverminderd artikel 1734
van het Gerechtelijk
Wetboek, poogt de rechtbank
de partijen te verzoenen.
Zij verstrekt hen alle
nuttige inlichtingen over de
rechtspleging en in het
bijzonder over het nut een
beroep te doen op de in het
zevende deel van het
Gerechtelijk Wetboek
bepaalde bemiddeling. Indien
zij vaststelt dat een
toenadering mogelijk is, kan
zij de schorsing van de
procedure bevelen, teneinde
de partijen de mogelijkheid
te bieden alle nuttige
inlichtingen hierover in te
winnen en het
bemiddelingsproces op te
starten. De duur van de
schorsing mag niet meer dan
één maand bedragen.
De rechtbank kan, zelfs
ambtshalve, een voorafgaande
maatregel bevelen teneinde
de vordering te onderzoeken
of de toestand van de
partijen voor een termijn
die zij vaststelt, voorlopig
te regelen.
Ingeval een dergelijke
vordering voor het eerst bij
de jeugdrechtbank aanhangig
wordt gemaakt, en behoudens
overeenstemming van alle
partijen en van de procureur
des Konings, beslist de
jeugdrechtbank over een
voorlopige regeling. De zaak
kan tijdens een latere
zitting opnieuw worden
onderzocht, op een datum die
ambtshalve vastgelegd wordt
in het vonnis, binnen een
termijn die één jaar niet te
boven mag gaan, en
onverminderd een nieuwe
oproeping op een vroegere
datum, zoals is aangegeven
in het volgende lid :
De zaak blijft ingeschreven
op de rol van de
jeugdrechtbank tot de
kinderen op wie het geschil
betrekking heeft, ontvoogd
zijn of de leeftijd van
wettelijke meerderjarigheid
hebben bereikt. In geval
van nieuwe elementen, kan de
zaak opnieuw voor de
rechtbank worden gebracht
bij conclusie of bij een
schriftelijk verzoek dat
wordt neergelegd bij of
gericht is aan de griffie.
Artikel 730, § 2, a), van
het Gerechtelijk Wetboek is
niet van toepassing op deze
zaken.
Ar. 387ter
Art. 387ter. <Ingevoegd> §
1. Ingeval één van de ouders
weigert de rechterlijke
beslissingen met betrekking
tot de huisvesting van de
kinderen of het recht op
persoonlijk contact uit te
voeren, kan de zaak opnieuw
voor de bevoegde rechter
worden gebracht. In
afwijking van artikel 569,
5°, van het Gerechtelijk
Wetboek, is de bevoegde
rechter degene die de
niet-nageleefde beslissing
heeft gewezen, tenzij de
zaak inmiddels bij een
andere rechter aanhangig is
gemaakt, in welk geval de
vordering voor deze laatste
wordt gebracht.
De rechter doet uitspraak
met voorrang boven alle
andere zaken.
Behalve in geval van
dringende noodzakelijkheid,
kan hij onder meer :
- nieuwe
onderzoeksmaatregelen
verrichten, zoals een
maatschappelijke enquête of
een deskundigenonderzoek;
- een poging tot verzoening
ondernemen;
- de partijen voorstellen
gebruik te maken van de in
artikel 387bis bepaalde
bemiddeling.
Hij kan nieuwe beslissingen
nemen met betrekking tot het
ouderlijk gezag of de
huisvesting van het kind.
Onverminderd strafvervolging
kan hij de partij die het
slachtoffer is van de
miskenning van de in het
eerste lid bedoelde
beslissing toestaan een
beroep te doen op
dwangmaatregelen. Hij
bepaalt de aard van deze
maatregelen en de nadere
regels betreffende de
uitoefening ervan, rekening
houdend met het belang van
het kind en wijst, indien
hij zulks nodig acht, de
personen aan die gemachtigd
zijn de gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor de
tenuitvoerlegging van zijn
beslissing.
De rechter kan een dwangsom
uitspreken om te waarborgen
dat de te nemen beslissing
zal worden nageleefd en, in
die hypothese, stellen dat
voor de tenuitvoerlegging
van die dwangsom, artikel
1412 van het Gerechtelijk
Wetboek van toepassing is.
De beslissing is van
rechtswege uitvoerbaar bij
voorraad.
