Wetgeving
1) Een
overzicht van enkele
belangrijke Belgische
wetsartikels omtrent de
kinderen als de ouders niet
meer samenwonen
1.1
E.V.R.M.
1.2
I.V.R.K.
1.3
Grondwet
1.4
Burgerlijk Wetboek
1.5
Strafwetboek
2)
1)
Een
overzicht van enkele
belangrijke Belgische
wetsartikels omtrent de
kinderen als de ouders niet
meer samenwonen.
1.1
E.V.R.M.
1.2
I.V.R.K.
1.3
Grondwet
1.4
Burgerlijk Wetboek
TITEL IX.
- (OUDERLIJK GEZAG).
<W 31-03-1987, art. 39>
Art.
371.
<W 1995-04-13/37, art. 5,
003; Inwerkingtreding
: 03-06-1995> Een
kind en zijn ouders zijn op
elke leeftijd aan elkaar
respect verschuldigd.
Art.
372.
<W 1995-04-13/37, art. 6,
003; Inwerkingtreding :
03-06-1995> Een kind
blijft onder het gezag van
zijn ouders tot aan zijn
meerderjarigheid of zijn
ontvoogding.
Art.
373.
<W 1995-04-13/37, art. 7,
003; Inwerkingtreding :
03-06-1995> Wanneer
de ouders samenleven,
oefenen zij het gezag over
de persoon van het kind
gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden
die te goeder trouw zijn,
wordt elke ouder geacht te
handelen met de andere ouder
wanneer hij, alleen, een
handeling stelt die met
gezag verband houdt behouden
de bij de wet bepaalde
uitzonderingen.
Bij gebreke van instemming
kan één van beide ouders de
zaak bij de jeugdrechtbank
aanhangig maken.
De rechtbank kan één van
de ouders toestemming
verlenen alleen op te treden
voor één of meer bepaalde
handelingen.
Art.
374.
<W 1995-04-13/37, art. 8,
003; Inwerkingtreding :
03-06-1995>
§ 1.
Wanneer de
ouders niet samenleven,
blijven zij het ouderlijk
gezag gezamenlijk uitoefenen
en geldt het in artikel 373,
tweede lid, bepaalde
vermoeden.
Bij gebreke van
overeenstemming over de
organisatie van de
huisvesting van het kind,
over de belangrijke
beslissingen betreffende
zijn gezondheid, zijn
opvoeding, zijn opleiding en
zijn ontspanning en over de
godsdienstige of
levensbeschouwelijke keuzes
of wanneer deze
overeenstemming strijdig
lijkt met het belang van het
kind, kan de bevoegde
rechter de uitoefening van
het ouderlijk gezag
uitsluitend opdragen aan één
van beide ouders.
Hij kan eveneens bepalen
welke beslissingen met
betrekking tot de opvoeding
alleen met instemming van
beide ouders kunnen worden
genomen.
Hij bepaalt de wijze
waarop de ouder die niet het
ouderlijk gezag uitoefent,
persoonlijk contact met het
kind onderhoudt. Dat
persoonlijk contact kan
enkel om bijzonder ernstige
redenen worden geweigerd. De
ouder die niet het ouderlijk
gezag uitoefent, behoudt het
recht om toezicht te houden
op de opvoeding van het
kind. Hij kan bij de andere
ouder of bij derden alle
nuttige informatie
hieromtrent inwinnen en zich
in het belang van het kind
tot de jeugdrechtbank
wenden.
In elk geval bepaalt de
rechter de wijze waarop het
kind wordt gehuisvest en de
plaats waar het in het
bevolkingsregister wordt
ingeschreven als hebbende
aldaar zijn hoofdverblijf.
§
2. Ingeval de ouders niet
samenleven en hun geschil
bij de rechtbank aanhangig
wordt gemaakt, wordt het
akkoord over de huisvesting
van de kinderen door de
rechtbank gehomologeerd,
tenzij het akkoord kennelijk
strijdig is met het belang
van het kind.
Bij
gebrek aan akkoord, in geval
van gezamenlijk ouderlijk
gezag, onderzoekt de
rechtbank op vraag van
minstens één van de ouders
bij voorrang de mogelijkheid
om de huisvesting van het
kind op een gelijkmatige
manier tussen de ouders vast
te leggen. Ingeval de
rechtbank echter van oordeel
is dat de gelijkmatig
verdeelde huisvesting, niet
de meest passende oplossing
is, kan zij evenwel
beslissen om een ongelijk
verdeeld verblijf vast te
leggen.
Art.
375.
<W 31-03-1987, art. 42>
Indien de afstamming niet is
vastgesteld ten aanzien van
een van de ouders of indien
een van beiden overleden of
afwezig is dan wel in de
onmogelijkheid verkeert zijn
wil te kennen te geven,
oefent de andere dat gezag
alleen uit.
