f4j.be » ouderlijk gezag informatie over het ouderlijk gezag na scheiding      :: Ga naar  
 

f4j.be home


Datum  03/11/06

 

2) Ouderlijk gezag

 

2.1)  Het materiële recht van het ouderlijk gezag 

A.  Inleiding

B.  Begripsverduidelijking

C.  Uitoefening van het ouderlijk gezag

1.  Samenwonende ouders

2.  Niet-samenwonende ouders

2.1 Algemeen principe

2.2. Uitzonderingssituatie

2.3  Tussensystemen

2.4  Bepaling van de regeling

 De wet van 13 april 1995 heeft het gezamenlijk ouderlijk gezag als algemene regel ingevoerd en een juridische basis gegeven aan ‘het recht op persoonlijk contact’.

Deze wet geldt ongeacht of de ouders zijn gehuwd, feitelijk of wettelijk samenwonen, feitelijk gescheiden leven of uit de echt gescheiden zijn.

 In hetgeen volgt, overloop ik alle mogelijke situaties die kunnen voorkomen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag. De regeling betreffende de niet- samenwonenden bouwt verder op deze van de samenwonende ouders. 

 

        

 

 1.  Samenwonende ouders

 De regeling betreffende het ouderlijk gezag als de ouders nog samenwonen, is opgenomen in artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek.

 Ik wil er op wijzen dat in deze context eveneens moet worden verwezen naar de artikelen 203, §1 en 336 e.v. van het B.W.  Deze twee laatste artikelen hebben betrekking op de verplichting van de ouders om aan hun kinderen levensonderhoud, opvoeding en een passende opleiding te verschaffen en zijn onafhankelijk van de vraag of de ouders al dan niet nog samenwonen.

Artikel 203, §1 van het B.W. bepaalt deze verplichting t.o.v. de kinderen die uit een huwelijk zijn gesproten en ook t.o.v. die kinderen van wie afstamming juridisch vaststaat.

 Artikel 336 e.v. bepaalt anderzijds dezelfde verplichting ten opzichte van de waarschijnlijke vader die met de moeder gemeenschap heeft gehad tijdens de wettelijke tijdsduur van de verwekking.

 Het basisartikel 373, 1° lid, B.W. betreffende de samenwonende ouders bepaalt:

 “Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.”

 In het geval de ouders samenleven, oefenen zij gezamenlijk het gezag uit over hun gemeenschappelijke, niet-ontvoogde kinderen en de niet-gemeenschappelijke kinderen die als een volwaardig lid van het gezin worden beschouwd.

 Waar de regeling vóór de wet van 13 april 1995 niets voorziet, is in de nieuwe regeling het vermoeden van instemming opgenomen t.a.v. derden te goeder trouw.

 Het hele principe van gezamenlijk ouderlijk gezag steunt op dit vermoeden van instemming van de andere ouder wanneer één ouder alleen een bepaalde handeling in verband met het ouderlijk gezag stelt. Eén ouder wordt dus verondersteld geen beslissingen te nemen zonder het uitdrukkelijk of stilzwijgend akkoord van de andere ouder.

 Bij gebreke van instemming, meer bepaald wanneer de ouders het niet eens geraken over de te stellen handeling of wanneer één ouder de handeling heeft uitgevoerd zonder akkoord van de andere, kan één van beiden de zaak aanhangig maken bij de jeugdrechtbank.

De jeugdrechtbank kan dan eventueel oordelen de beslissingsbevoegdheid omtrent bepaalde handelingen enkel toe te wijzen aan één ouder of de rechter beslecht, in het belang van het kind, het geschil tussen de ouders ten gronde.

 

        

 

2.  Niet-samenwonende ouders

 De meest voorkomende betwistingen of geschillen zijn deze in verband met het ouderlijk gezag in geval van niet (meer)-samenwonende ouders. De toepasselijke basisartikelen zijn artikel 374, 1° lid en artikel 374, 2° lid van het B.W.

 Ook hier moet volledigheidshalve worden verwezen naar de artikelen 203, §1 en 336 e.v. van het B.W. inzake de onderhoudsverplichtingen (cfr. supra, p. 10).

