f4j.be » kostenregeling Bepalen van de onderhoudsbijdrage - onderhoudsverplichting - alimentatie      :: Ga naar  
 

f4j.be home


Bron    
Datum  01/01/07

Bepalen van de onderhoudsbijdrage

Er bestaan meerdere onderhoudsverplichtingen in België. In 2006 hebben diverse politieke partijen een poging ondernomen om de wet inzake (echt)scheiding te humaniseren.  Deze pagina richt zich voornamelijk om een beeld te schetsen omtrent een eventuele onderhoudsverplichting inzake niet zelfstandige kinderen. Men dient dus minstens na te gaan of de wet heden nog van toepassing is

Meer links

       

Inhoudstafel

Mathematisch profiel van het onderhoudsgeld voor kinderen

Bepalen van de onderhoudsbijdrage

Thesis Onderhoudsverplichting tussen ascendenten en descendenten

Met inhoud:

DEEL 1: Onderhoudsplicht  

Hoofdstuk 1 : Algemeen

  • 1.                Begrip                                                                                                                           

  • 2.                Grondslag 

  •       2.1        Wettelijke onderhoudsplicht 

  •       2.2        Conventionele onderhoudsplicht 

  •       2.3        Natuurlijke onderhoudsplicht 

  • Hoofdstuk 2 : De onderhoudsplichtigen 

  • 1.                Onderhoudsplicht binnen het kerngezin  

  • 2.                Onderhoudsplicht binnen de grote familie 

  • 3.                Onderhoudsplicht ten laste van nalatenschappen 

  • 4.                Onderhoudsplicht tussen echtgenoten en ex – echtgenoten

  • Hoofdstuk 3 : Organisatie van de onderhoudsplicht

  •  

  • 1.                Situering  

  • 2.                Voorwerp van de onderhoudsverplichting 

  • 3.                Omvang van de onderhoudsverplichting                     (zie ook de informatie geboden door de Gezinsbond)

  •      3.1         Vanuit de positie van de onderhoudsgerechtigde 

  •           a)       Gemene recht 

  •           b)      Andere gevallen     

  •      3.2         Vanuit de positie van de onderhoudsplichtige 

  •           a)       Gemene recht    

  •           b)      Binnen het kerngezin  

  • 4.                Ontstaan van de onderhoudsverbintenis 

  •      4.1         Gemene recht  

  •      4.2         Binnen het kerngezin 

  • 5.                Excepties 

  •      5.1         Exceptie van schuld van de onderhoudsgerechtigde aan zijn eigen situatie (zie evt. nieuwe wetgeving)

  •      5.2         Exceptie van onwaardigheid       

  •           a)       Beginsel 

  •           b)      Uitzonderingen en nuanceringen  

  • Hoofdstuk 4 : Pluraliteit van onderhoudsplichtigen en onderhoudsgerechtigden 

  • 1.                Pluraliteit van onderhoudsplichtigen  

  • 2.                Pluraliteit van onderhoudsgerechtigden 

  • Hoofdstuk 5 : Verhaal van kosten van onderhoud 

  • 1.                Verhaal van de onderhoudsplichtige op de onderhoudsgerechtigde  

  • 2.                Verhaal van de onderhoudsplichtige op de medeschuldenaar van de onderhoudsverbintenis 

  • 3.                Verhaal van een derde op de onderhoudsplichtige(n)   

  •  

    DEEL 2 : De onderhoudsbijdrage voor de kinderen 

    Hoofdstuk 1 : Wettelijk samenwonenden 

  • 1.                 Algemeen 

  • 2.                 Sancties   

  • 3.                 Einde van de wettelijke samenwonenden  

  • Hoofdstuk 2 : Niet - samenwonenden 

  • 1.                Echtscheiding op grond van bepaalde feiten  

  •      1.1         Sancties 

  •  

  • 2.                Echtscheiding door onderlinge toestemming 

  •      2.1         Onderscheid obligatio - contributio

  •      2.2         Buitengewone uitgaven

  •      2.3         Verzaking

  •      2.4         Uitvoeringsaspecten 

  •           1)      Indexati

  •           2)      Herzieningsclausules 

  •              a)    Eerste herzieningsfactor

  •              b)   Tweede herzieningsfactor 

  •              c)    Derde herzieningsfactor 

  •              d)   Fiscaal vlak

  •              e)    Sociaal – zekerheidsrechtelijk vlak 

  •           3)      Meerderjarigheid van het kind 

  •           4)      Overlijden van de onderhoudsplichtige ouder   

  •      2.5         Wijzigingen tijdens de procedure

  •      2.6         Wijzigingen na echtscheiding 

  •           1)      Probleemstelling 

  •           2)      Wet van 30 juni 1994

  •           3)      Wet van 20 mei 1997 

  •           4)      Het criterium van het belang van het kind 

  •              a)    Eerste argument 

  •              b)   Tweede argument

  •              c)    Derde argument

  •              d)   Vierde argument 

  •           5)      Noodzaak tot terughoudendheid 

  • 3.                Echtscheiding op grond van feitelijke scheiding     

  •  

    DEEL 3 : Het voorschot op onderhoudsgeld 

  • 1.                Inleiding  

  • 2.                Wie heeft recht op een voorschot? 

  • 3.                Bedrag van het voorschot        

  • 4.                Welk O.C.M.W.? 

  • 5.                Hoe wordt het voorschot toegekend? 

  • 6.                Wie kan een aanvraag indienen?   

  • 7.                Welke inlichtingen moeten worden verstrekt?

  • 8.                Welke beslissing zal het O.C.M.W. nemen? 

  • 9.                Hoe wordt het voorschot betaald? 

  • 10.              Aan wie wordt het voorschot betaald? 

  • 11.              Hoe kan met in beroep gaan tegen de beslissing van het O.C.M.W.? 

  • 12.              Het O.C.M.W. moet het onderhoudsgeld invorderen  

  •      12.1       Beperking van de invordering

  •      12.2       Grenzen van de rechten van het kind  

  •      12.3       Invordering van het onderhoudsgeld 

  •  

    DEEL 4 : De rechtspleging inzake onderhoudsgelden 

    Hoofdstuk 1 : Algemeen 

  • 1.                Situering 

  • 2.                Bevoegde rechtbank 

  • 3.                Wijze van uitvoering van de onderhoudsverbintenis

  •      3.1         Onderhoudsuitkering

  •      3.2         Uitvoering in natura

  •      3.3         Omzetting in kapitaal 

  • 4.                Vatbaarheid voor wijziging  

  • 5.                Handhavingrecht

  •      5.1         Gedwongen tenuitvoerlegging

  •       5.2         Strafsancties 

  • Hoofdstuk 2 : De bijzondere rechtspleging inzake uitkeringen tot levensonderhoud 

  • 1.                Algemeen 

  • 2.                De inleiding van de vordering 

  •      2.1         Algemene regel : Inleiding bij verzoekschrift

  •              a)    Algemeen 

  •              b)   Vereisten waar het verzoekschrift moet voldoen

  •       2.2         Mogelijkheid om de vordering op een andere wijze in te leiden

  •              a)    Bij dagvaarding

  •              b)   Bij vrijwillige verschijning 

  • 3.                Behandeling van de zaak en de uitspraak

  •      3.1         De oproeping  

  •              a)    De wijze

  •              b)   De termijn       

  • 3.2     De toepassing van de gewone regels betreffende het geding 

  •      3.3         Geen uitvoerbaarheid bij voorraad   

  • 4.                De rechtsmiddelen 

  •      4.1         De termijnen voor verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie 

  •      4.2         Verzet

  •      4.3         Hoger beroep 

  •      4.4         Voorziening in cassatie

  • Hoofdstuk 3 : De procesrechtelijke aspecten van de vordering tot levensonderhoud tegen de verwekker 

  • 1.                Algemeen  

  • 2.                De oorspronkelijke vaststelling van de onderhoudsuitkering 

  • 3.                De wijziging van de onderhoudsuitkering 

  • Hoofdstuk 4 : De procesrechtelijke aspecten van de onderhoudsvordering tegen de nalatenschap 

    Hoofdstuk 5 : Sommendelegatie 

  • 1.                Toepassingsgevallen  

  • 2.                De aard          

  • 3.                Het voorwerp  

  • 4.                De procedure     

  • 5.                De rechtsmiddelen tegen deze beschikking  

  • 6.                De informatie van de rechter  

  • 7.                De samenloop van delegaties en beslagen 

  •  

    Besluit 

    Literatuurlijst  

    Bijlage

     

     

           

     

     

     

    Mathematisch profiel van het onderhoudsgeld voor kinderen

    INLEIDING  

    Beide ouders zijn aan hun kinderen levensonderhoud, opvoeding, en een passende opleiding verschuldigd ( art. 203 B.W. ) Dit blijft alzo inderdaad, indien de ouders niet meer samenleven. De ouder, bij wie het kind feitelijk verblijft, zal zijn onderhoudsplicht in natura vervullen door doorlopend de kosten en lasten van het kind te dragen. De andere ouder is gehouden zijn bijdrage te leveren door het betalen van een onderhoudsgeld voor de kinderen.

    Hoe hoog moet deze bijdrage zijn ?

    Art. 203 B.W. bevat het principe dat beide ouders bijdragen naar evenredigheid van hun middelen. Voor de rest zwijgt de wet en laat aan de rechter een ruime appreciatiebevoegdheid toe. Dit leidt in de praktijk tot onbillijke uitspraken ,die vaak op ongeloof worden onthaald.

    Bestaat er dan geen objektieve manier om het onderhoudsgeld voor de kinderen vast te stellen ?

    Vele instanties wensen een schaal van onderhoudsgelden, zoals trouwens reeds bestaat in Nederland en Duitsland . In opdracht van de algemene directie der sociale zaken van het ministerie van de Franse Gemeenschap, werd in 1985 een studie uitgevoerd omtrent de kostprijs van de opvoeding van kinderen. Op basis van de resultaten van deze studie uitgevoerd omtrent de kostprijs van de opvoeding van kinderen. Op basis van de resultaten van deze studie , heeft de auteur ervan, Roland RENARD, een berekeningsmethode ontwikkeld om op een wiskundige manier, gebaseerd op objektivieve, meetbare gegevens , het onderhoudsgeld voor de kinderen vast te stellen. Het ontwikkeld model is blijkbaar dermate gezaghebbend , dat bepaalde rechtspraak expliciet en rechtstreeks van deze methode gebruik maakt om de hoogte van het onderhoudsgeld te bepalen.

    Deze bijdrage strekt er toe de methode van RENARD aan te passen.

    Let wel, de methode is geen wetenschappelijkel wetmatigheid en zeker geen juridische norm. Ze is zowel bedoeld als referentiepunt voor hen die in de praktijk met dit probleem te maken krijgen , zowel ouders in E.O.T. als rechters. Het is dan ook verheugend dat de studie en het model niet verworden zijn tot een louter intellectuele denkoefening , maar in de praktijk reeds toepassing hebben gekregen. Zo heeft het Hof van Beroep te Mons zich in vele arresten van destijds rechtsreeks gebaseerd op het model om in een concreet geval het onderhoudsgeld vast te stellen ( Mons 9 januari 1992 L.L.M.B. 1992, 485 ) Het Hof stelde vast dat ter zake geen jurisprudentiele normen bestonden en dat de bedragen die de partijen naar voren brachten, willekeurig en oncontroleerbaar waren . Bijgevolg moet men zich baseren op betrouwbare en wetenschappelijke studies.

    Het model van Renard voldoet in beginsel aan deze criteria. Toch lijkt het gepast om naast de algemene goedkeuring waarop het arrest moet worden onthaald , enkele nuances te plaatsen . Vooreerst is er in Vlaanderen nog een rechtspraak bepaald, die expliciet van deze materie een toepassing maakt. Het zou ook lichtzinnig en blind zijn om zich op deze theorie blindelings te richten. De auteur van de studie zelf waarschuwt daarvoor. Het model biedt geen wetenschappelijke zekerheid en is geen juridische norm.

    De cijfers van de studie geven den gemeenschappelijke kost weer, gerelateerd aan de leeftijd van kind en het inkomen van de ouders. Dit belet niet dat elke concrete situatie anders is. Bepaalde omstandigheden kunnen aan ander bedrag aan onderhoudsgeld rechtvaardigen, zoals extra hoge kosten voor de gezondheidszorg van het kind, specifieke scholing enz. Het probleem, zoals het Hof stelt, is dat de ouders de werkelijke kost van de kinderen meestal niet kennen en geen controleerbare bewijskrachtige gegevens aanbrengen, waarop hun aanspraken zijn gevestigd. Mocht dit wel het geval zijn, dan moet aan de moeilijke situatie voorrang worden verleend boven de theoretische kostprijs.

     

           

     

    Bepalen van de onderhoudsbijdrage

    Er bestaan meerdere onderhoudsverplichtingen in België. In 2006 hebben diverse politieke partijen een poging ondernomen om de wet inzake (echt)scheiding te humaniseren.  Deze pagina richt zich voornamelijk om een beeld te schetsen omtrent een eventuele onderhoudsverplichting inzake niet zelfstandige kinderen.

    De geboden informatie is afkomstig van o.a. onderstaande thesissen/eindwerken in pdf- formaat

    Datum   Type Titel Bron
    30/06/04 pdf Onderhoudsverplichting Van Hooghten I
    30/06/06 pdf Dringende & voorlopige maatregelen bij huwelijksmoeilijkheden  
    30/06/04 pdf Geschillen tussen ouders inzake kinderen  

    Meer informatie omtrent onderhoudsgeld

    Datum   Type Titel Bron
    01/01/07 document Meer informatie over onderhoudsgeld Belgie.be
    01/01/07 document Kinderbijslag kan verdeeld worden bij bilocatie f4j.be
    29/11/06 video Wetsontwerp bilocatie en fiscaliteit Gezinsbond
    08/09/06 document Co-kindergeld als antwoord op co-ouderschap Standaard
    02/12/05 document Wetsvoorstel fiscale behandeling bij bilocatie De Kamer

     

    Des basis van deze uitgebreide pagina is de Thesis

    Onderhoudsverplichting tussen ascendenten en descendenten

    Van Hooghten Inne, KHK 2004 genomen. 

     

    Opmerking: Men dient dus minstens na te gaan of de wet heden nog van toepassing is

    Het verslag van de subcommissie familierecht inzake de nieuwe wet echtscheiding:

    Datum   Type Titel Bron
      pdf Het verslag vd subcommissie familierecht inzake echtscheiding (volgt later) de Kamer

     

           

    Samenvatting van de thesis

    Door mijn stage heb ik de theorie van mijn studies in de praktijk kunnen omzetten en heb ik de mogelijkheid gekregen om een eindwerk te schrijven dat handelt over onderhoudsplicht tussen ascendenten en descendenten.

    Er zijn drie soorten onderhoudsverplichtingen:

    • De wettelijke onderhoudsplicht (= de wet legt een onderhoudsplicht op)
    • De conventionele onderhoudsplicht (= personen komen een onderhoudsplicht overeen)
    • De natuurlijke onderhoudsplicht (= personen op wie de wet geen onderhoudsplicht oplegt)

    Er zijn 4 categorieën onderhoudsplichtigen:

    ·         Onderhoudsplicht binnen het kerngezin (= de ouders zijn verplicht om hun niet – zelfstandige kinderen levensonderhoud, opvoeding en opleiding te verschaffen)

    ·         Onderhoudsplicht binnen de grote familie (= de onderhoudsplicht tussen ouders en zelfstandige kinderen, kinderen ten aanzien van hun ouders, grootouders ten aanzien van hun kleinkinderen,…)

    ·         Onderhoudsplicht ten laste van nalatenschappen (= in sommige gevallen rust er een wettelijke onderhoudsplicht ten behoeve van de overledene)

     Gezien de materie van de onderhoudsplicht zo ruim is heb ik mij beperkt tot de gemeenrechtelijke onderhoudsverplichting en deze ten aanzien van niet – zelfstandige kinderen. De onderhoudsverplichting tussen echtgenoten en ex – echtgenoten wordt niet besproken.

     

    De thesis is onderverdeeld in vier grote delen.

    1 In het eerste deel heb ik de onderhoudsplicht in het algemeen en de gemeenrechtelijke onderhoudsverplichting besproken.

    De onderhoudsplichtige is de persoon op wie de onderhoudsverbintenis rust en de onderhoudsgerechtigde is de persoon die tegenover de andere een onderhoudsafspraak heeft.

    In het gemeenrechtelijk onderhoudsrecht is de onderhoudsplicht een plicht om een onderhoudsuitkering te verschaffen aan de onderhoudsgerechtigde in de vorm van een geldsom. Dit is ook het geval voor de onderhoudsverplichting na echtscheiding, de onderhoudsverplichting ten laste van de verwekker en die ten laste van nalatenschappen.

    De onderhoudsplichtige kan op geen enkele wijze de kosten van onderhoud achteraf verhalen op de onderhoudsgerechtigde. Personen die vrijwillig zijn tussengekomen in het onderhoud, terwijl zij niet onderhoudsplichtig zijn, kunnen de kosten achteraf terugvorderen.

     

    2 Het tweede deel gaat over de onderhoudsbijdrage voor de  kinderen, zowel de minderjarige kinderen als de meerderjarige kinderen. De ouders zijn in het algemeen verplicht om voor de kinderen te zorgen, zolang de kinderen niet zelf van een inkomen kunnen voorzien. Het komt vaak voor dat de ouders overeenkomen dat één van hen zich verzaakt aan de onderhoudsbijdrage, zodat één ouder voor alles moet opdraaien en de andere ouder dus niets moet betalen. De ouder waarvan het inkomen zo sterk verandert is dat hij niet meer in staat is om de bijdrage te betalen, kan de bijdrage terugvorderen van de andere ouder die zich verzaakt heeft.

