2) Ouderlijk gezag
Het
ouderlijk gezag heeft zowel
betrekking op de persoon van
het kind (art. 371- 375bis
B.W.) als op het beheer van
de goederen van het kind
(art.376-387bis B.W.).
In dit werk
bespreek ik het ouderlijk
gezag betreffende de persoon
van het minderjarig kind. De
regeling met betrekking tot
het beheer van de goederen
van het kind staat
natuurlijk in verband met de
uitoefening van het
ouderlijk gezag over de
minderjarige maar deze
regeling valt buiten het
bestek van dit werk.
Het
begrip ‘ouderlijk gezag’ kan
men onderverdelen in:
-
het
ouderlijk gezag sensu
stricto, het zgn.
‘bewaringsrecht’;
-
het
ouderlijk gezag sensu
lato, de rechten van
de ouders inzake de
staat van de persoon van
de minderjarige (bv. het
recht om ontvoogding aan
te vragen).
Op dit
laatste puntje wordt niet
verder ingegaan omdat dit
niet onder dezelfde regels
valt als deze van het
ouderlijk gezag inzake
bewaringsrecht.
Het ‘recht
van bewaring’ kan men verder
opsplitsen in het recht van
de ‘materiële bewaring’ en
het recht van de ‘juridische
bewaring’.
Sinds de wet
van 13 april 1995
betreffende het gezamenlijk
ouderlijk gezag (in werking
getreden op 3 juni 1995),
heeft men bovenstaande
begrippen respectievelijk
vervangen door ‘huisvesting’
en ‘fundamentele
beslissingen inzake de
gezondheid, opvoeding,
opleiding, ontspanning,
godsdienstige en
levensbeschouwelijke keuzes
van de minderjarige
kinderen’.
Huisvesting
(recht van materiële
bewaring) omvat drie
rechten:
het recht
om de minderjarige
altijd bij zich te
hebben en om het niet
afgeven van de kinderen
door de andere ouder
eventueel af te dwingen;
het recht
om voor het kind te
zorgen wat zich vertaalt
in beslissingen over de
voeding, kleding en
huisvesting;
het recht
om toezicht uit te
oefenen op o.a. de
ontspanning en
briefwisseling van het
kind.
Enkele
voorbeelden van
fundamentele beslissingen
(recht van juridische
bewaring) zijn: beslissingen
met betrekking tot school-
en eventueel beroepskeuze,
taalkeuze, enz.