Kinderen van veertig
zeggen op mijn
spreekuur: 'Mijn vader
wilde me niet meer
zien.' Als er duidelijke
bewijzen komen dat vader
zijn best deed, soms
gevochten heeft om zijn
kinderen te zien, wuiven
ze die aanvankelijk weg;
het is moeilijk te
erkennen dat ze zo lang
in een leugenachtige
omgeving hebben
geleefd.'' Peter
Hoefnagels,
emeritus-hoogleraar
familierecht, over de
frustratie van de
wettelijke omgangsplicht
tussen gescheiden vaders
en hun kinderen.
De wet is duidelijk:
omgang na scheiding is
verplicht. Na een
scheiding hebben
kinderen en ouders recht
op voortzetting van hun
relatie. Dat geldt voor
alle ouders, voor
gehuwden én ongehuwden,
voor hetero- én voor
homoparen. 'Eerbiediging
van het familieleven'
betekent continuering
van de
ouder-kind-relaties en
is een mensenrecht, in
1950 neergelegd in het
Europees Verdrag van de
Rechten van de Mens.
Nederland heeft dit
recht, zij het pas in
1990, in de wet
overgenomen.
De Verdragsbepaling uit
1950 over de
'eerbiediging van het
familieleven' getuigt
van wijsheid en
psychologisch inzicht.
De gevolgen van de
frustratie van de omgang
tussen ouder en kind -
oudervervreemding - en
het daarop volgende
ouderverstotingssyndroom
zijn nauwkeurig
beschreven door de
Amerikaanse hoogleraar
kinderpsychiatrie
Richard Gardner (The
parental alienation
syndrome, Columbia,
1985). Het is psychisch
zeer schadelijk voor
kinderen als een nog
levende ouder door
scheiding uit hun leven
verdwijnt.
De
ouder bij wie het kind
na de scheiding
verblijft (de
verzorgende ouder), en
die de omgang met de
andere ouder frustreert,
handelt doorgaans uit
onverwerkte
scheidingsemoties. De
partners hebben ondanks
de juridisch
uitgesproken en
feitelijke scheiding
relationeel geen
afscheid van elkaar
genomen: het non-adieu.
Daardoor vinden zij het
vaak onmogelijk om met
elkaar te communiceren
en blijven ze vechten.
De verzorgende ouder die
niet wil dat het kind
omgaat met de andere
ouder geeft het kind
daarvoor dwingende
verklaringen die op zijn
minst eenzijdig zijn en
meestal een negatief
beeld van die andere
ouder vestigen. In alle
gevallen van
omgangsfrustratie die ik
onderzocht, was deze
ingegeven door
ex-partner-emoties en
niet door ouderlijke
zorg. De blijvende
polarisatie tussen de
ouders vermindert
bovendien de kwaliteit
van de ouderlijke zorg.
In
ongeveer 90 procent van
de gevallen is het de
moeder, in 10 procent de
vader die de omgang
frustreert. Het
indoctrineren van het
kind begint met
leugentjes en wordt
meestal voltooid met
barre verhalen over de
gehate vader, nogal eens
eindigend met het
verzinsel dat papa niet
meer om zijn kinderen
geeft. Ieder jaar worden
er omstreeks 1700
gerechtelijke procedures
gevoerd over het
omgangsrecht van
ongeveer 3400 kinderen.
Daar komen nog bij de
kinderen uit ontbonden
niet-huwelijkse
samenlevingen.
De
procedures tussen de
scheidende ouders zijn
vaak zo polariserend dat
een aantal rechters, op
advies van de raad voor
de kinderbescherming,
ondanks de wettelijke
verplichting, kiest voor
'geen omgang'. Daarmee
worden de
ex-partner-vijandigheid
en de omgangsfrustratie
in feite beloond, en
beloning stimuleert de
moeders tot nieuwe
belemmeringen voor de
omgang van hun ex-man
met zijn kinderen. Hoge
kosten en kwade kansen
ontmoedigen vaders om
hiertegen een procedure
te beginnen. Moeders wil
wordt wet. Naar
schatting ziet in
Nederland zo'n 40
procent van de kinderen
van gescheiden ouders
hun vader niet meer.