    3 In het derde deel heb ik mij gericht op de voorschotten van het onderhoudsgeld omdat dit toch een belangrijk onderdeel is van het onderhoudsgeld. Ieder kind dat minderjarig of meerderjarig is en kinderbijslag geniet tot 25 jaar heeft recht op een voorschot. Het voorschot wordt betaald aan de wettelijke vertegenwoordiger die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Het bedrag van het voorschot wordt aangepast aan het indexcijfer en het is afhankelijk van het vonnis dat de bevoegde rechter heeft uitgesproken. Er staat wel een minimum van € 10,00 per maand op en een maximum van € 125,00 per maand. Het O.C.M.W. van de gemeente waar de vader of de moeder die met het kind samenwoont, of de gemeente waar het kind alleen woont, betaalt het voorschot uit. Eerst en vooral moet er een aanvraag worden ingediend en het O.C.M.W. moet binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag uitspraak doen. Het O.C.M.W. heeft dan de keuze om de aanvraag te aanvaarden of te verwerpen.

    4 Indien de onderhoudsplichtige zich niet houdt aan zijn verplichting kan de onderhoudsgerechtigde verzoeken aan de werkgever van de onderhoudsplichtige om het loon niet door te storten aan de onderhoudsplichtige maar onmiddellijk aan zichzelf. Dit wordt dan sommendelegatie genoemd.

     

           

    Lijst van gebruikte afkortingen 

    B.W.      Burgerlijk Wetboek

    Ger.W.   Gerechterlijk Wetboek

    K.B.       Koninklijk Besluit

    Sw.        Strafwetboek

    W.I.B.    Wetboek van Inkomstenbelastingen

     

           

     

    DEEL 1 : Onderhoudsplicht

     

    Hoofdstuk 1 : Algemeen

    1.  Begrip

    Het onderhoudsrecht omvat de privaatrechterlijke onderhoudsafspraken die er bestaan tussen twee personen, waarbij de ene de verplichting heeft om de andere de nodige middelen te verschaffen voor diens levensonderhoud.

    De persoon op wie de onderhoudsverbintenis rust, is de onderhoudsplichtige (of alimentatieplichtige); de persoon die tegenover een ander een onderhoudsafspraak heeft, is de onderhoudsgerechtigde (of alimentatiegerechtigde).

     

           

     

    2.  Grondslag

    We kunnen 3 soorten onderhoudsafspraken – verplichtingen onderscheiden:

    2.1 Wettelijke onderhoudsplicht

    Aan een hele reeks personen legt de wet een onderhoudsplicht op.

    2.2 Conventionele onderhoudsplicht

    Personen kunnen rechtsgeldig een éénzijdige of een wederkerige onderhoudsverbintenis tussen elkaar overeenkomen. Deze persoen zijn al dan niet met elkaar verwant of aanverwant. Tussen deze personen bestaat er geen wettelijke onderhoudsplicht.

    Dergelijke overeenkomst wordt beheerst door de regels van het verbintenissenrecht. Dit houdt in dat de conventionele onderhoudsplicht niet vatbaar is voor eenzijdige herroeping, maar slechts met wederzijds goedvinden gewijzigd kan worden (art. 1134 B.W.).

    Wel kan dergelijke onderhoudsverbintenis, zoals elke verbintenis nietig verklaard worden. Dit is indien zou blijken dat ze in werkelijkheid slechts werd aangegaan met het bedrieglijk inzicht om de rechten van anderen te benadelen[1].

    Een bijzondere toepassing van de conventionele onderhoudsverbintenis is de uitkering na echtscheiding die kan worden overeengekomen in het kader van de familierechtelijke overeenkomst met het oog op een echtscheiding door onderlinge toestemming (art. 1288, 1ste lid, 4 ° Ger.W.).

     

    2.3 Natuurlijke onderhoudsplicht

    Ten aanzien van bepaalde personen op wie geen wettelijke onderhoudsverplichting rust, wordt het bestaan van een natuurlijke verbintenis tot het verschaffen van levensonderhoud aangenomen.

    Het bestaan van een natuurlijke onderhoudsplicht wordt algemeen aanvaard ten aanzien van volgende personen:

  • Tussen broers/ zussen;

  • Ten laste van de genetische ouders.

  • Door de meerderheidsrechtspraak en – rechtsleer wordt niet aanvaard dat er tussen concubanten een natuurlijke onderhoudsverbintenis zou bestaan na hun uiteengaan.

    Daarnaast kan er ook een natuurlijke onderhoudsverplichting rusten op personen die wettelijk onderhoudsplichtigen zijn, in situaties waarin geen beroep kan gedaan worden op hun wettelijke onderhoudsplicht.

    Vb:

    • Ouders ten aanzien van hun kinderen, voor het verschaffen van een stand (art. 204 B.W.) : geen wettelijke plicht[2];
    • Grootouders ten aanzien van hun kleinkinderen, ingeval grootouders vrijwillig tussenkomen hoewel de ouders over voldoende middelen beschikken[3];
    • Kinderen ten aanzien van hun niet – behoeftige maar zieke ouders aan wie ze opvang en steun bezorgen[4].

    Zoals elke natuurlijke verbintenis wordt de natuurlijke onderhoudsverplichting omgezet in een afdwingbare civielrechtelijke onderhoudsverplichting zowel door de vrijwillige uitvoering als door de met kennis van zaken belofte tot uitvoering.

    Hierna wordt uitsluitend over de wettelijke onderhoudsplicht gehandeld.

     

           

     

    Hoofdstuk 2 : De onderhoudsplichtigen

     

    De onderhoudsplichtigen zijn opgesplitst in vier categorieën.

     

    1.  Onderhoudsplicht binnen het kerngezin

    Binnen het kerngezin bestaat volgende onderhoudsverplichting:g:

    Op de ouders rust de plicht om hun niet – zelfstandige kinderen levensonderhoud, opvoeding en een passende opleiding te bezorgen (art 203, § 1 B.W.).

  • De onderhoudsplicht die op de stiefouder rust ten aanzien van zijn stiefkinderen na het overlijden van zijn echtgenoot, ouder van die kinderen (art. 203, § 2 B.W.);
  • De onderhoudsplicht die op de verwekker rust ten aanzien van het door hem verwekte kind nadat tegen hem met succes een procedure op grond van art 336 (en volgende) B.W. is gevoerd;
  • De onderhoudsplicht die op de pleegvoogd rust ten aanzien van zijn pupil (art 475 bis, 1ste lid B.W.).
  •  

           

     

    2. Onderhoudsplicht binnen de grote familie

     

    Buiten het kerngezin bestaan volgende onderhoudsplichten:

    Tussen verwanten in de zijlijn (broers – zussen) bestaat geen wettelijke onderhoudsplicht.

     

           

     

    3.  Onderhoudsplicht ten laste van nalatenschappen

    In bepaalde gevallen rust er een wettelijke onderhoudsverplichting op de nalatenschap ten behoeve van een (gewezen) familielid van de overledene.

    • Ten laste van de nalatenschap van de eerst stervende echtgenoot, ten behoeve van de langstlevende echtgenoot (art. 205 bis,  § 1 B.W.).
    • Ten laste van de nalatenschap van de verwekker van een buitenhuwelijks kind die tijdens zijn leven veroordeeld werd tot een onderhoudsuitkering (art. 339 bis, 1ste lid B.W.);
    • Ten laste van de nalatenschap van de pleegvoogd die staande de pleegvoogdij overlijdt, ten behoeve van zijn pupil (art. 475 quinquies, 2de lid B.W.);
    • Ten laste van de nalatenschap van een gewoon geadopteerde persoon die zonder nakomelingen overleden is, ten behoeve van zijn adoptieve ouder(s)                           (art. 364, 2de lid B.W.);
    • Ten laste van de nalatenschap van een gehuwde persoon die zonder nakomelingen overleden is, ten behoeve van zijn verwanten in de opgaande lijn (ouders, grootouders). Deze onderhoudsverplichting is beperkt tot maximaal hetgeen de ascendenten verliezen aan erfrechten ten gevolge van giften aan de langstlevende echtgenoot (art. 205 bis, § 2 B.W.);

     

           

     

    4.  Onderhoudsplicht tussen echtgenoten en ex - echtgenoten

    Deze wordt hier niet verder behandelt (zie onderaan bij verwante artikels)

     

           

     

    Hoofdstuk 3 : Organisatie van de onderhoudsplicht

    1.  Situering

    Op de onderscheiden categorieën onderhoudsverplichtingen zijn verschillende regels van toepassing. De gemeenrechtelijke regeling van het onderhoudsrecht is dus slechts van toepassing op de onderhoudsverplichting binnen de grote familie. De andere onderhoudsverplichtingen zijn telkens onderworpen aan een afzonderlijk regime, dat nochtans elementen van de gemeenrechtelijke regeling kan bevatten.

     

           

     

    2.  Voorwerp van de onderhoudsverplichting

    In het gemeenrechtelijke onderhoudsrecht is de onderhoudsplicht een plicht om een onderhoudsuitkering te verschaffen aan de onderhoudsgerechtigde (een geldsom).

    Dit geldt eveneens voor de onderhoudsverplichting ten laste van de verwekker en die ten laste van nalatenschappen.

    In het kerngezin daarentegen (ten aanzien van niet – zelfstandige kinderen) schept de onderhoudsplicht in de eerste plaats een verbintenis om te doen, nl. de verplichting om al het nodige te doen om tussen te komen in de levensbehoeften van zijn kinderen en om zijn kinderen een opvoeding en opleiding te verschaffen.

    Slechts ingeval deze verplichting niet in natura kan worden uitgevoerd, wordt zij omgezet in een verbintenis om te geven, in beginsel om een som geld te betalen. 

     

           

     

    3.  Omvang van de onderhoudsverplichting 

    De omvang van de onderhoudsverplichting verschilt van categorie tot categorie. Wel wordt zij in alle gevallen bepaald in functie zowel van de financiële toestand van de onderhoudsgerechtigde als van die van de onderhoudsplichtige.e.

     

    3.1 Vanuit de positie van de onderhoudsgerechtigde 

    a) Gemene recht 

    In het gemeenrechtelijke onderhoudsrecht bestaat de verplichting om tussen te komen in het onderhoud van de onderhoudsgerechtigde slecht voor zover deze behoeftig is, d.w.z. niet over het levensnoodzakelijke beschikt (art 205 en 208 B.W.). 

    Onder het levensnoodzakelijke wordt verstaan hetgeen minimaal nodig is voor huisvesting, voeding, kleding, medische verzorging, … Niet alleen de noden van de onderhoudsgerechtigde zelf, maar ook die van de leden van zijn gezin (echtgenoot en afhankelijke kinderen) worden hierbij in acht genomenen[5] Om vast te stellen of de onderhoudsgerechtigde niet over het levensnoodzakelijke beschikt, wordt rekening gehouden met zijn inkomsten, van welke aard ook (uit arbeid, uit kapitaal, giften van derden), alsook met zijn mogelijkheden, met name om inkomsten uit arbeid te verwerven. 

    De onderhoudsplicht houdt dan, in het gemene recht, de verplichting in om de onderhoudsgerechtigde het levensminimum te verschaffen. De onderhoudsplichtige is er dus niet toe gehouden om de onderhoudsgerechtigde te laten delen in zijn eigen levensstandaard. 

    Ook bij gevallen van onderhoudsplicht ten laste van nalatenschappen kan de onderhoudsgerechtigde slechts aanspraak maken op het levensnoodzakelijke. 

    b) Andere gevallen 

    In alle andere gevallen zijn de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde geenszins beperkt tot het levensnoodzakelijke.

    Ten aanzien van de niet – zelfstandige kinderen geldt dat de ouders ze dienen te onderhouden en op te voeden naar verhouding van hun eigen financiële positie.

     

    3.2 Vanuit de positie van de onderhoudsplichtige

    a) Gemene recht

    De onderhoudsplichtige is slechts gehouden een onderhoudsuitkering te verschaffen ingeval en in de mate zijn financiële toestand dit toelaat (art. 208 B.W.). Zijn draagkracht wordt bepaald rekening te houden met zijn inkomsten en zijn lasten.

    Het is hierbij evenwel niet vereist dat de onderhoudsplichtige gegoed is[6].

    Naar gemeen recht wordt enkel rekening gehouden met de actuele middelen van de onderhoudsplichtige, niet met zijn mogelijkheden om inkomsten te verwerven.

    In hoofde van de onderhoudsplichtige wordt niet alleen in rekening gebracht wat hij nodig heeft om zelf te kunnen leven, maar evenzeer wat nodig is voor het onderhoud van zijn gezinsleden (echtgenoot; afhankelijke kinderen die deel uitmaken van zijn gezin, ook indien hij tegenover hen niet onderhoudsplichtig is[7]).

    Bij de begroting van de onderhoudsuitkering wordt alleen rekening gehouden met kosten van onderhoud (van de onderhoudsplichtige en van zijn gezinsleden), niet met andere schulden van de onderhoudsplichtige die immers een vrijwillige besteding van zijn inkomsten inhouden.

    Het gemene recht kent geen begrenzing van de onderhoudsverbintenis tot een bepaald gedeelte van de inkomsten van de onderhoudsplichtige.

    b) Binnen het kerngezin

    Met betrekking tot de onderhoudsverplichtingen binnen het kerngezin (afhankelijke kinderen), alsook met betrekking tot de andere onderhoudsverplichtingen ten aanzien van

    niet – zelfstandige kinderen, geldt daarentegen een volledige financiële solidariteit tussen de onderhoudsplichtige en de onderhoudsgerechtigde: zelfs als de onderhoudsplichtige maar weinig financiële middelen heeft, moet hij het weinige wat hij heeft, delen met de onderhoudsgerechtigde.

    Hier wordt bovendien niet enkel rekening gehouden met de bestaande middelen van de onderhoudsplichtige, maar evenzeer met zijn mogelijkheden om (meer) inkomsten te verwerven.

    Vanzelfsprekend bestaat hier evenmin een begrenzing van de onderhoudsverbintenis tot een bepaald gedeelte van de inkomsten van de onderhoudsplichtige.e.

     

           

     

    4.  Ontstaan van de onderhoudsverbintenis

    Uit het belangrijke verschil qua omvang van de onderscheiden categorieën onderhoudsverbintenissen volgt ook dat het ontstaan ervan aan geheel verschillende regels onderworpen is.

    4.1 Gemene recht

    Aangezien de onderhoudsgerechtigde slechts aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering voorzover hij niet over het levensnoodzakelijke beschikt, worden alleen zijn huidige en toekomstige behoeften in rekening gebracht. Hieruit volgt dat, in het gemene recht, een onderhoudsuitkering slechts verschuldigd is voorzover en van zodra de onderhoudsgerechtigde zulks in recht vordert[8].

    4.2 Binnen het kerngezin

    Uit de omvang van de onderhoudsverbintenissen binnen het kerngezin volgt dat het ontstaan van deze verbintenissen niet afhankelijk is van het instellen van een vordering (door de onderhoudsgerechtigde). Aldus is in deze gevallen een veroordeling tot het betalen van een onderhoudsuitkering met terugwerkende kracht mogelijk[9].

     

           

     

    5.  Excepties

    5.1 Exceptie van schuld van de onderhoudsgerechtigde aan zijn eigen situatie

    Bij het bepalen van de omvang van de onderhoudsverbintenis in hoofde van de onderhoudsgerechtigde wordt er rekening gehouden met de mogelijkheden die hij heeft om middelen te verwerven om in zijn onderhoud te voorzien.

    Hierdoor kan de onderhoudsplichtige de exceptie opwerpen dat de toestand van de onderhoudsgerechtigde het gevolg is van diens eigen onwil of fout (luiheid, wangedrag, verslaafdheid aan drank, drugs, spel, verkwisting)[10]. Dit geldt in het gemene recht, ingeval de behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde voortvloeit uit zijn eigen onwil om zich middelen te verschaffen.

    5.2 Exceptie van onwaardigheid

    a) Beginsel    

    Volgens een unanieme rechtspraak vormt de onwaardigheid van de onderhoudsgerechtigde ten overstaan van de onderhoudsplichtige geen grond van verval van zijn recht op onderhoud. De onderhoudsplichtige kan dus tegen de onderhoudsgerechtigde niet de exceptie inroepen dat deze zich tegenover hem unfair gedragen heeft, in het verleden zelf zijn onderhoudsplicht verwaarloosd heeft, de familiesolidariteit waarop hij een beroep doet zelf in de wind heeft geslagen, … [11]

    b) Uitzonderingen en nuanceringen

    Met betrekking tot bepaalde onderhoudsverbintenissen moeten op deze regel uitzonderingen en  nuanceringen worden aangebracht:

    • Ontzetting van het ouderlijk gezag.

    In geval van volledige ontzetting van het ouderlijk gezag op grond van de Jeugdbeschermingswet verliest de ouder zijn recht op levensonderhoud ten aanzien van het betrokken kind en ten aanzien van diens afstammelingen.

    • Miskenning van het recht op eerbied.

    Bij miskenning van het recht van de ouders op eerbied vanwege hun kind (art. 371 B.W.) aanvaarden de rechtsleer en rechtspraak dat het kind zijn recht op voortgezette tussenkomst vanwege zijn ouders in zijn kosten van onderhoud en opleiding kan verbeuren.

    Nu het recht op eerbied een wederzijdse verplichting tussen ouders en kind is geworden (art. 371 B.W.), moet worden aangenomen dat bij miskenning van hun plicht tot eerbied ook de ouders hun recht op onderhoud ten aanzien van hun kind kunnen verbeuren.

     

           

     

    Hoofdstuk 4 : Pluraliteit van onderhoudsplichtigen en van onderhoudsgerechtigden

     

     

    1.  Pluraliteit van onderhoudsplichtigen

     

    De wet bepaalt geen enkele rangorde tussen de onderscheiden onderhoudsplichtigen.

