Datum
20/12/03
Vaders doen er niet toe,
kinderen zijn de dupe:
De macht van moeders is
grenzeloos.
NRC Handelsblad 20
december 2003 Pagina 17
Opinie & Debat
Prof. dr. mr. Dorien
Pessers
Vrouwen
beslissen van wie ze
kinderen willen krijgen
en of ze nog iets met de
verwekker te maken
willen hebben. Het
doorgeschoten
familierecht richt zich
niet meer op gezinnen
maar op individuen, ten
koste van vaders en
vooral kinderen.
In
het familierecht van
veel Europese landen
hebben zich in de
afgelopen vijfentwintig
jaar revolutionaire
veranderingen
voltrokken. Niet het
klassieke heteroseksuele
gezin is nog de
hoeksteen van het
familierecht, maar het
individu dat naar eigen
seksuele en morele
voorkeur bepaalt of en
hoe het een gezin zal
stichten: heteroseksueel
of homoseksueel,
biologisch of
kunstmatig, tijdelijk of
duurzaam. Door de
opmerkelijke snelheid
van de veranderingen
ontstaat de indruk dat
er van maatschappelijke
consensus sprake was.
Die indruk is onjuist.
Het was vooral - in de
woorden van de Franse
sociologe Evelyne
Sullerot - de
,,bulldozergeneratie van
`68'' die, eenmaal aan
de macht, deze
veranderingen wist af te
dwingen. Deze generatie
gaf blijk van een
aversie tegen het
traditionele gezin, dat
onderdrukkend voor
vrouwen en kinderen,
reactionair en
`systeembevestigend'
werd gevonden. Niet het
verschil, maar de
gelijkheid tussen de
seksen zou uitgangspunt
van het familierecht
moeten worden. Niet
institutionele dwang,
maar persoonlijke
keuzevrijheid, niet
onmondigheid, maar
mondigheid van kinderen.
Persoonlijke, seksuele
en relationele
zelfbeschikking werden
de nieuwe beginselen van
het familierecht.
In
Nederland vond de
ik-generatie vooral in
D66 een politieke partij
die van individuele
zelfbeschikking haar
pointe d'honneur maakte.
Buiten het parlement was
het de rechterlijke
macht die voor de
`doorbraakjurisprudentie'
zorgde. Het
rechtspolitiek activisme
ging gepaard met dédain
voor degenen die zich op
het traditionele, op
bloedverwantschap
gebaseerde, gezin
beriepen. Niet de
bloedband, maar liefde
en verantwoordelijkheid
maakten iemand tot
ouder. Ook mocht
nauwelijks worden
gewezen op het belang
van vaders voor de
socialisatie van
kinderen; dat zou een
verkapt pleidooi voor
herstel van het
patriarchale gezin
inhouden. Hetzelfde gold
voor het belang van het
kind: ook dat werd als
een heimelijk
reactionair argument
afgedaan. Zelfs een
beroep op het belang van
het gezin als zodanig
werd als not done
beschouwd. Kortom, elk
belang dat het individu
in zijn vrijheid zou
beperken, werd als niet
terzake doende van tafel
geveegd.
Aldus
werd het familierecht
gedemonteerd en
aangepast aan de
verlangens van seksuele
en relationele
zelfbeschikkers. Van de
institutionaliserende en
symboliserende functie
van het familierecht is
weinig over. Steeds meer
lijkt het familierecht
op een gereedschapskist
waarmee burgers - mede
dankzij de medische
biotechnologie - hun
eigen
verwantschapsrelaties en
stambomen in elkaar
kunnen knutselen.
Tot een
jaar of vijfentwintig
geleden was de kern van
het familierecht het
huwelijk. Antropologisch
gezien een buitengewoon
intelligent instituut.
Het huwelijk smeedt
immers niet alleen, via
een horizontale as, een
man en vrouw aaneen (en
daarmee twee families),
maar ook, via een
verticale afstammingsas,
de generaties. Huwelijk
en afstamming hangen dus
onverbrekelijk samen.
