|
2) Ouderlijk gezag
1. Samenwonende ouders
2. Niet-samenwonende ouders
2.1 Algemeen principe
2.2. Uitzonderingssituatie
2.3 Tussensystemen
2.4 Bepaling van de
regeling
De
wet van 13 april 1995 heeft
het gezamenlijk ouderlijk
gezag als algemene regel
ingevoerd en een juridische
basis gegeven aan ‘het recht
op persoonlijk contact’.
Deze wet
geldt ongeacht of de ouders
zijn gehuwd, feitelijk of
wettelijk samenwonen,
feitelijk gescheiden leven
of uit de echt gescheiden
zijn.
In hetgeen
volgt, overloop ik alle
mogelijke situaties die
kunnen voorkomen betreffende
de uitoefening van het
ouderlijk gezag. De regeling
betreffende de niet-
samenwonenden bouwt verder
op deze van de samenwonende
ouders.
1.
Samenwonende ouders
De regeling
betreffende het
ouderlijk gezag als de
ouders nog samenwonen, is
opgenomen in artikel 373 van
het Burgerlijk Wetboek.
Ik wil er op
wijzen dat in deze context
eveneens moet worden
verwezen naar de artikelen
203, §1 en 336 e.v. van het
B.W. Deze twee laatste
artikelen hebben betrekking
op de verplichting van de
ouders om aan hun kinderen
levensonderhoud, opvoeding
en een passende opleiding te
verschaffen en zijn
onafhankelijk van de vraag
of de ouders al dan niet nog
samenwonen.
Artikel 203,
§1 van het B.W. bepaalt deze
verplichting t.o.v. de
kinderen die uit een
huwelijk zijn gesproten en
ook t.o.v. die kinderen van
wie afstamming juridisch
vaststaat.
Artikel 336
e.v. bepaalt anderzijds
dezelfde verplichting ten
opzichte van de
waarschijnlijke vader die
met de moeder gemeenschap
heeft gehad tijdens de
wettelijke tijdsduur van de
verwekking.
Het
basisartikel 373, 1° lid,
B.W. betreffende de
samenwonende ouders bepaalt:
“Wanneer de
ouders samenleven, oefenen
zij het gezag over de
persoon van het kind
gezamenlijk uit.”
In het geval
de ouders samenleven,
oefenen zij gezamenlijk het
gezag uit over hun
gemeenschappelijke,
niet-ontvoogde kinderen en
de niet-gemeenschappelijke
kinderen die als een
volwaardig lid van het gezin
worden beschouwd.
Waar de
regeling vóór de wet van 13
april 1995 niets voorziet,
is in de nieuwe regeling het
vermoeden van instemming
opgenomen t.a.v. derden te
goeder trouw.
Het hele
principe van gezamenlijk
ouderlijk gezag steunt op
dit vermoeden van instemming
van de andere ouder wanneer
één ouder alleen een
bepaalde handeling in
verband met het ouderlijk
gezag stelt. Eén ouder wordt
dus verondersteld geen
beslissingen te nemen zonder
het uitdrukkelijk of
stilzwijgend akkoord van de
andere ouder.
Bij gebreke
van instemming, meer bepaald
wanneer de ouders het niet
eens geraken over de te
stellen handeling of wanneer
één ouder de handeling heeft
uitgevoerd zonder akkoord
van de andere, kan één van
beiden de zaak aanhangig
maken bij de jeugdrechtbank.
De
jeugdrechtbank kan dan
eventueel oordelen de
beslissingsbevoegdheid
omtrent bepaalde handelingen
enkel toe te wijzen aan één
ouder of de rechter
beslecht, in het belang van
het kind, het geschil tussen
de ouders ten gronde.
De meest
voorkomende betwistingen of
geschillen zijn deze in
verband met het ouderlijk
gezag in geval van niet
(meer)-samenwonende ouders.
De toepasselijke
basisartikelen zijn artikel
374, 1° lid en artikel 374,
2° lid van het B.W.
Ook hier
moet volledigheidshalve
worden verwezen naar de
artikelen 203, §1 en 336
e.v. van het B.W. inzake de
onderhoudsverplichtingen (cfr.
supra, p.