     

    Er wordt nochtans algemeen aanvaard dat de onderhoudsgerechtigde bij het aanspreken van zijn onderhoudsplichtigen een zekere volgorde moet naleven. Dit vloeit voort uit de onderling verschillende aard van de diverse onderhoudsverbintenissen, alsook uit de intensiteit van de band tussen onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige die de grondslag vormt van de onderscheiden onderhoudsplichtigen.

     

    Vanuit de positie van de onderhoudsgerechtigde die behoefte heeft aan een tussenkomst in zijn onderhoud, wordt volgende rangorde aanvaard:

     

    1)      De echtgenoot is tot tussenkomst gehouden voor elke andere onderhoudsplichtige[12].

    2)      Elk van beide ouders moet tussenkomen in het onderhoud en de opvoeding van hun niet – zelfstandige kinderen voor de andere verwanten en voor de aanverwanten[13].

    3)      De onderhoudsplichtige ex – echtgenoot moet onderhoud verschaffen vóór de verwanten en de aanverwanten[14].

    4)      De verwanten zijn onderhoudsplichtig vóór de aanverwanten[15].    

    Binnen de kring van de onderhoudsplichtige verwanten gaan de dichtste in graad de verdere in graad voor. Aldus dienen de ouders aangesproken te worden voor de grootouders, en de kinderen voor de kleinkinderen.

    Er bestaat onder de verwanten geen voorrang van descendenten op de ascendenten of andersom.

    5)      Als laatste kunnen de onderhoudsplichtige aanverwanten aangesproken worden.

     

    In geval van samenloop van meerdere onderhoudsplichtigen in gelijke rang (vb: meerdere kinderen ten aanzien van hun ouders), is hun onderhoudsverbintenis niet hoofdelijk noch in solidum en evenmin ondeelbaar. In feite gaat het niet om één onderhoudsverbintenis met meerdere schuldenaars, maar zijn er zoveel persoonlijke onderhoudsverbintenissen als er onderhoudsplichtige schuldenaars zijn. Elke onderhoudsplichtige is zelfstandig en rechtstreeks gehouden tot een bijdrage in het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde, maar slechts in een verhouding die bepaald wordt in functie van de draagkracht van alle onderscheiden onderhoudsplichtigen.

     

    Het voorgaande geldt niet voor ouders, die ten aanzien van hun  niet – zelfstandig kind een onderhoudsverbintenis in solidum hebben.

     

           

     

    2.  Pluraliteit van onderhoudsgerechtigden

     

    Vanuit het standpunt van de onderhoudsplichtige die aangesproken wordt door meerdere onderhoudsgerechtigden, stelt de wet evenmin enige rangorde voorop.

     

    Nochtans moet ook ten aanzien van de onderhoudsplichtige die onvoldoende draagkrachtig is om al zijn onderhoudsverbintenissen te voldoen, een zekere rangorde aanvaard worden, om dezelfde reden als bij de pluraliteit van onderhoudsplichtigen:

     

    1)      De onderhoudsplicht ten aanzien van niet – zelfstandige kinderen gaat voor op alle andere, ook op die ten aanzien van de echtgenoot en dit ongeacht of het al dan niet een kind geboren uit het huwelijk met die echtgenoot betreft[16].

    2)      De onderhoudsplicht ten aanzien van de echtgenoot gaat voor op de onderhoudsplicht ten aanzien van verwanten en aanverwanten. De onderhoudsplicht ten aanzien van de nieuwe echtgenoot gaat ook voor op de eventuele onderhoudsplicht ten aanzien van de ex- echtgenoot.

    3)      De onderhoudsplicht ten aanzien van de ex – echtgenoot na echtscheiding gaat voor op de onderhoudsplicht binnen de grote familie.

     

    Ingeval een onderhoudsplichtige aangesproken wordt door onderhoudsgerechtigden van dezelfde rang (vb: meerdere kinderen), dan wordt de onderhoudstussenkomst ten aanzien van elk van hen bepaald in verhouding tot de omvang van ieders aanspraken (vb: in functie van zijn leeftijd en zijn studiekosten kan het ene kind een hogere onderhoudsuitkering bekomen dan het andere).

     

     

           

     


     

    Hoofdstuk 5 : Verhaal van kosten van onderhoud

     

     

    1.  Verhaal van de onderhoudsplichtige op de onderhoudsgerechtigde

     

    De onderhoudsplichtige kan op geen enkele wijze de kosten van onderhoud achteraf verhalen op de onderhoudsgerechtigde. De onderhoudsplicht is een persoonlijke schuld, en de onderhoudsplichtige die ze voldoet, geeft aldus geen voorschot op erfenis aan zijn onderhoudsgerechtigde.

     

    Zelfs in geval de onderhoudsgerechtigde achteraf opnieuw voldoende eigen middelen verwerft, kan de onderhoudsplichtige de kosten van het voordien verstrekte onderhoud niet van hem terugvorderen.

     

     

           

     

    2.  Verhaal van een onderhoudsplichtige op de medeschuldenaars van de onderhoudsverbintenis

     

    De onderhoudsplichtige die samen met andere onderhoudsplichtigen van dezelfde rang tot een onderhoudsverbintenis gehouden was, maar die de volledige onderhoudsschuld betaalde, kan achteraf terugbetaling vorderen van de sommen die zijn aandeel overtroffen, rekening houdend met de respectieve mogelijkheden van alle onderhoudsplichtigen.

     

    Hier is verhaal uitgesloten wanneer de onderhoudsplichtige is tussengekomen met een vrijgevige bedoeling.

     

     

           

     

    3.  Verhaal van een derde op de onderhoudsplichtige(n)

     

    Personen die spontaan in het onderhoud van iemand zijn tussengekomen hoewel zij tegenover hem niet onderhoudsplichtig zijn of slechts in een lagere rang tot zijn onderhoud gehouden zijn, kunnen achteraf de kosten ervan terugvorderen vanwege de onderhoudsplichtigen, dit op grond van zaakwaarneming en/of verrijking zonder oorzaak[17].

     

    Ook hier is verhaal uitgesloten ingeval de derde is tussengekomen met een vrijgevige bedoeling.

     

           

     

    DEEL 2 : De onderhoudsbijdrage voor de kinderen

     

    Hoofdstuk 1 : Wettelijk samenwonenden

    1.  Algemeen

    Tussen wettelijk samenwonenden bestaat er tijdens hun samenleven een wettelijke onderhoudsverbintenis. Deze onderhoudsverbintenis is van openbare orde, zodat het niet mogelijk is om er afstand van te doen. De wettelijk samenwonenden kunnen dus niet rechtsgeldig overeenkomen dat mits een bepaalde prestatie te leveren, de onderhoudsplichtige in de toekomst ontlast zal zijn van zijn onderhoudsverplichting. Ook kunnen de wettelijk samenwonenden niet overeenkomen dat de ene aan de andere in de toekomst een bepaald onveranderlijk bedrag zal moeten betalen. Dit zou in strijd zijn met de bepaling van art. 209 BW. die van dwingend recht is.

    De regels die van toepassing zijn op de plicht tot bijdrage in de lasten van het huwelijk die tussen gehuwden geldt, gelden ook voor de plicht tot bijdrage in de lasten van het samenleven van wettelijke samenwonenden.

    De kosten van onderhoud, opvoeding en opleiding van de kinderen die in het gezin van de wettelijk samenwonenden zijn opgenomen, vallen onder de lasten waarin elk van beide partners moet bijdragen, ongeacht of het om gemeenschappelijke kinderen gaat of niet.

    Deze lasten van het samenleven moeten door de wettelijke samenwonenden gedragen worden naar evenredigheid van hun mogelijkheden.

    Zoals bij gehuwden bepaalt de wet alleen het aandeel, niet de vorm waarin elk van de partners zijn bijdrageplicht moet nakomen. Dit behoort tot de individuele vrijheid van de wettelijk samenwonenden m hun gezinsleven te organiseren zoals zij zelf wensen. De rechter kan hier niet in tussenkomen. Geen van beide partners kan verplicht worden om buitenshuis te gaan werken, zolang ze maar voldoende bijdragen in de lasten van het samenleven.

     

           

     

    2.  Sancties

    De niet – naleving van de bijdrageplicht tussen wettelijk samenwonenden kan enkel aanleiding geven tot de sanctie van de veroordeling van de nalatige partner tot onderhoudsgeld.

    In tegenstelling tot wat het geval is tussen echtgenoten, is tussen wettelijk samenwonenden een sommendelegatie niet mogelijk.

    Indien een partner weigert om bij te dragen in de lasten, kan de andere partner zich wenden naar de rechter. En de rechter veroordeelt de partner dan tot het betalen van onderhoudsgeld. 

     

           

     

    3.  Einde van de wettelijke samenwoning

    Het enige verschil met de bijdrageplicht die tussen gehuwden bestaat, is dat de verplichting tussen de wettelijk samenwonenden vervalt indien zij niet meer samenleven.

    Bij een huwelijk wordt de bijdrageplicht ook beëindigd bij de ontbinding van het huwelijk. Maar in tegenstelling tot de wettelijke samenwoning kan een huwelijk niet zomaar van de ene dag op de andere in onderlinge overeenstemming beëindigd worden.

    Het is mogelijk dat de vrederechter één van de partner veroordeelt tot het betalen van onderhoudsgeld voor de periode voorafgaand aan de ontbinding van de wettelijke samenwoning.

    Vb: Op het ogenblik van de uitspraak van de vrederechter duurt de wettelijke samenwoning reeds twee jaar; dan zou de vrederechter een onderhoudsuitkering kunnen toekennen voor een maximale duur van twee jaar; deze onderhoudsuitkering blijft dan verschuldigd ongeacht of intussen de wettelijke samenwoning reeds beëindigd is.

    Één van de partners kan na de ontbinding van de wettelijke samenwoning geen onderhoudsgeld meer vorderen ten laste van de andere.

           
     

    Hoofdstuk 2 : Niet - samenwonenden

    De echtgenoten kunnen hun onderhoudsplicht bijdragen in natura in de echtelijke verblijfplaats. De financiële solidariteit tussen echtgenoten hangt dus samen met de samenwoningplicht[18].

    In geval van feitelijke scheiding is geen uitvoering van de bijdrageplicht in natura meer mogelijk. De financieel zwakkere echtgenoot zal ernaar streven om een uitvoering van deze plicht in de vorm van een onderhoudsuitkering te bekomen via een vordering op grond van art. 221, 1ste lid B.W.

     

           

     

    1.  De echtscheiding op grond van bepaalde feiten  (Kijk na of de wet nog actueel is ! )

    Beide uit de echt gescheiden ouders zijn verplicht om naar evenredigheid van hun middelen bij te dragen tot het onderhoud en de opvoeding van hun kinderen (art.303 B.W.).

    In de praktijk betaalt de ene ouder een onderhoudsbijdrage aan de andere ouder, deze heeft een verplichting tot bijdrage in natura (het kind woont bij hem of haar in). De ex – echtgenoten kunnen met betrekking tot hun bijdrage in de onderhouds- en opvoedingskosten van hun kinderen een bindende overeenkomst sluiten. Zij moeten de verplichting van deze kosten steeds bijdragen naar evenredigheid van hun middelen. De verplichting is van openbare orde en men mag ze dus niet wijzigen, beperken of belemmeren. Het beding dat de man niet meer zal bijdragen in het onderhoud van de kinderen en dat de vrouw hem zal vrijwaren tegen iedere onderhoudsvordering ten behoeve van de kinderen is dus nietig. 

    1.1  Sancties

    Het strafrecht bepaalt de niet – betaling van onderhoudsgeld voor het kind (art. 391 bis Sw.), familieverlating als kinderverlating. Ook de niet – naleving van de gerechtelijke beslissing in verband met het hoederecht en bezoekrecht wordt gesanctioneerd.

     

           

     

    2. Echtscheiding door onderlinge toestemming

    De onderhoudsverplichting van de ouders ten aanzien van hun kinderen wordt besproken in art. 203 B.W., zoals dit gewijzigd werd door de wet van 13 april 1995: de ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen.

    De uit art. 203 B.W. voortvloeiende verplichtingen houden niet op bij de meerderjarigheid van het kind, maar lopen door zolang de opleiding van het kind niet voltooid is (art. 203, § 1, in fine B.W.). Maar alleen voor zover de studies een normaal verloop kennen en het kind voldoende ijver en bekwaamheid toont.

    Wanneer de echtgenoten de onderhoudsbijdrage voor hun kinderen vaststellen, dient niet enkel de hoogte van de bijdrage bepaald te worden, maar ook het tijdstip[19], plaats en wijze van betaling, alsook het beginpunt van de betalingen. Er moet ook aangegeven worden of de betalingsverplichting geschorst wordt gedurende de periodes dat het kind bij de andere ouder verblijft. Indien hierover niets bepaald werd, moet er van uitgegaan worden dat de betalingsverplichting gewoon blijft doorlopen. De semi – vaste kosten (huisvesting, kleding, school, … )  blijven dan onveranderd.

    In de plaats van de meest voorkomende periodieke uitkering kunnen de echtgenoten er ook voor kiezen om de onderhoudsbijdrage te betalen onder de vorm van een eenmalige kapitaalsuitkering. Dit komt in de praktijk niet vaak voor omwille van de nadelige fiscale gevolgen.

     

           

     

    2.1  Onderscheid obligatio – contributio

    In art. 1288, 1ste lid, 3° Ger.W. staat : “dat de echtgenoten wel overkomsten kunnen sluiten over de onderhoudsbijdrage (= contributio), maar niet over de onderhoudsverplichting

    (= obligatio), die de openbare orde raakt.” Dit is het geval bij echtscheiding door onderlinge toestemming. In de andere gevallen van echtscheiding komt men niet tot een overeenkomst en moet de rechter uitspraak doen.

    Het is niet mogelijk om af te spreken dat één van de ouders geen verplichtingen heeft tegenover het kind. Ook de rechter kan dit niet uitspreken. Beide ouders zijn verplicht om allebei bij te dragen in het onderhoudsgeld.

    De onderhoudsplicht houdt niet op wanneer het kind meerderjarig wordt en het zal afhangen van de voortgezette opleiding van het kind wanneer het in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

    Het is belangrijk om het onderscheid tussen obligatio en contributio niet terzijde te schuiven. Indien het vonnis bepaalt, of de echtgenoten afspreken dat één van hen meer zal doen dan wettelijk van hem verlangd kan worden[20], wordt aanvaard dat de andere ouder minder doet. Zodra het kind van levensonderhoud, opvoeding en opleiding geniet, heeft het immers geen vorderingsrechten meer tegen één van beide ouders, vermits zijn belangen niet geschaad worden.

     

           

     

    2.2  Buitengewone uitgaven

    Er bestaat geen uitdrukkelijke wettelijke bepaling, maar toch moet er in de familierechtelijke overeenkomst ook een regeling opgenomen worden met betrekking tot de zogenaamde “buitengewone uitgaven”.

    Met buitengewone uitgaven wordt bedoeld: de kosten, die voortvloeien uit:

    ·        de gezondheidstoestand van het kind (medische, tandheelkundige en farmaceutische kosten);

    ·        zijn opleiding (schoolabonnementen, inschrijvingsgelden, schoolreizen, sneeuwklassen, stage, huur studentenkamer, …);

    ·        en de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (taal en sportkampen, culturele activiteiten, …).

    Indien het gaat om een regelmatig wederkerende uitgave, kan het soms beter zijn een iets hogere maandelijkse bijdrage op te stellen, dan deze kost als buitengewoon te kwalificeren. Dit past men toe om betwistingen te vermijden.

    Het is zeer sterk aangewezen om deze kosten nauwkeurig te omschrijven. De redenen hiervoor zijn:

    1)      Er is de zorg om een eventuele gedwongen uitvoering vlot te laten verlopen: bij een te algemene omschrijving zal men terug naar de rechter moeten gaan. De rechter zal dan een procedure instellen die de precieze draagwijdte van de rechten en de plichten van de partijen moet vaststellen.

    2)      Bepaalde kosten worden in de praktijk niet steeds als buitengewoon aanzien: dit is vb. het geval voor schoolkosten. Kosten voor logopedie worden wel als buitengewoon beschouwd, net als sneeuwklassen.

    3)      Het vermelden van de buitengewone kosten heeft als voordeel dat datgene wat niet vermeld werd, beschouwd moet worden als zijnde gedekt door de gewone onderhoudsbijdrage.

     

           

     

    2.3  Verzaking

    In de praktijk komt het regelmatig voor dat de ouders enige tijd na hun echtscheiding een vonnis hebben verkregen waarin staat dat de onderhoudsgerechtigde ouder verzaakt aan de bijdrage. Vaak wordt dit gekoppeld aan een wederkerige verzaking door de andere ouder aan uitoefening van zijn recht op persoonlijk contact (in geval van exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag) of verblijf van het kind bij hem (in geval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag)[21].

    De verzakende ouder kan op ieder ogenblik opnieuw een onderhoudsbijdrage vorderen wanneer het belang van het kind dit vereist.

    In dit geval moet men zich de vraag stellen of ook de vervallen termijnen tijdens de periode van verzaking opnieuw gevorderd kunnen worden. De rechtspraak heeft hierover geen duidelijk antwoord:

    • Aan de ene kant zegt de rechtspraak dat de voorheen vervallen termijnen betaald moeten worden.
    • Aan de andere kant zegt de rechtspraak dat doordat het feit dat de onderhoudsgerechtigde ouder gedurende een bepaalde periode geen bijdrage gevraagd heeft, meebrengt dat hij gedurende al die tijd zijn eigen middelen toereikend achtte om in de kosten van levensonderhoud van de kinderen te voorzien[22].

     

           

     

    2.4  Uitvoeringsaspecten

    Hier volgt een overzicht van enkele belangwekkende punten, waarvoor clausules in de familierechtelijke overeenkomst opgenomen dienen te worden:

     

           

     

    1)  Indexatie

    Wanneer een indexatieclausule opgenomen wordt, dienen zowel de indexatieformule zelf, als de periodiciteit van de aanpassing en de keuze van het indexcijfer duidelijk te worden omschreven.