§ 2. Dit artikel is eveneens
van toepassing wanneer de
rechten van de partijen
geregeld zijn door een
overeenkomst zoals voorzien
in artikel 1288 van het
Gerechtelijk Wetboek. In dit
geval, en onverminderd § 3,
wordt de zaak bij de
rechtbank aanhangig gemaakt
door middel van een
verzoekschrift op
tegenspraak.
§ 3. In geval van absolute
noodzaak, en onverminderd de
mogelijkheid om een beroep
te doen op artikel 584 van
het Gerechtelijk Wetboek,
kan bij eenzijdig
verzoekschrift de
toestemming worden gevraagd
om een beroep te doen op de
dwangmaatregelen als bedoeld
in § 1. De artikelen 1026
tot 1034 van het
Gerechtelijk Wetboek zijn
van toepassing. De
verzoekende partij moet het
verzoekschrift staven met
alle dienstige stukken die
aantonen dat de weigerende
partij daadwerkelijk werd
aangemaand haar
verplichtingen na te komen
en dat zij zich heeft verzet
tegen de tenuitvoerlegging
van de beslissing.
De inschrijving van het
verzoekschrift is kosteloos.
Het verzoekschrift wordt
gevoegd bij het dossier van
de rechtspleging die
aanleiding heeft gegeven tot
de beslissing die niet werd
nageleefd, tenzij de zaak
inmiddels bij een andere
rechter aanhangig is
gemaakt.
§ 4. Dit artikel doet geen
afbreuk aan de
internationale bepalingen
die België verbinden op het
vlak van de internationale
ontvoering van kinderen.
2) Strafrechterlijk
Artikel 432 Strafwetboek
Art.
432.
<W 2000-11-28/35, art.
31, 029;
Inwerkingtreding :
27-03-2001>
§ 1. Met gevangenisstraf
van acht dagen tot een
jaar en met geldboete
van zesentwintig frank
tot duizend frank, of
met een van deze
straffen alleen worden
gestraft :
de vader of moeder die
het minderjarige kind
onttrekt of poogt te
onttrekken aan de
rechtsvervolging, tegen
dit kind ingesteld uit
kracht van de wetgeving
betreffende de
jeugdbescherming of
betreffende de
jeugdbijstand, die het
onttrekt of poogt te
onttrekken aan de
bewaring van de personen
aan wie de bevoegde
overheid het heeft
toevertrouwd, die het
niet afgeeft aan degenen
die het recht hebben het
op te eisen of die het,
zelfs met zijn
toestemming, ontvoert of
doet ontvoeren.
Is de schuldige geheel
of ten dele ontzet uit
de ouderlijke macht, dan
kan de gevangenisstraf
tot drie jaar worden
verhoogd.
§ 2. Indien de
schuldige het
minderjarige kind meer
dan vijf dagen verborgen
houdt voor degenen die
het recht hebben het op
te eisen of het
minderjarige kind
onrechtmatig buiten het
grondgebied van het
Koninkrijk vasthoudt,
wordt hij gestraft met
gevangenisstraf van een
jaar tot vijf jaar
en met geldboete van
vijftig frank tot
duizend frank, of met
een van deze straffen
alleen.
Is de schuldige geheel
of ten dele ontzet uit
de ouderlijke macht, dan
is de gevangenisstraf
minstens drie jaar.
§ 3. Wanneer over
de bewaring van het
minderjarige kind mocht
zijn beslist, hetzij
gedurende het verloop of
ten gevolge van een
geding tot echtscheiding
of tot scheiding van
tafel en bed, hetzij in
andere bij de wet
bepaalde omstandigheden,
dan worden de straffen
bepaald in de §§ 1 en 2
toegepast op de vader of
de moeder die het
minderjarige kind
onttrekt of poogt te
onttrekken aan de
bewaring van hen aan wie
het krachtens de
beslissing is
toevertrouwd, die het
niet afgeeft aan degenen
die het recht hebben het
op te eisen of die het,
zelfs met zijn
toestemming, ontvoert of
doet ontvoeren.
§ 4. Indien over de
bewaring van het
minderjarige kind een
aan de rechtspleging
door onderlinge
toestemming voorafgaande
minnelijke schikking is
getroffen, worden de
straffen bepaald in §§ 1
en 2 toegepast op de
vader of de moeder die,
vanaf de datum van de
overschrijving van de
echtscheiding door
onderlinge toestemming,
het minderjarige kind
onttrekt of poogt te
onttrekken aan de
bewaring van hen aan wie
het krachtens de
beslissing of de
minnelijke schikking is
toevertrouwd, die het
niet afgeeft aan hen die
het recht hebben het op
te eisen of die het,
zelfs met zijn
toestemming, ontvoert of
doet ontvoeren.
