Bepalen
van de onderhoudsbijdrage
Er bestaan
meerdere
onderhoudsverplichtingen in
België. In 2006 hebben
diverse politieke partijen
een poging ondernomen om de
wet inzake (echt)scheiding
te humaniseren. Deze
pagina richt zich
voornamelijk om een beeld te
schetsen omtrent een
eventuele
onderhoudsverplichting
inzake niet zelfstandige
kinderen.
Men dient dus
minstens na te gaan of de
wet heden nog van toepassing
is
Meer links

Inhoudstafel
Mathematisch profiel van het
onderhoudsgeld voor kinderen
Bepalen
van de onderhoudsbijdrage
Thesis
Onderhoudsverplichting
tussen ascendenten en
descendenten
Met
inhoud:
DEEL 1: Onderhoudsplicht
Hoofdstuk 1 : Algemeen
Hoofdstuk 2 : De onderhoudsplichtigen
Hoofdstuk 3 : Organisatie van de onderhoudsplicht
Hoofdstuk 4 : Pluraliteit
van onderhoudsplichtigen en
onderhoudsgerechtigden
Hoofdstuk 5 : Verhaal van
kosten van onderhoud
DEEL 2 : De
onderhoudsbijdrage voor de
kinderen
Hoofdstuk 1 : Wettelijk
samenwonenden
Hoofdstuk 2 : Niet -
samenwonenden
DEEL 3 : Het voorschot op
onderhoudsgeld
DEEL 4 : De rechtspleging
inzake onderhoudsgelden
Hoofdstuk 1 : Algemeen
Hoofdstuk 2 :
De bijzondere rechtspleging
inzake uitkeringen tot
levensonderhoud
Hoofdstuk 3 :
De procesrechtelijke
aspecten van de vordering
tot levensonderhoud tegen de
verwekker
Hoofdstuk 4 :
De procesrechtelijke
aspecten van de
onderhoudsvordering tegen de
nalatenschap
Hoofdstuk 5 :
Sommendelegatie
Besluit
Literatuurlijst
Bijlage
Mathematisch profiel van het
onderhoudsgeld voor kinderen
INLEIDING
Beide ouders
zijn aan hun kinderen
levensonderhoud, opvoeding,
en een passende opleiding
verschuldigd ( art. 203 B.W.
) Dit blijft alzo inderdaad,
indien de ouders niet meer
samenleven. De ouder, bij
wie het kind feitelijk
verblijft, zal zijn
onderhoudsplicht in natura
vervullen door doorlopend de
kosten en lasten van het
kind te dragen. De andere
ouder is gehouden zijn
bijdrage te leveren door het
betalen van een
onderhoudsgeld voor de
kinderen.
Hoe hoog moet
deze bijdrage zijn ?
Art. 203 B.W.
bevat het principe dat beide
ouders bijdragen naar
evenredigheid van hun
middelen. Voor de rest
zwijgt de wet en laat aan de
rechter een ruime
appreciatiebevoegdheid toe.
Dit leidt in de praktijk tot
onbillijke uitspraken ,die
vaak op ongeloof worden
onthaald.
Bestaat er
dan geen objektieve manier
om het onderhoudsgeld voor
de kinderen vast te stellen
?
Vele
instanties wensen een schaal
van onderhoudsgelden, zoals
trouwens reeds bestaat in
Nederland en Duitsland . In
opdracht van de algemene
directie der sociale zaken
van het ministerie van de
Franse Gemeenschap, werd in
1985 een studie uitgevoerd
omtrent de kostprijs van de
opvoeding van kinderen. Op
basis van de resultaten van
deze studie uitgevoerd
omtrent de kostprijs van de
opvoeding van kinderen. Op
basis van de resultaten van
deze studie , heeft de
auteur ervan, Roland RENARD,
een berekeningsmethode
ontwikkeld om op een
wiskundige manier, gebaseerd
op objektivieve, meetbare
gegevens , het
onderhoudsgeld voor de
kinderen vast te stellen.
Het ontwikkeld model is
blijkbaar dermate
gezaghebbend , dat bepaalde
rechtspraak expliciet en
rechtstreeks van deze
methode gebruik maakt om de
hoogte van het
onderhoudsgeld te bepalen.
Deze bijdrage
strekt er toe de methode van
RENARD aan te passen.
Let wel, de
methode is geen
wetenschappelijkel
wetmatigheid en zeker geen
juridische norm. Ze is zowel
bedoeld als referentiepunt
voor hen die in de praktijk
met dit probleem te maken
krijgen , zowel ouders in
E.O.T. als rechters. Het is
dan ook verheugend dat de
studie en het model niet
verworden zijn tot een
louter intellectuele
denkoefening , maar in de
praktijk reeds toepassing
hebben gekregen. Zo heeft
het Hof van Beroep te Mons
zich in vele arresten van
destijds rechtsreeks
gebaseerd op het model om in
een concreet geval het
onderhoudsgeld vast te
stellen ( Mons 9 januari
1992 L.L.M.B. 1992, 485 )
Het Hof stelde vast dat ter
zake geen jurisprudentiele
normen bestonden en dat de
bedragen die de partijen
naar voren brachten,
willekeurig en
oncontroleerbaar waren .
Bijgevolg moet men zich
baseren op betrouwbare en
wetenschappelijke studies.
Het model van
Renard voldoet in beginsel
aan deze criteria. Toch
lijkt het gepast om naast de
algemene goedkeuring waarop
het arrest moet worden
onthaald , enkele nuances te
plaatsen . Vooreerst is er
in Vlaanderen nog een
rechtspraak bepaald, die
expliciet van deze materie
een toepassing maakt. Het
zou ook lichtzinnig en blind
zijn om zich op deze theorie
blindelings te richten. De
auteur van de studie zelf
waarschuwt daarvoor. Het
model biedt geen
wetenschappelijke zekerheid
en is geen juridische norm.
De cijfers
van de studie geven den
gemeenschappelijke kost
weer, gerelateerd aan de
leeftijd van kind en het
inkomen van de ouders. Dit
belet niet dat elke concrete
situatie anders is. Bepaalde
omstandigheden kunnen aan
ander bedrag aan
onderhoudsgeld
rechtvaardigen, zoals extra
hoge kosten voor de
gezondheidszorg van het
kind, specifieke scholing
enz. Het probleem, zoals het
Hof stelt, is dat de ouders
de werkelijke kost van de
kinderen meestal niet kennen
en geen controleerbare
bewijskrachtige gegevens
aanbrengen, waarop hun
aanspraken zijn gevestigd.
Mocht dit wel het geval
zijn, dan moet aan de
moeilijke situatie voorrang
worden verleend boven de
theoretische kostprijs.

Bepalen
van de onderhoudsbijdrage
Er bestaan
meerdere
onderhoudsverplichtingen in
België. In 2006 hebben
diverse politieke partijen
een poging ondernomen om de
wet inzake (echt)scheiding
te humaniseren. Deze
pagina richt zich
voornamelijk om een beeld te
schetsen omtrent een
eventuele
onderhoudsverplichting
inzake niet zelfstandige
kinderen.
De geboden
informatie is afkomstig van
o.a. onderstaande
thesissen/eindwerken in pdf-
formaat
Meer informatie omtrent
onderhoudsgeld
Des basis van
deze uitgebreide pagina is
de Thesis
Onderhoudsverplichting
tussen ascendenten en
descendenten
Van Hooghten
Inne, KHK 2004 genomen.
Opmerking: Men dient dus
minstens na te gaan of de
wet heden nog van toepassing
is
Het verslag
van de subcommissie
familierecht inzake de
nieuwe wet echtscheiding:
|
Datum |
|
Type |
Titel |
Bron |
|
|
 |
pdf |
Het verslag vd subcommissie
familierecht inzake echtscheiding (volgt
later) |
de
Kamer |
Samenvatting van de thesis
Door mijn
stage heb ik de theorie van
mijn studies in de praktijk
kunnen omzetten en heb ik de
mogelijkheid gekregen om een
eindwerk te schrijven dat
handelt over
onderhoudsplicht tussen
ascendenten en descendenten.
Er zijn drie
soorten
onderhoudsverplichtingen:
-
De wettelijke
onderhoudsplicht (= de
wet legt een
onderhoudsplicht op)
-
De conventionele
onderhoudsplicht (=
personen komen een
onderhoudsplicht
overeen)
-
De natuurlijke
onderhoudsplicht (=
personen op wie de wet
geen onderhoudsplicht
oplegt)
Er zijn 4
categorieën
onderhoudsplichtigen:
·
Onderhoudsplicht binnen het
kerngezin (= de ouders zijn
verplicht om hun niet –
zelfstandige kinderen
levensonderhoud, opvoeding
en opleiding te verschaffen)
·
Onderhoudsplicht binnen de
grote familie (= de
onderhoudsplicht tussen
ouders en zelfstandige
kinderen, kinderen ten
aanzien van hun ouders,
grootouders ten aanzien van
hun kleinkinderen,…)
·
Onderhoudsplicht ten laste
van nalatenschappen (= in
sommige gevallen rust er een
wettelijke onderhoudsplicht
ten behoeve van de
overledene)
Gezien de
materie van de
onderhoudsplicht zo ruim is
heb ik mij beperkt tot de
gemeenrechtelijke
onderhoudsverplichting en
deze ten aanzien van niet –
zelfstandige kinderen. De
onderhoudsverplichting
tussen echtgenoten en ex –
echtgenoten wordt niet
besproken.
De thesis is
onderverdeeld in vier grote
delen.
1
In het eerste
deel heb ik de
onderhoudsplicht in het
algemeen en de
gemeenrechtelijke
onderhoudsverplichting
besproken.
De
onderhoudsplichtige is de
persoon op wie de
onderhoudsverbintenis rust
en de onderhoudsgerechtigde
is de persoon die tegenover
de andere een
onderhoudsafspraak heeft.
In het
gemeenrechtelijk
onderhoudsrecht is de
onderhoudsplicht een plicht
om een onderhoudsuitkering
te verschaffen aan de
onderhoudsgerechtigde in de
vorm van een geldsom. Dit is
ook het geval voor de
onderhoudsverplichting na
echtscheiding, de
onderhoudsverplichting ten
laste van de verwekker en
die ten laste van
nalatenschappen.
De
onderhoudsplichtige kan op
geen enkele wijze de kosten
van onderhoud achteraf
verhalen op de
onderhoudsgerechtigde.
Personen die vrijwillig zijn
tussengekomen in het
onderhoud, terwijl zij niet
onderhoudsplichtig zijn,
kunnen de kosten achteraf
terugvorderen.
2
Het tweede
deel gaat over de
onderhoudsbijdrage voor de
kinderen, zowel de
minderjarige kinderen als de
meerderjarige kinderen. De
ouders zijn in het algemeen
verplicht om voor de
kinderen te zorgen, zolang
de kinderen niet zelf van
een inkomen kunnen voorzien. Het komt vaak
voor dat de ouders
overeenkomen dat één van hen
zich verzaakt aan de
onderhoudsbijdrage, zodat
één ouder voor alles moet
opdraaien en de andere ouder
dus niets moet betalen. De
ouder waarvan het inkomen zo
sterk verandert is dat hij
niet meer in staat is om de
bijdrage te betalen, kan de
bijdrage terugvorderen van
de andere ouder die zich
verzaakt heeft.
3
In het derde
deel heb ik mij gericht op
de voorschotten van het
onderhoudsgeld omdat dit
toch een belangrijk
onderdeel is van het
onderhoudsgeld. Ieder kind
dat minderjarig of
meerderjarig is en
kinderbijslag geniet tot 25
jaar heeft recht op een
voorschot. Het voorschot
wordt betaald aan de
wettelijke vertegenwoordiger
die aan bepaalde voorwaarden
moet voldoen. Het bedrag van
het voorschot wordt
aangepast aan het
indexcijfer en het is
afhankelijk van het vonnis
dat de bevoegde rechter
heeft uitgesproken. Er staat
wel een minimum van € 10,00
per maand op en een maximum
van € 125,00 per maand. Het
O.C.M.W. van de gemeente
waar de vader of de moeder
die met het kind samenwoont,
of de gemeente waar het kind
alleen woont, betaalt het
voorschot uit. Eerst en
vooral moet er een aanvraag
worden ingediend en het
O.C.M.W. moet binnen 30
dagen na ontvangst van de
aanvraag uitspraak doen. Het
O.C.M.W. heeft dan de keuze
om de aanvraag te aanvaarden
of te verwerpen.
4
Indien de
onderhoudsplichtige zich
niet houdt aan zijn
verplichting kan de
onderhoudsgerechtigde
verzoeken aan de werkgever
van de onderhoudsplichtige
om het loon niet door te
storten aan de
onderhoudsplichtige maar
onmiddellijk aan zichzelf.
Dit wordt dan
sommendelegatie genoemd.
Lijst van gebruikte
afkortingen
B.W.
Burgerlijk Wetboek
Ger.W.
Gerechterlijk Wetboek
K.B.
Koninklijk Besluit
Sw.
Strafwetboek
W.I.B.
Wetboek van
Inkomstenbelastingen
DEEL 1 : Onderhoudsplicht
Hoofdstuk 1 : Algemeen
1. Begrip
Het
onderhoudsrecht omvat de
privaatrechterlijke
onderhoudsafspraken die er
bestaan tussen twee
personen, waarbij de ene de
verplichting heeft om de
andere de nodige middelen te
verschaffen voor diens
levensonderhoud.
De persoon op
wie de onderhoudsverbintenis
rust, is de
onderhoudsplichtige (of
alimentatieplichtige); de
persoon die tegenover een
ander een onderhoudsafspraak
heeft, is de
onderhoudsgerechtigde (of
alimentatiegerechtigde).
2. Grondslag
We kunnen 3
soorten onderhoudsafspraken
– verplichtingen
onderscheiden:
2.1 Wettelijke
onderhoudsplicht
Aan een hele
reeks personen legt de wet
een onderhoudsplicht op.
2.2 Conventionele
onderhoudsplicht
Personen
kunnen rechtsgeldig een
éénzijdige of een
wederkerige
onderhoudsverbintenis tussen
elkaar overeenkomen. Deze
persoen zijn al dan niet met
elkaar verwant of
aanverwant. Tussen deze
personen bestaat er geen
wettelijke onderhoudsplicht.
Dergelijke
overeenkomst wordt beheerst
door de regels van het
verbintenissenrecht. Dit
houdt in dat de
conventionele
onderhoudsplicht niet
vatbaar is voor eenzijdige
herroeping, maar slechts met
wederzijds goedvinden
gewijzigd kan worden (art.
1134 B.W.).
Wel kan
dergelijke
onderhoudsverbintenis, zoals
elke verbintenis nietig
verklaard worden. Dit is
indien zou blijken dat ze in
werkelijkheid slechts werd
aangegaan met het
bedrieglijk inzicht om de
rechten van anderen te
benadelen.
Een
bijzondere toepassing van de
conventionele
onderhoudsverbintenis is de
uitkering na echtscheiding
die kan worden
overeengekomen in het kader
van de familierechtelijke
overeenkomst met het oog op
een echtscheiding door
onderlinge toestemming (art.
1288, 1ste lid, 4
° Ger.W.).
2.3 Natuurlijke
onderhoudsplicht
Ten aanzien
van bepaalde personen op wie
geen wettelijke
onderhoudsverplichting rust,
wordt het bestaan van een
natuurlijke verbintenis tot
het verschaffen van
levensonderhoud aangenomen.
Het bestaan
van een natuurlijke
onderhoudsplicht wordt
algemeen aanvaard ten
aanzien van volgende
personen:
Door de
meerderheidsrechtspraak en –
rechtsleer wordt niet
aanvaard dat er tussen
concubanten een natuurlijke
onderhoudsverbintenis zou
bestaan na hun uiteengaan.
Daarnaast kan
er ook een natuurlijke
onderhoudsverplichting
rusten op personen die
wettelijk
onderhoudsplichtigen zijn,
in situaties waarin geen
beroep kan gedaan worden op
hun wettelijke
onderhoudsplicht.
Vb:
-
Ouders
ten aanzien van hun
kinderen, voor het
verschaffen van een
stand (art. 204 B.W.) :
geen wettelijke plicht;
-
Grootouders ten aanzien
van hun kleinkinderen,
ingeval grootouders
vrijwillig tussenkomen
hoewel de ouders over
voldoende middelen
beschikken;
-
Kinderen
ten aanzien van hun niet
– behoeftige maar zieke
ouders aan wie ze opvang
en steun bezorgen.
Zoals elke
natuurlijke verbintenis
wordt de natuurlijke
onderhoudsverplichting
omgezet in een afdwingbare
civielrechtelijke
onderhoudsverplichting zowel
door de vrijwillige
uitvoering als door de met
kennis van zaken belofte tot
uitvoering.
Hierna wordt
uitsluitend over de
wettelijke onderhoudsplicht
gehandeld.
Hoofdstuk 2 : De
onderhoudsplichtigen
De
onderhoudsplichtigen zijn
opgesplitst in vier
categorieën.