Moeders scheidingstrauma
dat tot
omgangsfrustratie leidt,
wordt in de rapporten
van de raad voor de
kinderbescherming vaak
omschreven als haar
'beleving'. In die
beleving verdampt het
mensenrecht van vader en
kind om elkaar te zien.
Veel rechters beslissen
overeenkomstig het
advies van de raad,
zodat er eigenlijk
helemaal geen rapport
nodig is en ook geen
rechter (als deze de
norm toch niet stelt).
Op een gevoelig en
omvangrijk terrein van
menselijk leven komt
macht boven recht te
staan. Het mensenrecht
van de
ouder-kind-relatie
verdwijnt achter
scheidingsgetwist en
belevingsgeleuter van de
veelal ondeskundige
rapportenfabrieken die
de raden voor de
kinderbescherming in de
laatste halve eeuw
geworden zijn. Door de
beslissing dat er geen
omgang komt, of door een
beslissing zo lang aan
te houden, dat vader en
kind van elkaar
vervreemden en moeder
haar verstotingswerk kan
voltooien, zijn de
rechter en de
kinderbescherming
weliswaar met de zaak
klaar, maar de kinderen
en hun ouders nog lang
niet. Ook als de
kinderen de leugens over
vader niet of maar half
geloven, houden zij na
een tijdje op met
protesteren of
doorvragen, omdat ze de
negatieve emoties van
hun moeder, met wie ze
dagelijks verkeren, wel
voelen. Het onderwerp
'papa' maakt het leven
thuis er niet leuker op.
Een klein aantal
eigenzinnige kinderen
vecht zich los van de
omgang-frustrerende
ouder. Maar vele
tienduizenden kinderen
blijven leven binnen de
cirkel van onverwerkte
scheidingsemoties. Vader
is uit beeld, maar is
via de fout gelopen
scheiding hevig aanwezig
in zijn afwezigheid.
Zulke
kinderen gaan tussen hun
dertigste en
vijfenveertigste
levensjaar vaak in
therapie, lijden aan
verlies van identiteit,
aan grote onzekerheid en
onevenwichtigheid, en
hebben moeite met het
inschatten van de
sociale werkelijkheid.
Ouderverstoting is een
ernstige vorm van
psychische
kindermishandeling die
zich uitstrekt over vele
jaren. Gezien de lange
duur van dit
loyaliteitstrauma, schat
men het aantal mensen
tussen het eerste en
vijfenveertigste
levensjaar dat aan
oudervervreemding lijdt
op omstreeks 150 000. Er
gaan in de Tweede Kamer
stemmen op om de
weigering tot omgang
strafbaar te stellen.
Maar het is al strafbaar
volgens artikel 300
Wetboek van Strafrecht,
vierde lid: 'Met
mishandeling wordt
gelijkgesteld
opzettelijke benadeling
van de gezondheid.'
Door de ouderverstoting
worden alle betrokkenen
langdurig geschaad. De
kinderen zijn
verscheurd, de moeders
verbitterd en de vaders
verloren. Kinderen van
omstreeks veertig jaar
zeggen op mijn spreekuur
ook: 'Mijn vader wilde
me niet meer zien.' Als
er duidelijke bewijzen
komen dat vader zijn
best deed, soms
gevochten heeft om zijn
kinderen te zien, wuiven
ze die aanvankelijk weg;
het is moeilijk te
erkennen dat men zo lang
in een leugenachtige
omgeving heeft geleefd.
Veel van hun vader
vervreemde kinderen
zoeken in hun beroep
affectie en identiteit
bij het publiek. Conny
Palmen schrijft daarover
in haar laatste roman:
'Als de liefde van een
kind voor zijn ouders
ontkend wordt, raakt het
geanonimiseerd.