3) Aanvullende wettekst
(de bilocatiewet van 18
juli 2006)
Publicatie 04/09/06
FEDERALE
OVERHEIDSDIENST
JUSTITIE
18 JULI 2006. - Wet tot
het bevoorrechten van
een gelijkmatig
verdeelde huisvesting
van het kind van wie de
ouders gescheiden zijn
en tot regeling van de
gedwongen
tenuitvoerlegging inzake
huisvesting van het kind
(1)
ALBERT II, Koning der
Belgen,
Aan allen die nu zijn en
hierna wezen zullen,
Onze Groet.
De Kamers hebben
aangenomen en Wij
bekrachtigen hetgeen
volgt :
HOOFDSTUK I. - Algemene
bepaling
Artikel 1. Deze wet
regelt een
aangelegenheid als
bedoeld in artikel 78
van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. -
Wijzigingen van het
Burgerlijk Wetboek
Art. 2. Artikel 374 van
het Burgerlijk Wetboek,
gewijzigd bij de wet van
13 april 1995, waarvan
de bestaande tekst § 1
zal vormen, wordt
aangevuld met een § 2,
luidende :
« § 2. Ingeval de ouders
niet samenleven en hun
geschil bij de rechtbank
aanhangig wordt gemaakt,
wordt het akkoord over
de huisvesting van de
kinderen door de
rechtbank gehomologeerd,
tenzij het akkoord
kennelijk strijdig is
met het belang van het
kind.
Bij gebrek aan akkoord,
in geval van gezamenlijk
ouderlijk gezag,
onderzoekt de rechtbank
op vraag van minstens
één van de ouders bij
voorrang de mogelijkheid
om de huisvesting van
het kind op een
gelijkmatige manier
tussen de ouders vast te
leggen.
Ingeval de rechtbank
echter van oordeel is
dat de gelijkmatig
verdeelde huisvesting,
niet de meest passende
oplossing is, kan zij
evenwel beslissen om een
ongelijk verdeeld
verblijf vast te leggen.
De rechtbank oordeelt in
ieder geval bij een met
bijzondere redenen
omkleed vonnis, en
rekening houdend met de
concrete omstandigheden
van de zaak en het
belang van de kinderen
en de ouders. »
Art. 3. Artikel 387bis
van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van
13 april 1995, wordt
aangevuld met de
volgende leden :
« Onverminderd artikel
1734 van het
Gerechtelijk Wetboek,
poogt de rechtbank de
partijen te verzoenen.
Zij verstrekt hen alle
nuttige inlichtingen
over de rechtspleging en
in het bijzonder over
het nut een beroep te
doen op de in het
zevende deel van het
Gerechtelijk Wetboek
bepaalde bemiddeling.
Indien zij vaststelt dat
een toenadering mogelijk
is, kan zij de schorsing
van de procedure
bevelen, teneinde de
partijen de mogelijkheid
te bieden alle nuttige
inlichtingen hierover in
te winnen en het
bemiddelingsproces op te
starten. De duur van de
schorsing mag niet meer
dan één maand bedragen.
De rechtbank kan, zelfs
ambtshalve, een
voorafgaande maatregel
bevelen teneinde de
vordering te onderzoeken
of de toestand van de
partijen voor een
termijn die zij
vaststelt, voorlopig te
regelen.
Ingeval een dergelijke
vordering voor het eerst
bij de jeugdrechtbank
aanhangig wordt gemaakt,
en behoudens
overeenstemming van alle
partijen en van de
procureur des Konings,
beslist de
jeugdrechtbank over een
voorlopige regeling. De
zaak kan tijdens een
latere zitting opnieuw
worden onderzocht, op
een datum die ambtshalve
vastgelegd wordt in het
vonnis, binnen een
termijn die één jaar
niet te boven mag gaan,
en onverminderd een
nieuwe oproeping op een
vroegere datum, zoals is
aangegeven in het
volgende lid :
De zaak blijft
ingeschreven op de rol
van de jeugdrechtbank
tot de kinderen op wie
het geschil betrekking
heeft, ontvoogd zijn of
de leeftijd van
wettelijke
meerderjarigheid hebben
bereikt. In geval van
nieuwe elementen, kan de
zaak opnieuw voor de
rechtbank worden
gebracht bij conclusie
of bij een schriftelijk
verzoek dat wordt
neergelegd bij of
gericht is aan de
griffie.