1. Onderhoudsplicht binnen
het kerngezin
Binnen het
kerngezin bestaat volgende
onderhoudsverplichting:g:
Op de ouders
rust de plicht om hun niet –
zelfstandige kinderen
levensonderhoud, opvoeding
en een passende opleiding te
bezorgen (art 203, § 1 B.W.).
De onderhoudsplicht die
op de stiefouder rust
ten aanzien van zijn
stiefkinderen na het
overlijden van zijn
echtgenoot, ouder van
die kinderen (art. 203,
§ 2 B.W.);
De onderhoudsplicht die
op de verwekker rust ten
aanzien van het door hem
verwekte kind nadat
tegen hem met succes een
procedure op grond van
art 336 (en volgende)
B.W. is gevoerd;
De onderhoudsplicht die
op de pleegvoogd rust
ten aanzien van zijn
pupil (art 475 bis, 1ste
lid B.W.).
2. Onderhoudsplicht binnen
de grote familie
Buiten het
kerngezin bestaan volgende
onderhoudsplichten:
Tussen
verwanten in de zijlijn
(broers – zussen) bestaat
geen wettelijke
onderhoudsplicht.
3. Onderhoudsplicht ten
laste van nalatenschappen
In bepaalde gevallen rust er
een wettelijke
onderhoudsverplichting op de
nalatenschap ten behoeve van
een (gewezen) familielid van
de overledene.
-
Ten laste van de
nalatenschap van de
eerst stervende
echtgenoot, ten behoeve
van de langstlevende
echtgenoot (art. 205
bis, § 1 B.W.).
-
Ten laste van de
nalatenschap van de
verwekker van een
buitenhuwelijks kind die
tijdens zijn leven
veroordeeld werd tot een
onderhoudsuitkering (art.
339 bis, 1ste
lid B.W.);
-
Ten laste van de
nalatenschap van de
pleegvoogd die staande
de pleegvoogdij
overlijdt, ten behoeve
van zijn pupil (art. 475
quinquies, 2de
lid B.W.);
-
Ten laste van de
nalatenschap van een
gewoon geadopteerde
persoon die zonder
nakomelingen overleden
is, ten behoeve van zijn
adoptieve
ouder(s)
(art. 364, 2de
lid B.W.);
-
Ten laste van de
nalatenschap van een
gehuwde persoon die
zonder nakomelingen
overleden is, ten
behoeve van zijn
verwanten in de opgaande
lijn (ouders,
grootouders). Deze
onderhoudsverplichting
is beperkt tot maximaal
hetgeen de ascendenten
verliezen aan erfrechten
ten gevolge van giften
aan de langstlevende
echtgenoot (art. 205
bis, § 2 B.W.);
4. Onderhoudsplicht tussen
echtgenoten en ex -
echtgenoten
Deze wordt
hier niet verder behandelt (zie
onderaan bij verwante
artikels)
Hoofdstuk 3 : Organisatie
van de onderhoudsplicht
1. Situering
Op de
onderscheiden categorieën
onderhoudsverplichtingen
zijn verschillende regels
van toepassing. De
gemeenrechtelijke regeling
van het onderhoudsrecht is
dus slechts van toepassing
op de onderhoudsverplichting
binnen de grote familie. De
andere
onderhoudsverplichtingen
zijn telkens onderworpen aan
een afzonderlijk regime, dat
nochtans elementen van de
gemeenrechtelijke regeling
kan bevatten.
2. Voorwerp van de
onderhoudsverplichting
In het
gemeenrechtelijke
onderhoudsrecht is de
onderhoudsplicht een plicht
om een onderhoudsuitkering
te verschaffen aan de
onderhoudsgerechtigde (een
geldsom).
Dit geldt
eveneens voor de
onderhoudsverplichting ten
laste van de verwekker en
die ten laste van
nalatenschappen.
In het
kerngezin daarentegen (ten
aanzien van niet –
zelfstandige kinderen)
schept de onderhoudsplicht
in de eerste plaats een
verbintenis om te doen, nl.
de verplichting om al het
nodige te doen om tussen te
komen in de levensbehoeften
van zijn kinderen en om zijn
kinderen een opvoeding en
opleiding te verschaffen.
Slechts
ingeval deze verplichting
niet in natura kan worden
uitgevoerd, wordt zij
omgezet in een verbintenis
om te geven, in beginsel om
een som geld te betalen.
3. Omvang van de
onderhoudsverplichting
De omvang van
de onderhoudsverplichting
verschilt van categorie tot
categorie. Wel wordt zij in
alle gevallen bepaald in
functie zowel van de
financiële toestand van de
onderhoudsgerechtigde als
van die van de
onderhoudsplichtige.e.
3.1 Vanuit de positie van de
onderhoudsgerechtigde
a) Gemene
recht
In het
gemeenrechtelijke
onderhoudsrecht bestaat de
verplichting om tussen te
komen in het onderhoud van
de onderhoudsgerechtigde
slecht voor zover deze
behoeftig is, d.w.z. niet
over het levensnoodzakelijke
beschikt (art 205 en 208 B.W.).
Onder het
levensnoodzakelijke wordt
verstaan hetgeen minimaal
nodig is voor huisvesting,
voeding, kleding, medische
verzorging, … Niet alleen de
noden van de
onderhoudsgerechtigde zelf,
maar ook die van de leden
van zijn gezin (echtgenoot
en afhankelijke kinderen)
worden hierbij in acht
genomenen
Om vast te
stellen of de
onderhoudsgerechtigde niet
over het levensnoodzakelijke
beschikt, wordt rekening
gehouden met zijn inkomsten,
van welke aard ook (uit
arbeid, uit kapitaal, giften
van derden), alsook met zijn
mogelijkheden, met name om
inkomsten uit arbeid te
verwerven.
De
onderhoudsplicht houdt dan,
in het gemene recht, de
verplichting in om de
onderhoudsgerechtigde het
levensminimum te
verschaffen. De
onderhoudsplichtige is er
dus niet toe gehouden om de
onderhoudsgerechtigde te
laten delen in zijn eigen
levensstandaard.
Ook bij
gevallen van
onderhoudsplicht ten laste
van nalatenschappen kan de
onderhoudsgerechtigde
slechts aanspraak maken op
het levensnoodzakelijke.
b) Andere
gevallen
In alle
andere gevallen zijn de
aanspraken van de
onderhoudsgerechtigde
geenszins beperkt tot het
levensnoodzakelijke.
Ten aanzien
van de niet – zelfstandige
kinderen geldt dat de ouders
ze dienen te onderhouden en
op te voeden naar verhouding
van hun eigen financiële
positie.
3.2 Vanuit de positie van de
onderhoudsplichtige
a) Gemene
recht
De
onderhoudsplichtige is
slechts gehouden een
onderhoudsuitkering te
verschaffen ingeval en in de
mate zijn financiële
toestand dit toelaat (art.
208 B.W.). Zijn draagkracht
wordt bepaald rekening te
houden met zijn inkomsten en
zijn lasten.
Het is
hierbij evenwel niet vereist
dat de onderhoudsplichtige
gegoed is.
Naar gemeen
recht wordt enkel rekening
gehouden met de actuele
middelen van de
onderhoudsplichtige, niet
met zijn mogelijkheden om
inkomsten te verwerven.
In hoofde van
de onderhoudsplichtige wordt
niet alleen in rekening
gebracht wat hij nodig heeft
om zelf te kunnen leven,
maar evenzeer wat nodig is
voor het onderhoud van zijn
gezinsleden (echtgenoot;
afhankelijke kinderen die
deel uitmaken van zijn
gezin, ook indien hij
tegenover hen niet
onderhoudsplichtig is).
Bij de
begroting van de
onderhoudsuitkering wordt
alleen rekening gehouden met
kosten van onderhoud (van de
onderhoudsplichtige en van
zijn gezinsleden), niet met
andere schulden van de
onderhoudsplichtige die
immers een vrijwillige
besteding van zijn inkomsten
inhouden.
Het gemene
recht kent geen begrenzing
van de onderhoudsverbintenis
tot een bepaald gedeelte van
de inkomsten van de
onderhoudsplichtige.
b) Binnen het
kerngezin
Met
betrekking tot de
onderhoudsverplichtingen
binnen het kerngezin
(afhankelijke kinderen),
alsook met betrekking tot de
andere
onderhoudsverplichtingen ten
aanzien van
niet –
zelfstandige kinderen, geldt
daarentegen een volledige
financiële solidariteit
tussen de
onderhoudsplichtige en de
onderhoudsgerechtigde: zelfs
als de onderhoudsplichtige
maar weinig financiële
middelen heeft, moet hij het
weinige wat hij heeft, delen
met de
onderhoudsgerechtigde.
Hier wordt
bovendien niet enkel
rekening gehouden met de
bestaande middelen van de
onderhoudsplichtige, maar
evenzeer met zijn
mogelijkheden om (meer)
inkomsten te verwerven.
Vanzelfsprekend bestaat hier
evenmin een begrenzing van
de onderhoudsverbintenis tot
een bepaald gedeelte van de
inkomsten van de
onderhoudsplichtige.e.
4. Ontstaan van de
onderhoudsverbintenis
Uit het
belangrijke verschil qua
omvang van de onderscheiden
categorieën
onderhoudsverbintenissen
volgt ook dat het ontstaan
ervan aan geheel
verschillende regels
onderworpen is.
4.1 Gemene recht
Aangezien de
onderhoudsgerechtigde
slechts aanspraak kan maken
op een onderhoudsuitkering
voorzover hij niet over het
levensnoodzakelijke
beschikt, worden alleen zijn
huidige en toekomstige
behoeften in rekening
gebracht. Hieruit volgt dat,
in het gemene recht, een
onderhoudsuitkering slechts
verschuldigd is voorzover en
van zodra de
onderhoudsgerechtigde zulks
in recht vordert.
4.2 Binnen het kerngezin
Uit de omvang
van de
onderhoudsverbintenissen
binnen het kerngezin volgt
dat het ontstaan van deze
verbintenissen niet
afhankelijk is van het
instellen van een vordering
(door de
onderhoudsgerechtigde).
Aldus is in deze gevallen
een veroordeling tot het
betalen van een
onderhoudsuitkering met
terugwerkende kracht
mogelijk.
5. Excepties
5.1 Exceptie van schuld van
de onderhoudsgerechtigde aan
zijn eigen situatie
Bij het
bepalen van de omvang van de
onderhoudsverbintenis in
hoofde van de
onderhoudsgerechtigde wordt
er rekening gehouden met de
mogelijkheden die hij heeft
om middelen te verwerven om
in zijn onderhoud te
voorzien.
Hierdoor kan
de onderhoudsplichtige de
exceptie opwerpen dat de
toestand van de
onderhoudsgerechtigde het
gevolg is van diens eigen
onwil of fout (luiheid,
wangedrag, verslaafdheid aan
drank, drugs, spel,
verkwisting).
Dit geldt in het gemene
recht, ingeval de
behoeftigheid van de
onderhoudsgerechtigde
voortvloeit uit zijn eigen
onwil om zich middelen te
verschaffen.
5.2 Exceptie
van onwaardigheid
a)
Beginsel
Volgens een
unanieme rechtspraak vormt
de onwaardigheid van de
onderhoudsgerechtigde ten
overstaan van de
onderhoudsplichtige geen
grond van verval van zijn
recht op onderhoud. De
onderhoudsplichtige kan dus
tegen de
onderhoudsgerechtigde niet
de exceptie inroepen dat
deze zich tegenover hem
unfair gedragen heeft, in
het verleden zelf zijn
onderhoudsplicht
verwaarloosd heeft, de
familiesolidariteit waarop
hij een beroep doet zelf in
de wind heeft geslagen, …
b)
Uitzonderingen en
nuanceringen
Met
betrekking tot bepaalde
onderhoudsverbintenissen
moeten op deze regel
uitzonderingen en
nuanceringen worden
aangebracht:
-
Ontzetting van het
ouderlijk gezag.
In geval van
volledige ontzetting van het
ouderlijk gezag op grond van
de Jeugdbeschermingswet
verliest de ouder zijn recht
op levensonderhoud ten
aanzien van het betrokken
kind en ten aanzien van
diens afstammelingen.
-
Miskenning van het recht
op eerbied.
Bij
miskenning van het recht van
de ouders op eerbied vanwege
hun kind (art. 371 B.W.)
aanvaarden de rechtsleer en
rechtspraak dat het kind
zijn recht op voortgezette
tussenkomst vanwege zijn
ouders in zijn kosten van
onderhoud en opleiding kan
verbeuren.
Nu het recht
op eerbied een wederzijdse
verplichting tussen ouders
en kind is geworden (art.
371 B.W.), moet worden
aangenomen dat bij
miskenning van hun plicht
tot eerbied ook de ouders
hun recht op onderhoud ten
aanzien van hun kind kunnen
verbeuren.
Hoofdstuk 4 : Pluraliteit
van onderhoudsplichtigen en
van onderhoudsgerechtigden
1. Pluraliteit van
onderhoudsplichtigen
De wet
bepaalt geen enkele rangorde
tussen de onderscheiden
onderhoudsplichtigen.
Er wordt
nochtans algemeen aanvaard
dat de onderhoudsgerechtigde
bij het aanspreken van zijn
onderhoudsplichtigen een
zekere volgorde moet
naleven. Dit vloeit voort
uit de onderling
verschillende aard van de
diverse
onderhoudsverbintenissen,
alsook uit de intensiteit
van de band tussen
onderhoudsgerechtigde en
onderhoudsplichtige die de
grondslag vormt van de
onderscheiden
onderhoudsplichtigen.
Vanuit de
positie van de
onderhoudsgerechtigde die
behoefte heeft aan een
tussenkomst in zijn
onderhoud, wordt volgende
rangorde aanvaard:
1)
De echtgenoot
is tot tussenkomst gehouden
voor elke andere
onderhoudsplichtige.
2)
Elk van beide
ouders moet tussenkomen in
het onderhoud en de
opvoeding van hun niet –
zelfstandige kinderen voor
de andere verwanten en voor
de aanverwanten.
3)
De
onderhoudsplichtige ex –
echtgenoot moet onderhoud
verschaffen vóór de
verwanten en de aanverwanten.
4)
De verwanten
zijn onderhoudsplichtig vóór
de aanverwanten.
Binnen de
kring van de
onderhoudsplichtige
verwanten gaan de dichtste
in graad de verdere in graad
voor. Aldus dienen de ouders
aangesproken te worden voor
de grootouders, en de
kinderen voor de
kleinkinderen.
Er bestaat
onder de verwanten geen
voorrang van descendenten op
de ascendenten of andersom.
5)
Als laatste
kunnen de
onderhoudsplichtige
aanverwanten aangesproken
worden.
In geval van
samenloop van meerdere
onderhoudsplichtigen in
gelijke rang (vb: meerdere
kinderen ten aanzien van hun
ouders), is hun
onderhoudsverbintenis niet
hoofdelijk noch in solidum
en evenmin ondeelbaar. In
feite gaat het niet om één
onderhoudsverbintenis met
meerdere schuldenaars, maar
zijn er zoveel persoonlijke
onderhoudsverbintenissen als
er onderhoudsplichtige
schuldenaars zijn. Elke
onderhoudsplichtige is
zelfstandig en rechtstreeks
gehouden tot een bijdrage in
het levensonderhoud van de
onderhoudsgerechtigde, maar
slechts in een verhouding
die bepaald wordt in functie
van de draagkracht van alle
onderscheiden
onderhoudsplichtigen.
Het
voorgaande geldt niet voor
ouders, die ten aanzien van
hun niet – zelfstandig kind
een onderhoudsverbintenis in
solidum hebben.
2. Pluraliteit van
onderhoudsgerechtigden
Vanuit het
standpunt van de
onderhoudsplichtige die
aangesproken wordt door
meerdere
onderhoudsgerechtigden,
stelt de wet evenmin enige
rangorde voorop.
Nochtans moet
ook ten aanzien van de
onderhoudsplichtige die
onvoldoende draagkrachtig is
om al zijn
onderhoudsverbintenissen te
voldoen, een zekere rangorde
aanvaard worden, om dezelfde
reden als bij de pluraliteit
van onderhoudsplichtigen:
1)
De
onderhoudsplicht ten aanzien
van niet – zelfstandige
kinderen gaat voor op alle
andere, ook op die ten
aanzien van de echtgenoot en
dit ongeacht of het al dan
niet een kind geboren uit
het huwelijk met die
echtgenoot betreft.
2)
De
onderhoudsplicht ten aanzien
van de echtgenoot gaat voor
op de onderhoudsplicht ten
aanzien van verwanten en
aanverwanten. De
onderhoudsplicht ten aanzien
van de nieuwe echtgenoot
gaat ook voor op de
eventuele onderhoudsplicht
ten aanzien van de ex-
echtgenoot.
3)
De
onderhoudsplicht ten aanzien
van de ex – echtgenoot na
echtscheiding gaat voor op
de onderhoudsplicht binnen
de grote familie.
Ingeval een
onderhoudsplichtige
aangesproken wordt door
onderhoudsgerechtigden van
dezelfde rang (vb: meerdere
kinderen), dan wordt de
onderhoudstussenkomst ten
aanzien van elk van hen
bepaald in verhouding tot de
omvang van ieders aanspraken
(vb: in functie van zijn
leeftijd en zijn
studiekosten kan het ene
kind een hogere
onderhoudsuitkering bekomen
dan het andere).