(Als van beide ouders er
geen overblijft die in staat
is het ouderlijk gezag uit
te oefenen, moet een
voogdijregeling worden
uitgewerkt.) <W
1995-04-13/37, art. 9, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Art.
375bis.
<ingevoegd bij W
1995-04-13/37, art. 10, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995> De
grootouders hebben het recht
persoonlijk contact met het
kind te onderhouden.
Datzelfde recht kan aan
ieder ander persoon worden
toegekend, indien hij
aantoont dat hij met het
kind een bijzondere
affectieve band heeft.
Bij gebreke van een
overeenkomst tussen de
partijen, wordt over de
uitoefening van dat recht in
het belang van het kind op
verzoek van de partijen of
van de procureur des Konings
beslist door de
jeugdrechtbank.
Art.
376.
<W 1995-04-13/37, art. 11,
003; Inwerkingtreding :
03-06-1995> Wanneer
de ouders het gezag over de
persoon van het kind
gezamenlijk uitoefenen,
beheren zij ook gezamenlijk
zijn goederen en treden zij
gezamenlijk als zijn
vertegenwoordiger op.
Ten opzichte van derden
die te goeder trouw zijn,
wordt elke ouder geacht te
handelen met instemming van
de andere ouder wanneer hij,
alleen, een daad van beheer
van de goederen van het kind
stelt, behoudens de bij de
wet bepaalde uitzonderingen..
Oefenen de ouders het
gezag over de persoon van
het kind niet gezamenlijk
uit, dan heeft alleen de
ouder die dat gezag
uitoefent, het recht om de
goederen van het kind te
beheren en het kind te
vertegenwoordigen, behoudens
de bij de wet bepaalde
uitzonderingen.
De andere ouder behoudt
het recht om toezicht te
houden op het beheer. Met
dat doel kan hij bij degene
die het gezag uitoefent of
bij derden alle nuttige
informatie inwinnen en zich
in het belang van het kind
tot de jeugdrechtbank
wenden.
Art.
377.
(opgeheven) <W
1995-04-13/37, art. 12, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Art.
378.
<W 2001-04-29/39, art. 12,
011; Inwerkingtreding :
01-08-2001> (§ 1.) Onder
voorbehoud van het bepaalde
in artikel 935, derde lid,
is de machtiging van de
vrederechter vereist om (de
in artikel 410, § 1, 1° tot
6°, 8°, 9° en 11° tot 14°
bepaalde handelingen) te
verrichten waarvoor de voogd
bijzondere machtiging van de
vrederechter moet
verkrijgen. <W
2003-02-13/54, art. 2, 016;
Inwerkingtreding :
04-04-2003>
(Bevoegd is :
- de vrederechter van de
woonplaats in België van de
minderjarige, en bij
ontstentenis daarvan,
- die van de
verblijfplaats in België van
de minderjarige, en bij
ontstentenis daarvan,
- die van de laatste
gemeenschappelijke
woonplaats in België van de
ouders of in voorkomend
geval, die van de laatste
woonplaats in België van de
ouder het ouderlijk gezag
alleen uitoefent, en bij
ontstentenis daarvan,
- die van de laatste
gemeenschappelijke
verblijfplaats in België van
de ouders of in voorkomend
geval, die van de laatste
verblijfplaats in België van
de ouder die het ouderlijk
gezag alleen uitoefent.
In het belang van de
minderjarige kan de met
toepassing van het vorige
lid bevoegde vrederechter in
een met redenen omklede
beschikking beslissen om het
dossier over te zenden aan
de vrederechter van het
kanton waar de minderjarige
op duurzame wijze zijn
hoofdverblijfplaats heeft
gevestigd.) <W
2003-02-13/54, art. 2, 016;
Inwerkingtreding :
04-04-2003>
De vrederechter beslist
over het door de partijen of
door hun advocaat
ondertekende verzoekschrift.
Indien de zaak slechts door
een van de ouders bij de
rechtbank aanhangig wordt
gemaakt, wordt de andere
gehoord of ten minste bij
gerechtsbrief opgeroepen.
Door die oproeping wordt hij
partij in het geding.
(In geval van
belangentegenstelling tussen
de beide ouders, of wanneer
één van hen verstek laat
gaan, kan de vrederechter
één van de ouders machtiging
verlenen om alleen de
handeling te verrichten
waarvoor om de machtiging
wordt verzocht.) <W
2003-02-13/54, art. 2, 016;
Inwerkingtreding :
04-04-2003>
In geval van
belangentegenstelling tussen
het kind en zijn ouders
wordt door de vrederechter
hetzij op verzoek van enig
belanghebbende, hetzij
ambtshalve een voogd ad hoc
aangewezen.