10).
Art.374,
2de lid B.W.
– ‘Bij gebreke van
overeenstemming over de
organisatie van de
huisvesting van het kind,
over de belangrijke
beslissingen betreffende
zijn gezondheid, zijn
opvoeding, zijn opleiding en
zijn ontspanning en over de
godsdienstige of
levensbeschouwelijke keuzes
of wanneer deze
overeenstemming strijdig
lijkt met het belang van het
kind, kan de bevoegde
rechter de uitoefening van
het ouderlijk gezag
uitsluitend opdragen aan één
van beide ouders.’
Sinds 1995
loopt de gezamenlijke
uitoefening van het
ouderlijk gezag principieel
door indien de ouders niet
(meer) samenwonen (gezag -
co-ouderschap). Het
vermoeden van instemming
zoals eerder besproken, is
ook hier van toepassing.
Een
belangrijke toepassing
hiervan is dat één ouder
niet alleen kan beslissen om
hun kind in een bepaalde
school in te schrijven. Er
zijn geen twee
handtekeningen vereist maar
ze moeten beiden akkoord
zijn (hun toestemming
hebben gegeven) over de
schoolkeuze. Bij afwezigheid
van een akkoord, kan een
ouder een vordering inleiden
bij de rechtbank. De rechter
kan eventueel een dwangsom
opleggen of, in het ergste
geval, de verblijfsregeling
wijzigen (cfr. infra, p. 32,
F.).
Naast het
gezamenlijk ouderlijk gezag
bestaat er nog een ander –
hiervan afwijkend –
basissysteem, namelijk de
exclusieve uitoefening van
het ouderlijk gezag.
Dit wil
zeggen dat als de ouders het
niet eens geraken over
fundamentele beslissingen of
wanneer het belang van het
kind dit vereist, de rechter
de materiële bewaring aan
één ouder kan toekennen.
Dit gebeurt
op verzoek van (één van)
beide ouders. De rechter is
niet verplicht om het
verzoek in te willigen en
kan gewoon de gezamenlijke
gezagsuitoefening opleggen.
Zelfs indien
er voldaan is aan alle
wettelijke voorwaarden tot
toekenning van het exclusief
gezag, moet de rechter dit
niet uitspreken. Het is een
facultatief systeem.
2.3.
Tussensystemen
-
de beperkte
gezamenlijke
gezagsuitoefening;
-
de getemperde
exclusieve uitoefening van
het ouderlijk gezag.
Inzake de
regeling van het gezamenlijk
ouderlijk gezag kan de
rechter het nemen van
bepaalde beslissingen toch
toekennen aan één ouder,
bijvoorbeeld als de ouders
het omtrent iets
fundamenteels nooit eens
zullen geraken. Dit wordt
aanzien als een beperkte
gezamenlijke
gezagsuitoefening.
In het niet
veel voorkomende geval van
een versoepeling van de
exclusieve uitoefening, zal
worden bepaald welke
belangrijke beslissingen
door instemming van beide
ouders moeten worden
genomen.

Bij een
echtscheiding door
onderlinge toestemming
bepalen de echtgenoten in de
familierechtelijke
overeenkomst hoe ze het
ouderlijk gezag willen
uitoefenen. De rechter zal
deze overeenkomst al dan
niet homologeren. Het
criterium dat hij voor ogen
houdt om hierover te
beslissen, is ‘het belang
van het kind’.
Bij alle
andere vormen van
echtscheiding – alsook in
het geval van voorlopige
maatregelen voor elke
echtscheidingsprocedure en
eveneens na de echtscheiding
– zal de rechter in eerste
instantie beslissen wat het
beste is, bekeken per geval.
Welke
regeling het meest geschikt
is, kan worden nagegaan aan
de hand van onder meer de
volgende criteria:
kunnen de
ouders, in de toekomst,
met elkaar overleggen en
tot overeenstemming
komen;
de
persoonlijke toestand en
het belang van het kind;
verschillende culturen
of levensbeschouwingen
van de ouders;
eventueel
de ruimtelijke afstand
tussen de ouders;
….
|