Hoofdstuk 5 : Verhaal van
kosten van onderhoud
1. Verhaal van de
onderhoudsplichtige op de
onderhoudsgerechtigde
De
onderhoudsplichtige kan op
geen enkele wijze de kosten
van onderhoud achteraf
verhalen op de
onderhoudsgerechtigde. De
onderhoudsplicht is een
persoonlijke schuld, en de
onderhoudsplichtige die ze
voldoet, geeft aldus geen
voorschot op erfenis aan
zijn onderhoudsgerechtigde.
Zelfs in
geval de
onderhoudsgerechtigde
achteraf opnieuw voldoende
eigen middelen verwerft, kan
de onderhoudsplichtige de
kosten van het voordien
verstrekte onderhoud niet
van hem terugvorderen.
2. Verhaal van een
onderhoudsplichtige op de
medeschuldenaars van
de onderhoudsverbintenis
De
onderhoudsplichtige die
samen met andere
onderhoudsplichtigen van
dezelfde rang tot een
onderhoudsverbintenis
gehouden was, maar die de
volledige onderhoudsschuld
betaalde, kan achteraf
terugbetaling vorderen van
de sommen die zijn aandeel
overtroffen, rekening
houdend met de respectieve
mogelijkheden van alle
onderhoudsplichtigen.
Hier is
verhaal uitgesloten wanneer
de onderhoudsplichtige is
tussengekomen met een
vrijgevige bedoeling.
3. Verhaal van een derde op
de onderhoudsplichtige(n)
Personen die
spontaan in het onderhoud
van iemand zijn
tussengekomen hoewel zij
tegenover hem niet
onderhoudsplichtig zijn of
slechts in een lagere rang
tot zijn onderhoud gehouden
zijn, kunnen achteraf de
kosten ervan terugvorderen
vanwege de
onderhoudsplichtigen, dit op
grond van zaakwaarneming
en/of verrijking zonder
oorzaak.
Ook hier is
verhaal uitgesloten ingeval
de derde is tussengekomen
met een vrijgevige
bedoeling.
DEEL 2 : De
onderhoudsbijdrage voor de
kinderen
Hoofdstuk 1 : Wettelijk
samenwonenden
1. Algemeen
Tussen
wettelijk samenwonenden
bestaat er tijdens hun
samenleven een wettelijke
onderhoudsverbintenis. Deze
onderhoudsverbintenis is van
openbare orde, zodat het
niet mogelijk is om er
afstand van te doen. De
wettelijk samenwonenden
kunnen dus niet rechtsgeldig
overeenkomen dat mits een
bepaalde prestatie te
leveren, de
onderhoudsplichtige in de
toekomst ontlast zal zijn
van zijn
onderhoudsverplichting. Ook
kunnen de wettelijk
samenwonenden niet
overeenkomen dat de ene aan
de andere in de toekomst een
bepaald onveranderlijk
bedrag zal moeten betalen.
Dit zou in strijd zijn met
de bepaling van art. 209 BW.
die van dwingend recht is.
De regels die
van toepassing zijn op de
plicht tot bijdrage in de
lasten van het huwelijk die
tussen gehuwden geldt,
gelden ook voor de plicht
tot bijdrage in de lasten
van het samenleven van
wettelijke samenwonenden.
De kosten van
onderhoud, opvoeding en
opleiding van de kinderen
die in het gezin van de
wettelijk samenwonenden zijn
opgenomen, vallen onder de
lasten waarin elk van beide
partners moet bijdragen,
ongeacht of het om
gemeenschappelijke kinderen
gaat of niet.
Deze lasten
van het samenleven moeten
door de wettelijke
samenwonenden gedragen
worden naar evenredigheid
van hun mogelijkheden.
Zoals bij
gehuwden bepaalt de wet
alleen het aandeel, niet de
vorm waarin elk van de
partners zijn bijdrageplicht
moet nakomen. Dit behoort
tot de individuele vrijheid
van de wettelijk
samenwonenden m hun
gezinsleven te organiseren
zoals zij zelf wensen. De
rechter kan hier niet in
tussenkomen. Geen van beide
partners kan verplicht
worden om buitenshuis te
gaan werken, zolang ze maar
voldoende bijdragen in de
lasten van het samenleven.
2. Sancties
De niet –
naleving van de
bijdrageplicht tussen
wettelijk samenwonenden kan
enkel aanleiding geven tot
de sanctie van de
veroordeling van de nalatige
partner tot onderhoudsgeld.
In
tegenstelling tot wat het
geval is tussen echtgenoten,
is tussen wettelijk
samenwonenden een
sommendelegatie niet
mogelijk.
Indien een
partner weigert om bij te
dragen in de lasten, kan de
andere partner zich wenden
naar de rechter. En de
rechter veroordeelt de
partner dan tot het betalen
van onderhoudsgeld.
3. Einde van de wettelijke
samenwoning
Het enige
verschil met de
bijdrageplicht die tussen
gehuwden bestaat, is dat de
verplichting tussen de
wettelijk samenwonenden
vervalt indien zij niet meer
samenleven.
Bij een
huwelijk wordt de
bijdrageplicht ook beëindigd
bij de ontbinding van het
huwelijk. Maar in
tegenstelling tot de
wettelijke samenwoning kan
een huwelijk niet zomaar van
de ene dag op de andere in
onderlinge overeenstemming
beëindigd worden.
Het is
mogelijk dat de vrederechter
één van de partner
veroordeelt tot het betalen
van onderhoudsgeld voor de
periode voorafgaand aan de
ontbinding van de wettelijke
samenwoning.
Vb: Op het
ogenblik van de uitspraak
van de vrederechter duurt de
wettelijke samenwoning reeds
twee jaar; dan zou de
vrederechter een
onderhoudsuitkering kunnen
toekennen voor een maximale
duur van twee jaar; deze
onderhoudsuitkering blijft
dan verschuldigd ongeacht of
intussen de wettelijke
samenwoning reeds beëindigd
is.
Één van de
partners kan na de
ontbinding van de wettelijke
samenwoning geen
onderhoudsgeld meer vorderen
ten laste van de andere.
Hoofdstuk 2 : Niet -
samenwonenden
De
echtgenoten kunnen hun
onderhoudsplicht bijdragen
in natura in de echtelijke
verblijfplaats. De
financiële solidariteit
tussen echtgenoten hangt dus
samen met de
samenwoningplicht.
In geval van
feitelijke scheiding is geen
uitvoering van de
bijdrageplicht in natura
meer mogelijk. De financieel
zwakkere echtgenoot zal
ernaar streven om een
uitvoering van deze plicht
in de vorm van een
onderhoudsuitkering te
bekomen via een vordering op
grond van art. 221, 1ste
lid B.W.
1. De echtscheiding op
grond van bepaalde feiten
(Kijk na of de wet nog
actueel is ! )
Beide uit de
echt gescheiden ouders zijn
verplicht om naar
evenredigheid van hun
middelen bij te dragen tot
het onderhoud en de
opvoeding van hun kinderen
(art.303 B.W.).
In de
praktijk betaalt de ene
ouder een onderhoudsbijdrage
aan de andere ouder, deze
heeft een verplichting tot
bijdrage in natura (het kind
woont bij hem of haar in).
De ex – echtgenoten kunnen
met betrekking tot hun
bijdrage in de onderhouds-
en opvoedingskosten van hun
kinderen een bindende
overeenkomst sluiten. Zij
moeten de verplichting van
deze kosten steeds bijdragen
naar evenredigheid van hun
middelen. De verplichting is
van openbare orde en men mag
ze dus niet wijzigen,
beperken of belemmeren. Het
beding dat de man niet meer
zal bijdragen in het
onderhoud van de kinderen en
dat de vrouw hem zal
vrijwaren tegen iedere
onderhoudsvordering ten
behoeve van de kinderen is
dus nietig.
1.1 Sancties
Het
strafrecht bepaalt de niet –
betaling van onderhoudsgeld
voor het kind (art. 391 bis
Sw.), familieverlating als
kinderverlating. Ook de niet
– naleving van de
gerechtelijke beslissing in
verband met het hoederecht
en bezoekrecht wordt
gesanctioneerd.
2. Echtscheiding door
onderlinge toestemming
De
onderhoudsverplichting van
de ouders ten aanzien van
hun kinderen wordt besproken
in art. 203 B.W., zoals dit
gewijzigd werd door de wet
van 13 april 1995: de ouders
dienen naar evenredigheid
van hun middelen te zorgen
voor de huisvesting, het
levensonderhoud, het
toezicht, de opvoeding en de
opleiding van hun kinderen.
De uit art.
203 B.W. voortvloeiende
verplichtingen houden niet
op bij de meerderjarigheid
van het kind, maar lopen
door zolang de opleiding van
het kind niet voltooid is
(art. 203, § 1, in fine
B.W.). Maar alleen voor
zover de studies een normaal
verloop kennen en het kind
voldoende ijver en
bekwaamheid toont.
Wanneer de
echtgenoten de
onderhoudsbijdrage voor hun
kinderen vaststellen, dient
niet enkel de hoogte van de
bijdrage bepaald te worden,
maar ook het tijdstip,
plaats en wijze van
betaling, alsook het
beginpunt van de betalingen.
Er moet ook aangegeven
worden of de
betalingsverplichting
geschorst wordt gedurende de
periodes dat het kind bij de
andere ouder verblijft.
Indien hierover niets
bepaald werd, moet er van
uitgegaan worden dat de
betalingsverplichting gewoon
blijft doorlopen. De semi –
vaste kosten (huisvesting,
kleding, school, … )
blijven dan onveranderd.
In de plaats
van de meest voorkomende
periodieke uitkering kunnen
de echtgenoten er ook voor
kiezen om de
onderhoudsbijdrage te
betalen onder de vorm van
een eenmalige
kapitaalsuitkering. Dit komt
in de praktijk niet vaak
voor omwille van de nadelige
fiscale gevolgen.
2.1 Onderscheid obligatio –
contributio
In art. 1288,
1ste lid, 3°
Ger.W. staat : “dat de
echtgenoten wel overkomsten
kunnen sluiten over de
onderhoudsbijdrage (=
contributio), maar niet over
de onderhoudsverplichting
(=
obligatio), die de openbare
orde raakt.” Dit is het
geval bij echtscheiding door
onderlinge toestemming. In
de andere gevallen van
echtscheiding komt men niet
tot een overeenkomst en moet
de rechter uitspraak doen.
Het is niet
mogelijk om af te spreken
dat één van de ouders geen
verplichtingen heeft
tegenover het kind. Ook de
rechter kan dit niet
uitspreken. Beide ouders
zijn verplicht om allebei
bij te dragen in het
onderhoudsgeld.
De
onderhoudsplicht houdt niet
op wanneer het kind
meerderjarig wordt en het
zal afhangen van de
voortgezette opleiding van
het kind wanneer het in zijn
eigen levensonderhoud kan
voorzien.
Het is
belangrijk om het
onderscheid tussen obligatio
en contributio niet terzijde
te schuiven. Indien het
vonnis bepaalt, of de
echtgenoten afspreken dat
één van hen meer zal doen
dan wettelijk van hem
verlangd kan worden,
wordt aanvaard dat de andere
ouder minder doet. Zodra het
kind van levensonderhoud,
opvoeding en opleiding
geniet, heeft het immers
geen vorderingsrechten meer
tegen één van beide ouders,
vermits zijn belangen niet
geschaad worden.
2.2 Buitengewone uitgaven
Er bestaat
geen uitdrukkelijke
wettelijke bepaling, maar
toch moet er in de
familierechtelijke
overeenkomst ook een
regeling opgenomen worden
met betrekking tot de
zogenaamde “buitengewone
uitgaven”.
Met
buitengewone uitgaven wordt
bedoeld: de kosten, die
voortvloeien uit:
·
de
gezondheidstoestand van het
kind (medische,
tandheelkundige en
farmaceutische kosten);
·
zijn
opleiding
(schoolabonnementen,
inschrijvingsgelden,
schoolreizen, sneeuwklassen,
stage, huur studentenkamer,
…);
·
en de
ontwikkeling van zijn
persoonlijkheid (taal en
sportkampen, culturele
activiteiten, …).
Indien het
gaat om een regelmatig
wederkerende uitgave, kan
het soms beter zijn een iets
hogere maandelijkse bijdrage
op te stellen, dan deze kost
als buitengewoon te
kwalificeren. Dit past men
toe om betwistingen te
vermijden.
Het is zeer
sterk aangewezen om deze
kosten nauwkeurig te
omschrijven. De redenen
hiervoor zijn:
1)
Er is de zorg
om een eventuele gedwongen
uitvoering vlot te laten
verlopen: bij een te
algemene omschrijving zal
men terug naar de rechter
moeten gaan. De rechter zal
dan een procedure instellen
die de precieze draagwijdte
van de rechten en de
plichten van de partijen
moet vaststellen.
2)
Bepaalde
kosten worden in de praktijk
niet steeds als buitengewoon
aanzien: dit is vb. het
geval voor schoolkosten.
Kosten voor logopedie worden
wel als buitengewoon
beschouwd, net als
sneeuwklassen.
3)
Het vermelden
van de buitengewone kosten
heeft als voordeel dat
datgene wat niet vermeld
werd, beschouwd moet worden
als zijnde gedekt door de
gewone onderhoudsbijdrage.
2.3 Verzaking
In de
praktijk komt het regelmatig
voor dat de ouders enige
tijd na hun echtscheiding
een vonnis hebben verkregen
waarin staat dat de
onderhoudsgerechtigde ouder
verzaakt aan de bijdrage.
Vaak wordt dit gekoppeld aan
een wederkerige verzaking
door de andere ouder aan
uitoefening van zijn recht
op persoonlijk contact (in
geval van exclusieve
uitoefening van het
ouderlijk gezag) of verblijf
van het kind bij hem (in
geval van gezamenlijke
uitoefening van het
ouderlijk gezag).
De verzakende
ouder kan op ieder ogenblik
opnieuw een
onderhoudsbijdrage vorderen
wanneer het belang van het
kind dit vereist.
In dit geval
moet men zich de vraag
stellen of ook de vervallen
termijnen tijdens de periode
van verzaking opnieuw
gevorderd kunnen worden. De
rechtspraak heeft hierover
geen duidelijk antwoord:
-
Aan de
ene kant zegt de
rechtspraak dat de
voorheen vervallen
termijnen betaald moeten
worden.
-
Aan de
andere kant zegt de
rechtspraak dat doordat
het feit dat de
onderhoudsgerechtigde
ouder gedurende een
bepaalde periode geen
bijdrage gevraagd heeft,
meebrengt dat hij
gedurende al die tijd
zijn eigen middelen
toereikend achtte om in
de kosten van
levensonderhoud van de
kinderen te voorzien.
2.4 Uitvoeringsaspecten
Hier volgt
een overzicht van enkele
belangwekkende punten,
waarvoor clausules in de
familierechtelijke
overeenkomst opgenomen
dienen te worden:
1) Indexatie
Wanneer een
indexatieclausule opgenomen
wordt, dienen zowel de
indexatieformule zelf, als
de periodiciteit van de
aanpassing en de keuze van
het indexcijfer duidelijk te
worden omschreven.
De
onderhoudsgerechtigde moet
de indexatie laten weten aan
de onderhoudsplichtige.
Reageert hij niet, kan men
naar het gerecht gaan.
Doet men dit
niet, gebeurt er niets en
wordt er niet geïndexeerd.
Op de
indexatie staat een
verjaringstermijn van 5
jaar, dus kan men tot 5 jaar
terug gaan in de tijd om
toch nog de bijdrage te
indexeren.
2) Herzieningsclausules
De
herzieningsclausules dragen
bij tot het vermijden van
een beroep op de
rechterlijke macht, dat niet
enkel tijdrovend is, maar
bovendien bevorderlijk voor
de onderlinge
verstandhouding tussen de
ouders.
a) Eerste
herzieningsfactor
Een eerste
herzieningsfactor betreft de
leeftijd van het kind. Het
spreekt voor zich dat het
ouder worden van het kind
gepaard gaat met het
bereiken van steeds hogere
opleidingsniveau’s en een
verhoging van de uitgaven.
b) Tweede
herzieningsfactor
Een tweede
herzieningsfactor houdt
verband met de inkomsten en
mogelijkheden van de ouders
en de variabiliteit hiervan,
zowel in positieve als in
negatieve zin. Het kind
heeft recht op
levensonderhoud naar
evenredigheid van de
middelen van beide ouders.
De concrete bijdrage wijkt
af van de evenredigheid.
Voor de
onderhoudsgerechtigde kan
een herzieningsclausule tot
ongewenste gevolgen leiden,
dit is wanneer de inkomsten
van de onderhoudsplichtige
ouder verminderen. Om dit
nadeel van een zuivere
herzieningsclausule op te
vangen, kan overwogen worden
om een minimumgrens vast te
stellen, waaronder de
bijdrage niet kan dalen.