    De onderhoudsgerechtigde moet de indexatie laten weten aan de onderhoudsplichtige. Reageert hij niet, kan men naar het gerecht gaan.

    Doet men dit  niet, gebeurt er niets en wordt er niet geïndexeerd.

    Op de indexatie staat een verjaringstermijn van 5 jaar, dus kan men tot 5 jaar terug gaan in de tijd om toch nog de bijdrage te indexeren.

     

           

     

    2)  Herzieningsclausules

    De herzieningsclausules dragen bij tot het vermijden van een beroep op de rechterlijke macht, dat niet enkel tijdrovend is, maar bovendien bevorderlijk voor de onderlinge verstandhouding tussen de ouders.

    a) Eerste herzieningsfactor

    Een eerste herzieningsfactor betreft de leeftijd van het kind. Het spreekt voor zich dat het ouder worden van het kind gepaard gaat met het bereiken van steeds hogere opleidingsniveau’s en een verhoging van de uitgaven.

    b) Tweede herzieningsfactor

    Een tweede herzieningsfactor houdt verband met de inkomsten en mogelijkheden van de ouders en de variabiliteit hiervan, zowel in positieve als in negatieve zin. Het kind heeft recht op levensonderhoud naar evenredigheid van de middelen van beide ouders. De concrete bijdrage wijkt af van de evenredigheid.

    Voor de onderhoudsgerechtigde kan een herzieningsclausule tot ongewenste gevolgen leiden, dit is wanneer de inkomsten van de onderhoudsplichtige ouder verminderen. Om dit nadeel van een zuivere herzieningsclausule op te vangen, kan overwogen worden om een minimumgrens vast te stellen, waaronder de bijdrage niet kan dalen.

    Door het invoeren van een zogenaamde “bodembijdrage” wordt ook vermeden dat de uitkeringsplichtige ouder er in slaagt om zich omwille van zijn verlaging van het inkomen (verlies van werk, verplichting deeltijds te gaan werken), te onttrekken aan elke bijdrage.

    c) Derde herzieningsfactor

    Een voor de praktijk zeer belangrijke herzieningsfactor is de concrete verblijfregeling van het kind. Door de wet van 13 april 1995 werden de wijze van uitoefening van het ouderlijk gezag enerzijds en de verblijfsregeling anderzijds van elkaar losgekoppeld. De tijdsduur die het kind bij de ene, dan wel de andere ouder doorbrengt, is, net als de middelen van de ouders en de behoeften van het kind, een fundamenteel gegeven voor de vaststelling van de concrete bijdrage.

    Wanneer de ouders de initieel afgesproken verblijfsregeling, die gediend heeft bij de bepaling van het bedrag van de bijdrage, ingrijpend wijzigen (dit kan zelfs op verzoek van het kind), moet die resulteren in een aanpassing van de bijdrage.

    Vb: een verblijf in het buitenland (buiten de normale vakanties)[23].

    Het principe van de noodzaak van aanpassing geldt op overeenkomstige wijze wanneer de verblijfsregeling of de uitoefening van het recht op persoonlijk contact niet verloopt zoals de vooraf gemaakte afspraken. De hypothese is uiteraard deze waarbij het niet respecteren van de afspraken een eenzijdige handeling is van één ouder. Dergelijke handelswijze leidt er toe dat de andere ouder de lasten van onderhoud van het kind nagenoeg volledig alleen moet dragen. Niettegenstaande dit een grond tot gerechtelijke wijziging inhoudt, verhindert niets dat partijen hierop reageren door een herzieningsclausule toe te passen.

    De mogelijkheid tot aanpassing van de alimentatiebijdrage in geval van wijziging in de verblijfsregeling mag in geen geval geïnterpreteerd worden als een mogelijkheid om aan de betaling te ontsnappen door te verzaken aan de uitoefening van het recht op persoonlijk contact. In dit geval wordt immers afbreuk gedaan aan de rechten van het kind.

    De noodzaak van aanpassing van de onderhoudsbijdrage ingeval van wijzigingen van de verblijfsregeling geldt wanneer de wijziging ook fiscale of sociaal - zekerheidsrechtelijke gevolgen heeft.

    d) Fiscaal vlak

    Op fiscaal vlak zijn er de vraagstukken van het ten laste zijn en de aftrekbaarheid van de onderhoudsuitkeringen. Om fiscaal ten laste te zijn en voor de betrokken ouder een verhoging van de belastingvrije som mee te brengen, moet het kind op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar genoemd wordt, deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige.

    Onder “deel uitmaken van het gezin” wordt in het kader van een echtscheiding begrepen dat het kind werkelijk en op bestendige wijze inwoont bij een ouder en er deelneemt aan de huishouding van de belastingplichtige[24].

    Met betrekking tot de aftrekbaarheid van de onderhoudsuitkeringen[25] geldt het vereiste dat het kind, waarvoor de uitkering betaald wordt, geen deel mag uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op het tijdstip van betaling[26].

    Door de Wet van 4 mei 1999, waar er fiscale en andere bepalingen vermeld staan voor ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en bij wie de kinderen gelijkelijk verblijven, is de mogelijkheid dat men de kinderen in beide gezinnen fiscaal ten laste kan nemen en de verhoging van de belastingvrije som kan delen (art. 132 bis W.I.B.). Gevolg hiervan is dan wel dat de door deze kinderen betaalde onderhoudsuitkeringen niet aftrekbaar zijn (art. 104, 1° W.I.B.).

    Uit deze summiere toelichting bij enkele fiscale bepalingen blijkt dat wijzigingen in de verblijfsregeling ook belangwekkende fiscale stoornissen kunnen hebben.

    e) Sociaal – zekerheidsrechtelijk vlak

    Hier geldt ook dat de plaats waar het kind opgevoed wordt, bepalend kan zijn voor de aanduiding van de rechthebbende[27] en de bijslagtrekkende[28]. Zo zal in het stelsel van de kinderbijslag voor werknemers de moeder in principe de bijslagtrekkende zijn, tenzij het kind niet werkelijk door haar wordt grootgebracht. Wie het kind “grootbrengt”, wordt beoordeeld aan de hand van alle feitelijke elementen, waaronder onder meer de verblijfsregeling. Dat de feitelijke toestand doorslaggevend is, blijkt ook nog uit een andere regel: wanneer de ouders overeenkomsten hebben getroffen over wie van hen de bijslag mag ontvangen, zijn deze afspraken in principe niet tegenwerpelijk aan de kinderbijslagkassen indien de feitelijke voorwaarden niet vervuld zijn.

     

           

     

    3)  Meerderjarigheid van het kind

    Eens het kind meerderjarig geworden is en voor zover zijn opleiding op dat ogenblik niet voltooid is, beschikt het kind over een eigen vorderingsrecht op grond van art. 203 B.W. Dit stelt een bijzonder probleem voor de ouder – schuldenaar van de bijdrage. In de mate dat de familierechtelijke overeenkomst niets voorziet, blijft ook het conventionele recht van de andere ouder onaangetast[29]. De onderhoudsplichtige mag dan ook niet zelf beslissen om de afgesproken bijdrage niet meer aan de andere ouder, maar in handen van het kind te betalen. Als hij dit wel doet, loopt hij het risico van dubbele betaling.

    Om dit te vermijden, is het aangewezen in de familierechtelijke overeenkomsten de mogelijkheid tot rechtstreekse betaling in handen van het kind te voorzien. Aangezien de eis van het kind tot betaling in zijn handen vaak samenvalt met het “alleen” gaan wonen van dit kind, kan ook overwogen worden om de geldelijke bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder aan te passen en om tegelijkertijd een geldelijke bijdrage van de andere ouder (die tot dan toe zijn bijdrage in natura leverde) te bepalen.

     

           

     

    4)  Overlijden van de onderhoudsplichtige ouder

    De bijdrageplicht van de ouders overeenkomstig art. 203 B.W. is een wettelijke onderhoudsverplichting. Deze verplichting dooft uit bij het overlijden van de schuldenaar[30]. Ook al is het eerder ongebruikelijk, toch bestaat de mogelijkheid dat de ouders besluiten dat de bijdrage wel overgaat op de erfgenamen en een last van de nalatenschap zal uitmaken. In de rechtsleer wordt als alternatief voorgesteld dat de bijdrageplichtige ouder in voordeel van de kinderen een levensverzekering zou afsluiten.

     

           

     

    2.5  Wijzigingen tijdens de procedure

    In geval van echtscheiding door onderlinge toestemming geldt volgende regeling:

    alleen wanneer de echtgenoten nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden kunnen aanvoeren, waardoor hun toestand, de toestand van één van hen of die van hun kinderen ingrijpend gewijzigd worden en zij daarvan naar behoren het bewijs leveren, kunnen zij gezamenlijk een voorstel tot wijziging van hun oorspronkelijke overeenkomsten aan de rechter voorleggen (art. 1293, 1ste lid Ger.W.).

    Kleine wijzigingen in het inkomen komen dus niet in aanmerking. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de Wet van 30 juni 1994 werd het voorbeeld gegeven van een ongeval, waardoor de alimentatieplichtige echtgenoot ernstig gehandicapt raakt zodat zijn inkomsten fors verminderen[31]. Volgens wijzigingen op initiatief van de echtgenoten zelf kan ook de rechterlijke macht voorstellen tot wijziging doen. In art. 1290, 2de lid Ger.W. wordt bepaalt dat de rechter tijdens de eerste verschijning aan partijen kan voorstellen om de afspraken betreffende de minderjarige kinderen te wijzigen, wanneer deze hem met hun belangen strijdig lijken.

    In dit geval moet binnen de maand na de neerlegging op de griffie van het proces – verbaal van de eerste verschijning of van het onderhoud met het kind een nieuwe, bijkomende verschijning plaatsvinden. Tijdens deze nieuwe verschijning kan de rechter dan de beschikkingen die kennelijk strijdig zijn met de belangen van de minderjarige kinderen laten schrappen of wijzigen (art. 1290, 5de lid Ger.W.). De rechter kan niet zelf schrappen of wijzigen. Zo de echtgenoten niet op het verzoek van de voorzitter ingaan, kan dit leiden tot een afwijzing van de echtscheiding.

     

           

     

    2.6  Wijzigingen na echtscheiding

    1)  Probleemstelling

    In de praktijk is de wijzigbaarheid na echtscheiding van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen één van de meest betwistbare aangelegenheden.

    Voor de inwerkingtreding op 1 oktober 1994 van de Wet van 30 juni 1994[32] leidde het onderscheid tussen de obligatio en de contributio (door het Hof van Cassatie) samen met de principiële onveranderlijkheid van de alimentatieschuld t.o.v. de kinderen, tot een buitengewoon restrictieve beoordeling van wijzigingsverzoeken, die vaak neerkwam op een quasi – onveranderlijkheid.

    • Een verhoging van de afgesproken bijdrage was slechts mogelijk, wanneer de ouder die de verhoging vroeg niet meer in de mogelijkheid verkeerde (aan het kind) het nodige levensonderhoud en opvoeding te verschaffen.
    • Ook een vermindering van de bijdrage, vb. wegens een daling van de inkomsten, kon in principe niet worden toegestaan wegens strijdigheid met de belangen van het kind en omdat een wijziging in de toestand van de onderhoudsschuldenaar in principe niet in aanmerking genomen mag worden[33].

     

           

     

    2)  Wet van 30 juni 1994

    Met de invoering van een nieuw laatste lid in art. 1288 Ger.W. hoopte de wetgever in 1994 de restrictieve rechtspraak van het Hof van Cassatie te doorbreken : De afspraken betreffende de kinderen konden voortaan na echtscheiding door de rechter herzien worden wanneer er zich nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden hadden voorgedaan, waardoor de toestand van de kinderen ingrijpend gewijzigd werd.

     

           

     

    3)  Wet van 20 mei 1997

    Met de wet van 20 mei 1997 wenste de wetgever de restrictieve cassatierechtspraak, voornamelijk met betrekking tot verhogingen van de bijdrage, definitief te doorbreken. Het vereiste van onvoorzienbaarheid werd geschrapt en vervangen door het vereiste van nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen. Daarenboven kunnen voortaan zowel wijzigingen in de toestand van de kinderen, als van de ouders zelf in acht genomen worden voor zover zij maar ingrijpend zijn ‘art. 1288, laatste lid Ger.W.). Lichte wijzigingen komen niet in aanmerking.

     

           

     

    4)  Het criterium van het belang van het kind

    We hebben reeds aangehaald dat wijzigingsverzoeken na echtscheiding beoordeeld zouden worden aan de hand van één essentieel criterium, nl. het belang van het kind.

    a) Eerste argument

    Dit kan geput worden uit het vermijden van ongewenste gevolgen van een al te letterlijke interpretatie van art. 1288, laatste lid Ger.W. Volgens deze bepaling moeten de nieuwe omstandigheden zich buiten de wil van de partijen hebben voorgedaan. Ingrijpende gebeurtenissen als een ernstig ongeval of zware ziekte voldoen zeker aan deze voorwaarde.

    Een  nieuw huwelijk kan moeilijk beschouwd worden als een gebeurtenis die zich buiten de wil van de partijen afspeelt. Hetzelfde geldt voor de geboorte van een kind uit een nieuwe relatie[34], het in het buitenland gaan werken of een nieuwe echtscheiding van de bijdragegerechtigde ex - echtgenoot[35]. Doorgaans hebben deze gebeurtenissen evenwel een ingrijpende invloed op de financiële toestand van de betrokken ex – echtgenoot : een nieuw huwelijk (of een nieuwe relatie in het algemeen) kan vb. zowel een verzwaring van de financiële lasten teweegbrengen, als een verlichting hiervan.

    Dat het essentieel is om door middel van het criterium van het belang van het kind een al te letterlijke interpretatie van art. 1288, laatste lid B.W. te vermijden, blijkt ook duidelijk bij wijzigingsverzoeken die gesteund zijn op het ouder worden van het kind. Onder het oude recht oordeelde het Hof van Cassatie dat de meerkosten die veroorzaakt worden door het ouder worden van het kind niet in aanmerking genomen kunnen worden als niet tegelijkertijd bewezen wordt dat de bijdragegerechtigde ouder niet meer in staat is om het kind het nodige levensonderhoud en opvoeding te verschaffen[36]. Ook na de wetswijziging van 1994 kon het ouder worden van het kind niet in aanmerking genomen worden : er kan immers ontstaan dat dit een nieuwe en onvoorzienbare gebeurtenis is. Ook indien met de door de Wet van 20 mei 1997 gestelde voorwaarden letterlijk interpreteert, dient het wijzigingsverzoek te worden afgewezen : het ouder worden van het kind is immers niet echt een nieuwe omstandigheid. Sommige vrederechters weigeren dan ook een verhoging van de bijdrage op grond van het ouder worden of de hiermee gepaard gaande hogere kledingkosten, maar staan deze wel toe op grond van de, met de leeftijd mee – evoluerende onderwijssituatie. (het aanvatten van hogere studies, het volgen van een specialisatiejaar, het eventueel moeten huren van een studentenkamer, …).  Het lijdt immers niet de minste twijfel dat de door ouder worden veroorzaakte meerkosten een wijziging van de bijdrage moeten kunnen verantwoorden als het belang van het kind dit vereist[37].

    b) Tweede argument

    Het feit is dat sedert de Wet van  20 mei 1997 ook wijzigingen in de toestand van de ouders in aanmerking genomen kunnen worden. De bedoeling van de wetgever met deze aanvulling was om de kinderen te kunnen laten delen in een stijging van de inkomsten van de onderhoudsplichtige ouder. Dat een wijziging in de toestand van de ouders ook een vermindering zou kunnen veroorzaken, werd blijkbaar vergeten.

    We hebben reeds aangehaald dat wijzigingen die men zelf met bedrieglijke intenties heeft gevoerd, zijn uitgesloten. Zij komen immers in conflict met het vereiste van het “buiten de wil” zijn. Voor de andere wijzigingen, waarbij er geen sprake is van bedrieglijke intenties in hoofde van de eiser, maar waarbij alleen loutere opportuniteitsoverwegingen of het loutere eigenbelang voorstaan, zal het criterium van het belang van het kind een wijziging verhinderen.

    Omstandigheden die wel in aanmerking genomen kunnen worden, zijn vb :

    • Een ernstige handicap
    • Het verlies van werk of een gewijzigde werkregeling (althans voor zover deze niet frauduleus is)

    Het financieel verlies dat hieruit voor de betrokken ouder voortvloeit, kan ertoe leiden dat hij in zware moeilijkheden komt. Of dit feit er op zijn beurt moet toe leiden, dat de onderhoudsbijdrage gewijzigd wordt, hangt af van het belang van het kind. Het is immers niet in het belang van het kind dat zijn vader of moeder door de handhaving van de oorspronkelijke bijdrage tot een marginaal bestaan veroordeeld wordt, noch dat het bestaan van een normale relatie ouder – kind hierdoor in het gedrang gebracht wordt. Indien er geen enkele ingrijpende omstandigheid is voor de toestand van het kind, vb : doordat de verminderde inkomsten of verhoogde lasten op een andere wijze gecompenseerd worden, dient het wijzigingsverzoek te worden afgewezen.