Kinderen worden vanaf
hun geboorte ingevoegd
in een duurzaam en
genealogisch verband dat
identiteit, veiligheid
en zekerheid verschaft.
Dit genealogische
systeem is een
referentiesysteem, dat
het leven van het kind
in een - zowel naar het
verleden als naar de
toekomst gericht -
tijdsperspectief
plaatst. Het bestaan van
het kind verwijst naar
het leven van zijn
voorouders, zijn ouders
en naar zijn eigen
plaats in de keten van
generaties.
In het
nieuwe familierecht
ontbreekt de aandacht
voor dit institutionele
karakter van het
huwelijk, dat zo
bevorderlijk is voor de
onvoorwaardelijke
invoeging van kinderen,
voor hun identiteit en
voor de familiale
cohesie. Huwelijkse en
niet-huwelijkse vormen
van ouderschap zijn
vrijwel aan elkaar
gelijk gesteld. Deze
juridische
gelijkwaardigheid kan
echter niet verhullen
dat grote ongelijkheid
tussen mannen en
vrouwen, tussen vaders
en moeders, en tussen
kinderen is ontstaan.
Het is de
zelfbeschikkende moeder
die bepaalt of en zo ja
onder welke voorwaarden
zij een man zal toelaten
tot het vaderschap.
Kiest zij voor een vaste
relatie met een man en
staat zij toe dat hij
het kind erkent? Of
kiest zij voor een one
night stand in de hoop
dat daaruit een kind zal
worden geboren? Kiest
zij voor een relatie met
een vrouw met wie zij
door middel van
spermadonatie een kind
krijgt? Staat zij toe
dat haar vriendin het
kind adopteert? Of kiest
zij ervoor alleen een
kind te krijgen, van een
anonieme spermadonor, of
van een bekende
spermadonor, aan wie zij
nu en dan omgang met het
kind toestaat? In het
nieuwe familierecht
lijkt de macht van de
ongehuwde moeder
grenzeloos.
Buiten
het huwelijk is er geen
man die vanzelfsprekend
de juridische vader
wordt over het kind dat
hij heeft verwekt. Zelfs
niet nu dankzij
DNA-onderzoek het
biologische vaderschap
met honderd procent
zekerheid is vast te
stellen. Sterker nog, op
hetzelfde moment is
sprake van een bizarre
fragmentatie van het
vaderschap. Het
familierecht kent
inmiddels twaalf
categorieën vaders: de
biologische, de sociale,
de juridische vader; de
stiefvader, de
adoptievader, de
stiefouderadoptievader;
de verwekker, de
verwekker die als
partner toestemming
heeft gegeven voor
kunstmatige inseminatie;
de anonieme spermadonor,
de bekende spermadonor,
de goed bekende
spermadonor; en ten
slotte de dode vader met
wiens ingevroren sperma
post mortem een kind is
verwekt. Overigens is
ook het moederschap aan
fragmentatie onderhevig.
Negen juridische
categorieën figureren
er: de biologische, de
sociale, de juridische
moeder; de stiefmoeder,
de adoptiemoeder, de
stiefouderadoptiemoeder;
de lesbische
`meemoeder', de
draagmoeder, en de
genetische moeder.
Afstammings- en
gezagsrelaties,
omgangsrechten en
onderhoudsplichten
verschillen per
categorie.
In dit
doolhof van meervoudig
ouderschap moet het kind
zijn plaats zoeken. Zal
het langs genealogische
lijnen worden ingevoegd
en zo ja welke? Wie zijn
zijn ouders eigenlijk,
zijn biologische,
juridische of sociale
ouders? En wie zijn zijn
grootouders, neven en
nichten: de verwanten
van zijn genetische
ouders, van zijn sociale
of van zijn juridische
ouders? Met het oog op
deze chaotische
situaties is het idee
geopperd niet langer in
termen van gezin en
bloedverwantschap te
spreken, maar in termen
van `biografisch
netwerk' en `sociale
omgeving'. Illustratief
in dit verband is het
voorstel dat in
Frankrijk door de
invloedrijke organisatie
van homoseksuele ouders
is gelanceerd: reik van
staatswege aan het kind
een livret de l'enfant
uit, waarin staat wie
zijn genetische ouders
zijn, met wie het
familierechtelijke
betrekkingen onderhoudt,
en door wie het wordt
verzorgd.