Door het
invoeren van een zogenaamde
“bodembijdrage” wordt ook
vermeden dat de
uitkeringsplichtige ouder er
in slaagt om zich omwille
van zijn verlaging van het
inkomen (verlies van werk,
verplichting deeltijds te
gaan werken), te onttrekken
aan elke bijdrage.
c) Derde
herzieningsfactor
Een voor de
praktijk zeer belangrijke
herzieningsfactor is de
concrete verblijfregeling
van het kind. Door de wet
van 13 april 1995 werden de
wijze van uitoefening van
het ouderlijk gezag
enerzijds en de
verblijfsregeling anderzijds
van elkaar losgekoppeld. De
tijdsduur die het kind bij
de ene, dan wel de andere
ouder doorbrengt, is, net
als de middelen van de
ouders en de behoeften van
het kind, een fundamenteel
gegeven voor de vaststelling
van de concrete bijdrage.
Wanneer de
ouders de initieel
afgesproken
verblijfsregeling, die
gediend heeft bij de
bepaling van het bedrag van
de bijdrage, ingrijpend
wijzigen (dit kan zelfs op
verzoek van het kind), moet
die resulteren in een
aanpassing van de bijdrage.
Vb: een
verblijf in het buitenland
(buiten de normale
vakanties).
Het principe
van de noodzaak van
aanpassing geldt op
overeenkomstige wijze
wanneer de verblijfsregeling
of de uitoefening van het
recht op persoonlijk contact
niet verloopt zoals de
vooraf gemaakte afspraken.
De hypothese is uiteraard
deze waarbij het niet
respecteren van de afspraken
een eenzijdige handeling is
van één ouder. Dergelijke
handelswijze leidt er toe
dat de andere ouder de
lasten van onderhoud van het
kind nagenoeg volledig
alleen moet dragen.
Niettegenstaande dit een
grond tot gerechtelijke
wijziging inhoudt,
verhindert niets dat
partijen hierop reageren
door een herzieningsclausule
toe te passen.
De
mogelijkheid tot aanpassing
van de alimentatiebijdrage
in geval van wijziging in de
verblijfsregeling mag in
geen geval geïnterpreteerd
worden als een mogelijkheid
om aan de betaling te
ontsnappen door te verzaken
aan de uitoefening van het
recht op persoonlijk
contact. In dit geval wordt
immers afbreuk gedaan aan de
rechten van het kind.
De noodzaak
van aanpassing van de
onderhoudsbijdrage ingeval
van wijzigingen van de
verblijfsregeling geldt
wanneer de wijziging ook
fiscale of sociaal -
zekerheidsrechtelijke
gevolgen heeft.
d) Fiscaal vlak
Op fiscaal
vlak zijn er de vraagstukken
van het ten laste zijn en de
aftrekbaarheid van de
onderhoudsuitkeringen. Om
fiscaal ten laste te zijn en
voor de betrokken ouder een
verhoging van de
belastingvrije som mee te
brengen, moet het kind op 1
januari van het jaar
waarnaar het aanslagjaar
genoemd wordt, deel uitmaken
van het gezin van de
belastingplichtige.
Onder “deel
uitmaken van het gezin”
wordt in het kader van een
echtscheiding begrepen dat
het kind werkelijk en op
bestendige wijze inwoont bij
een ouder en er deelneemt
aan de huishouding van de
belastingplichtige.
Met
betrekking tot de
aftrekbaarheid van de
onderhoudsuitkeringen
geldt het vereiste dat het
kind, waarvoor de uitkering
betaald wordt, geen deel mag
uitmaken van het gezin van
de belastingplichtige op het
tijdstip van betaling.
Door de Wet
van 4 mei 1999, waar er
fiscale en andere bepalingen
vermeld staan voor ouders
die gezamenlijk het
ouderlijk gezag uitoefenen
en bij wie de kinderen
gelijkelijk verblijven, is
de mogelijkheid dat men de
kinderen in beide gezinnen
fiscaal ten laste kan nemen
en de verhoging van de
belastingvrije som kan delen
(art. 132 bis W.I.B.).
Gevolg hiervan is dan wel
dat de door deze kinderen
betaalde
onderhoudsuitkeringen niet
aftrekbaar zijn (art. 104,
1° W.I.B.).
Uit deze
summiere toelichting bij
enkele fiscale bepalingen
blijkt dat wijzigingen in de
verblijfsregeling ook
belangwekkende fiscale
stoornissen kunnen hebben.
e) Sociaal –
zekerheidsrechtelijk vlak
Hier geldt
ook dat de plaats waar het
kind opgevoed wordt,
bepalend kan zijn voor de
aanduiding van de
rechthebbende
en de bijslagtrekkende.
Zo zal in het stelsel van de
kinderbijslag voor
werknemers de moeder in
principe de bijslagtrekkende
zijn, tenzij het kind niet
werkelijk door haar wordt
grootgebracht. Wie het kind
“grootbrengt”, wordt
beoordeeld aan de hand van
alle feitelijke elementen,
waaronder onder meer de
verblijfsregeling. Dat de
feitelijke toestand
doorslaggevend is, blijkt
ook nog uit een andere
regel: wanneer de ouders
overeenkomsten hebben
getroffen over wie van hen
de bijslag mag ontvangen,
zijn deze afspraken in
principe niet tegenwerpelijk
aan de kinderbijslagkassen
indien de feitelijke
voorwaarden niet vervuld
zijn.
3) Meerderjarigheid van het
kind
Eens het kind
meerderjarig geworden is en
voor zover zijn opleiding op
dat ogenblik niet voltooid
is, beschikt het kind over
een eigen vorderingsrecht op
grond van art. 203 B.W. Dit
stelt een bijzonder probleem
voor de ouder – schuldenaar
van de bijdrage. In de mate
dat de familierechtelijke
overeenkomst niets voorziet,
blijft ook het conventionele
recht van de andere ouder
onaangetast.
De onderhoudsplichtige mag
dan ook niet zelf beslissen
om de afgesproken bijdrage
niet meer aan de andere
ouder, maar in handen van
het kind te betalen. Als hij
dit wel doet, loopt hij het
risico van dubbele betaling.
Om dit te
vermijden, is het aangewezen
in de familierechtelijke
overeenkomsten de
mogelijkheid tot
rechtstreekse betaling in
handen van het kind te
voorzien. Aangezien de eis
van het kind tot betaling in
zijn handen vaak samenvalt
met het “alleen” gaan wonen
van dit kind, kan ook
overwogen worden om de
geldelijke bijdrage van de
onderhoudsplichtige ouder
aan te passen en om
tegelijkertijd een
geldelijke bijdrage van de
andere ouder (die tot dan
toe zijn bijdrage in natura
leverde) te bepalen.
4) Overlijden van de
onderhoudsplichtige ouder
De
bijdrageplicht van de ouders
overeenkomstig art. 203 B.W.
is een wettelijke
onderhoudsverplichting. Deze
verplichting dooft uit bij
het overlijden van de
schuldenaar.
Ook al is het eerder
ongebruikelijk, toch bestaat
de mogelijkheid dat de
ouders besluiten dat de
bijdrage wel overgaat op de
erfgenamen en een last van
de nalatenschap zal
uitmaken. In de rechtsleer
wordt als alternatief
voorgesteld dat de
bijdrageplichtige ouder in
voordeel van de kinderen een
levensverzekering zou
afsluiten.
2.5 Wijzigingen tijdens de
procedure
In geval van
echtscheiding door
onderlinge toestemming geldt
volgende regeling:
alleen
wanneer de echtgenoten
nieuwe en onvoorzienbare
omstandigheden kunnen
aanvoeren, waardoor hun
toestand, de toestand van
één van hen of die van hun
kinderen ingrijpend
gewijzigd worden en zij
daarvan naar behoren het
bewijs leveren, kunnen zij
gezamenlijk een voorstel tot
wijziging van hun
oorspronkelijke
overeenkomsten aan de
rechter voorleggen (art.
1293, 1ste lid
Ger.W.).
Kleine
wijzigingen in het inkomen
komen dus niet in
aanmerking. Tijdens de
parlementaire voorbereiding
van de Wet van 30 juni 1994
werd het voorbeeld gegeven
van een ongeval, waardoor de
alimentatieplichtige
echtgenoot ernstig
gehandicapt raakt zodat zijn
inkomsten fors verminderen.
Volgens wijzigingen op
initiatief van de
echtgenoten zelf kan ook de
rechterlijke macht
voorstellen tot wijziging
doen. In art. 1290, 2de
lid Ger.W. wordt bepaalt dat
de rechter tijdens de eerste
verschijning aan partijen
kan voorstellen om de
afspraken betreffende de
minderjarige kinderen te
wijzigen, wanneer deze hem
met hun belangen strijdig
lijken.
In dit geval
moet binnen de maand na de
neerlegging op de griffie
van het proces – verbaal van
de eerste verschijning of
van het onderhoud met het
kind een nieuwe, bijkomende
verschijning plaatsvinden.
Tijdens deze nieuwe
verschijning kan de rechter
dan de beschikkingen die
kennelijk strijdig zijn met
de belangen van de
minderjarige kinderen laten
schrappen of wijzigen (art.
1290, 5de lid
Ger.W.). De rechter kan niet
zelf schrappen of wijzigen.
Zo de echtgenoten niet op
het verzoek van de
voorzitter ingaan, kan dit
leiden tot een afwijzing van
de echtscheiding.
2.6 Wijzigingen na
echtscheiding
1)
Probleemstelling
In de
praktijk is de
wijzigbaarheid na
echtscheiding van de
onderhoudsbijdrage voor de
kinderen één van de meest
betwistbare aangelegenheden.
Voor de
inwerkingtreding op 1
oktober 1994 van de Wet van
30 juni 1994
leidde het onderscheid
tussen de obligatio en de
contributio (door het Hof
van Cassatie) samen met de
principiële
onveranderlijkheid van de
alimentatieschuld t.o.v. de
kinderen, tot een
buitengewoon restrictieve
beoordeling van
wijzigingsverzoeken, die
vaak neerkwam op een quasi –
onveranderlijkheid.
-
Een
verhoging van de
afgesproken bijdrage was
slechts mogelijk,
wanneer de ouder die de
verhoging vroeg niet
meer in de mogelijkheid
verkeerde (aan het kind)
het nodige
levensonderhoud en
opvoeding te
verschaffen.
-
Ook een
vermindering van de
bijdrage, vb. wegens een
daling van de inkomsten,
kon in principe niet
worden toegestaan wegens
strijdigheid met de
belangen van het kind en
omdat een wijziging in
de toestand van de
onderhoudsschuldenaar in
principe niet in
aanmerking genomen mag
worden.
2) Wet van
30 juni 1994
Met de
invoering van een nieuw
laatste lid in art. 1288
Ger.W. hoopte de wetgever in
1994 de restrictieve
rechtspraak van het Hof van
Cassatie te doorbreken : De
afspraken betreffende de
kinderen konden voortaan na
echtscheiding door de
rechter herzien worden
wanneer er zich nieuwe en
onvoorzienbare
omstandigheden hadden
voorgedaan, waardoor de
toestand van de kinderen
ingrijpend gewijzigd werd.
3) Wet van
20 mei 1997
Met de wet
van 20 mei 1997 wenste de
wetgever de restrictieve
cassatierechtspraak,
voornamelijk met betrekking
tot verhogingen van de
bijdrage, definitief te
doorbreken. Het vereiste van
onvoorzienbaarheid werd
geschrapt en vervangen door
het vereiste van nieuwe
omstandigheden buiten de wil
van de partijen. Daarenboven
kunnen voortaan zowel
wijzigingen in de toestand
van de kinderen, als van de
ouders zelf in acht genomen
worden voor zover zij maar
ingrijpend zijn ‘art. 1288,
laatste lid Ger.W.). Lichte
wijzigingen komen niet in
aanmerking.
4) Het criterium van het
belang van het kind
We hebben
reeds aangehaald dat
wijzigingsverzoeken na
echtscheiding beoordeeld
zouden worden aan de hand
van één essentieel
criterium, nl. het belang
van het kind.
a) Eerste
argument
Dit kan geput
worden uit het vermijden van
ongewenste gevolgen van een
al te letterlijke
interpretatie van art. 1288,
laatste lid Ger.W. Volgens
deze bepaling moeten de
nieuwe omstandigheden zich
buiten de wil van de
partijen hebben voorgedaan.
Ingrijpende gebeurtenissen
als een ernstig ongeval of
zware ziekte voldoen zeker
aan deze voorwaarde.
Een nieuw
huwelijk kan moeilijk
beschouwd worden als een
gebeurtenis die zich buiten
de wil van de partijen
afspeelt. Hetzelfde geldt
voor de geboorte van een
kind uit een nieuwe relatie,
het in het buitenland gaan
werken of een nieuwe
echtscheiding van de
bijdragegerechtigde ex -
echtgenoot.
Doorgaans hebben deze
gebeurtenissen evenwel een
ingrijpende invloed op de
financiële toestand van de
betrokken ex – echtgenoot :
een nieuw huwelijk (of een
nieuwe relatie in het
algemeen) kan vb. zowel een
verzwaring van de financiële
lasten teweegbrengen, als
een verlichting hiervan.
Dat het
essentieel is om door middel
van het criterium van het
belang van het kind een al
te letterlijke interpretatie
van art. 1288, laatste lid
B.W. te vermijden, blijkt
ook duidelijk bij
wijzigingsverzoeken die
gesteund zijn op het ouder
worden van het kind. Onder
het oude recht oordeelde het
Hof van Cassatie dat de
meerkosten die veroorzaakt
worden door het ouder worden
van het kind niet in
aanmerking genomen kunnen
worden als niet
tegelijkertijd bewezen wordt
dat de bijdragegerechtigde
ouder niet meer in staat is
om het kind het nodige
levensonderhoud en opvoeding
te verschaffen.
Ook na de wetswijziging van
1994 kon het ouder worden
van het kind niet in
aanmerking genomen worden :
er kan immers ontstaan dat
dit een nieuwe en
onvoorzienbare gebeurtenis
is. Ook indien met de door
de Wet van 20 mei 1997
gestelde voorwaarden
letterlijk interpreteert,
dient het wijzigingsverzoek
te worden afgewezen : het
ouder worden van het kind is
immers niet echt een nieuwe
omstandigheid. Sommige
vrederechters weigeren dan
ook een verhoging van de
bijdrage op grond van het
ouder worden of de hiermee
gepaard gaande hogere
kledingkosten, maar staan
deze wel toe op grond van
de, met de leeftijd mee –
evoluerende
onderwijssituatie. (het
aanvatten van hogere
studies, het volgen van een
specialisatiejaar, het
eventueel moeten huren van
een studentenkamer, …). Het
lijdt immers niet de minste
twijfel dat de door ouder
worden veroorzaakte
meerkosten een wijziging van
de bijdrage moeten kunnen
verantwoorden als het belang
van het kind dit vereist.
b) Tweede
argument
Het feit is
dat sedert de Wet van 20
mei 1997 ook wijzigingen in
de toestand van de ouders in
aanmerking genomen kunnen
worden. De bedoeling van de
wetgever met deze aanvulling
was om de kinderen te kunnen
laten delen in een stijging
van de inkomsten van de
onderhoudsplichtige ouder.
Dat een wijziging in de
toestand van de ouders ook
een vermindering zou kunnen
veroorzaken, werd blijkbaar
vergeten.
We hebben
reeds aangehaald dat
wijzigingen die men zelf met
bedrieglijke intenties heeft
gevoerd, zijn uitgesloten.
Zij komen immers in conflict
met het vereiste van het
“buiten de wil” zijn. Voor
de andere wijzigingen,
waarbij er geen sprake is
van bedrieglijke intenties
in hoofde van de eiser, maar
waarbij alleen loutere
opportuniteitsoverwegingen
of het loutere eigenbelang
voorstaan, zal het criterium
van het belang van het kind
een wijziging verhinderen.
Omstandigheden die wel in
aanmerking genomen kunnen
worden, zijn vb :
-
Een
ernstige handicap
-
Het
verlies van werk of een
gewijzigde werkregeling
(althans voor zover deze
niet frauduleus is)
Het
financieel verlies dat
hieruit voor de betrokken
ouder voortvloeit, kan ertoe
leiden dat hij in zware
moeilijkheden komt. Of dit
feit er op zijn beurt moet
toe leiden, dat de
onderhoudsbijdrage gewijzigd
wordt, hangt af van het
belang van het kind. Het is
immers niet in het belang
van het kind dat zijn vader
of moeder door de handhaving
van de oorspronkelijke
bijdrage tot een marginaal
bestaan veroordeeld wordt,
noch dat het bestaan van een
normale relatie ouder – kind
hierdoor in het gedrang
gebracht wordt. Indien er
geen enkele ingrijpende
omstandigheid is voor de
toestand van het kind, vb :
doordat de verminderde
inkomsten of verhoogde
lasten op een andere wijze
gecompenseerd worden, dient
het wijzigingsverzoek te
worden afgewezen.
Er dient een
afweging gemaakt te worden
van welk bijdrage(n) in
welke mate moet(en) worden
aangepast. Er dient m.a.w.
te worden overgegaan tot een
“herverkaveling” van de
globale concrete bijdrage.