    Er dient een afweging gemaakt te worden van welk bijdrage(n) in welke mate moet(en) worden aangepast. Er dient m.a.w. te worden overgegaan tot een “herverkaveling” van de globale concrete bijdrage. Bij deze afweging dienen naast de verhoging van de inkomsten ook alle andere aspecten die de toestand van de kinderen (vb : de meerkost ingevolge het ouder worden) en van de echtgenoten (vb : andere inkomsten, andere lasten, het wegvallen van ouder lasten[38],

    nieuwe relatie, …) aangaan, in ogenschouw te worden genomen.

    c) Derde argument

    Dit argument kan gevonden worden in art. 387 bis B.W. Volgens dit artikel kunnen alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag na echtscheiding door de jeugdrechtbank worden herzien wanneer het belang van het kind dit vereist. Er bestaat dan ook geen enkele reden om wijzigingsverzoeken betreffende de onderhoudsbijdrage te beoordelen aan de hand van andere criteria dan deze die gehanteerd worden ten aanzien van afspraken omtrent het ouderlijk gezag. Dit geldt indien het verzoek tot wijziging van de bijdrage samenhangt met een wijziging van de afspraken omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag of de verblijfregeling. Sommigen proberen de vereisten van art. 387 bis B.W. en 1288, laatste lid Ger.W. te verzoenen door een wijzigingsvonnis van de jeugdrechtbank bij toepassing van art. 387 bis B.W. te aanzien als een nieuwe omstandigheid buiten de wil van partijen in de zin van art. 1288, laatste lid Ger.W. Hoewel het uiteraard correct is om een vonnis te beschouwen als dergelijke nieuwe omstandigheid, komt deze redenering als overbodig voor. Het is toch onlogisch om de twee onderdelen van de afspraken betreffende de kinderen te beoordelen aan de hand van verschillende criteria. Waar het belang van het kind reeds lang wordt erkend als grond tot wijziging van de regeling omtrent het ouderlijk gezag, moet dit ook gelden ten aanzien van de bijdrage.

    d) Vierde argument

    Het belang van het kind is afhankelijk van wijzigingsverzoeken op grond van een verandering in de toestand van het kind zelf. Dit geldt op evidente wijze met betrekking tot verhogingen (vb : heelkundig ingrijpen, aanvatten van dure hogere studies[39], …), maar ook met betrekking tot verminderingen.

    Voorbeelden:

    • De verblijfsregeling van het kind wordt door omstandigheden buiten de wil van de ouders (vb. een rechterlijke beslissing of een beslissing van het kind zelf) gewijzigd. Het op hetzelfde niveau handhaven van de bijdrage kan er in deze gevallen uiteindelijk toe leiden dat het kind meer krijgt dan waarop het recht heeft, waardoor een wijziging zich opdringt.
    • Het kind beschikt over eigen inkomsten. Gelet op het karakter van de plicht van de ouders tegenover hun kind in verhouding tot de inkomsten waarover het kind zelf beschikt, moet met deze inkomsten bij de veroordeling rekening gehouden worden en moet de bijdrage in dit geval verminderd of afgeschaft kunnen worden, ook al werd dit niet voorzien[40].

    5)  Noodzaak tot terughoudendheid

    Het criterium van het belang van het kind is een argument tot terughoudendheid. Het behoort tot de bijzondere moeilijke taak van de rechter om uit te maken of het belang van het kind een aanpassing van de initieel afgesproken bijdrage kan verantwoorden. De rechter mag hierbij niet lichtzinnig oordelen. Ingeval in de oorspronkelijke overeenkomst een lage bijdrage bedongen werd en hieromtrent tijdens de procedure geen opmerkingen gemaakt werden door het Openbaar Ministerie of rechtbank, mag een wijzigingsverzoek dat kort na de echtscheiding ingediend wordt, niet zonder meer worden ingewilligd. Er moet aangetoond worden dat het belang van het kind in de korte tijdspanne tussen de uitspraak en het verzoek in het gedrang is gekomen. Wanneer dit niet het geval is, mag de initiële bijdrage niet gewijzigd worden. Zoniet wordt een onverantwoorde inbreuk gepleegd op de rechtszekerheid.

    De terughoudendheid die men van de rechter mag verwachten, betekent niet dat de rechter zich soepel moet opstellen ten aanzien van de door de ouders te verstrekken gegevens. Bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek na echtscheiding botst de rechter vaak op de onmogelijkheid of onwil van de partijen om de gegevens waar zij rekening hebben gehouden bij de initiële begroting van de bijdrage mee te delen. Hetzelfde geldt voor hun actuele inkomsten en uitgaven.

    • Voor het eerste probleem kan een oplossing gevonden worden door opname van de basisgegevens in de voorafgaande overeenkomsten.
    • Voor het tweede probleem bestaat in het recht geen afdoende oplossing behoudens een tussenvonnis bij toepassing van art. 871 of 877 Ger. W. en de grote persoonlijke overredingskracht van de rechter.

     

           

     

    3.  Echtscheiding op grond van feitelijke scheiding

    Beide echtgenoten dienen bij te dragen in de kosten van onderhoud, opvoeding en passende opleiding van hun kinderen.

    De jeugdrechtbank stelt een vonnis op waarin staat wie van de ouders het hoederecht krijgt van het kind en wie er onderhoudsgeld moet betalen.

     

           

     

    DEEL 3 : Het voorschot op onderhoudsgeld

     

    1. Inleiding

    Het voorschot op onderhoudsgeld voor kinderen staat beschreven in de wet van 8 mei 1989. Hierdoor kreeg het O.C.M.W. twee extra taken toevertrouwd:

    ·        Aan de ene kant het verschaffen van voorschotten op onderhoudsgeld dat niet effectief werd betaald;

    ·        Aan de andere kant het invorderen van onderhoudsgelden in naam van de onderhoudsgerechtigden bij de onwillige onderhoudsplichtige. (art. 68 bis, § 1 O.C.M.W. – wet) 

    Nadere uitvoeringsbepalingen werden gesteld in de K.B.’s van 14 augustus 1989[41] en van 22 augustus 1989[42].

    De regeling werd beperkt tot onderhoudsgeld voor kinderen van personen met een zeer laag inkomen, omdat het onderhoudsgeld voor hen van vitaal belang is en gerechtelijke procedures onhaalbaar. De maatschappelijk uiterst kwetsbare groep van de alleenstaanden met kinderen diende uit de nood geholpen te worden.

    De federale regering had een wijziging van deze wet aangekondigd, die al zou ingaan op 01/09/2003. Maar deze wijziging is voorlopig uitgesteld tot 01/09/2004.

     

           

     

    2.  Wie heeft recht op een voorschot?

    a)Ieder kind dat minderjarig is en dus jonger dan 18 jaar of ieder kind dat meerderjarig is en   kinderbijslag geniet tot 25 jaar. Hier speelt de nationaliteit geen rol.

    Het voorschot wordt betaald aan de wettelijke vertegenwoordiger, die de goederen van het minderjarig kind beheert.

    Deze vertegenwoordiger moet aan een aantal voorwaarden voldoen:

    • zijn verblijfplaats moet in België zijn;
    • zijn bestaansmiddelen mogen niet hoger zijn dan € 11.544,09 per jaar (op 01/06/2003), of als zijn bestaansmiddelen dat bedrag vanaf 1 april 1998 met minder dan 15 % overschrijden.

    Enkel het jaarinkomen van volgende personen komen in aanmerking:

    • de bestaansmiddelen van de ouder die geen onderhoudsgeld moet betalen, gecumuleerd met de eventuele bestaansmiddelen van het kind;
    • enkel de bestaansmiddelen van het kind, wanneer het meerjarig is en niet bij de niet-onderhoudsplichtige ouder woont.

    De bestaansmiddelen worden op dezelfde manier berekend als het leefloon, d.w.z. alle netto bestaansmiddelen waarover men effectief beschikt, behalve de vastgestelde uitzonderingen

    (vb: er wordt geen rekening gehouden met de kinderbijslag, behalve wanneer het kind die uitkering zelf ontvangt).

    Enkele voorbeelden in geval van overschrijdingen met minder dan 15 % van de maximale bestaansmiddelen:

    1. Indien de bestaansmiddelen € 11.900,00 bedragen, overschrijden deze het maximaal bedrag van de bestaansmiddelen met 5,14 % : het maandelijks bedrag van de voorschotten zal verminderd worden met 5 %.
    1. Indien de bestaansmiddelen € 12.290,05 bedragen, overschrijden deze het maximaal bedrag van de bestaansmiddelen met 8,58 % : het maandelijks bedrag van de voorschotten zal verminderd worden met 9 %.
    1. Indien de bestaansmiddelen € 13.500,00 bedragen, overschrijden deze het maximaal bedrag van de bestaansmiddelen met 19,28 % : er is geen recht op voorschotten.

    b)Ieder kind

    • dat recht heeft op onderhoudsgeld:

    ü      ten laste van zijn vader, moeder of onderhoudsplichtige man tegenover wie zijn afstamming van vaderszijde niet vaststaat;

    ü      ongeacht of de onderhoudsplichtige in België of in het buitenland verblijft (bekend of onbekend adres), krachtens een voorlopige of definitieve uitspraak die uitvoerbaar is of krachtens een overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed van de ouders door onderlinge toestemming, na inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

    • en dat het onderhoudsgeld niet of slechts gedeeltelijk heeft ontvangen:

    ü      gedurende ten minste twee al dan niet opeenvolgende termijnen in de loop van de 12 maanden die de aanvraag voorafgaan;

    ü      het is voldoende dat het onderhoudsgeld niet werd betaald; men moet niet bewijzen dat men vruchteloze pogingen heeft ondernomen om de betaling te bekomen.

     

           

     

    3.  Bedrag van het voorschot?

    •  Principe: het bedrag van het verschuldigd onderhoudsgeld, aangepast aan het indexcijfer, als dat bij rechterlijke uitspraak aldus werd bepaald, met een maximum van € 125,00 per maand / per kind.
    • Indien het onderhoudsgeld gedeeltelijk werd betaald: het verschil tussen het bedrag van het onderhoudsgeld, beperkt tot € 125,00 per maand, en het effectief ontvangen bedrag, met een minimum van € 10,00 per maand.

    Het O.C.M.W. kan niet oordelen of beslissen om een bedrag toe te kennen dat lager is dan het verschuldigd bedrag.

    1)      Vb:  Het onderhoudsgeld bedraagt € 75,00 per maand en de onderhoudsplichtige vader of moeder heeft reeds € 50,00 betaald: het O.C.M.W. betaalt € 25,00.

    Indien de vader of de moeder reeds € 67,00 betaald heeft, keert het O.C.M.W. niets uit.

    Indien de maximale bestaansmiddelen met 5 % worden overschreden, zal het O.C.M.W. € 23,75 moeten betalen i.p.v. € 25,00.

    2)      Vb: Het onderhoudsgeld bedraagt € 125,00 per maand en de onderhoudsplichtige vader of moeder heeft € 15,00 betaald: het O.C.M.W. betaalt € 110,00.

    Indien de onderhoudsplichtige vader of moeder reeds € 75,00 heeft betaald, betaalt  het O.C.M.W. € 50,00.

    Indien de onderhoudsplichtige vader of moeder reeds € 116,00 heeft betaald, betaalt het O.C.M.W. niets uit.

    Indien de maximale bestaansmiddelen met 9 % overschreden worden, zal het O.C.M.W. € 100,10 moeten betalen i.p.v. € 110,00 en € 45,50 i.p.v. € 50,00.

     

           

     

    4.  Welk O.C.M.W.?

    In het algemeen, het O.C.M.W. van de gemeente waar effectief verblijft:

    • De vader of de moeder die geen onderhoudsgeld verschuldigd is, indien hij of zij met het kind samenwoont;
    • Het kind zelf, indien het niet met de bedoelde ouder samenwoont, m.a.w.:

    ü      Indien het kind alleen woont;

    ü      Indien het samenwoont met een of meer andere personen dan de ouder die geen onderhoudsgeld verschuldigd is.

    • “effectief verblijven” betekent “zich gewoonlijk en effectief bevinden” :  het gaat dus niet noodzakelijk om de gemeente waar de betrokkene ingeschreven is in het bevolkings- of vreemdelingenregister.

     

           

     

    5.  Hoe wordt het voorschot toegekend?

    • Hetzij door een aanvraag in te dienen: (men moet de aanvraag indienen per kind)

    ü      Door zich bij het O.C.M.W. aan te melden;

    ü      Door het O.C.M.W. aan te schrijven.

    • Hetzij op eigen initiatief van het O.C.M.W.

    Het O.C.M.W. moet :

    ü      De aanvraag in een bijzonder register inschrijven, ondertekend door de aanvrager;

    ü      Een ontvangstbewijs overhandigen of sturen aan de aanvrager;

    ü      De aanvraag binnen 3 dagen bezorgen aan het bevoegde O.C.M.W. indien het zelf niet, of niet meer, bevoegd is en de aanvrager daarvan op de hoogte brengen.

     

           

     

    6.  Wie kan een aanvraag indienen?

    Het kind is geen 18 jaar en is niet ontvoogd

    • In principe, de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, zijnde de vader of de moeder die het kind effectief onder zijn bewaring heeft en die de goederen beheert of de voogd.
    • Het kind zelf, indien de wettelijke vertegenwoordiger nalaat zijn rechter te doen gelden.

    Het kind is ouder dan 18 jaar en jonger dan 25 jaar of het kind is minderjarig en ontvoogd

    • Het kind zelf.

     

           

     

    7.  Welke inlichtingen moeten worden verstrekt?

    • De betaalde en niet – betaalde onderhoudsgelden van de voorafgaande twaalf maanden en vooral: de twee niet – betaalde of gedeeltelijke betaalde termijnen.
    • De identiteit en de bestaansmiddelen van:

    ü      Het kind

    • De beschrijving van de bestaansmiddelen

    ü      van de niet – onderhoudsplichtige vader of moeder, die met het kind samenwoont;

    ü      van het kind, alleen wanneer het meerderjarig is en niet met de niet – onderhoudsplichtige ouder samenwoont.

    • De identiteit, het adres en de financiële toestand van de vader, de moeder of de persoon die het onderhoudsgeld verschuldigd is.
    • De machtiging om de bestaansmiddelen na te zien bij de administratie van Financiën of bij overheidsbesturen.
    • Een afschrift van de rechterlijke uitspraak waarbij één van de ouders of een persoon verplicht wordt tot het betalen van onderhoudsgeld;

    Of:

    • Een afschrift van de tussen de ouders getekende overeenkomst waarin de verplichting         tot betaling van een onderhoudsgeld voor het kind is vermeld, met het bewijs van de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheiding of van de scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming.
    • Het O.C.M.W. moet een onderzoek instellen naar de bestaansmiddelen van het kind en van de niet – onderhoudsplichtige vader of moeder die met het kind samenwoont; het O.C.M.W. kan daartoe alle nodige inlichtingen aanvragen bij de Administratie van Financiën en elk ander openbaar bestuur of elke andere openbare instelling belast met een opdracht van openbaar nut.
    • Het O.C.M.W. moet de aanvrager horen indien deze laatste het wenst. De aanvrager kan zich laten bijstaan door een advocaat.

     

           

     

    8.  Welke beslissing zal het O.C.M.W. nemen?

    • Het O.C.M.W. moet uitspraak doen binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag.
    • Het O.C.M.W. kan :

    ü      De aanvraag verwerpen omdat men aan één of meer voorwaarden niet voldoet;

    ü      Een voorschot toekennen voor een termijn van onderhoudsgeld;

    ü      Een voorschot toekennen voor verscheidene vastgestelde en opeenvolgende termijnen van onderhoudsgelden.

    • Het O.C.M.W. moet in zijn beslissing aan de onderhoudsgerechtigde bepalen:

    ü      De termijn of termijnen waarvoor het voorschot verleent;

    ü      Het bedrag van het toegekende voorschot;

    ü      De datum van betaling van het voorschot of van de voorschotten.

    • Het O.C.M.W. moet die beslissing (toekenning of weigering) binnen acht dagen bij aangetekend schrijven aan de onderhoudsgerechtigde meedelen. Het O.C.M.W. moet het adres vermelden van de arbeidsrechtbank, waarbij een beroep tegen de genomen beslissing kan worden ingesteld.
    • De beslissing heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de termijn waarin het voorschot werd aangevraagd.

    Vb: Het onderhoudsgeld voor januari moet op 1 januari betaald zijn. Een voorschot op dat onderhoudsgeld wordt op 15 januari aan het O.C.M.W. gevraagd. De beslissing van het O.C.M.W geldt vanaf 1 januari.

    • Nadien kan het O.C.M.W zijn beslissing ambtshalve herzien of op verklaring van de betrokkene, indien het kennis heeft van een nieuw gegeven.
    • Het O.C.M.W. kan een einde maken aan zijn tegemoetkoming:

    ü      Indien de gestelde voorwaarden niet meer vervuld zijn;

    ü      Of indien de onderhoudsplichtige vader, moeder of persoon dat onderhoudsgeld gedurende ten minste vier opeenvolgende termijnen, tijdig aan het O.C.M.W. heeft terugbetaald.

    • De aanvrager kan, van zijn kant, afstand doen van de hulp van het centrum. Dit geldt vanaf de termijn die volgt op de afstand.

    Hoe?

    ü      Mondeling: door zich aan te melden bij het O.C.M.W.

    ü      Schriftelijk: in dat geval zal het O.C.M.W. de betrokkene oproepen om de redenen van de afstand te vernemen.

     

     

           

     

    9.  Hoe wordt het voorschot betaald?

    • Op een vaste datum.
    • Met een postassignatie die thuis wordt afgegeven, met een circulaire cheque of door overschrijving.
    • Zonder afhouding van administratiekosten.

     

           

     

    10.  Aan wie wordt het voorschot betaald?

    • Het is altijd de niet-onderhoudsplichtige ouder die het voorschot blijft ontvangen, zelfs als het kind meerderjarig is. (vb: uitspraak echtscheiding)
    • Het voorschot wordt aan het kind zelf betaald, op voorwaarde dat dit recht hem bij een nieuwe rechterlijke uitspraak wordt toegekend.
    • Aan het kind dat zelf de aanvraag geldig indient.

     

           

     

    11.  Hoe kan men in beroep gaan tegen de beslissing van het O.C.M.W.?

    • Bij de arbeidsrechtbank van de woonplaats van de betrokkene.
    • In hoger beroep bij het arbeidshof.

     

           

     

    12.  Het O.C.M.W. moet het onderhoudsgeld invorderen

    Het O.C.M.W. dat een voorschot heeft toegekend, is verplicht het volledige bedrag in te vorderen dat door de vader, moeder of andere persoon verschuldigd is.