Er is
één troost voor het
kind. Worden de
keuze-arrangementen van
zijn ouders al te gek,
dan is op de achtergrond
van het familierecht nog
het beginsel van `het
belang van het kind'
aanwezig dat ter
correctie van ouderlijke
willekeur door wetgever
of rechter kan worden
toegepast. Wat in het
belang van het kind is,
wordt echter niet door
juridische argumenten
bepaald, maar door
pedagogen en psychologen
die per jaar en per
nieuw verschenen boek
van mening blijken te
veranderen. Daarnaast
kunnen kinderen een
beroep doen op enkele
nieuwe `rechten van het
kind'. Deze hebben
dezelfde functie: het
kind beschermen tegen
zelfbeschikkende
volwassenen. Zo heeft
het kind het recht
gekregen om in
omgangsconflicten te
worden gehoord en om
informatie te krijgen
over zijn biologische
herkomst. Het heeft
zelfs het recht gekregen
om het vaderschap van
zijn juridische vader te
ontkennen, opdat het
alsnog zijn eigen,
alternatieve stamboom
kan opbouwen! Deze
tragische
compensatierechten van
het kind maken in één
oogopslag duidelijk hoe
antagonistisch de
verhoudingen tussen de
seksen en tussen de
generaties zijn geworden
als gevolg van de
individuele
keuzevrijheid van
volwassenen.
In het
nieuwe familierecht
tekent zich een
samenleving af waarin
ouders hun kinderen
kiezen, en kinderen hun
ouders.
Verantwoordelijkheidsrelaties
worden naar eigen keuze
en tot nader order
aangegaan. Het is de
vraag hoe stabiel deze
`gekozen' gezinnen
kunnen zijn. Ligt het
niet voor de hand dat in
deze familiale netwerken
een concurrentiestrijd
tussen de vele ouders
uitbreekt? Dat iedereen
een bedreiging voor
iedereen wordt? En
bestaat niet het risico
dat vaders en kinderen
de dupe worden van de
nieuwe almacht van
vrouwen inzake
voortplanting en
afstamming?
Het is
historisch gezien
opmerkelijk hoe snel de
patriarchale macht die
2000 jaar het
familierecht heeft
beheerst, is vervangen
door een matriarchale
macht, althans waar het
gaat om niet-huwelijks
ouderschap. Dat is niet
alleen te verklaren uit
de introductie van
anticonceptie.
Waarschijnlijk speelt
ook de verzwakkende
sociale positie van
vaders een rol. Een
proces dat zich - vanaf
de eerste
staatsinterventies in
het gezin, eind
negentiende eeuw - in
rap tempo voltrekt.
Vooral de beide
wereldoorlogen zijn van
bijzondere - en
tragische - betekenis
geweest. De Eerste
Wereldoorlog richtte een
enorme slachting aan
onder vaders, zonen en
broers. De
achtergebleven vrouwen
namen het werk van
mannen over. Hoewel zij
na de oorlog weer naar
huis en haard
terugkeerden, was de
kiem voor hun
emancipatie gelegd. Hun
kinderen groeiden op in
vaderloze gezinnen.
Vijfentwintig jaar later
werden de vaderloze
zonen naar het front
gestuurd. Weer
vijfentwintig jaar later
kwamen hún zonen - mede
naar aanleiding van de
oorlog in Vietnam - in
opstand tegen de laatste
restanten van de
vaderlijke autoriteit.