Bij deze afweging dienen
naast de verhoging van de
inkomsten ook alle andere
aspecten die de toestand van
de kinderen (vb : de
meerkost ingevolge het ouder
worden) en van de
echtgenoten (vb : andere
inkomsten, andere lasten,
het wegvallen van ouder
lasten,
nieuwe
relatie, …) aangaan, in
ogenschouw te worden
genomen.
c) Derde
argument
Dit argument
kan gevonden worden in art.
387 bis B.W. Volgens dit
artikel kunnen alle
beschikkingen met betrekking
tot het ouderlijk gezag na
echtscheiding door de
jeugdrechtbank worden
herzien wanneer het belang
van het kind dit vereist. Er
bestaat dan ook geen enkele
reden om wijzigingsverzoeken
betreffende de
onderhoudsbijdrage te
beoordelen aan de hand van
andere criteria dan deze die
gehanteerd worden ten
aanzien van afspraken
omtrent het ouderlijk gezag.
Dit geldt indien het verzoek
tot wijziging van de
bijdrage samenhangt met een
wijziging van de afspraken
omtrent de uitoefening van
het ouderlijk gezag of de
verblijfregeling. Sommigen
proberen de vereisten van
art. 387 bis B.W. en 1288,
laatste lid Ger.W. te
verzoenen door een
wijzigingsvonnis van de
jeugdrechtbank bij
toepassing van art. 387 bis
B.W. te aanzien als een
nieuwe omstandigheid buiten
de wil van partijen in de
zin van art. 1288, laatste
lid Ger.W. Hoewel het
uiteraard correct is om een
vonnis te beschouwen als
dergelijke nieuwe
omstandigheid, komt deze
redenering als overbodig
voor. Het is toch onlogisch
om de twee onderdelen van de
afspraken betreffende de
kinderen te beoordelen aan
de hand van verschillende
criteria. Waar het belang
van het kind reeds lang
wordt erkend als grond tot
wijziging van de regeling
omtrent het ouderlijk gezag,
moet dit ook gelden ten
aanzien van de bijdrage.
d) Vierde
argument
Het belang
van het kind is afhankelijk
van wijzigingsverzoeken op
grond van een verandering in
de toestand van het kind
zelf. Dit geldt op evidente
wijze met betrekking tot
verhogingen (vb : heelkundig
ingrijpen, aanvatten van
dure hogere studies,
…), maar ook met betrekking
tot verminderingen.
Voorbeelden:
-
De
verblijfsregeling van
het kind wordt door
omstandigheden buiten de
wil van de ouders (vb.
een rechterlijke
beslissing of een
beslissing van het kind
zelf) gewijzigd. Het op
hetzelfde niveau
handhaven van de
bijdrage kan er in deze
gevallen uiteindelijk
toe leiden dat het kind
meer krijgt dan waarop
het recht heeft,
waardoor een wijziging
zich opdringt.
-
Het kind
beschikt over eigen
inkomsten. Gelet op het
karakter van de plicht
van de ouders tegenover
hun kind in verhouding
tot de inkomsten
waarover het kind zelf
beschikt, moet met deze
inkomsten bij de
veroordeling rekening
gehouden worden en moet
de bijdrage in dit geval
verminderd of afgeschaft
kunnen worden, ook al
werd dit niet voorzien.
5) Noodzaak tot
terughoudendheid
Het criterium
van het belang van het kind
is een argument tot
terughoudendheid. Het
behoort tot de bijzondere
moeilijke taak van de
rechter om uit te maken of
het belang van het kind een
aanpassing van de initieel
afgesproken bijdrage kan
verantwoorden. De rechter
mag hierbij niet lichtzinnig
oordelen. Ingeval in de
oorspronkelijke overeenkomst
een lage bijdrage bedongen
werd en hieromtrent tijdens
de procedure geen
opmerkingen gemaakt werden
door het Openbaar Ministerie
of rechtbank, mag een
wijzigingsverzoek dat kort
na de echtscheiding
ingediend wordt, niet zonder
meer worden ingewilligd. Er
moet aangetoond worden dat
het belang van het kind in
de korte tijdspanne tussen
de uitspraak en het verzoek
in het gedrang is gekomen.
Wanneer dit niet het geval
is, mag de initiële bijdrage
niet gewijzigd worden.
Zoniet wordt een
onverantwoorde inbreuk
gepleegd op de
rechtszekerheid.
De
terughoudendheid die men van
de rechter mag verwachten,
betekent niet dat de rechter
zich soepel moet opstellen
ten aanzien van de door de
ouders te verstrekken
gegevens. Bij de beoordeling
van een wijzigingsverzoek na
echtscheiding botst de
rechter vaak op de
onmogelijkheid of onwil van
de partijen om de gegevens
waar zij rekening hebben
gehouden bij de initiële
begroting van de bijdrage
mee te delen. Hetzelfde
geldt voor hun actuele
inkomsten en uitgaven.
-
Voor het eerste probleem
kan een oplossing
gevonden worden door
opname van de
basisgegevens in de
voorafgaande
overeenkomsten.
-
Voor het tweede probleem
bestaat in het recht
geen afdoende oplossing
behoudens een
tussenvonnis bij
toepassing van art. 871
of 877 Ger. W. en de
grote persoonlijke
overredingskracht van de
rechter.
3. Echtscheiding op grond
van feitelijke scheiding
Beide
echtgenoten dienen bij te
dragen in de kosten van
onderhoud, opvoeding en
passende opleiding van hun
kinderen.
De
jeugdrechtbank stelt een
vonnis op waarin staat wie
van de ouders het hoederecht
krijgt van het kind en wie
er onderhoudsgeld moet
betalen.
DEEL 3 : Het voorschot op
onderhoudsgeld
1. Inleiding
Het voorschot
op onderhoudsgeld voor
kinderen staat beschreven in
de wet van 8 mei 1989.
Hierdoor kreeg het O.C.M.W.
twee extra taken
toevertrouwd:
·
Aan de ene
kant het verschaffen van
voorschotten op
onderhoudsgeld dat niet
effectief werd betaald;
·
Aan de andere
kant het invorderen van
onderhoudsgelden in naam van
de onderhoudsgerechtigden
bij de onwillige
onderhoudsplichtige. (art.
68 bis, § 1 O.C.M.W. – wet)
Nadere
uitvoeringsbepalingen werden
gesteld in de K.B.’s van 14
augustus 1989
en van 22 augustus 1989.
De regeling
werd beperkt tot
onderhoudsgeld voor kinderen
van personen met een zeer
laag inkomen, omdat het
onderhoudsgeld voor hen van
vitaal belang is en
gerechtelijke procedures
onhaalbaar. De
maatschappelijk uiterst
kwetsbare groep van de
alleenstaanden met kinderen
diende uit de nood geholpen
te worden.
De federale
regering had een wijziging
van deze wet aangekondigd,
die al zou ingaan op
01/09/2003. Maar deze
wijziging is voorlopig
uitgesteld tot 01/09/2004.
2. Wie heeft recht op een
voorschot?
a)Ieder kind
dat minderjarig is en dus
jonger dan 18 jaar of ieder
kind dat meerderjarig is
en kinderbijslag geniet
tot 25 jaar. Hier speelt de
nationaliteit geen rol.
Het voorschot
wordt betaald aan de
wettelijke
vertegenwoordiger, die de
goederen van het minderjarig
kind beheert.
Deze
vertegenwoordiger moet aan
een aantal voorwaarden
voldoen:
-
zijn
verblijfplaats moet in
België zijn;
-
zijn
bestaansmiddelen mogen
niet hoger zijn dan €
11.544,09 per jaar (op
01/06/2003), of als zijn
bestaansmiddelen dat
bedrag vanaf 1 april
1998 met minder dan 15 %
overschrijden.
Enkel het
jaarinkomen van volgende
personen komen in
aanmerking:
-
de
bestaansmiddelen van de
ouder die geen
onderhoudsgeld moet
betalen, gecumuleerd met
de eventuele
bestaansmiddelen van het
kind;
-
enkel de
bestaansmiddelen van het
kind, wanneer het
meerjarig is en niet bij
de
niet-onderhoudsplichtige
ouder woont.
De
bestaansmiddelen worden op
dezelfde manier berekend als
het leefloon, d.w.z. alle
netto bestaansmiddelen
waarover men effectief
beschikt, behalve de
vastgestelde uitzonderingen
(vb: er wordt
geen rekening gehouden met
de kinderbijslag, behalve
wanneer het kind die
uitkering zelf ontvangt).
Enkele
voorbeelden in geval van
overschrijdingen met minder
dan 15 % van de maximale
bestaansmiddelen:
-
Indien de
bestaansmiddelen €
11.900,00 bedragen,
overschrijden deze het
maximaal bedrag van de
bestaansmiddelen met
5,14 % : het maandelijks
bedrag van de
voorschotten zal
verminderd worden met 5
%.
-
Indien de
bestaansmiddelen €
12.290,05 bedragen,
overschrijden deze het
maximaal bedrag van de
bestaansmiddelen met
8,58 % : het maandelijks
bedrag van de
voorschotten zal
verminderd worden met 9
%.
-
Indien de
bestaansmiddelen €
13.500,00 bedragen,
overschrijden deze het
maximaal bedrag van de
bestaansmiddelen met
19,28 % : er is geen
recht op voorschotten.
b)Ieder kind
-
dat recht
heeft op onderhoudsgeld:
ü
ten laste van
zijn vader, moeder of
onderhoudsplichtige man
tegenover wie zijn
afstamming van vaderszijde
niet vaststaat;
ü
ongeacht of
de onderhoudsplichtige in
België of in het buitenland
verblijft (bekend of
onbekend adres), krachtens
een voorlopige of
definitieve uitspraak die
uitvoerbaar is of krachtens
een overeenkomst voorafgaand
aan de echtscheiding of de
scheiding van tafel en bed
van de ouders door
onderlinge toestemming, na
inschrijving in de registers
van de burgerlijke stand.
-
en dat
het onderhoudsgeld niet
of slechts gedeeltelijk
heeft ontvangen:
ü
gedurende ten
minste twee al dan niet
opeenvolgende termijnen in
de loop van de 12 maanden
die de aanvraag voorafgaan;
ü
het is
voldoende dat het
onderhoudsgeld niet werd
betaald; men moet niet
bewijzen dat men vruchteloze
pogingen heeft ondernomen om
de betaling te bekomen.
3. Bedrag van het
voorschot?
-
Principe: het bedrag
van het verschuldigd
onderhoudsgeld,
aangepast aan het
indexcijfer, als dat bij
rechterlijke uitspraak
aldus werd bepaald, met
een maximum van € 125,00
per maand / per kind.
-
Indien het
onderhoudsgeld
gedeeltelijk werd
betaald: het verschil
tussen het bedrag van
het onderhoudsgeld,
beperkt tot € 125,00 per
maand, en het effectief
ontvangen bedrag, met
een minimum van € 10,00
per maand.
Het O.C.M.W.
kan niet oordelen of
beslissen om een bedrag toe
te kennen dat lager is dan
het verschuldigd bedrag.
1)
Vb: Het
onderhoudsgeld bedraagt €
75,00 per maand en de
onderhoudsplichtige vader of
moeder heeft reeds € 50,00
betaald: het O.C.M.W.
betaalt € 25,00.
Indien de
vader of de moeder reeds €
67,00 betaald heeft, keert
het O.C.M.W. niets uit.
Indien de
maximale bestaansmiddelen
met 5 % worden overschreden,
zal het O.C.M.W. € 23,75
moeten betalen i.p.v. €
25,00.
2)
Vb: Het
onderhoudsgeld bedraagt €
125,00 per maand en de
onderhoudsplichtige vader of
moeder heeft € 15,00
betaald: het O.C.M.W.
betaalt € 110,00.
Indien de
onderhoudsplichtige vader of
moeder reeds € 75,00 heeft
betaald, betaalt het
O.C.M.W. € 50,00.
Indien de
onderhoudsplichtige vader of
moeder reeds € 116,00 heeft
betaald, betaalt het O.C.M.W.
niets uit.
Indien de
maximale bestaansmiddelen
met 9 % overschreden worden,
zal het O.C.M.W. € 100,10
moeten betalen i.p.v. €
110,00 en € 45,50 i.p.v. €
50,00.
4. Welk O.C.M.W.?
In het
algemeen, het O.C.M.W. van
de gemeente waar effectief
verblijft:
-
De vader
of de moeder die geen
onderhoudsgeld
verschuldigd is, indien
hij of zij met het kind
samenwoont;
-
Het kind
zelf, indien het niet
met de bedoelde ouder
samenwoont, m.a.w.:
ü
Indien het
kind alleen woont;
ü
Indien het
samenwoont met een of meer
andere personen dan de ouder
die geen onderhoudsgeld
verschuldigd is.
-
“effectief verblijven”
betekent “zich
gewoonlijk en effectief
bevinden” : het gaat
dus niet noodzakelijk om
de gemeente waar de
betrokkene ingeschreven
is in het bevolkings- of
vreemdelingenregister.
5. Hoe wordt het voorschot
toegekend?
-
Hetzij
door een aanvraag in te
dienen: (men moet de
aanvraag indienen per
kind)
ü
Door zich bij
het O.C.M.W. aan te melden;
ü
Door het
O.C.M.W. aan te schrijven.
-
Hetzij op
eigen initiatief van het
O.C.M.W.
Het O.C.M.W.
moet :
ü
De aanvraag
in een bijzonder register
inschrijven, ondertekend
door de aanvrager;
ü
Een
ontvangstbewijs overhandigen
of sturen aan de aanvrager;
ü
De aanvraag
binnen 3 dagen bezorgen aan
het bevoegde O.C.M.W. indien
het zelf niet, of niet meer,
bevoegd is en de aanvrager
daarvan op de hoogte
brengen.
6. Wie kan een aanvraag
indienen?
Het kind is geen 18 jaar en
is niet ontvoogd
-
In principe, de
wettelijke
vertegenwoordiger van
het kind, zijnde de
vader of de moeder die
het kind effectief onder
zijn bewaring heeft en
die de goederen beheert
of de voogd.
-
Het kind zelf, indien de
wettelijke
vertegenwoordiger nalaat
zijn rechter te doen
gelden.
Het kind is ouder dan 18
jaar en jonger dan 25 jaar
of het kind is minderjarig
en ontvoogd
7. Welke inlichtingen
moeten worden verstrekt?
-
De betaalde en niet –
betaalde
onderhoudsgelden van de
voorafgaande twaalf
maanden en vooral: de
twee niet – betaalde of
gedeeltelijke betaalde
termijnen.
-
De identiteit en de
bestaansmiddelen van:
ü
Het kind
-
De beschrijving van de
bestaansmiddelen
ü
van de niet –
onderhoudsplichtige vader of
moeder, die met het kind
samenwoont;
ü
van het kind, alleen wanneer
het meerderjarig is en niet
met de niet –
onderhoudsplichtige ouder
samenwoont.
-
De identiteit, het adres
en de financiële
toestand van de vader,
de moeder of de persoon
die het onderhoudsgeld
verschuldigd is.
-
De machtiging om de
bestaansmiddelen na te
zien bij de
administratie van
Financiën of bij
overheidsbesturen.
-
Een afschrift van de
rechterlijke uitspraak
waarbij één van de
ouders of een persoon
verplicht wordt tot het
betalen van
onderhoudsgeld;
Of:
-
Een afschrift van de
tussen de ouders
getekende overeenkomst
waarin de
verplichting tot
betaling van een
onderhoudsgeld voor het
kind is vermeld, met het
bewijs van de
inschrijving in de
registers van de
burgerlijke stand van de
echtscheiding of van de
scheiding van tafel en
bed door onderlinge
toestemming.
-
Het O.C.M.W. moet een
onderzoek instellen naar
de bestaansmiddelen van
het kind en van de niet
– onderhoudsplichtige
vader of moeder die met
het kind samenwoont; het
O.C.M.W. kan daartoe
alle nodige inlichtingen
aanvragen bij de
Administratie van
Financiën en elk ander
openbaar bestuur of elke
andere openbare
instelling belast met
een opdracht van
openbaar nut.
-
Het O.C.M.W. moet de
aanvrager horen indien
deze laatste het wenst.
De aanvrager kan zich
laten bijstaan door een
advocaat.
8. Welke beslissing zal het
O.C.M.W. nemen?
-
Het
O.C.M.W. moet uitspraak
doen binnen 30 dagen na
ontvangst van de
aanvraag.
-
Het
O.C.M.W. kan :
ü
De aanvraag
verwerpen omdat men aan één
of meer voorwaarden niet
voldoet;
ü
Een voorschot
toekennen voor een termijn
van onderhoudsgeld;
ü
Een voorschot
toekennen voor verscheidene
vastgestelde en
opeenvolgende termijnen van
onderhoudsgelden.
-
Het
O.C.M.W. moet in zijn
beslissing aan de
onderhoudsgerechtigde
bepalen:
ü
De termijn of
termijnen waarvoor het
voorschot verleent;
ü
Het bedrag
van het toegekende
voorschot;
ü
De datum van
betaling van het voorschot
of van de voorschotten.
-
Het
O.C.M.W. moet die
beslissing (toekenning
of weigering) binnen
acht dagen bij
aangetekend schrijven
aan de
onderhoudsgerechtigde
meedelen. Het O.C.M.W.
moet het adres vermelden
van de arbeidsrechtbank,
waarbij een beroep tegen
de genomen beslissing
kan worden ingesteld.