    12.1 Beperking van de invordering

    Het O.C.M.W mag het onderhoudgeld niet invorderen indien de onderhoudsplichtige vader, moeder of andere persoon:

    • Het leefloon geniet of als zijn bestaansmiddelen lager zijn dan het leefloon;
    • Na de invordering, nog slechts zou beschikken over bestaansmiddelen die lager liggen dan het leefloon waarop hij volgens zijn categorie aanspraak zou kunnen maken.

    De wetgever wilde hiermee vermijden dat het armoedeprobleem wordt verschoven van de onderhoudsgerechtigde naar de onderhoudsplichtige. Wel kan het O.C.M.W. de verleende voorschotten toch nog invorderen wanneer de inkomenstoestand van de nalatige ouder verbetert, behalve indien inmiddels voor de desbetreffende voorschotten de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken.

    De onderhoudsplichtige is inzake de voorschottenregeling dus beter af dan in de gemeenrechtelijke uitvoeringsprocedures, waar zijn minimale bestaansmiddelen niet worden ontzien: om de onderhoudsschuldeiser te beschermen, zijn de beslag – en overdrachtsbeperkingen uit de artikelen 1409, 1409 bis en 1410 Ger.W. immers niet van toepassing wanneer het beslag wordt gelegd voor onderhoudsgelden.

    12.2 Grenzen van de rechten van het kind

    Indien het O.C.M.W. een voorschot verleent, kan het kind de betaling van het door zijn vader, moeder of andere persoon verschuldigde onderhoudsgeld niet meer eisen.

     

    Alleen het O.C.M.W. is daartoe nog gemachtigd en dit voor de termijn waarvoor het centrum een voorschot heeft toegekend. Het kind kan alleen achterstallig onderhoudsgeld eisen dat nog niet betaald was voordat het O.C.M.W. de voorschotten toekende.

    12.3 Invordering van het onderhoudsgeld

    • Als het O.C.M.W. beslist een voorschot op een voor een kind verschuldigd onderhoudsgeld toe te kennen, keert het O.C.M.W. zich binnen 5 werkdagen tegen de onderhoudsplichtige ouder of persoon die bij aangetekende brief wordt aangemaand om te betalen.

    Dezelfde brief vermeldt ook dat de betaling enkel en alleen aan het O.C.M.W. moet gebeuren en niet aan het kind of aan de persoon die zijn goederen beheert.

    De aangetekende brief vermeldt:

    - De termijn waarvoor een voorschot werd toegekend, alsook het bedrag;

    - De administratiekosten (maximum 10 % van het hoofdbedrag);

    - De verwijlintresten (tegen de wettelijke rentevoet) vanaf de aanmaning indien de  

      onderhoudsplichtige niet op de in de uitspraak of overeenkomst vastgestelde datum betaalt.

    • Indien de onderhoudsgerechtigde het recht heeft bekomen om het onderhoudsgeld rechtstreeks te vorderen op de inkomsten van de onderhoudsplichtige ouder, kan het O.C.M.W. zich bij aangetekende schrijven (vb: inhouding op het loon) rechtstreeks wenden tot de persoon die bedoelde inkomsten betalen (werkgever, kinderbijslagfonds, ziekenfonds, pensioenfonds,…) om zich te laten terugbetalen.
    • Het O.C.M.W. kan alle nuttige inlichtingen over de inkomsten van de onderhoudsplichtige ouder of persoon aanvragen, hetzij bij de  belastingscontroleur of bij de ontvanger van de Registratie, hetzij bij ieder ander overheidsbestuur of openbare instelling belast met een taak van openbar nut (vb: ziekenfonds).

    Het O.C.M.W. kan ook aan de vrederechter vragen elke particuliere persoon te bevelen alle nodige gegevens mee te delen over de inkomsten en goederen van de onderhoudsplichtige ouder of persoon (vb: een werkgever).

    • Het O.C.M.W. kan het dossier toesturen aan de Administratie van Financiën die de bedragen in de plaats van het O.C.M.W. zelf zal invorderen.
    • Binnen de 30 dagen na ontvangst van de betaling wordt het verschil tussen het ingevorderde onderhoudsgeld en het voorschot uitgekeerd aan het kind of aan de persoon die de goederen van het kinderen beheert.

    Vb: € 150,00 onderhoudsgeld, waarvan het voorschot € 125,00 bedraagt. Het O.C.M.W. zal het aan het kind nog verschuldigde bedrag van € 25,00 storten, zodra de onderhoudsplichtige het onderhoudsgeld aan het O.C.M.W. heeft terug betaald.

    • Het O.C.M.W. behoudt:

    ü      Het bedrag dat overeenstemt met de gemaakte administratiekosten;

    ü      Het bedrag van de verwijlintresten;

    ü      Het bedrag dat overeenstemt met het voorschot.

    • Indien het O.C.M.W. zijn tegemoetkoming beëindigt, deelt het centrum die beslissing, bij aangetekend schrijven mee aan :

    ü       Het kind dat een beroep deed op het centrum (of zijn wettelijke vertegenwoordiger);

    ü      De onderhoudsplichtige ouder of persoon;

    ü      Eventueel de persoon die de inkomsten van deze ouder betaalt indien het O.C.M.W. zich rechtstreeks tot bedoelde persoon heeft gewend (vb: de werkgever).

     

           

     

    DEEL 4 : De rechtspleging inzake onderhoudsgelden

     

     

    Hoofdstuk 1 : Algemeen

    1.  Situering

    Ingeval een onderhoudsplichtige niet vrijwillig zijn onderhoudsplicht voldoet, kan de onderhoudsgerechtigde zich tot de bevoegde rechter wenden om een veroordeling van de onderhoudsplichtige te bekomen.

           

     

    2.  Bevoegde rechtbank

    In beginsel is de vrederechter bevoegd voor onderhoudsgeschillen (art. 591, 7° Ger.W.).

    Voor een aantal specifieke onderhoudsverbintenissen zijn andere rechters bevoegd:

    • Tijdens de echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om in het kader van de voorlopige maatregelen een onderhoudsuitkering toe te staan (art. 1280 Ger.W.).
    • Voor de onderhoudsvordering van het buitenhuwelijkse kind tegen de verwekker is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg resp. de burgerlijke rechtbank bevoegd (art. 338 B.W.).
    • In het kader van de echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten is de burgerlijke rechtbank bevoegd om uitspraak te doen over de uitkering die verschuldigd kan zijn na echtscheiding. Nadat de echtscheiding definitief is geworden, is opnieuw de vrederechter bevoegd voor alimentatie tussen ex – echtgenoten.
    • Ten slotte is de jeugdrechtbank bevoegd inzake een onderhoudsvordering voor minderjarige kinderen indien er samenhang is met een vordering inzake de uitoefening van het gezag over de persoon (art. 556 – 565, 2de lid, 2° Ger.W.).

           

     

    3.  Wijze van uitvoering van de onderhoudsverbintenis

    3.1 Onderhoudsuitkering

    Ingeval van gerechtelijke verwezenlijking van de onderhoudsplicht bestaat de gewone wijze van uitvoering van de verbintenis in de – periodieke – betaling van een geldsom.

    De rechter bepaalt de periodiciteit van de betalingen; doorgaans gaat het om maandelijkse uitkeringen.

    Deze periodieke betaling van een geldsom noemt met een onderhoudsuitkering of onderhoudsgeld.

    De rechter bepaalt vrij de andere modaliteiten van de onderhoudsuitkering.

    De betaling van de onderhoudsuitkering moet gedaan worden op de woonplaats van de onderhoudsschuldenaar (art. 1247, 2de lid B.W.), tenzij de rechter een andere beslissing genomen had.

    Er gebeurt geen automatische indexering van de door de rechter toegekende onderhoudsuitkering, behalve in het specifieke geval van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van bepaalde feiten (art. 301, § 2 B.W.).

    De rechter kan wel een aanpassing van het bedrag van de onderhoudsuitkering aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen (of van een ander indexcijfer) bevelen, hetgeen doorgaans het geval is.

    3.2 Uitvoering in natura

    In twee gevallen kan de rechter uitvoering van de onderhoudsverbintenis in natura bevelen:

    1)      Ingeval de onderhoudsplichtige aantoont dat hij geen onderhoudsuitkering kan betalen, kan de rechter, met inachtneming van de omstandigheden, bevelen dat hij zijn onderhoudsgerechtigd familielid bij zich in huis zal nemen en hem aldaar kost en onderhoud zal verschaffen (art. 210 B.W.). De uitvoering in natura kan worden bevolen ook al biedt de onderhoudsplichtige die niet aan.

                De rechter beschikt alleen over deze mogelijkheid met betrekking tot de onderhouds-  

                plicht tussen ouders en niet – zelfstandige kinderen en met betrekking tot de

                onderhoudsplicht tussen verwanten en aanverwanten. In de praktijk komt dit uiterst

                zelden voor.

    2)      Ingeval de ouders door hun (al dan niet zelfstandig) kind aangesproken worden voor een onderhoudsuitkering, kunnen zij aanbieden hun kind bij zich in huis te nemen en het daar kost en onderhoud te verschaffen, zonder dat zij moeten aantonen dat zij hun verplichting niet in geld kunnen nakomen (art. 211 B.W).

    Het kind kan alleen op grond van ernstige redenen (vb: zeer slechte verstandhouding)

    het aanbod van zijn ouders weigeren. Ook hier heeft de rechter een grote beoordelingsmarge.

    3.3 Omzetting in kapitaal

    In beginsel bestaat er in het alimentatierecht geen mogelijkheid om de door de onderhoudsplichtige verschuldigde periodieke onderhoudsuitkering te vervangen door de eenmalige uitbetaling van een kapitaal.

    De wet laat dit uitzonderlijk wel toe, nl. met betrekking tot de uitkering na echtscheiding op grond van fouten en op grond van gewone feitelijke scheiding (art. 301, § 5 B.W).

     

           

     

    4.  Vatbaarheid voor wijziging

    Een door de rechter vastgestelde onderhoudsuitkering of een opgelegde sommendelegatie kan in geval van wijzigingen in de financiële positie van de onderhoudsplichtige of van de onderhoudsgerechtigde, op elk ogenblik herzien worden.

    In functie van de gewijzigde omstandigheden kan de onderhoudsuitkering of de sommendelegatie verhoogd, verlaagd of afgeschaft worden.

    Een door de rechter vastgestelde onderhoudsuitkering kan retroactief gewijzigd (opgeheven, verminderd of vermeerderd) worden[43].

    De onderhoudsuitkering ten laste van een nalatenschap kan uit de aard der zaak niet verhoogd, maar alleen verminderd of opgeheven worden.

     

           

     

    5.  Handhavingrecht

    5.1 Gedwongen tenuitvoerlegging

    Ingeval een onderhoudsuitkering werd toegekend door de rechter, kan ingeval de onderhoudsplichtige niet vrijwillig betaalt, de onderhoudsgerechtigde overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest op de goederen van de onderhoudsschuldenaar.

    De onderhoudsschuld is een gewone schuld.

    Nochtans zijn de beperkingen die gelden op de overdracht en het beslag van loon en sociale uitkeringen (art. 1409-1410 Ger.W) niet van toepassing ingeval de overdracht of het beslag verricht wordt ten titel van een onderhoudsuitkering of van een sommendelegatie.

    (art. 1412, 1ste lid Ger.W.).

    5.2 Strafsancties

    De onderhoudsplichtige die gedurende meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft om een door een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke uitspraak toegekende onderhoudsuitkering te betalen, begaat het misdrijf van familieverlating.

    Hetzelfde geldt voor de onderhoudsplichtige die vrijwillig nalaat gedurende meer dan twee maanden de onderhoudsuitkering te betalen voor de gemeenschappelijke kinderen (en zelfs de conventionele onderhoudsuitkering tussen ex – echtgenoten) zoals bepaald in de familierechtelijke overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming (art. 391 bis, 1ste – 2de lid Sw.).

    Ook de onderhoudsplichtige die zich vrijwillig onttrekt aan de gevolgen van een in kracht van gewijsde getreden ontvangstmachtiging, begaat het misdrijf van familieverlating

    (art. 391, 3de lid Sw.).

     

     

           

     

    Hoofdstuk 2 : De bijzondere rechtspleging inzake uitkeringen tot levensonderhoud

    (art. 1320 – 1322 Ger.)

    1.  Algemeen 

    De rechtspleging voorzien in de artikelen 1320 e.v. Ger.W. is toepasselijk op alle vorderingen tot toekenning, verhoging, verlaging of afschaffing van de onderhoudsuitkering. De vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde onderhoudsgelden moet daarentegen worden ingeleid en behandeld volgens de gemeenrechtelijke regels. Ook eventuele geschillen betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen of akten waarin de onderhoudsverplichting werd vastgesteld, vallen buiten het toepassingsgebied van de bijzondere rechtspleging inzake de uitkeringen tot levensonderhoud. 

           

     

    2.  De inleiding van de vordering 

    2.1 Algemene regel : Inleiding bij verzoekschrift 

    a) Algemeen 

    De vorderingen tot toekenning, wijziging of afschaffing van de uitkering tot levensonderhoud kan worden ingesteld bij een verzoekschrift (art. 1320 Ger.W.). Het gaat over een verzoekschrift op tegenspraak, zodat de artikelen 1034 bis tot 1034 sexies Ger.W. cumulatief moeten worden toegepast, in zoverre de artikelen 1320 tot 1322 Ger.W. van deze bepalingen niet afwijken. 

    In afwijking van art. 1034 quinqies Ger.W. moet het verzoekschrift door de eiser persoonlijk of door zijn advocaat aan de rechter worden voorgelegd (art. 1320 in fine Ger.W.). De persoonlijke overhandiging is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, zodat deze sanctie niet kan worden uitgesproken (art. 860,1ste lid Ger.W.)[44]. 

    b) Vereisten waaraan het verzoekschrift moet voldoen 

    Het inleidende verzoekschrift moet op straffe van nietigheid de vermeldingen bevatten die worden opgesomd in art. 1034 ter Ger.W. 

    Eveneens op straffe van nietigheid moet bij dit verzoekschrift een getuigschrift van woonst worden gevoegd van de personen die moeten worden opgeroepen (art. 1034 quater Ger.W.).

     

    2.2 Mogelijkheid om de vordering op een andere wijze in te leiden 

    a) Bij dagvaarding 

    De meerkost van de dagvaarding mag evenwel niet zonder meer ten laste worden gelegd van de verwerende partij. Op de procespartijen rust immers de verplichting om zich te onthouden van nutteloze gerechtskosten. Aangezien art. 1320 Ger.W. toelaat om de onderhoudsvordering in te leiden bij verzoekschrift, mag de eisende partij niet zonder gegronde reden kiezen voor een dagvaarding. Op grond van artikel 1017, 1ste lid Ger.W. en art. 1382 B.W. kan de eisende partij dan ook in voorkomend geval worden verwezen in de overbodige dagvaardingskosten, zelfs indien zij volledig in het gelijk werd gesteld[45].

    b) Bij vrijwillige verschijning 

    Het verzoekschrift kan vanzelfsprekend ook steeds worden vervangen door een vrijwillige verschijning (art. 706 Ger.W.)[46]. 

     

           

     

    3.  Behandeling van de zaak en de uitspraak

     

    3.1 De oproeping 

    a) De wijze  

    De rechter bepaalt een zitting waartoe de griffier de verweerder binnen de gewone termijn van verschijning bij gerechtsbrief oproept. Dit is het geval wanneer het verzoek kennelijk ongegrond is. 

    De oproeping vermeld de naam, voornaam, het beroep en de woonplaats van de eiser, het onderwerp en het bedrag van de vordering (art. 1321 Ger.W.).

    Deze vermeldingen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, zodat het ontbreken van vb. de identiteitsgegevens van de eiser, of het bedrag van de vordering niet kan leiden tot de nietigheid van de oproeping.  

    b) De termijn  

    De verweerder wordt bij gerechtsbrief opgeroepen binnen de gewone termijn van dagvaarding (art. 1321 Ger.W.). Deze termijn bedraagt 8 dagen (art. 707 Ger.W.) en wordt berekend volgend de artikelen 52 en 53 Ger.W.[47] 

    De gewone termijn van dagvaarding is een wachttermijn, zodat de verweerder niet verplicht kan worden om te verschijnen voor het verschijnen ervan. Het is met andere woorden vereist dat er vanaf de dag na de verzending van de gerechtsbrief ten minste 8 dagen verstreken zijn vóór de zitting waarop de verweerder moet  verschijnen[48]. Bijgevolg kan de zitting waartoe de verweerder wordt opgeroepen, slechts ten vroegste worden bepaald op de negende dag na de verzending van de gerechtsbrief. 

    De termijn van dagvaarding is voorgeschreven op straffe van nietigheid, die door de verwerende partij zelfs kan worden opgeworpen zonder dat enige belangenschade moet worden aangetoond (art. 710 j° 862, § 2, 1° Ger.W.).

     

    3.2 De toepassing van de gewone regels betreffende het geding 

    Voor het overige zijn de gemeenrechtelijke regels van het geding van toepassing op de procedure inzake de uitkeringen tot levensonderhoud (art. 1322 Ger.W.). Zo beschikken de partijen over de gewone termijnen om te besluiten. De behandeling gebeurt in openbare zitting. 

    Wat de veroordeling tot de gerechtskosten betreft, dient te worden gewezen op art. 1017, 3de lid Ger.W. dat bepaalt dat de gerechtskosten kunnen worden omgeslagen over de echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broers en zussen of aanverwanten in dezelfde graad zoals de rechter het raadzaam oordeelt. Deze bepaling kan bij uitstek worden toegepast in geschillen omtrent onderhoudsuitkeringen tussen de genoemde personen. 