Na de Tweede
Wereldoorlog liet de
westerse geschiedenis
nog enkele politieke
vaderfiguren zien in de
personen van Churchill,
De Gaulle, Adenauer en
misschien Brandt. Maar
daarna zijn er geen
leiders van vaderlijk
formaat meer geweest. De
populairste politieke
leiders, zoals Kennedy,
Clinton, Bush jr. of
Fischer, zijn - althans
voor hun
generatiegenoten -
typische zonen. Ook in
het bedrijfsleven, waar
de captains of industry
de mannelijke helden
werden van de naoorlogse
kapitalistische
samenleving, verloren
ondernemers aan
vaderlijk en moreel
gezag. De genadeklap aan
de vaderlijke en morele
autoriteit van
ondernemers werd
afgelopen jaar
uitgedeeld door de
boekhoudschandalen in
het Amerikaanse
bedrijfsleven en, hier
in Nederland, door Ahold.
Vanaf
het einde van de
negentiende eeuw speelde
ook de gestage
emancipatie van vrouwen
een rol. In 1919 kregen
vrouwen kiesrecht. In
1956 werd de gehuwde
vrouw handelingsbekwaam
verklaard. In de jaren
zeventig en tachtig
hadden de belangrijkste
gelijkheidsoperaties in
het familierecht plaats
en werd de vaderlijke
macht vervangen door het
ouderlijk gezag, door
man en vrouw
gemeenschappelijk uit te
oefenen. Zelfs de zo
symbolische naamgeving
door de vader aan zijn
kinderen is niet meer
vanzelfsprekend. Beide
ouders beslissen
tegenwoordig of de uit
hun huwelijk geboren
kinderen de achternaam
van de vader of van de
moeder zullen dragen.
Naarmate
de emancipatie en
arbeidsparticipatie van
vrouwen vorderden,
verloren mannen hun
exclusieve positie als
kostwinner en daarmee
hun exclusieve
vertegenwoordiging van
de buitenwereld. Op
scholen zijn vrouwelijke
leerkrachten
oververtegenwoordigd.
Zij domineren daar de
socialisatie van
jongens. Ook zijn de
morele referenties
veranderd. De moeder
staat nog altijd voor
lichamelijkheid, liefde,
troost en geborgenheid.
Maar waar verwijst de
vader nog naar in een
samenleving waarin een
patriarchale
verantwoordelijkheidsethiek
zelfs bij de politieke,
sociale en economische
elite is verdwenen?
Daar
komt bij dat de visuele
cultuur feminiene en
homoseksuele manbeelden
heeft geïntroduceerd.
Seksuele ambivalentie
wordt als verleidelijke
optie gepresenteerd.
Mannen poseren in
mannenondergoed, met
mannenparfums en
mannenmake-up. In de
reclame wordt de vader
met een kind aan de
borst afgebeeld, of als
een homo domesticus aan
het fornuis of aan de
afwas. Jonge vaders
verkeren, blijkens hun
egodocumenten in de vorm
van vaderboeken en
vaderwebsites, in
verwarring over hun rol.
Onbegrijpelijk is voorts
de bereidheid van
talloze mannen om als
spermadonor te fungeren.
Kennelijk heeft het
vaderschap voor hen geen
morele of sociale
betekenis, en maakt het
hen niet uit in welke
schoot hun zaad zal
ontkiemen.
De
afstand die mannen -
gedwongen en vrijwillig
- hebben gedaan van hun
patriarchale macht,
heeft niet geleid tot
evenwichtige
sekseverhoudingen. Zelfs
de liefde is er niet
door verrijkt.
Liefdesidealen als
onvoorwaardelijkheid,
overgave of opoffering
komen in het nieuwe
liefdesvocabulaire niet
meer voor. Er lijkt
zelfs een taboe op te
rusten. Populaire
tijdschriften als Opzij,
Elle en Marie Claire,
talkshows als die van
Oprah Winfrey, en
therapeutische
zelfhulpboeken brengen
allemaal een boodschap
van dezelfde,
calculerende, strekking:
,,Bemin niet te veel.
Investeer niet te veel.