Artikel 730, § 2, a),
van het Gerechtelijk
Wetboek is niet van
toepassing op deze
zaken. »
Art. 4. In hetzelfde
Wetboek wordt een
artikel 387ter
ingevoegd, luidende :
« Artikel 387ter. § 1.
Ingeval één van de
ouders weigert de
rechterlijke
beslissingen met
betrekking tot de
huisvesting van de
kinderen of het recht op
persoonlijk contact uit
te voeren, kan de zaak
opnieuw voor de bevoegde
rechter worden gebracht.
In afwijking van artikel
569, 5°, van het
Gerechtelijk Wetboek, is
de bevoegde rechter
degene die de
niet-nageleefde
beslissing heeft
gewezen, tenzij de zaak
inmiddels bij een andere
rechter aanhangig is
gemaakt, in welk geval
de vordering voor deze
laatste wordt gebracht.
De rechter doet
uitspraak met voorrang
boven alle andere zaken.
Behalve in geval van
dringende
noodzakelijkheid, kan
hij onder meer :
- nieuwe
onderzoeksmaatregelen
verrichten, zoals een
maatschappelijke enquête
of een
deskundigenonderzoek;
- een poging tot
verzoening ondernemen;
- de partijen
voorstellen gebruik te
maken van de in artikel
387bis bepaalde
bemiddeling.
Hij kan nieuwe
beslissingen nemen met
betrekking tot het
ouderlijk gezag of de
huisvesting van het
kind.
Onverminderd
strafvervolging kan hij
de partij die het
slachtoffer is van de
miskenning van de in het
eerste lid bedoelde
beslissing toestaan een
beroep te doen op
dwangmaatregelen. Hij
bepaalt de aard van deze
maatregelen en de nadere
regels betreffende de
uitoefening ervan,
rekening houdend met het
belang van het kind en
wijst, indien hij zulks
nodig acht, de personen
aan die gemachtigd zijn
de gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor de
tenuitvoerlegging van
zijn beslissing.
De rechter kan een
dwangsom uitspreken om
te waarborgen dat de te
nemen beslissing zal
worden nageleefd en, in
die hypothese, stellen
dat voor de
tenuitvoerlegging van
die dwangsom, artikel
1412 van het
Gerechtelijk Wetboek van
toepassing is.
De beslissing is van
rechtswege uitvoerbaar
bij voorraad.
§ 2. Dit artikel is
eveneens van toepassing
wanneer de rechten van
de partijen geregeld
zijn door een
overeenkomst zoals
voorzien in artikel 1288
van het Gerechtelijk
Wetboek. In dit geval,
en onverminderd § 3,
wordt de zaak bij de
rechtbank aanhangig
gemaakt door middel van
een verzoekschrift op
tegenspraak.
§ 3. In geval van
absolute noodzaak, en
onverminderd de
mogelijkheid om een
beroep te doen op
artikel 584 van het
Gerechtelijk Wetboek,
kan bij eenzijdig
verzoekschrift de
toestemming worden
gevraagd om een beroep
te doen op de
dwangmaatregelen als
bedoeld in § 1. De
artikelen 1026 tot 1034
van het Gerechtelijk
Wetboek zijn van
toepassing. De
verzoekende partij moet
het verzoekschrift
staven met alle
dienstige stukken die
aantonen dat de
weigerende partij
daadwerkelijk werd
aangemaand haar
verplichtingen na te
komen en dat zij zich
heeft verzet tegen de
tenuitvoerlegging van de
beslissing.
De inschrijving van het
verzoekschrift is
kosteloos. Het
verzoekschrift wordt
gevoegd bij het dossier
van de rechtspleging die
aanleiding heeft gegeven
tot de beslissing die
niet werd nageleefd,
tenzij de zaak inmiddels
bij een andere rechter
aanhangig is gemaakt.
§ 4. Dit artikel doet
geen afbreuk aan de
internationale
bepalingen die België
verbinden op het vlak
van de internationale
ontvoering van kinderen.
»