    3.3 Geen uitvoerbaarheid bij voorraad 

    De vonnissen of arresten die worden gewezen in het kader van de bijzondere procedure inzake de uitkeringen tot levensonderhoud zijn niet van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad. Noch de artikelen 1320 e.v. Ger.W., noch de gemeenrechtelijke bepalingen inzake het tegensprekelijk verzoekschrift wijken af van de gewone beginselen inzake de uitvoerbaarheid. 

    De veroordeling tot betaling van een onderhoudsgeld kan bijgevolg slechts worden ten uitvoer gelegd nadat het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is getreden (art. 1495, 2de lid Ger.W.). Aangezien de rechter de uitvoerbaarheid bij voorraad slechts mag bevelen op uitdrukkelijke vordering van één van de partijen, dient de raadsman van de onderhoudsschuldeiser hieraan bijzondere aandacht te besteden om elke vertraging in de uitvoering van het alimentatievonnis te proberen te vermijden. 

     

           

     

    4.  De rechtsmiddelen

     4.1 De termijnen voor verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie 

    De termijnen van hoger beroep of verzet bedragen één maand vanaf de betekening van het vonnis. Deze termijnen kunnen overeenkomstig art. 50, 2de lid Ger.W. worden verlengd indien zij binnen de gerechtelijke vakantie beginnen te lopen en ook verstrijken. 

    De cassatietermijn bedraagt drie maanden en begint te lopen vanaf de betekening van het vonnis. Uit de artikelen 1320 en 1321 Ger.W. kan immers geen impliciete afwijking van art. 1073 Ger.W. worden afgeleid. 

    4.2 Verzet 

    Omdat de artikelen 1320-1322 Ger.W. geen afwijking inhouden van art. 1047, 1ste lid Ger.W., is verzet mogelijk tegen een verstekvonnis.

    Het verzet mag niet worden ingeleid bij verzoekschrift, maar bij dagvaarding (art. 1322 j° 1047, 2de lid Ger.W.). 

    4.3    Hoger beroep 

    Het hoger beroep tegen een vonnis dat inzake onderhoudsgelden in eerste aanleg is gewezen, wordt ingeleid en behandeld volgens de gemeenrechtelijke regels[49]. 

    4.4    Voorziening in cassatie 

    Ook op de voorziening in cassatie zijn de normale regels van het geding van toepassing.

     

           

     

    Hoofdstuk 3 : De procesrechtelijke aspecten van de vordering tot levensonderhoud tegen de verwekker

    1.  Algemeen

    De procedureregels van art. 1320 e.v. Ger.W. zijn ook van toepassing op de geschillen betreffende de onderhoudsvordering tegen de vermoedelijke verwekker. 

     

           

     

    2.  De oorspronkelijke vaststelling van de onderhoudsuitkering

    Bij de oorspronkelijke vaststelling van de onderhoudsuitkering verloopt de rechtspleging in volgende fase: 

    De fase tot minnelijke schikking wordt ingeleid bij verzoekschrift dat een beknopte weergave van de feiten bevat en wordt vergezeld van de eventuele bewijsstukken (art. 338, §1, 1ste lid B.W.).

    • In elk geval dient bij het verzoekschrift een afschrift van de geboorteakte van het kind te worden gevoegd, ook een getuigschrift van woonplaats van de verwerende man (art. 1034 quater Ger.W.).
    • De partijen worden bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen in raadkamer voor de voorzitter van de rechtbank op een dan en uur die de voorzitter bepaalt (art. 338, § 1, 2de lid B.W.). Deze oproeping gebeurt volgens art. 1034 sexies en 1321 Ger.W. Dit houdt onder meer in dat de gewone termijn van dagvaarding in acht moet worden genomen.
    • Indien de verweerder op de verzoeningszitting het bestaan erkent van de geslachtsgemeenschap die tot grondslag dient van de vordering en de partijen het eens zijn over het bedrag van de uitkering, wordt hier een proces – verbaal van opgesteld (art. 338, § 2, 1ste lid Ger.W.).
    • Zijn de partijen het niet eens of verschijnen zij niet, geeft de voorzitter een beschikking waarbij hij de partijen naar de rechtbank verwijst (art. 338, §2, 2de lid Ger.W.)

     

           

     

    3.  De wijziging van de onderhoudsuitkering

    Ook deze vordering kan volgens art. 1320 Ger.W. worden ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift[50]. De voorafgaande fase voor de voorzitter moet niet meer gevolgd worden. De vordering tot wijziging wordt onmiddellijk aanhangig gemaakt bij de burgerlijke rechtbank.

     

           

     

    Hoofdstuk 4 : De procesrechtelijke aspecten van de onderhoudsvorderingen tegen de nalatenschap

    De vorderingen tot levensonderhoud ten laste van de nalatenschap moeten worden gevorderd binnen het jaar na het overlijden (art. 205 bis, § 5 B.W.).

    Het gaat om een vervaltermijn, waarbinnen de vordering in rechte moet zijn ingesteld[51]. De termijn van één jaar is dus niet vatbaar voor schorsing of stuiting. Enkel in geval van overmacht kan hij worden verlengd.

    De vervaltermijn van één jaar geldt ook niet voor de onderhoudsvordering van de pupil tegen de nalatenschap van de pleegvoogd, noch voor de onderhoudsvordering tegen de nalatenschap van de verwekker.

    Voor het overige gelden de procedureregels van art. 1320 e.v. Ger.W. Dit betekent dat de onderhoudsvorderingen tegen de nalatenschap kunnen worden ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift.

     

           

     

    Hoofdstuk 5:  Sommendelegatie[52]

     

    1.  Toepassingsgevallen

     De sommendelegatie (= inkomensdelegatie) is mogelijk ten aanzien van de beschikkingen en vonnissen met betrekking tot de verplichtingen die voortvloeien uit: 

    1)      Artikel 203 B.W.:

    ·        De verplichting tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de ouders;

    ·        De verplichting van de langstlevende echtgenoot ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden echtgenoot;

    2)      Artikel 205 B.W.: het levensonderhoud verschuldigd door kinderen aan hun ouders en andere bloedverwanten in opgaande lijn;

    3)      Artikel 207 B.W.: de wederkerige algemene verplichting van  levensonderhoud verschuldigd door de ouders en bloedverwanten in opgaande lijn aan hun kinderen en kleinkinderen;

    4)      Artikel 336 B.W.: de uitkering voor levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding toegekend aan het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat ten laste van degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad;

     

           

     

    2.  De aard

     De sommendelegatie is een lastgeving via gerechtelijke weg: de rechter verleent aan de begunstigde het recht om de inkomsten van de schuldenaar en alle andere geldsommen die aan deze laatste toekomen te ontvangen.

    Omdat een sommendelegatie ten voordele van de delegataris geen schuldvordering doet ontstaan, kan er van achterstallige schulden geen sprake zijn.

    Een sommendelegatie kan niet met terugwerkende kracht, voor het verleden, verleend worden, maar alleen voor de toekomst.

    De sommendelegatie is een uitvoeringsmodaliteit en kan dus cumulatief met de onderhoudsuitkering uitgesproken worden bij toepassing van de artikelen 301 bis B.W. en 1280, 5de lid Ger.W.

     

           

     

    3.  Het voorwerp

     Deze maatregel kan betrekking hebben op:

    1)      De inkomsten van de delegataris: beroepsinkomen, loonvervangende inkomsten zoals pensioen, werkloosheidsuitkeringen, vergoedingen wegens verbreking van arbeidsovereenkomsten, vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid;

    2)      De inkomsten uit goederen en rekeningen: huishuren, interesten van spaarinleggen en opbrengsten van aandelen en obligaties;

    3)      Of iedere hem verschuldigde geldsom: hieronder vallen zowel periodieke uitkeringen als kapitalen, toekomstige als tegenwoordige schuldvorderingen, vergoedingen en belegde geldsommen

     

           

    4.  De procedure

     De vordering wordt ingeleid bij verzoekschrift. Voor de vrederechter kan dat verzoek mondeling gedaan worden: in dat geval wordt er een proces – verbaal van opgemaakt door de griffier. De bepalingen van de artikelen 1026 tot 1034 Ger.W. zijn van toepassing: dit zijn de bepalingen van de rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift die eigenlijk behoren tot de willige rechtspraak.

     De rechter doet de partijen door de griffier oproepen in raadkamer. De oproeping gebeurt bij aangetekende gerechtsbrief (art. 1028 Ger.W.) om zekerheid te hebben omtrent het bereiken van de procesvoerende partijen. De verzoeker moet een getuigschrift van woonplaats overleggen. In de oproeping wordt het voorwerp van de betwisting kenbaar gemaakt. De rechter doet een poging zodat de partijen zich met elkaar zouden verzoenen:

    • Wordt er een akkoord bereikt bij de verzoening, dan wordt dit vastgesteld door de rechter in een beschikking en niet in een proces – verbaal.
    • Bij ontstentenis van akkoord wordt de beschikking – vonnis gewezen binnen de 15 dagen na de indiening van het verzoek; met die termijn beklemtoont de wetgever het spoedeisend karakter van de beschikking. Niet – naleving ervan wordt niet gesanctioneerd. Dit zal moeilijker zijn omdat de griffier de termijn van verschijning van 8 dagen (art. 780 Ger.W) in acht moet nemen.
    • De griffier geeft kennis van de beschikking aan de partijen binnen de 3 dagen (art. 1253 quater b en artikel 1030 Ger.W.). Aan de derde geeft hij er slechts kennis aan ingeval de eiser dit wilt.
    • De kennisgeving aan een derde – schuldenaar vermeldt naast zijn naam wat deze moet betalen. De derde – schuldenaar die niettegenstaande de kennisgeving toch aan de echtgenoot – verweerder de sommen betaalt die het voorwerp zijn van de delegatie is hiervoor niet bevoegd: deze betaling is de echtgenoot – eiser niet tegenstelbaar zodat de derde – schuldenaar tot een nieuwe betaling moet overgaan, met mogelijk verhaal op de echtgenoot – verweerder.

     

           

     

    5.  De rechtsmiddelen tegen deze beschikking

     Overeenkomstig artikel 1029, 2de lid Ger.W. is de beschikking in regel uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of beroep:

     

    1)      Indien de beschikking bij verstek is gewezen, kan de partij die niet verschenen is binnen een maand na kennisgeving door de gerechtsbrief verzet doen bij verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank die de beschikking heeft gewezen.

    2)      De beschikking is vatbaar voor hoger beroep ongeacht het bedrag van de eis. Het beroep wordt bij verzoekschrift ingesteld binnen een maand na kennisgeving. Door het beroep wordt het geheel van de situatie opnieuw overlegd. In beroep moeten dezelfde bijzonder procesvormen gevolgd worden.

    3)      Elk van de echtgenoten kan altijd wijziging of intrekking vorderen van de beschikking, het vonnis of het arrest. Die wijziging of de intrekking kan gevraagd worden wegens de verandering van de geldelijke situatie van de ene of de andere partij of van beide doch ook op grond van de gewijzigde persoonlijke verhoudingen.

    4)      Derdenverzet is mogelijk.

     

           

     

    6.  De informatie van de rechter

     

    Een bijzonder regeling voor de informatie van de rechter wordt vastgesteld in art. 1253 quinquies Ger.W.

     De bijzondere aspecten zijn: 

    1)      De rechter moet in zijn beschikking het bedrag van de machtiging, de voorwaarden en grenzen waaronder hij ze toestaat vaststellen. In het gemeen recht moet de eiser de juistheid van het gevorderde bedrag bewijzen. Dit is vaak moeilijk. Daarom heeft de wetgever een initiatiefrecht aan de rechter gegeven. Het geeft de rechter de mogelijkheid om zelf de inlichtingen te doen overleggen die hem moeten toelaten met kennis van zaken te oordelen over de eis tot machtiging. De partijen moeten, op vraag van de rechter, alle inlichtingen verstrekken waaruit het bedrag van hun inkomsten en schuldvorderingen kan blijken. Op deze verplichting staat geen andere sanctie, dan deze van het gemeen recht ten aanzien van de eiser, nl. de niet – toewijzing van zijn eis.

    Deze verplichting tot informatie wordt uitgebreid tot de derden. Met derden wordt bedoeld: alle personen die inlichtingen kunnen verstrekken waaruit het bedrag van de inkomsten en schuldvorderingen van de betrokkenen kan blijken. De inlichtingen die gegeven werden door de derden, werden schriftelijk meegedeeld aan de rechter. 

    2)      Indien de derde geen gevolg geeft aan de vordering van de rechter of lijken de verstrekte inlichtingen onvolledig of onjuist, dan kan de rechter de derde bevelen om te verschijnen op de dag die hij bepaald. De griffier roept de derde dan op bij gerechtsbrief en voegt bij de oproepingsbrief een afschrift van het vonnis. In de oproepingsbrief wordt de tekst van art. 1253 quinquies, 2de lid, eerste volzin Ger.W. opgenomen, dit met betrekking tot de sancties van art. 926 Ger.W. Deze sancties kunnen worden toegepast op de derde die niet verschijnt of weigert om de gevraagde inlichtingen te verschaffen. De derde die dus opgeroepen wordt is geen getuige naar gemeen recht.

     

           

     

    7.  De samenloop van delegaties en beslagen 

    Het is aangewezen dat de rechter bij wie een vordering tot delegatie is ingeleid, op de hoogte is van alle alimentatieverplichtingen: alle rechthebbenden op delegaties en beslagen moeten bij de zaak worden betrokken. De alimentatieplichtige zal alle rechthebbenden op levensonderhoud die geen delegatie hebben verkregen en geen beslag hebben laten leggen bij de zaak moeten betrekken. De berichten van derdenbeslag worden gecentraliseerd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de alimentatieplichtige.

    Zo kan de griffier van de rechtbank die over de delegatie uitspraak moet doen, de andere alimentatiegerechtigden oproepen, zonder de procedure te vertragen.

     

    De rechter die over de delegatie uitspraak moet doen, regelt indien nodig de verdeling tussen de onderhoudseisers.

     

           

    Besluit

     

    Het begrip onderhoudsgeld is niet zo eenvoudig zoals de meeste mensen wel denken, dat heb ik ook ondervonden bij het verwezenlijken van dit eindwerk.

    Er zijn verschillende procedures tot invordering van onderhoudsgeld. Deze procedures hangen af van verschillende factoren, zoals het inkomen van de ouders of de zelfstandigheid van de kinderen.

    Wanneer de ouders de onderhoudsplicht respecteren en uitreiken wanneer ze zijn overeengekomen is er geen enkel probleem. Ook wanneer ze een uitgesproken vonnis naleven is er geen enkel probleem. De problemen beginnen pas wanneer men zich niet aan die afspraken houdt. In dat geval komen juristen tussen beide en kunnen ze beslag leggen of inkomensdelegatie toepassen.

    Het is dus het beste dat de ouders zich gewoon aan de afspraken/vonnis houden, want anders komen er nog gerechtskosten bij en deze bedragen kunnen serieus hoog oplopen.

    Het bedrag van het onderhoudsgeld kan wel gewijzigd worden. Dit is bv. wanneer één van de ouders zijn of haar werk verliest of het inkomen daalt. Het kan ook wanneer de kinderen een voortgezette opleiding willen doen en de onderhoudsgerechtigde niet kan voorzien met de bijdrage die hij voor het moment krijgt van de onderhoudsplichtige.

    Het is ook mogelijk dat de ouders overeenkomen dat de ene ouder geen onderhoudsgeld moet betalen, maar dit is niet aan te raden, want er zullen toch alleen maar problemen van komen. Zo kan de onderhoudsgerechtigde na een tijd toch onderhoudsgeld vorderen van de onderhoudsplichtige terwijl de onderhoudsplichtige eigenlijk niks moest betalen. Ook kan de onderhoudsgerechtigde al de bijdragen van voorbije jaren (wanneer hij alleen heeft moeten bijdragen voor het kind) van de onderhoudsplichtige terugvorderen. En in feite kan de onderhoudsplichtige dit niet weigeren, of er moeten bepaalde omstandigheden zijn.

    Het kind heeft recht op voorschotten op het onderhoudsgeld. (niet algemeen in bepaalde omstandigheden) Het voorschot wordt wel uitbetaald aan de wettelijke vertegenwoordiger die de goederen van het kind beheert. Deze vertegenwoordiger moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een belangrijke voorwaarde is dat het kind bij hem of haar inwoont.

    In het algemeen is het O.C.M.W. van de gemeente waar ofwel één van de ouders woont en het kind woont bij hem of haar in, ofwel waar het kind alleen woont dat de voorschotten uitbetaald. Er zijn wel grenzen toegepast: nl. een minimum van € 10,00 per maand en een maximum van € 125,00 per maand.

    Wanneer iemand een aanvraag heeft ingediend is het O.C.M.W. verplicht om uitspraak te doen binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanvraag. Het heeft de mogelijkheid om de aanvraag goed te keuren of te verwerpen.

     

           

     

    Literatuurlijst

    BAETEMAN, G., Overzicht van het personen – en familierecht, Kluwer Rechtswetenschappen, 1992,730 p.

     CAEYMAEX, J., Handboek der roerende zekerheden, III dln., s.l.,1988.

     GERLO, J., Onderhoudsgelden, Deurne, Kluwer Rechtswetenschappen, 1985, 368 p.

    KINDERRECHTSWINKELS, De juridische positie van de minderjarige, Heule, UGA, 2002, 370 p.

    SENAEVE, P., Compendium van het personen – familierecht, Leuven, Acco, 200, 806 p.

    -, Compendium van het personen – familierecht Boekdeel 2 : Familierecht, Leuven, Acco, 1989, 205 p.

    - , Onderhoudsgelden, Leuven, Acco, 2001, 443 p.

     

    Woord van dank

     Graag zou ik een woord van dank willen richten aan allen die mij hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks geholpen hebben bij het verwezenlijken van dit eindwerk.

    Allereerst zou ik al de mensen willen bedanken voor de documentatie die ze mij verschaften en de goede raad die ze me gaven bij de totstandkoming van deze eindverhandeling.