Investeer vooral in
jezelf. Concentreer je
op jezelf, op wat jij
zélf wenst en belangrijk
vindt. Ontwikkel je
assertiviteit. Leer
eerst van jezelf te
houden. Blijf op je
hoede en houd je emoties
en seksualiteit toch
vooral in eigen beheer.
Blijf onder alle
omstandigheden je eigen
leven leiden.''
De taal
der liefde is er een
geworden van achterdocht
en narcisme. Zij vormt
de werkelijkheid waarin
liefdesrelaties
zakelijke
onderhandelingshuishoudingen
worden, waarin partijen
vanaf het eerste moment
van de relatie
anticiperen op het
laatste moment ervan,
waarin partijen - mede
daarom - zo weinig
mogelijk van hun eigen
leven en
onafhankelijkheid willen
prijsgeven, waarin bijna
een op de drie
huwelijken in
echtscheiding eindigt,
en waarin de zoektocht
naar nieuwe
liefdesrelaties
rusteloos wordt
voortgezet.
Wat
betekent de
zelfbeschikkingsideologie
voor het leven van
kinderen? De
tot-nader-order-verhoudingen
tussen de seksen maken
dat het kind één ding
zeker weet: niets is
meer zeker. De gelukkige
relatie van zijn ouders
kan worden ontbonden
zodra één van zijn
ouders geen emotionele
bevrediging meer vindt
in de ander. Gaan zijn
ouders scheiden, dan
moet het kind maar
afwachten wie de nieuwe
vriend van mama, wie de
nieuwe vriendin van papa
zal worden. Welke
stiefbroers en
stiefzusjes zullen de
nieuwe relatie
binnenkomen? Welke
nieuwe afspraken, codes
en gebruiken zullen er
in het nieuwe gezin gaan
heersen? Het is
onduidelijk aan wie het
kind loyaal moet zijn:
aan zijn stiefvader en
stieffamilie, door wie
het zo hartelijk wordt
ontvangen of aan de
familie van zijn echte
vader en moeder. Aan wie
moet het kind zijn tijd
besteden? Op wiens of
wier verjaardagen moet
het verschijnen? Aan wie
moet het de mooiste
geschenken geven? Met
wie zal het kind op
vakantie gaan? Omdat
tijd en geld schaars
zijn, zal het kind
prioriteiten moeten
aangeven. Hoe kan het
kind die motiveren?
Omgekeerd spelen die
problemen ook. Aan wie
geeft de vader voorrang:
aan zijn biologische
kind met wie hij slechts
kort onder één dak heeft
gewoond, of aan zijn
sociale kind of
stiefkind met wie hij al
jaren een gezinsleven
leidt? Aan wie zullen
grootouders hun bezit
nalaten, aan hun
biologische of ook aan
hun sociale
kleinkinderen?
De
opmars van de
biotechnologie zet de
vervreemding tussen de
seksen en de generaties
voort. Het is mogelijk
een kind te krijgen
zonder seksueel contact
met de andere sekse. In
geval van anonieme
donaties is er zelfs
geen enkel persoonlijk
contact meer nodig. De
andere sekse is nog
slechts instrumenteel
van belang: als
leverancier van sperma,
eicellen of een embryo.
De vraag
rijst of we in een
samenleving willen leven
waarin de verhoudingen
tussen de seksen
calculerend en
instrumenteel worden.
Waarin vooral
zelfbeschikkende vrouwen
mannen reduceren tot hun
genetisch materiaal.
Waarin het vaderschap
geen specifieke morele
referenties meer heeft.
En waarin het
genealogisch belang van
het kind met voeten
wordt getreden. Er zou
al veel zijn gewonnen
indien ouderlijke
verantwoordelijkheid
niet alleen
verantwoordelijkheid
jegens het kind, maar
ook jegens de andere
ouder zou omvatten.
De auteur
van dit artikel Prof.
dr. mr. D.W.J.M. Pessers
doceert aan de Vrije
Universiteit van
Amsterdam