-
De
beslissing heeft
uitwerking vanaf de
eerste dag van de
termijn waarin het
voorschot werd
aangevraagd.
Vb: Het
onderhoudsgeld voor januari
moet op 1 januari betaald
zijn. Een voorschot op dat
onderhoudsgeld wordt op 15
januari aan het O.C.M.W.
gevraagd. De beslissing van
het O.C.M.W geldt vanaf 1
januari.
-
Nadien
kan het O.C.M.W zijn
beslissing ambtshalve
herzien of op verklaring
van de betrokkene,
indien het kennis heeft
van een nieuw gegeven.
-
Het
O.C.M.W. kan een einde
maken aan zijn
tegemoetkoming:
ü
Indien de
gestelde voorwaarden niet
meer vervuld zijn;
ü
Of indien de
onderhoudsplichtige vader,
moeder of persoon dat
onderhoudsgeld gedurende ten
minste vier opeenvolgende
termijnen, tijdig aan het
O.C.M.W. heeft terugbetaald.
-
De
aanvrager kan, van zijn
kant, afstand doen van
de hulp van het centrum.
Dit geldt vanaf de
termijn die volgt op de
afstand.
Hoe?
ü
Mondeling:
door zich aan te melden bij
het O.C.M.W.
ü
Schriftelijk:
in dat geval zal het O.C.M.W.
de betrokkene oproepen om de
redenen van de afstand te
vernemen.
9. Hoe wordt het voorschot
betaald?
-
Op een vaste datum.
-
Met een postassignatie
die thuis wordt
afgegeven, met een
circulaire cheque of
door overschrijving.
-
Zonder afhouding van
administratiekosten.
10. Aan wie wordt het
voorschot betaald?
-
Het is altijd de
niet-onderhoudsplichtige
ouder die het voorschot
blijft ontvangen, zelfs
als het kind
meerderjarig is. (vb:
uitspraak echtscheiding)
-
Het voorschot wordt aan
het kind zelf betaald,
op voorwaarde dat dit
recht hem bij een nieuwe
rechterlijke uitspraak
wordt toegekend.
-
Aan het kind dat zelf de
aanvraag geldig indient.
11. Hoe kan men in beroep
gaan tegen de beslissing van
het O.C.M.W.?
-
Bij de arbeidsrechtbank
van de woonplaats van de
betrokkene.
-
In hoger beroep bij het
arbeidshof.
12. Het O.C.M.W. moet het
onderhoudsgeld invorderen
Het O.C.M.W.
dat een voorschot heeft
toegekend, is verplicht het
volledige bedrag in te
vorderen dat door de vader,
moeder of andere persoon
verschuldigd is.
12.1
Beperking van de invordering
Het O.C.M.W
mag het onderhoudgeld niet
invorderen indien de
onderhoudsplichtige vader,
moeder of andere persoon:
-
Het
leefloon geniet of als
zijn bestaansmiddelen
lager zijn dan het
leefloon;
-
Na de
invordering, nog slechts
zou beschikken over
bestaansmiddelen die
lager liggen dan het
leefloon waarop hij
volgens zijn categorie
aanspraak zou kunnen
maken.
De wetgever
wilde hiermee vermijden dat
het armoedeprobleem wordt
verschoven van de
onderhoudsgerechtigde naar
de onderhoudsplichtige. Wel
kan het O.C.M.W. de
verleende voorschotten toch
nog invorderen wanneer de
inkomenstoestand van de
nalatige ouder verbetert,
behalve indien inmiddels
voor de desbetreffende
voorschotten de
verjaringstermijn van vijf
jaar is verstreken.
De
onderhoudsplichtige is
inzake de
voorschottenregeling dus
beter af dan in de
gemeenrechtelijke
uitvoeringsprocedures, waar
zijn minimale
bestaansmiddelen niet worden
ontzien: om de
onderhoudsschuldeiser te
beschermen, zijn de beslag –
en overdrachtsbeperkingen
uit de artikelen 1409, 1409
bis en 1410 Ger.W. immers
niet van toepassing wanneer
het beslag wordt gelegd voor
onderhoudsgelden.
12.2 Grenzen
van de rechten van het kind
Indien het
O.C.M.W. een voorschot
verleent, kan het kind de
betaling van het door zijn
vader, moeder of andere
persoon verschuldigde
onderhoudsgeld niet meer
eisen.
Alleen het
O.C.M.W. is daartoe nog
gemachtigd en dit voor de
termijn waarvoor het centrum
een voorschot heeft
toegekend. Het kind kan
alleen achterstallig
onderhoudsgeld eisen dat nog
niet betaald was voordat het
O.C.M.W. de voorschotten
toekende.
12.3
Invordering van het
onderhoudsgeld
-
Als het
O.C.M.W. beslist een
voorschot op een voor
een kind verschuldigd
onderhoudsgeld toe te
kennen, keert het
O.C.M.W. zich binnen 5
werkdagen tegen de
onderhoudsplichtige
ouder of persoon die bij
aangetekende brief wordt
aangemaand om te
betalen.
Dezelfde
brief vermeldt ook dat de
betaling enkel en alleen aan
het O.C.M.W. moet gebeuren
en niet aan het kind of aan
de persoon die zijn goederen
beheert.
De
aangetekende brief vermeldt:
- De termijn
waarvoor een voorschot werd
toegekend, alsook het
bedrag;
- De
administratiekosten (maximum
10 % van het hoofdbedrag);
- De
verwijlintresten (tegen de
wettelijke rentevoet) vanaf
de aanmaning indien de
onderhoudsplichtige niet op
de in de uitspraak of
overeenkomst vastgestelde
datum betaalt.
-
Indien de
onderhoudsgerechtigde
het recht heeft bekomen
om het onderhoudsgeld
rechtstreeks te vorderen
op de inkomsten van de
onderhoudsplichtige
ouder, kan het O.C.M.W.
zich bij aangetekende
schrijven (vb: inhouding
op het loon)
rechtstreeks wenden tot
de persoon die bedoelde
inkomsten betalen
(werkgever,
kinderbijslagfonds,
ziekenfonds,
pensioenfonds,…) om zich
te laten terugbetalen.
-
Het
O.C.M.W. kan alle
nuttige inlichtingen
over de inkomsten van de
onderhoudsplichtige
ouder of persoon
aanvragen, hetzij bij
de belastingscontroleur
of bij de ontvanger van
de Registratie, hetzij
bij ieder ander
overheidsbestuur of
openbare instelling
belast met een taak van
openbar nut (vb:
ziekenfonds).
Het O.C.M.W.
kan ook aan de vrederechter
vragen elke particuliere
persoon te bevelen alle
nodige gegevens mee te delen
over de inkomsten en
goederen van de
onderhoudsplichtige ouder of
persoon (vb: een werkgever).
-
Het
O.C.M.W. kan het dossier
toesturen aan de
Administratie van
Financiën die de
bedragen in de plaats
van het O.C.M.W. zelf
zal invorderen.
-
Binnen de
30 dagen na ontvangst
van de betaling wordt
het verschil tussen het
ingevorderde
onderhoudsgeld en het
voorschot uitgekeerd aan
het kind of aan de
persoon die de goederen
van het kinderen
beheert.
Vb: € 150,00
onderhoudsgeld, waarvan het
voorschot € 125,00 bedraagt.
Het O.C.M.W. zal het aan het
kind nog verschuldigde
bedrag van € 25,00 storten,
zodra de onderhoudsplichtige
het onderhoudsgeld aan het
O.C.M.W. heeft terug
betaald.
ü
Het bedrag
dat overeenstemt met de
gemaakte
administratiekosten;
ü
Het bedrag
van de verwijlintresten;
ü
Het bedrag
dat overeenstemt met het
voorschot.
-
Indien
het O.C.M.W. zijn
tegemoetkoming
beëindigt, deelt het
centrum die beslissing,
bij aangetekend
schrijven mee aan :
ü
Het kind dat
een beroep deed op het
centrum (of zijn wettelijke
vertegenwoordiger);
ü
De
onderhoudsplichtige ouder of
persoon;
ü
Eventueel de
persoon die de inkomsten van
deze ouder betaalt indien
het O.C.M.W. zich
rechtstreeks tot bedoelde
persoon heeft gewend (vb: de
werkgever).
DEEL 4 : De rechtspleging
inzake onderhoudsgelden
Hoofdstuk 1 : Algemeen
1. Situering
Ingeval een
onderhoudsplichtige niet
vrijwillig zijn
onderhoudsplicht voldoet,
kan de onderhoudsgerechtigde
zich tot de bevoegde rechter
wenden om een veroordeling
van de onderhoudsplichtige
te bekomen.
2. Bevoegde rechtbank
In beginsel
is de vrederechter bevoegd
voor onderhoudsgeschillen (art.
591, 7° Ger.W.).
Voor een
aantal specifieke
onderhoudsverbintenissen
zijn andere rechters
bevoegd:
-
Tijdens de
echtscheidingsprocedure
op grond van bepaalde
feiten is de voorzitter
van de rechtbank van
eerste aanleg bevoegd om
in het kader van de
voorlopige maatregelen
een onderhoudsuitkering
toe te staan (art. 1280
Ger.W.).
-
Voor de
onderhoudsvordering van
het buitenhuwelijkse
kind tegen de verwekker
is de voorzitter van de
rechtbank van eerste
aanleg resp. de
burgerlijke rechtbank
bevoegd (art. 338 B.W.).
-
In het kader van de
echtscheidingsprocedure
op grond van bepaalde
feiten is de burgerlijke
rechtbank bevoegd om
uitspraak te doen over
de uitkering die
verschuldigd kan zijn na
echtscheiding. Nadat de
echtscheiding definitief
is geworden, is opnieuw
de vrederechter bevoegd
voor alimentatie tussen
ex – echtgenoten.
-
Ten slotte is de
jeugdrechtbank bevoegd
inzake een
onderhoudsvordering voor
minderjarige kinderen
indien er samenhang is
met een vordering inzake
de uitoefening van het
gezag over de persoon (art.
556 – 565, 2de
lid, 2° Ger.W.).
3. Wijze van uitvoering van
de onderhoudsverbintenis
3.1
Onderhoudsuitkering
Ingeval van
gerechtelijke
verwezenlijking van de
onderhoudsplicht bestaat de
gewone wijze van uitvoering
van de verbintenis in de –
periodieke – betaling van
een geldsom.
De rechter
bepaalt de periodiciteit van
de betalingen; doorgaans
gaat het om maandelijkse
uitkeringen.
Deze
periodieke betaling van een
geldsom noemt met een
onderhoudsuitkering of
onderhoudsgeld.
De rechter
bepaalt vrij de andere
modaliteiten van de
onderhoudsuitkering.
De betaling
van de onderhoudsuitkering
moet gedaan worden op de
woonplaats van de
onderhoudsschuldenaar (art.
1247, 2de lid B.W.),
tenzij de rechter een andere
beslissing genomen had.
Er gebeurt
geen automatische indexering
van de door de rechter
toegekende
onderhoudsuitkering, behalve
in het specifieke geval van
de onderhoudsuitkering na
echtscheiding op grond van
bepaalde feiten (art. 301, §
2 B.W.).
De rechter
kan wel een aanpassing van
het bedrag van de
onderhoudsuitkering aan de
evolutie van het indexcijfer
van de consumptieprijzen (of
van een ander indexcijfer)
bevelen, hetgeen doorgaans
het geval is.
3.2
Uitvoering in natura
In twee
gevallen kan de rechter
uitvoering van de
onderhoudsverbintenis in
natura bevelen:
1)
Ingeval de
onderhoudsplichtige aantoont
dat hij geen
onderhoudsuitkering kan
betalen, kan de rechter, met
inachtneming van de
omstandigheden, bevelen dat
hij zijn
onderhoudsgerechtigd
familielid bij zich in huis
zal nemen en hem aldaar kost
en onderhoud zal verschaffen
(art. 210 B.W.). De
uitvoering in natura kan
worden bevolen ook al biedt
de onderhoudsplichtige die
niet aan.
De rechter beschikt alleen
over deze mogelijkheid met
betrekking tot de
onderhouds-
plicht tussen ouders en niet
– zelfstandige kinderen en
met betrekking tot de
onderhoudsplicht tussen
verwanten en aanverwanten.
In de praktijk komt dit
uiterst
zelden voor.
2)
Ingeval de
ouders door hun (al dan niet
zelfstandig) kind
aangesproken worden voor een
onderhoudsuitkering, kunnen
zij aanbieden hun kind bij
zich in huis te nemen en het
daar kost en onderhoud te
verschaffen, zonder dat zij
moeten aantonen dat zij hun
verplichting niet in geld
kunnen nakomen (art. 211 B.W).
Het kind kan
alleen op grond van ernstige
redenen (vb: zeer slechte
verstandhouding)
het aanbod
van zijn ouders weigeren.
Ook hier heeft de rechter
een grote beoordelingsmarge.
3.3 Omzetting
in kapitaal
In beginsel
bestaat er in het
alimentatierecht geen
mogelijkheid om de door de
onderhoudsplichtige
verschuldigde periodieke
onderhoudsuitkering te
vervangen door de eenmalige
uitbetaling van een
kapitaal.
De wet laat
dit uitzonderlijk wel toe,
nl. met betrekking tot de
uitkering na echtscheiding
op grond van fouten en op
grond van gewone feitelijke
scheiding (art. 301, § 5 B.W).
4. Vatbaarheid voor
wijziging
Een door de
rechter vastgestelde
onderhoudsuitkering of een
opgelegde sommendelegatie
kan in geval van wijzigingen
in de financiële positie van
de onderhoudsplichtige of
van de
onderhoudsgerechtigde, op
elk ogenblik herzien worden.
In functie
van de gewijzigde
omstandigheden kan de
onderhoudsuitkering of de
sommendelegatie verhoogd,
verlaagd of afgeschaft
worden.
Een door de
rechter vastgestelde
onderhoudsuitkering kan
retroactief gewijzigd
(opgeheven, verminderd of
vermeerderd) worden.
De
onderhoudsuitkering ten
laste van een nalatenschap
kan uit de aard der zaak
niet verhoogd, maar alleen
verminderd of opgeheven
worden.
5. Handhavingrecht
5.1 Gedwongen
tenuitvoerlegging
Ingeval een
onderhoudsuitkering werd
toegekend door de rechter,
kan ingeval de
onderhoudsplichtige niet
vrijwillig betaalt, de
onderhoudsgerechtigde
overgaan tot gedwongen
tenuitvoerlegging van het
vonnis of arrest op de
goederen van de
onderhoudsschuldenaar.
De
onderhoudsschuld is een
gewone schuld.
Nochtans zijn
de beperkingen die gelden op
de overdracht en het beslag
van loon en sociale
uitkeringen (art. 1409-1410
Ger.W) niet van toepassing
ingeval de overdracht of het
beslag verricht wordt ten
titel van een
onderhoudsuitkering of van
een sommendelegatie.
(art. 1412, 1ste
lid Ger.W.).
5.2
Strafsancties
De
onderhoudsplichtige die
gedurende meer dan twee
maanden vrijwillig in
gebreke blijft om een door
een in kracht van gewijsde
getreden gerechtelijke
uitspraak toegekende
onderhoudsuitkering te
betalen, begaat het misdrijf
van familieverlating.
Hetzelfde
geldt voor de
onderhoudsplichtige die
vrijwillig nalaat gedurende
meer dan twee maanden de
onderhoudsuitkering te
betalen voor de
gemeenschappelijke kinderen
(en zelfs de conventionele
onderhoudsuitkering tussen
ex – echtgenoten) zoals
bepaald in de
familierechtelijke
overeenkomst voorafgaand aan
de echtscheiding door
onderlinge toestemming (art.
391 bis, 1ste – 2de
lid Sw.).
Ook de
onderhoudsplichtige die zich
vrijwillig onttrekt aan de
gevolgen van een in kracht
van gewijsde getreden
ontvangstmachtiging, begaat
het misdrijf van
familieverlating
(art. 391, 3de
lid Sw.).
Hoofdstuk 2 : De bijzondere
rechtspleging inzake
uitkeringen tot
levensonderhoud
(art. 1320 – 1322 Ger.)
1. Algemeen
De
rechtspleging voorzien in de
artikelen 1320 e.v. Ger.W.
is toepasselijk op alle
vorderingen tot toekenning,
verhoging, verlaging of
afschaffing van de
onderhoudsuitkering. De
vordering tot terugbetaling
van onverschuldigd betaalde
onderhoudsgelden moet
daarentegen worden ingeleid
en behandeld volgens de
gemeenrechtelijke regels.
Ook eventuele geschillen
betreffende de
tenuitvoerlegging van
vonnissen of akten waarin de
onderhoudsverplichting werd
vastgesteld, vallen buiten
het toepassingsgebied van de
bijzondere rechtspleging
inzake de uitkeringen tot
levensonderhoud.