    Daarnaast gaat mijn waardering uit naar Dhr. Paul Eyskens, gerechtsdeurwaarder, Dhr. Jan Eyskens, gerechtsdeurwaarder en Dhr. Peter Segers, gerechtsdeurwaarder, daar zij mij de mogelijkheid hebben gegeven om de juridische wereld eens van naderbij te bekijken.

    Vervolgens wil ik alle mensen bedanken die mij tijdens mijn stage begeleid hebben, m.n. Dhr. Yves Eyskens, gerechtsdeurwaarder en al mijn collega’s.

    Tevens wil ik langs deze weg mijn stagebegeleidster Mevr. N. Peeters hartelijk danken voor haar spontane medewerking.

    Tenslotte wil ik mijn vriend bedanken voor zijn steun, en ook mijn ouders voor hun steun maar vooral voor de kans die ze mij gegeven hebben om deze studie te voltooien.

     

           

     


    [1] Met name van de wettelijk onderhoudsgerechtigden en/of van de reservataire erfgenamen.

    [2] Antwerpen 7 april 1987, R.W. 1987-88, 199.

    [3] Rb. Brussel 15 maart 1978, R.W. 1979-80, 2660.

    [4] Brussel 3 juni 1996, A.J.T. 1996-97, 328, noot B. Wylleman.

    [5] Cass. 2 januari 1969, Arr. Cass. 1969, 411.

    [6] Cass. 4 februari 1980, Arr. Cass. 1979-80, 656.

    [7] Cass. 21 april 1983, J.T. 1983, 663.

    [8] Cass. 2 juni 1978, Arr. Cass. 1978, 1173.

    [9] Tussen echtgenoten : Cass. 10 januari 1958, Pas. 1958, I, 478 ; Cass. 20 februari 1964, Pas. 1964,  I, 657; t.a.v. afhankelijke kinderen: Cass. 2 juni 1978, aangeh.; Cass. 6 februari 1986, Arr. Cass. 1985-86, 789.

    [10] Cass. 5 februari 1987, Arr. Cass. 1986-87, 744.

    [11] Brussel 5 februari 1986, T.B.B.R. 1987, 45 ; Rb. Brussel 27 november 1990, J.L.M.B. 1992, 555.

    [12] Cass. 27 juni 1969, Arr. Cass. 1969, 1079.

    [13] Rb. Brussel 6 januari 1987, Rev. Trim. Dr. Fam. 1988, 139.

    [14] Cass. 8 januari 1982, Arr. Cass. 1981-82, 592 ; Brussel 13 november 1973, R.W. 1974-75, 48 ; Brussel 3 maart 1981, R.W. 1979-80, 576.

    [15] Cass. 16 maart 1995, R.W. 1995-96, 743, noot J. Roodhooft.

    [16] Brussel 19 juni 1984, Rev. Trim. Dr. Fam. 1987, 378; Rb. Brussel 29 maart 1988, J.T. 1988, 587.

    [17] Cass. 10 januari 1958, Arr. Cass. 1958, 273 : vader die het onderhoud van zijn gehuwde dochter bekostigd had, hoewel haar echtgenoot in staat was daarin tussen te komen ; Vred. Etterbeek 24 april 1998, J.T. 1999, 69: stiefvader, na overlijden van de moeder, hoewel de vader in staat was in het onderhoud van zijn kinderen te voorzien.

    [18] D. TILLEMANS, ‘De maatregelen aangaande het onderhoudsgeld’ in P. SENAEVE (ed.), ‘Voorlopige maatregelen tussen echtgenoten’, Leuven, Acco, 1989, p. 123, nr.109.

    [19] Indien de familierechtelijke overeenkomst hier niets over zegt, vloeit uit de aard van de onderhoudsbijdrage voort dat zij betaald wordt bij het begin van elke maand -> Beslagr. Brussel 19 maart 1990, J.L.M.B. 1991, 142.

    [20] Met name naar evenredigheid van de eigen middelen bijdragen in de kosten van levensonderhoud, opleiding en opvoeding (P. SENAEVE, ‘art. 203 B.W.’, in Commentaar Personenrecht, o.c., p. 25-26, nr. 46.).

    [21] In geval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag is er geen sprake van een recht op persoonlijk contact omdat beide ouders beschikken over het recht van bewaring over de persoon van het kind.

    [22] Antwerpen 2 januari 1995, R.W. 1995-96, 436 ; Brussel 1 december 1998, E.J. 1999, 66, noot Gerlo.

    [23] Rb. Brussel 5 september 1995, Rev. Trim. Dr. Fam. 1996, 427.

    [24] G. POPPE, ‘Kinderen ten laste na echtscheiding en na feitelijke scheiding’., E.J. 1996, 126; I. VAN DE WOESTEYNE, ‘De wetten van 15 maart 1999 en 4 mei 1999: wijzigingen in de gezinsfiscaliteit’, E.J. 1999, 119.

    [25] Ten belope van 80 % in hoofde van diegene die ze betaalt (art. 104, 1° W.I.B.) en eveneens ten belope van 80 % belastbaar als divers inkomen in hoofde van de genieter.

    [26] Com. I. B. 92, art. 104 W.I.B., nr. 104/13.

    [27] = de persoon die door zijn arbeidsprestaties of een gelijkgestelde toestand enerzijds en op grond van zijn band met het rechtgevend kind anderzijds, het recht op kinderbijslag vestigt.

    [28] =  de persoon aan wie de kinderbijslag effectief wordt uitbetaald.

    [29] Vred. Westerlo 25 juni 1993, Turnh. Rechtsl. 1995-96, 33.

    [30] H. CASMAN, ‘Notarieël familierecht’, p. 422, 1054 ; nr. J. GERLO, ‘Onderhoudsgelden’, o.c., p. 149, nr. 220; G. MAHIEU, o.c., p. 217, nr. 315.

    [31] Verslag namens de commissie voor de justitie van de Senaat uitgebracht door dhr. LALLEMAND en mevr. MAXIMUS d.d. 3 juni 1994, Parl. St. Senaat, 1993-94, nr. 898-2, p. 35-36.

    [32] = Hervorming van het echtscheidingsrecht.

    [33] F. BUYSSENS, ‘Wijziging, na echtscheiding door onderlinge toestemming, van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen’, R.W. 1997-98, 1065-1066, nr. 3; Vred. Mol 22 maart 1994, Turnh. Rechtsl. 1995-96, 35.

    [34] Vred. Mol 22 maart 1994, Turnh. Rechtsl. 1995-96, 35.

    [35] Vred. Wervik 10 november 1998, R. Vred. 2000, 232, noot F. BUYSSENS.

    [36] Cass. 24 september 1993, Arr. Cass. 1993, 758, Pas. 1993, I, 749, R. Cass. 1993.

    [37] Vred. Westerlo 24 september 1998, A.J.T. 1998-99, 717.

    [38] Vb : door de terugbetaling van grote professionele leningschulden (overname van apotheek of notariaat). Hierdoor stijgt het beschikbaar inkomen aanzienlijk en gaan ook de rechten van de kinderen omhoog, waardoor een stijging van onderhoudsbijrage zich opdringt.

    [39] Vred. Gent 19 juni 1998, T.G.R. 1999, 151.

    [40] J. GERLO, ‘Onderhoudsgelden’ , o.c., p. 152, nr. 227.

    [41] KB van 14 augustus 1989 tot uitvoering van art. 68 bis, § 4 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijke welzijn, B.S. 26 augustus 1989.

    [42] KB van 22 augustus 1989 betreffende de voorschotten op en invordering van onderhoudsgelden verschuldigd aan kinderen, B.S. 26 augustus 1989 en KB van 22 augustus 1989 tot regeling van de Staatstussenkomst inzake voorschotten op en invordering van onderhoudsgelden, B.S. 26 augustus 1989.

    [43] Cass. 2 september 1988, Arr. Cass. 1988-89, 4, m.b.t. de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht; Cass. 14 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1177, m.b.t. de onderhoudsplicht tussen ouders en hun niet – zelfstandige kinderen; Cass. 16 juni 1995, E.J. 1996, 23, noot J. Roodhooft en A.J.T. 1995-98, noot P. Hofströssler, m.b.t. de onderhoudsplicht tussen ex- echtgenoten.

    [44] Vred. Hamme 2 december 1986, T. Vred. 1990, 80.

    [45] S. BROUWERS, ‘Ger.W. Art. 1320’, in Comm.Pers., 4-5 ; R. DE CORTE, ‘Alimentatie onder het aspect gerechtelijk privaatrecht en bewijsrecht’, l.c., 199; P. SENAEVE, ‘Handboek’, nr. 91; zie ook Cass. 24 april 1978, Arr.Cass. 1978, 965.

    [46] R. DE CORTE, ‘Alimentatie onder het aspect gerechtelijk privaatrecht en bewijsrecht’, l.c., 199; P. SENAEVE, ‘Handboek’, nr. 93.

    [47] Cass. 3 december 1979, Arr.Cass. 1979-80, 407 ; E. BREWAEYS, ‘Ger. W. Art. 707’, in Comm.Ger., 5.

    [48] Cass. 3 december 1979, Arr.Cass. 1979-80, 407.

    [49] Cass. 18 januari 1985, Arr.Cass. 1984-85, 654 ; Cass. 22 november 1996, Div.Act. 1997, 142.

    [50] P. SENAEVE, ‘De bevoegde rechter bij wijziging van een onderhoudsuitkering ex art. 336 B.W.’ (noot onder Arrondrb. Brugge 11 oktober 1991), l.c., 1128.

    [51] H. CASMAN en A. VASTERSAVENDTS, o.c., nr. 547; P. SENAEVE, ‘De onderhoudsvorderingen tegen de nalatenschap’, l.c., nr. 548.

    [52] Overdracht van een schuld op een ander.

     

     

     

     

      *************************************************************

  • 1)  Hulp en bijstand van de andere ouder na het verbreken van het huwelijkscontract

  • 2)  Onderhoudsbijdrage voor de opvoeding van de kinderen

  • 3)  Enkele wetteksten

  • 4)  Verwante artikels

  • Mathematisch profiel van het onderhoudsgeld voor kinderen

  •  

     

             

     

    1)  Hulp en bijstand van de andere ouder na het verbreken van het huwelijkscontract

    Bij het huwelijkcontract zijn echtgenoten tot samenwoning verplicht waarbij men elkaar getrouwheid, hulp en bijstand heeft toegezegdAls de rechter dit huwelijkscontract ontbind dan is men dus niet meer verplicht tot samenwonen of getrouwheid.  Ook de hulp en bijstand veranderd bij het beëindigen van dat contract in die zin dat men niet meer verplicht is hulp en bijstand te verlenen bij de afwas, het wassen van de onderbroeken, het repareren van de dakgoot of het vangen van muizen.  Wat wel door kan lopen bij het beëindigen van het huwelijkscontract is de hulp en bijstand om dezelfde levensstandaard te behouden als tijdens het huwelijk voor een welbepaalde periode.  De partneralimentatie wordt hier niet verder besproken. 

    2)  Onderhoudsbijdrage voor de opvoeding van de kinderen

    Artikel 203 BW bepaald dat:

    De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen.

    Deze verplichting loopt ook door nadat de ouders niet meer samenwonen. De verplichting eindigt niet bij de meerderjarigheid van het kind.  Als men het mag generaliseren zou men spreekwoordelijk kunnen zeggen dat de verplichting eindigt als het op zijn eigen benen kan staan.   

    Objectieve elementen voor het bepalen van de onderhoudsbijdrage is onder andere het inkomen.  De rechter zoekt vaak in zijn dossier naar een kopie van het meest recente aanslagbiljet van de personenbelastingen van beide ouders.    

     

           

     

    3)  Enkele wetteksten

    HOOFDSTUK V. -

    VERPLICHTINGEN DIE UIT HET HUWELIJK (OF DE AFSTAMMING) ONTSTAAN.

    <W 31-03-1987, art. 31>

    Art. 203. <W 31-03-1987, art. 32>

    § 1. (De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen.).

    <W 1995-04-13/37, art. 2, 003; ED : 03-06-1995>
    Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.
    § 2. De langstlevende echtgenoot is gehouden tot de verplichting gesteld in paragraaf 1 ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden echtgenoot van wie hij niet de vader of de moeder is, binnen de grenzen van hetgeen hij heeft verkregen uit de nalatenschap van de vooroverlevendene en van de voordelen die deze hem mocht hebben verleend bij huwelijkscontract, door schenking of bij testament.


    Art. 203bis. <Ingevoegd bij W 31-03-1987, art. 33>

    Onverminderd de rechten van het kind kan elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage vorderen in de kosten die voortvloeien uit artikel 203, § 1.

     

          

     

    HOOFDSTUK VI. -

    WEDERZIJDSE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN ECHTGENOTEN.

    Art. 213. <W 14-07-1976, art. 1>

    Echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd.

     

            

     

    Mathematisch profiel van het onderhoudsgeld voor kinderen

    INLEIDING
     

    Beide ouders zijn aan hun kinderen levensonderhoud, opvoeding, en een passende opleiding verschuldigd ( art. 203 B.W. ) Dit blijft alzo inderdaad, indien de ouders niet meer samenleven. De ouder, bij wie het kind feitelijk verblijft, zal zijn onderhoudsplicht in natura vervullen door doorlopend de kosten en lasten van het kind te dragen. De andere ouder is gehouden zijn bijdrage te leveren door het betalen van een onderhoudsgeld voor de kinderen.

    Hoe hoog moet deze bijdrage zijn ? Art. 203 B.W. bevat het principe dat beide ouders bijdragen naar evenredigheid van hun middelen. Voor de rest zwijgt de wet en laat aan de rechter een ruime appreciatiebevoegdheid toe. Dit leidt in de praktijk tot onbillijke uitspraken ,die vaak op ongeloof worden onthaald. Bestaat er dan geen objektieve manier om het onderhoudsgeld voor de kinderen vast te stellen ? Vele instanties wensen een schaal van onderhoudsgelden, zoals trouwens reeds bestaat in Nederland en Duitsland .

    In opdracht van de algemene directie der sociale zaken van het ministerie van de Franse Gemeenschap, werd in 1985 een studie uitgevoerd omtrent de kostprijs van de opvoeding van kinderen. Op basis van de resultaten van deze studie uitgevoerd omtrent de kostprijs van de opvoeding van kinderen.Op basis van de resultaten van deze studie , heeft de auteur ervan, Roland RENARD, een berekeningsmethode ontwikkeld om op een wiskundige manier, gebaseerd op objektivieve, meetbare gegevens , het onderhoudsgeld voor de kinderen vast te stellen. Het ontwikkeld model is blijkbaar dermate gezaghebbend , dat bepaalde rechtspraak expliciet en rechtstreeks van deze methode gebruik maakt om de hoogte van het onderhoudsgeld te bepalen.

    Deze bijdrage strekt er toe de methode van RENARD aan te passen. Let wel, de methode is geen wetenschappelijkel wetmatigheid en zeker geen juridische norm. Ze is zowel bedoeld als referentiepunt voor hen die in de praktijk met dit probleem te maken krijgen , zowel ouders in E.O.T. als rechters. Het is dan ook verheugend dat de studie en het model niet verworden zijn tot een louter intellectuele denkoefening , maar in de praktijk reeds toepassing hebben gekregen. Zo heeft het Hof van Beroep te Mons zich in vele arresten van destijds rechtsreeks gebaseerd op het model om in een concreet geval het onderhoudsgeld vast te stellen ( Mons 9 januari 1992 L.L.M.B. 1992, 485 ) Het Hof stelde vast dat ter zake geen jurisprudentiele normen bestonden en dat de bedragen die de partijen naar voren brachten, willekeurig en oncontroleerbaar waren . Bijgevolg moet men zich baseren op betrouwbare en wetenschappelijke studies. Het model van Renard voldoet in beginsel aan deze criteria.

    Toch lijkt het gepast om naast de algemene goedkeuring waarop het arrest moet worden onthaald , enkele nuances te plaatsen . Vooreerst is er in Vlaanderen nog een rechtspraak bepaald, die expliciet van deze materie een toepassing maakt. Het zou ook lichtzinnig en blind zijn om zich op deze theorie blindelings te richten. De auteur van de studie zelf waarschuwt daarvoor.

    Het model biedt geen wetenschappelijke zekerheid en is geen juridische norm. De cijfers van de studie geven den gemeenschappelijke kost weer, gerelateerd aan de leeftijd van kind en het inkomen van de ouders. Dit belet niet dat elke concrete situatie anders is. Bepaalde omstandigheden kunnen aan ander bedrag aan onderhoudsgeld rechtvaardigen, zoals extra hoge kosten voor de gezondheidszorg van het kind, specifieke scholing enz.

    Het probleem, zoals het Hof stelt, is dat de ouders de werkelijke kost van de kinderen meestal niet kennen en geen controleerbare bewijskrachtige gegevens aanbrengen, waarop hun aanspraken zijn gevestigd. Mocht dit wel het geval zijn, dan moet aan de moeilijke situatie voorrang worden verleend boven de theoretische kostprijs.

              

     

    4)  Verwante artikels

    Verwante links:

     
    Datum   Type Titel Bron
    01/01/07 document Meer informatie over onderhoudsgeld Belgie.be
    01/01/07 document Alimentatie: principes en berekening   Houvast
    01/01/07 document Berekenen van onderhoudsgeld volgens methode Renard Gezinsbond
    01/01/07 document Kinderbijslag kan verdeeld worden bij bilocatie f4j.be
    29/11/06 video Wetsontwerp bilocatie en fiscaliteit Gezinsbond
    08/09/06 document Co-kindergeld als antwoord op co-ouderschap Standaard
    02/12/05 document Wetsvoorstel fiscale behandeling bij bilocatie De Kamer
      document Mathematisch profiel van het onderhoudsgeld of alimentatie voor de kinderen advo.be<