Je keert het drama van
je jeugd om: in plaats
van anoniem te zijn,
word je openbaar en je
maakt daarmee het
publiek anoniem. De
schellen vallen je van
de ogen als je (bij
schrijvers en acteurs)
gaat turven om hoeveel
vaderloze kinderen het
gaat, om hoeveel
bastaarden of kinderen
uit gebroken gezinnen
met een overbezorgde,
nadrukkelijk aanwezige
moeder en een
onbereikbare vader.' Hoe
komt het dat de
wettelijke verplichting
tot omgang van de
kinderen met beide
ouders zo slecht
gehandhaafd wordt?
Allereerst omdat men
hoopt dat na de
(onwettige) rechterlijke
uitspraak 'geen omgang'
de ruzies afgelopen
zijn. Vervolgens omdat
men nog volgens
verouderd recht denkt.
Vroeger betekende
echtscheiding immers dat
één ouder de voogdij
over de kinderen kreeg,
en de andere ouder
niets. Evenals toen
neemt men nu zijn
toevlucht tot 'een
onderzoek door de raad'.
Dat betekent uitstel van
de omgang tussen het
kind en de ouder bij wie
het niet woont. Ingeval
van hoger beroep en
gezien het lage tempo
waarin de raden werken
kan dat uitstel wel één
tot vier jaar of nog
langer duren.
De raad gaat onderzoeken
'wie de beste ouder is'.
Erger nog: of er bij
vader geen steekje los
is te vinden, of er niet
iets ten nadele van hem
en van een omgang tussen
hem en zijn kinderen
gezegd kan worden. Dit
is in strijd met de
huidige wet die juist
impliceert dat kinderen
de ouders aanvaarden die
ze hebben: een beetje
zus, een beetje zo, de
een met meer affectie,
de ander met meer van
wat anders. Het is na
scheiding niet anders
dan tijdens het
huwelijk: we dienen
kinderen en ouders te
accepteren zoals ze
zijn; op deze basis is
samenwerking tussen de
ouders vanzelfsprekend
en is omgang een recht
van kind en ouder. Een
'kwaliteit van
ouders'-onderzoek is
niet alleen in strijd
met artikel 8 EVRM,
waarin de privacy
geregeld is, maar ook
met de oerrelatie tussen
kind en ouder.
Men vergeet meestal de
kernvragen te stellen:
Wat vertelde de
verzorgende ouder het
kind? Hoe legt moeder
het kind uit dat het
niet meer naar vader
gaat? Wat vertelt zij
over vader? Waarom wordt
het kind zelf niets
gevraagd? Het Europese
Hof heeft onlangs in een
omgangskwestie gesteld
dat ook een vijfjarig
kind gehoord had moeten
worden. Waarom wordt het
kind zo zelden door een
eigen curator ten
processe
vertegenwoordigd?
Omgang is primair een
recht van het kind ten
opzichte van beide
ouders. Een wettelijke
omgangsplicht van de
(niet-verzorgende) ouder
is een logisch vervolg.
Er is een aantal moeders
dat op vaders omgang met
het kind zit te wachten.
Handhaving van het
omgangsrecht zal nu
eindelijk moeten
plaatsvinden. Waarom is
de raad voor de
kinderbescherming (een
overheidsorgaan) hier
nog steeds niet aan toe?
Er
zijn nog steeds rechters
die menen dat de werkers
bij de kinderbescherming
deskundig zijn, maar het
overgrote deel van hen
kent noch het recht noch
de psychologie van dit
terrein, noch de
minimale normen die aan
een rapport gesteld
mogen worden. Op grond
van vele expertises heb
ik geconstateerd dat de
rapporten van de raden
en andere
kinderbeschermingsinstanties
niet op feiten berusten.