 Art.374, 1ste lid B.W. – ‘Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373 bepaalde vermoeden.’

 Art.374, 2de lid B.W. – ‘Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.’

 

        

 

 2.1.   Algemeen principe

 Sinds 1995 loopt de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag principieel door indien de ouders niet (meer) samenwonen (gezag - co-ouderschap). Het vermoeden van instemming zoals eerder besproken, is ook hier van toepassing.

 Een belangrijke toepassing hiervan is dat één ouder niet alleen kan beslissen om hun kind in een bepaalde school in te schrijven. Er zijn geen twee handtekeningen vereist maar ze moeten beiden akkoord zijn (hun toestemming hebben gegeven) over de schoolkeuze. Bij afwezigheid van een akkoord, kan een ouder een vordering inleiden bij de rechtbank. De rechter kan eventueel een dwangsom opleggen of, in het ergste geval, de verblijfsregeling wijzigen (cfr. infra, p. 32, F.).

 

        

 

 2.2.  Uitzonderingssituatie

 Naast het gezamenlijk ouderlijk gezag bestaat er nog een ander – hiervan afwijkend basissysteem, namelijk de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag.

 Dit wil zeggen dat als de ouders het niet eens geraken over fundamentele beslissingen of wanneer het belang van het kind dit vereist, de rechter de materiële bewaring aan één ouder kan toekennen.

Dit gebeurt op verzoek van (één van) beide ouders. De rechter is niet verplicht om het verzoek in te willigen en kan gewoon de gezamenlijke gezagsuitoefening opleggen.

Zelfs indien er voldaan is aan alle wettelijke voorwaarden tot toekenning van het exclusief gezag, moet de rechter dit niet uitspreken. Het is een facultatief systeem.

 

        

 

 2.3.  Tussensystemen

 Naast de vorige twee basissystemen bestaan er ook twee tussenwegen:

 -         de beperkte gezamenlijke gezagsuitoefening;

-         de getemperde exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag.

Inzake de regeling van het gezamenlijk ouderlijk gezag kan de rechter het nemen van bepaalde beslissingen toch toekennen aan één ouder, bijvoorbeeld als de ouders het omtrent iets fundamenteels nooit eens zullen geraken. Dit wordt aanzien als een beperkte gezamenlijke gezagsuitoefening.

In het niet veel voorkomende geval van een versoepeling van de exclusieve uitoefening, zal worden bepaald welke belangrijke beslissingen door instemming van beide ouders moeten worden genomen.

 

        

 

2.4.  Bepaling van de regeling

Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming bepalen de echtgenoten in de familierechtelijke overeenkomst hoe ze het ouderlijk gezag willen uitoefenen. De rechter zal deze overeenkomst al dan niet homologeren. Het criterium dat hij voor ogen houdt om hierover te beslissen, is ‘het belang van het kind’.

Bij alle andere vormen van echtscheiding – alsook in het geval van voorlopige maatregelen voor elke echtscheidingsprocedure en eveneens na de echtscheiding – zal de rechter in eerste instantie beslissen wat het beste is, bekeken per geval.

Welke regeling het meest geschikt is, kan worden nagegaan aan de hand van onder meer de volgende criteria:

  • kunnen de ouders, in de toekomst, met elkaar overleggen en tot overeenstemming komen;

  • de persoonlijke toestand en het belang van het kind;

  • verschillende culturen of levensbeschouwingen van de ouders;

  • eventueel de ruimtelijke afstand tussen de ouders;

  •  ….

  •       

    Verwante links:

     
    Datum   Type Titel Bron
             

     

            


    bij favorieten  E-mail paginalink
    suggestie/opmerking? print selectie
     
    f4j.be bilocatiewet co-ouderschap gezagsco-ouderschap verblijfsco- ouderschap omgangsrecht het belang van het kind Ouderschap echtscheiding scheiding samenwonende ouders kinderen moeder vader verblijfsregeling alimentatie onderhoudsgeld opvoeding ouderlijk gezag hoederecht bezoekrecht Bemiddeling gelijkmatig verdeelde huisvesting vechtscheiding oudervervreemding kindermishandeling ouderverstoting parental alienation papa mama familierecht.