2. De inleiding van de
vordering
2.1 Algemene regel :
Inleiding bij
verzoekschrift
a) Algemeen
De
vorderingen tot toekenning,
wijziging of afschaffing van
de uitkering tot
levensonderhoud kan worden
ingesteld bij een
verzoekschrift (art. 1320
Ger.W.). Het gaat over een
verzoekschrift op
tegenspraak, zodat de
artikelen 1034 bis tot 1034
sexies Ger.W. cumulatief
moeten worden toegepast, in
zoverre de artikelen 1320
tot 1322 Ger.W. van deze
bepalingen niet afwijken.
In afwijking
van art. 1034 quinqies Ger.W.
moet het verzoekschrift door
de eiser persoonlijk of door
zijn advocaat aan de rechter
worden voorgelegd (art. 1320
in fine Ger.W.). De
persoonlijke overhandiging
is niet voorgeschreven op
straffe van nietigheid,
zodat deze sanctie niet kan
worden uitgesproken (art.
860,1ste lid
Ger.W.).
b) Vereisten
waaraan het verzoekschrift
moet voldoen
Het
inleidende verzoekschrift
moet op straffe van
nietigheid de vermeldingen
bevatten die worden opgesomd
in art. 1034 ter Ger.W.
Eveneens op
straffe van nietigheid moet
bij dit verzoekschrift een
getuigschrift van woonst
worden gevoegd van de
personen die moeten worden
opgeroepen (art. 1034 quater
Ger.W.).
2.2 Mogelijkheid om de
vordering op een andere
wijze in te leiden
a) Bij
dagvaarding
De meerkost
van de dagvaarding mag
evenwel niet zonder meer ten
laste worden gelegd van de
verwerende partij. Op de
procespartijen rust immers
de verplichting om zich te
onthouden van nutteloze
gerechtskosten. Aangezien
art. 1320 Ger.W. toelaat om
de onderhoudsvordering in te
leiden bij verzoekschrift,
mag de eisende partij niet
zonder gegronde reden kiezen
voor een dagvaarding. Op
grond van artikel 1017, 1ste
lid Ger.W. en art. 1382 B.W.
kan de eisende partij dan
ook in voorkomend geval
worden verwezen in de
overbodige
dagvaardingskosten, zelfs
indien zij volledig in het
gelijk werd gesteld.
b) Bij
vrijwillige verschijning
Het
verzoekschrift kan
vanzelfsprekend ook steeds
worden vervangen door een
vrijwillige verschijning (art.
706 Ger.W.).
3. Behandeling van de zaak
en de uitspraak
3.1 De oproeping
a) De wijze
De rechter
bepaalt een zitting waartoe
de griffier de verweerder
binnen de gewone termijn van
verschijning bij
gerechtsbrief oproept. Dit
is het geval wanneer het
verzoek kennelijk ongegrond
is.
De oproeping
vermeld de naam, voornaam,
het beroep en de woonplaats
van de eiser, het onderwerp
en het bedrag van de
vordering (art. 1321 Ger.W.).
Deze
vermeldingen zijn niet
voorgeschreven op straffe
van nietigheid, zodat het
ontbreken van vb. de
identiteitsgegevens van de
eiser, of het bedrag van de
vordering niet kan leiden
tot de nietigheid van de
oproeping.
b) De termijn
De verweerder
wordt bij gerechtsbrief
opgeroepen binnen de gewone
termijn van dagvaarding (art.
1321 Ger.W.). Deze termijn
bedraagt 8 dagen (art. 707
Ger.W.) en wordt berekend
volgend de artikelen 52 en
53 Ger.W.
De gewone
termijn van dagvaarding is
een wachttermijn, zodat de
verweerder niet verplicht
kan worden om te verschijnen
voor het verschijnen ervan.
Het is met andere woorden
vereist dat er vanaf de dag
na de verzending van de
gerechtsbrief ten minste 8
dagen verstreken zijn vóór
de zitting waarop de
verweerder moet verschijnen.
Bijgevolg kan de zitting
waartoe de verweerder wordt
opgeroepen, slechts ten
vroegste worden bepaald op
de negende dag na de
verzending van de
gerechtsbrief.
De termijn
van dagvaarding is
voorgeschreven op straffe
van nietigheid, die door de
verwerende partij zelfs kan
worden opgeworpen zonder dat
enige belangenschade moet
worden aangetoond (art. 710
j° 862, § 2, 1° Ger.W.).
3.2 De toepassing van de
gewone regels betreffende
het geding
Voor het
overige zijn de
gemeenrechtelijke regels van
het geding van toepassing op
de procedure inzake de
uitkeringen tot
levensonderhoud (art. 1322
Ger.W.). Zo beschikken de
partijen over de gewone
termijnen om te besluiten.
De behandeling gebeurt in
openbare zitting.
Wat de
veroordeling tot de
gerechtskosten betreft,
dient te worden gewezen op
art. 1017, 3de
lid Ger.W. dat bepaalt dat
de gerechtskosten kunnen
worden omgeslagen over de
echtgenoten, bloedverwanten
in de opgaande lijn, broers
en zussen of aanverwanten in
dezelfde graad zoals de
rechter het raadzaam
oordeelt. Deze bepaling kan
bij uitstek worden toegepast
in geschillen omtrent
onderhoudsuitkeringen tussen
de genoemde personen.
3.3 Geen uitvoerbaarheid bij
voorraad
De vonnissen
of arresten die worden
gewezen in het kader van de
bijzondere procedure inzake
de uitkeringen tot
levensonderhoud zijn niet
van rechtswege uitvoerbaar
bij voorraad. Noch de
artikelen 1320 e.v. Ger.W.,
noch de gemeenrechtelijke
bepalingen inzake het
tegensprekelijk
verzoekschrift wijken af van
de gewone beginselen inzake
de uitvoerbaarheid.
De
veroordeling tot betaling
van een onderhoudsgeld kan
bijgevolg slechts worden ten
uitvoer gelegd nadat het
vonnis of arrest in kracht
van gewijsde is getreden (art.
1495, 2de lid
Ger.W.). Aangezien de
rechter de uitvoerbaarheid
bij voorraad slechts mag
bevelen op uitdrukkelijke
vordering van één van de
partijen, dient de raadsman
van de onderhoudsschuldeiser
hieraan bijzondere aandacht
te besteden om elke
vertraging in de uitvoering
van het alimentatievonnis te
proberen te vermijden.
4. De rechtsmiddelen
4.1
De termijnen voor verzet,
hoger beroep en voorziening
in cassatie
De termijnen
van hoger beroep of verzet
bedragen één maand vanaf de
betekening van het vonnis.
Deze termijnen kunnen
overeenkomstig art. 50, 2de
lid Ger.W. worden verlengd
indien zij binnen de
gerechtelijke vakantie
beginnen te lopen en ook
verstrijken.
De
cassatietermijn bedraagt
drie maanden en begint te
lopen vanaf de betekening
van het vonnis. Uit de
artikelen 1320 en 1321 Ger.W.
kan immers geen impliciete
afwijking van art. 1073
Ger.W. worden afgeleid.
4.2 Verzet
Omdat de
artikelen 1320-1322 Ger.W.
geen afwijking inhouden van
art. 1047, 1ste
lid Ger.W., is verzet
mogelijk tegen een
verstekvonnis.
Het verzet
mag niet worden ingeleid bij
verzoekschrift, maar bij
dagvaarding (art. 1322 j°
1047, 2de lid
Ger.W.).
4.3
Hoger beroep
Het hoger
beroep tegen een vonnis dat
inzake onderhoudsgelden in
eerste aanleg is gewezen,
wordt ingeleid en behandeld
volgens de gemeenrechtelijke
regels.
4.4
Voorziening
in cassatie
Ook op de
voorziening in cassatie zijn
de normale regels van het
geding van toepassing.
Hoofdstuk 3 : De
procesrechtelijke aspecten
van de vordering tot
levensonderhoud tegen
de verwekker
1. Algemeen
De
procedureregels van art.
1320 e.v. Ger.W. zijn ook
van toepassing op de
geschillen betreffende de
onderhoudsvordering tegen de
vermoedelijke verwekker.
2. De oorspronkelijke
vaststelling van de
onderhoudsuitkering
Bij de
oorspronkelijke vaststelling
van de onderhoudsuitkering
verloopt de rechtspleging in
volgende fase:
De fase tot
minnelijke schikking wordt
ingeleid bij verzoekschrift
dat een beknopte weergave
van de feiten bevat en wordt
vergezeld van de eventuele
bewijsstukken (art. 338, §1,
1ste lid B.W.).
-
In elk geval dient bij
het verzoekschrift een
afschrift van de
geboorteakte van het
kind te worden gevoegd,
ook een getuigschrift
van woonplaats van de
verwerende man (art.
1034 quater Ger.W.).
-
De partijen worden bij
gerechtsbrief opgeroepen
om te verschijnen in
raadkamer voor de
voorzitter van de
rechtbank op een dan en
uur die de voorzitter
bepaalt (art. 338, § 1,
2de lid B.W.).
Deze oproeping gebeurt
volgens art. 1034 sexies
en 1321 Ger.W. Dit houdt
onder meer in dat de
gewone termijn van
dagvaarding in acht moet
worden genomen.
-
Indien de verweerder op
de verzoeningszitting
het bestaan erkent van
de geslachtsgemeenschap
die tot grondslag dient
van de vordering en de
partijen het eens zijn
over het bedrag van de
uitkering, wordt hier
een proces – verbaal van
opgesteld (art. 338, §
2, 1ste lid
Ger.W.).
-
Zijn de partijen het
niet eens of verschijnen
zij niet, geeft de
voorzitter een
beschikking waarbij hij
de partijen naar de
rechtbank verwijst (art.
338, §2, 2de
lid Ger.W.)
3. De wijziging van de
onderhoudsuitkering
Ook deze
vordering kan volgens art.
1320 Ger.W. worden ingeleid
bij tegensprekelijk
verzoekschrift.
De voorafgaande fase voor de
voorzitter moet niet meer
gevolgd worden. De vordering
tot wijziging wordt
onmiddellijk aanhangig
gemaakt bij de burgerlijke
rechtbank.
Hoofdstuk 4 : De
procesrechtelijke aspecten
van de onderhoudsvorderingen
tegen de nalatenschap
De
vorderingen tot
levensonderhoud ten laste
van de nalatenschap moeten
worden gevorderd binnen het
jaar na het overlijden (art.
205 bis, § 5 B.W.).
Het gaat om
een vervaltermijn,
waarbinnen de vordering in
rechte moet zijn ingesteld.
De termijn van één jaar is
dus niet vatbaar voor
schorsing of stuiting. Enkel
in geval van overmacht kan
hij worden verlengd.
De
vervaltermijn van één jaar
geldt ook niet voor de
onderhoudsvordering van de
pupil tegen de nalatenschap
van de pleegvoogd, noch voor
de onderhoudsvordering tegen
de nalatenschap van de
verwekker.
Voor het
overige gelden de
procedureregels van art.
1320 e.v. Ger.W. Dit
betekent dat de
onderhoudsvorderingen tegen
de nalatenschap kunnen
worden ingeleid bij
tegensprekelijk
verzoekschrift.
Hoofdstuk 5:
Sommendelegatie
1. Toepassingsgevallen
De
sommendelegatie (=
inkomensdelegatie) is
mogelijk ten aanzien van de
beschikkingen en vonnissen
met betrekking tot de
verplichtingen die
voortvloeien uit:
1)
Artikel 203
B.W.:
·
De
verplichting tot
levensonderhoud, opvoeding
en passende opleiding van de
ouders;
·
De
verplichting van de
langstlevende echtgenoot ten
aanzien van de kinderen van
de vooroverleden echtgenoot;
2)
Artikel 205
B.W.: het levensonderhoud
verschuldigd door kinderen
aan hun ouders en andere
bloedverwanten in opgaande
lijn;
3)
Artikel 207
B.W.: de wederkerige
algemene verplichting van
levensonderhoud verschuldigd
door de ouders en
bloedverwanten in opgaande
lijn aan hun kinderen en
kleinkinderen;
4)
Artikel 336
B.W.: de uitkering voor
levensonderhoud, opvoeding
en passende opleiding
toegekend aan het kind wiens
afstamming van vaderszijde
niet vaststaat ten laste van
degene die gedurende het
wettelijk tijdvak van de
verwekking met zijn moeder
gemeenschap heeft gehad;
2. De aard
De
sommendelegatie is een
lastgeving via gerechtelijke
weg: de rechter verleent aan
de begunstigde het recht om
de inkomsten van de
schuldenaar en alle andere
geldsommen die aan deze
laatste toekomen te
ontvangen.
Omdat een
sommendelegatie ten voordele
van de delegataris geen
schuldvordering doet
ontstaan, kan er van
achterstallige schulden geen
sprake zijn.
Een
sommendelegatie kan niet met
terugwerkende kracht, voor
het verleden, verleend
worden, maar alleen voor de
toekomst.
De
sommendelegatie is een
uitvoeringsmodaliteit en kan
dus cumulatief met de
onderhoudsuitkering
uitgesproken worden bij
toepassing van de artikelen
301 bis B.W. en 1280, 5de
lid Ger.W.
3. Het voorwerp
Deze
maatregel kan betrekking
hebben op:
1)
De inkomsten
van de delegataris:
beroepsinkomen,
loonvervangende inkomsten
zoals pensioen,
werkloosheidsuitkeringen,
vergoedingen wegens
verbreking van
arbeidsovereenkomsten,
vergoedingen wegens
arbeidsongeschiktheid;
2)
De inkomsten
uit goederen en rekeningen:
huishuren, interesten van
spaarinleggen en opbrengsten
van aandelen en obligaties;
3)
Of iedere hem
verschuldigde geldsom:
hieronder vallen zowel
periodieke uitkeringen als
kapitalen, toekomstige als
tegenwoordige
schuldvorderingen,
vergoedingen en belegde
geldsommen
4. De procedure
De
vordering wordt ingeleid bij
verzoekschrift. Voor de
vrederechter kan dat verzoek
mondeling gedaan worden: in
dat geval wordt er een
proces – verbaal van
opgemaakt door de griffier.
De bepalingen van de
artikelen 1026 tot 1034
Ger.W. zijn van toepassing:
dit zijn de bepalingen van
de rechtspleging op
eenzijdig verzoekschrift die
eigenlijk behoren tot de
willige rechtspraak.
De rechter
doet de partijen door de
griffier oproepen in
raadkamer. De oproeping
gebeurt bij aangetekende
gerechtsbrief (art. 1028
Ger.W.) om zekerheid te
hebben omtrent het bereiken
van de procesvoerende
partijen. De verzoeker moet
een getuigschrift van
woonplaats overleggen. In de
oproeping wordt het voorwerp
van de betwisting kenbaar
gemaakt. De rechter doet een
poging zodat de partijen
zich met elkaar zouden
verzoenen:
-
Wordt er een akkoord
bereikt bij de
verzoening, dan wordt
dit vastgesteld door de
rechter in een
beschikking en niet in
een proces – verbaal.
-
Bij ontstentenis van
akkoord wordt de
beschikking – vonnis
gewezen binnen de 15
dagen na de indiening
van het verzoek; met die
termijn beklemtoont de
wetgever het spoedeisend
karakter van de
beschikking. Niet –
naleving ervan wordt
niet gesanctioneerd. Dit
zal moeilijker zijn
omdat de griffier de
termijn van verschijning
van 8 dagen (art. 780
Ger.W) in acht moet
nemen.
-
De griffier geeft kennis
van de beschikking aan
de partijen binnen de 3
dagen (art. 1253 quater
b en artikel 1030 Ger.W.).
Aan de derde geeft hij
er slechts kennis aan
ingeval de eiser dit
wilt.
-
De kennisgeving aan een
derde – schuldenaar
vermeldt naast zijn naam
wat deze moet betalen.
De derde – schuldenaar
die niettegenstaande de
kennisgeving toch aan de
echtgenoot – verweerder
de sommen betaalt die
het voorwerp zijn van de
delegatie is hiervoor
niet bevoegd: deze
betaling is de
echtgenoot – eiser niet
tegenstelbaar zodat de
derde – schuldenaar tot
een nieuwe betaling moet
overgaan, met mogelijk
verhaal op de echtgenoot
– verweerder.
5. De rechtsmiddelen tegen
deze beschikking
Overeenkomstig
artikel 1029, 2de
lid Ger.W. is de beschikking
in regel uitvoerbaar bij
voorraad, niettegenstaande
verzet of beroep:
1)
Indien de
beschikking bij verstek is
gewezen, kan de partij die
niet verschenen is binnen
een maand na kennisgeving
door de gerechtsbrief verzet
doen bij verzoekschrift
ingediend ter griffie van de
rechtbank die de beschikking
heeft gewezen.
2)
De
beschikking is vatbaar voor
hoger beroep ongeacht het
bedrag van de eis. Het
beroep wordt bij
verzoekschrift ingesteld
binnen een maand na
kennisgeving. Door het
beroep wordt het geheel van
de situatie opnieuw
overlegd. In beroep moeten
dezelfde bijzonder
procesvormen gevolgd worden.
3)
Elk van de
echtgenoten kan altijd
wijziging of intrekking
vorderen van de beschikking,
het vonnis of het arrest.
Die wijziging of de
intrekking kan gevraagd
worden wegens de verandering
van de geldelijke situatie
van de ene of de andere
partij of van beide doch ook
op grond van de gewijzigde
persoonlijke verhoudingen.