De diagnose gaat vaak
uit van verzonnen
'feitelijkheden' of
'vermoede belevingen' of
er is helemaal geen
diagnose. Conclusies
gaan vaak vooraf aan de
beschrijving van de
werkelijkheid, werken
dus als vooroordelen.
Beweringen en belevingen
van de strijdende
partijen worden
klakkeloos als feiten
weergegeven. Vaak waren
er vooraf contacten met
één van de partijen.
Meermalen constateerde
ik partijdigheid; wie
protesteerde tegen een
voor hem negatief advies
werd in het rapport
verweten dat 'hij niet
wil meewerken'. Een
vertegenwoordiger van de
raad voor de
kinderbescherming
repliceerde op een vraag
van de rechtbank in
Amsterdam: 'In deze
zaken moeten we wel
partijdig zijn.'
De rapporteurs kenden
zelden of nooit de
psychologie van het
scheidingsproces, zelfs
niet een kardinaal
element als het adieu.
Als er een apart rapport
van een psycholoog was,
dat overeenstemde met
dat van de raad, werd
niet vermeld dat de
overeenstemming na
intensief overleg tot
stand was gekomen. Een
aantal werkers in de
kinderbescherming en
zelfs een aantal
advocaten hebben het
afgeleerd de wet en
rechterlijke vonnissen
inzake omgang en
verblijfplaats met
behulp van de sterke arm
te handhaven. De politie
scheept de ouder aan wie
het kind niet wordt
meegegeven en die met
een rechterlijke
beschikking tot omgang
komt, vaak af 'omdat het
privaatrecht is'. Dat is
natuurlijk onzin, want
ook in
privaatrechtelijke zaken
moet de wet gehandhaafd
worden, desnoods door de
sterke arm.
Ik heb op basis van de
psychologie van het
scheidingsproces een
bemiddelingsmethode
beschreven die in de
praktijk duizendvoudig
getoetst is, goed werkt
en tot overeenkomsten
leidt, bij een toenemend
aantal goede
advocaat-bemiddelaars
bekend is, en gescheiden
ouders ertoe brengt hun
kinderen niet te laten
lijden onder hun
echtscheiding.
In
vrijwel alle gevallen
werkt het alsnog
plaatsvinden van het
adieu, het afscheid als
partners, genezend. Het
is een vast onderdeel
van het
bemiddelingsproces dat
de weg plaveit naar
redelijkheid, afspraken
en overeenkomsten.
Daarna voeren de ouders
samen met hun kinderen
een 'paraplugesprek',
waarna het
loyaliteitsconflict
verdwijnt en het
gezamenlijke ouderschap
gestalte krijgt. Ook
wanneer de rechter er,
gezien de vijandschap
van de ouders, geen gat
meer in zag, is
bemiddeling (mediation)
een redmiddel gebleken.
Het beste werkt
mediation als ze wordt
opgelegd vóórdat de
vijandelijkheden ten
processe hebben
plaatsgevonden.
Maar ook tijdens de
vijandige procedure
worden met de zogenaamde
'forensische mediation',
een vorm van verplichte
bemiddeling, goede
resultaten geboekt. De
rechter benoemt een
forensisch mediator die
met de ouders en de
kinderen aan het werk
gaat. Er kan direct
aandacht worden
geschonken aan de
partnerproblematiek, de
oorzaak van de
stagnerende
communicatie. Aan de
verplichting tot
bemiddelen moest de
praktijk even wennen, er
bestond tot voor kort
een ideologie van
'vrijwilligheid'. Maar
gaat men bij een
blindedarmontsteking
'vrijwillig' of
'verplicht' met zijn
kind naar de chirurg?
Vrijheid ontstaat ook
door erkenning van
noodzaak. Enkele
gerechtshoven hebben de
verplichte bemiddeling
reeds uitgesproken.
Rechtbanken volgen. Dat
werkt veiliger, vlugger
en voordeliger dan
eindeloze
kindermishandelende
procedures.