4)
Derdenverzet
is mogelijk.
6. De informatie van de
rechter
Een bijzonder
regeling voor de informatie
van de rechter wordt
vastgesteld in art. 1253
quinquies Ger.W.
De
bijzondere aspecten zijn:
1)
De rechter
moet in zijn beschikking het
bedrag van de machtiging, de
voorwaarden en grenzen
waaronder hij ze toestaat
vaststellen. In het gemeen
recht moet de eiser de
juistheid van het gevorderde
bedrag bewijzen. Dit is vaak
moeilijk. Daarom heeft de
wetgever een initiatiefrecht
aan de rechter gegeven. Het
geeft de rechter de
mogelijkheid om zelf de
inlichtingen te doen
overleggen die hem moeten
toelaten met kennis van
zaken te oordelen over de
eis tot machtiging. De
partijen moeten, op vraag
van de rechter, alle
inlichtingen verstrekken
waaruit het bedrag van hun
inkomsten en
schuldvorderingen kan
blijken. Op deze
verplichting staat geen
andere sanctie, dan deze van
het gemeen recht ten aanzien
van de eiser, nl. de niet –
toewijzing van zijn eis.
Deze
verplichting tot informatie
wordt uitgebreid tot de
derden. Met derden wordt
bedoeld: alle personen die
inlichtingen kunnen
verstrekken waaruit het
bedrag van de inkomsten en
schuldvorderingen van de
betrokkenen kan blijken. De
inlichtingen die gegeven
werden door de derden,
werden schriftelijk
meegedeeld aan de rechter.
2)
Indien de
derde geen gevolg geeft aan
de vordering van de rechter
of lijken de verstrekte
inlichtingen onvolledig of
onjuist, dan kan de rechter
de derde bevelen om te
verschijnen op de dag die
hij bepaald. De griffier
roept de derde dan op bij
gerechtsbrief en voegt bij
de oproepingsbrief een
afschrift van het vonnis. In
de oproepingsbrief wordt de
tekst van art. 1253
quinquies, 2de
lid, eerste volzin Ger.W.
opgenomen, dit met
betrekking tot de sancties
van art. 926 Ger.W. Deze
sancties kunnen worden
toegepast op de derde die
niet verschijnt of weigert
om de gevraagde inlichtingen
te verschaffen. De derde die
dus opgeroepen wordt is geen
getuige naar gemeen recht.
7. De samenloop van
delegaties en beslagen
Het is
aangewezen dat de rechter
bij wie een vordering tot
delegatie is ingeleid, op de
hoogte is van alle
alimentatieverplichtingen:
alle rechthebbenden op
delegaties en beslagen
moeten bij de zaak worden
betrokken. De
alimentatieplichtige zal
alle rechthebbenden op
levensonderhoud die geen
delegatie hebben verkregen
en geen beslag hebben laten
leggen bij de zaak moeten
betrekken. De berichten van
derdenbeslag worden
gecentraliseerd bij de
griffie van de rechtbank van
eerste aanleg van de
woonplaats van de
alimentatieplichtige.
Zo kan de
griffier van de rechtbank
die over de delegatie
uitspraak moet doen, de
andere
alimentatiegerechtigden
oproepen, zonder de
procedure te vertragen.
De rechter
die over de delegatie
uitspraak moet doen, regelt
indien nodig de verdeling
tussen de onderhoudseisers.
Besluit
Het begrip
onderhoudsgeld is niet zo
eenvoudig zoals de meeste
mensen wel denken, dat heb
ik ook ondervonden bij het
verwezenlijken van dit
eindwerk.
Er zijn
verschillende procedures tot
invordering van
onderhoudsgeld. Deze
procedures hangen af van
verschillende factoren,
zoals het inkomen van de
ouders of de zelfstandigheid
van de kinderen.
Wanneer de
ouders de onderhoudsplicht
respecteren en uitreiken
wanneer ze zijn
overeengekomen is er geen
enkel probleem. Ook wanneer
ze een uitgesproken vonnis
naleven is er geen enkel
probleem. De problemen
beginnen pas wanneer men
zich niet aan die afspraken
houdt. In dat geval komen
juristen tussen beide en
kunnen ze beslag leggen of
inkomensdelegatie toepassen.
Het is dus
het beste dat de ouders zich
gewoon aan de
afspraken/vonnis houden,
want anders komen er nog
gerechtskosten bij en deze
bedragen kunnen serieus hoog
oplopen.
Het bedrag
van het onderhoudsgeld kan
wel gewijzigd worden. Dit is
bv. wanneer één van de
ouders zijn of haar werk
verliest of het inkomen
daalt. Het kan ook wanneer
de kinderen een voortgezette
opleiding willen doen en de
onderhoudsgerechtigde niet
kan voorzien met de bijdrage
die hij voor het moment
krijgt van de
onderhoudsplichtige.
Het is ook
mogelijk dat de ouders
overeenkomen dat de ene
ouder geen onderhoudsgeld
moet betalen, maar dit is
niet aan te raden, want er
zullen toch alleen maar
problemen van komen. Zo kan
de onderhoudsgerechtigde na
een tijd toch onderhoudsgeld
vorderen van de
onderhoudsplichtige terwijl
de onderhoudsplichtige
eigenlijk niks moest
betalen. Ook kan de
onderhoudsgerechtigde al de
bijdragen van voorbije jaren
(wanneer hij alleen heeft
moeten bijdragen voor het
kind) van de
onderhoudsplichtige
terugvorderen. En in feite
kan de onderhoudsplichtige
dit niet weigeren, of er
moeten bepaalde
omstandigheden zijn.
Het kind
heeft recht op voorschotten
op het onderhoudsgeld. (niet
algemeen in bepaalde
omstandigheden) Het
voorschot wordt wel
uitbetaald aan de wettelijke
vertegenwoordiger die de
goederen van het kind
beheert. Deze
vertegenwoordiger moet aan
bepaalde voorwaarden
voldoen. Een belangrijke
voorwaarde is dat het kind
bij hem of haar inwoont.
In het
algemeen is het O.C.M.W. van
de gemeente waar ofwel één
van de ouders woont en het
kind woont bij hem of haar
in, ofwel waar het kind
alleen woont dat de
voorschotten uitbetaald. Er
zijn wel grenzen toegepast:
nl. een minimum van € 10,00
per maand en een maximum van
€ 125,00 per maand.
Wanneer
iemand een aanvraag heeft
ingediend is het O.C.M.W.
verplicht om uitspraak te
doen binnen de 30 dagen na
ontvangst van de aanvraag.
Het heeft de mogelijkheid om
de aanvraag goed te keuren
of te verwerpen.
Literatuurlijst
BAETEMAN, G., Overzicht
van het personen – en
familierecht, Kluwer
Rechtswetenschappen,
1992,730 p.
CAEYMAEX,
J., Handboek der roerende
zekerheden, III dln.,
s.l.,1988.
GERLO,
J., Onderhoudsgelden,
Deurne, Kluwer
Rechtswetenschappen, 1985,
368 p.
KINDERRECHTSWINKELS, De
juridische positie van de
minderjarige, Heule, UGA,
2002, 370 p.
SENAEVE,
P., Compendium van het
personen – familierecht,
Leuven, Acco, 200, 806 p.
-,
Compendium van het personen
– familierecht Boekdeel 2 :
Familierecht, Leuven,
Acco, 1989, 205 p.
- ,
Onderhoudsgelden,
Leuven, Acco, 2001, 443 p.
Woord van
dank
Graag
zou ik een woord van
dank willen richten aan
allen die mij hetzij
rechtstreeks, hetzij
onrechtstreeks geholpen
hebben bij het
verwezenlijken van dit
eindwerk.
Allereerst zou ik al de
mensen willen bedanken
voor de documentatie die
ze mij verschaften en de
goede raad die ze me
gaven bij de
totstandkoming van deze
eindverhandeling.
Daarnaast
gaat mijn waardering uit
naar Dhr. Paul Eyskens,
gerechtsdeurwaarder,
Dhr. Jan Eyskens,
gerechtsdeurwaarder en
Dhr. Peter Segers,
gerechtsdeurwaarder,
daar zij mij de
mogelijkheid hebben
gegeven om de juridische
wereld eens van naderbij
te bekijken.
Vervolgens wil ik alle
mensen bedanken die mij
tijdens mijn stage
begeleid hebben, m.n.
Dhr. Yves Eyskens,
gerechtsdeurwaarder en
al mijn collega’s.
Tevens
wil ik langs deze weg
mijn stagebegeleidster
Mevr. N. Peeters
hartelijk danken voor
haar spontane
medewerking.
Tenslotte
wil ik mijn vriend
bedanken voor zijn
steun, en ook mijn
ouders voor hun steun
maar vooral voor de kans
die ze mij gegeven
hebben om deze studie te
voltooien.
*************************************************************
1)
Hulp en bijstand van de
andere ouder na het
verbreken van het
huwelijkscontract
2)
Onderhoudsbijdrage voor de
opvoeding van de kinderen
3) Enkele wetteksten
4) Verwante artikels
Mathematisch profiel van het
onderhoudsgeld voor kinderen
1)
Hulp en bijstand van de
andere ouder na het
verbreken van het
huwelijkscontract
Bij het huwelijkcontract
zijn echtgenoten tot
samenwoning verplicht
waarbij men elkaar
getrouwheid, hulp en
bijstand heeft toegezegd.
Als de rechter dit
huwelijkscontract ontbind
dan is men dus niet meer
verplicht tot samenwonen of
getrouwheid. Ook de
hulp en bijstand veranderd
bij het beëindigen van dat
contract in die zin dat men
niet meer verplicht is hulp
en bijstand te verlenen bij
de afwas, het wassen van de
onderbroeken, het repareren
van de dakgoot of het vangen
van muizen. Wat wel
door kan lopen bij het
beëindigen van het
huwelijkscontract is de hulp
en bijstand om dezelfde
levensstandaard te behouden
als tijdens het huwelijk
voor een welbepaalde
periode. De
partneralimentatie wordt
hier niet verder besproken.
2)
Onderhoudsbijdrage voor de
opvoeding van de kinderen
Artikel 203 BW bepaald dat:
De ouders dienen naar
evenredigheid van hun
middelen te zorgen voor de
huisvesting, het
levensonderhoud, het
toezicht, de opvoeding en de
opleiding van hun kinderen.
Deze verplichting loopt ook
door nadat de ouders niet
meer samenwonen. De
verplichting eindigt niet
bij de meerderjarigheid van
het kind. Als men het
mag generaliseren zou men
spreekwoordelijk kunnen
zeggen dat de verplichting
eindigt als het op zijn
eigen benen kan staan.
Objectieve elementen voor
het bepalen van de
onderhoudsbijdrage is onder
andere het inkomen. De
rechter zoekt vaak in zijn
dossier naar een kopie van
het meest recente
aanslagbiljet van de
personenbelastingen van
beide ouders.
3)
Enkele wetteksten
HOOFDSTUK V. -
VERPLICHTINGEN DIE UIT
HET HUWELIJK (OF DE
AFSTAMMING) ONTSTAAN.
<W 31-03-1987, art. 31>
Art.
203.
<W 31-03-1987, art. 32>
§ 1. (De ouders dienen
naar evenredigheid van hun
middelen te zorgen voor de
huisvesting, het
levensonderhoud, het
toezicht, de opvoeding en de
opleiding van hun kinderen.).
<W 1995-04-13/37, art. 2,
003; ED : 03-06-1995>
Indien de opleiding niet
voltooid is, loopt de
verplichting door na de
meerderjarigheid van het
kind.
§ 2. De langstlevende
echtgenoot is gehouden tot
de verplichting gesteld in
paragraaf 1 ten aanzien van
de kinderen van de
vooroverleden echtgenoot van
wie hij niet de vader of de
moeder is, binnen de grenzen
van hetgeen hij heeft
verkregen uit de
nalatenschap van de vooroverlevendene en van de
voordelen die deze hem mocht
hebben verleend bij
huwelijkscontract, door
schenking of bij testament.
Art.
203bis.
<Ingevoegd bij W 31-03-1987, art. 33>
Onverminderd de
rechten van het kind kan elk
van de ouders van de andere
ouder diens bijdrage
vorderen in de kosten die
voortvloeien uit artikel
203, § 1.
HOOFDSTUK VI. -
WEDERZIJDSE RECHTEN EN
VERPLICHTINGEN VAN
ECHTGENOTEN.
Art.
213. <W 14-07-1976,
art. 1>
Echtgenoten zijn jegens
elkaar tot samenwoning
verplicht; zij zijn elkaar
getrouwheid, hulp en
bijstand verschuldigd.
Mathematisch profiel van het
onderhoudsgeld voor kinderen
INLEIDING
Beide ouders zijn aan hun
kinderen levensonderhoud,
opvoeding, en een passende
opleiding verschuldigd (
art. 203 B.W. ) Dit blijft
alzo inderdaad, indien de
ouders niet meer samenleven.
De ouder, bij wie het kind
feitelijk verblijft, zal
zijn onderhoudsplicht in
natura vervullen door
doorlopend de kosten en
lasten van het kind te
dragen. De andere ouder is
gehouden zijn bijdrage te
leveren door het betalen van
een onderhoudsgeld voor de
kinderen.
Hoe hoog moet deze bijdrage
zijn ? Art. 203 B.W. bevat
het principe dat beide
ouders bijdragen naar
evenredigheid van hun
middelen. Voor de rest
zwijgt de wet en laat aan de
rechter een ruime
appreciatiebevoegdheid toe.
Dit leidt in de praktijk tot
onbillijke uitspraken ,die
vaak op ongeloof worden
onthaald. Bestaat er dan
geen objektieve manier om
het onderhoudsgeld voor de
kinderen vast te stellen ?
Vele instanties wensen een
schaal van onderhoudsgelden,
zoals trouwens reeds bestaat
in Nederland en Duitsland .
In opdracht van de algemene
directie der sociale zaken
van het ministerie van de
Franse Gemeenschap, werd in
1985 een studie uitgevoerd
omtrent de kostprijs van de
opvoeding van kinderen. Op
basis van de resultaten van
deze studie uitgevoerd
omtrent de kostprijs van de
opvoeding van kinderen.Op
basis van de resultaten van
deze studie , heeft de
auteur ervan, Roland RENARD,
een berekeningsmethode
ontwikkeld om op een
wiskundige manier, gebaseerd
op objektivieve, meetbare
gegevens , het
onderhoudsgeld voor de
kinderen vast te stellen.
Het ontwikkeld model is
blijkbaar dermate
gezaghebbend , dat bepaalde
rechtspraak expliciet en
rechtstreeks van deze
methode gebruik maakt om de
hoogte van het
onderhoudsgeld te bepalen.
Deze bijdrage strekt er toe
de methode van RENARD aan te
passen. Let wel, de methode
is geen wetenschappelijkel
wetmatigheid en zeker geen
juridische norm. Ze is zowel
bedoeld als referentiepunt
voor hen die in de praktijk
met dit probleem te maken
krijgen , zowel ouders in
E.O.T. als rechters. Het is
dan ook verheugend dat de
studie en het model niet
verworden zijn tot een
louter intellectuele
denkoefening , maar in de
praktijk reeds toepassing
hebben gekregen. Zo heeft
het Hof van Beroep te Mons
zich in vele arresten van
destijds rechtsreeks
gebaseerd op het model om in
een concreet geval het
onderhoudsgeld vast te
stellen ( Mons 9 januari
1992 L.L.M.B. 1992, 485 )
Het Hof stelde vast dat ter
zake geen jurisprudentiele
normen bestonden en dat de
bedragen die de partijen
naar voren brachten,
willekeurig en
oncontroleerbaar waren .
Bijgevolg moet men zich
baseren op betrouwbare en
wetenschappelijke studies.
Het model van Renard voldoet
in beginsel aan deze
criteria.
Toch lijkt het gepast om
naast de algemene
goedkeuring waarop het
arrest moet worden onthaald
, enkele nuances te plaatsen
. Vooreerst is er in
Vlaanderen nog een
rechtspraak bepaald, die
expliciet van deze materie
een toepassing maakt. Het
zou ook lichtzinnig en blind
zijn om zich op deze theorie
blindelings te richten. De
auteur van de studie zelf
waarschuwt daarvoor.
Het model biedt geen
wetenschappelijke zekerheid
en is geen juridische norm.
De cijfers van de studie
geven den gemeenschappelijke
kost weer, gerelateerd aan
de leeftijd van kind en het
inkomen van de ouders. Dit
belet niet dat elke concrete
situatie anders is. Bepaalde
omstandigheden kunnen aan
ander bedrag aan
onderhoudsgeld
rechtvaardigen, zoals extra
hoge kosten voor de
gezondheidszorg van het
kind, specifieke scholing
enz.
Het probleem, zoals het Hof
stelt, is dat de ouders de
werkelijke kost van de
kinderen meestal niet kennen
en geen controleerbare
bewijskrachtige gegevens
aanbrengen, waarop hun
aanspraken zijn gevestigd.
Mocht dit wel het geval
zijn, dan moet aan de
moeilijke situatie voorrang
worden verleend boven de
theoretische kostprijs.
4)
Verwante artikels