(§ 2. De handelingen
bedoeld in artikel 410, § 1,
7°, zijn niet onderworpen
aan de machtiging bedoeld in
§ 1. In geval van
belangentegenstelling tussen
de minderjarige en zijn
ouders wordt door de rechter
bij wie de zaak aanhangig
is, hetzij op verzoek van
enig belanghebbende, hetzij
ambtshalve, een voogd ad hoc
aangewezen.) <W
2003-02-13/54, art. 2, 016;
Inwerkingtreding :
04-04-2003>
Art.
379.
<W 31-03-1987, art. 46>
De ouders die belast zijn
met het beheer van de
goederen van hun
minderjarige kinderen, zijn
rekening en verantwoording
verschuldigd wat betreft de
eigendom en de opbrengsten
van de goederen waarvan ze
niet het genot hebben, en
wat betreft de eigendom
alleen, van de goederen
waarvan hun volgens de wet
het genot toekomt..
(Iedere rechterlijke
beslissing waarbij uitspraak
wordt gedaan over geldsommen
die toekomen aan een
minderjarige, beveelt
ambtshalve dat voornoemde
geldsommen worden geplaatst
op een rekening die op zijn
naam is geopend. Behoudens
het recht op wettelijk
genot, is de rekening
onbeschikbaar tot het
tijdstip van de
meerderjarigheid van de
minderjarige.
Wanneer de beslissing
bedoeld in het vorige lid in
kracht van gewijsde is
gegaan, geeft de griffier
daarvan kennis door
toezending van een afschrift
bij een ter post
aangetekende brief aan de
schuldenaars, waarna deze
laatsten zich slechts met
nakoming van de beslissing
van de rechtbank
rechtsgeldig kunnen
bevrijden. Wanneer een
voogdij is opengevallen,
zendt hij eveneens een
afschrift aan de griffier
van het vredegerecht waarvan
de voogdij afhangt.) <W
2003-02-13/54, art. 3, 016;
Inwerkingtreding :
04-04-2003>
Art.
380.
(Opgeheven) <W 15-05-1912,
art. 64>
Art.
381.
(Opgeheven) <W 15-05-1912,
art. 64>
Art.
382.
(Opgeheven) <W 15-05-1912,
art. 64>
Art.
383.
(Opgeheven) <W 15-05-1912,
art. 64>
Art.
384.
<W 1995-04-13/37, art. 13,
003; Inwerkingtreding :
03-06-1995> De ouders
hebben het genot van de
goederen van hun kinderen
tot aan hun meerderjarigheid
of hun ontvoogding. Het
genot wordt gekoppeld aan
het beheer : het behoort toe
, hetzij aan de beide ouders
samen hetzij aan de ouder
die belast is met het beheer
van de goederen van het
kind.
Art.
385.
(opgeheven) <W
1995-04-13/37, art. 14, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Art.
386.
<W 31-03-1987, art. 49>
De lasten van dit genot zijn
::
1° Die waartoe
vruchtgebruikers gehouden
zijn;
2° Levensonderhoud,
opvoeding en passende
opleiding van de kinderen,
overeenkomstig hun vermogen;
3° De betaling van de
rentetermijnen of interesten
van de kapitalen;
4° De begrafeniskosten en
de kosten van de laatste
ziekte.
Art.
3877.
Het strekt zich niet uit
tot de goederen welke de
kinderen door afzonderlijke
arbeid en nijverheid
verwerven, noch tot die
welke hun geschonken of
vermaakt worden onder de
uitdrukkelijke voorwaarde
dat de ouders daarvan het
genot niet zullen hebben.
Art.
387bis.
<ingevoegd bij W
1995-04-13/37, art. 15, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Onverminderd artikel 1734
van het Gerechtelijk
Wetboek, poogt de rechtbank
de partijen te verzoenen.
Zij verstrekt hen alle
nuttige inlichtingen over de
rechtspleging en in het
bijzonder over het nut een
beroep te doen op de in het
zevende deel van het
Gerechtelijk Wetboek
bepaalde bemiddeling. Indien
zij vaststelt dat een
toenadering mogelijk is, kan
zij de schorsing van de
procedure bevelen, teneinde
de partijen de mogelijkheid
te bieden alle nuttige
inlichtingen hierover in te
winnen en het
bemiddelingsproces op te
starten. De duur van de
schorsing mag niet meer dan
één maand bedragen. De
rechtbank kan, zelfs
ambtshalve, een voorafgaande
maatregel bevelen teneinde
de vordering te onderzoeken
of de toestand van de
partijen voor een termijn
die zij vaststelt, voorlopig
te regelen..
Ingeval een dergelijke
vordering voor het eerst bij
de jeugdrechtbank aanhangig
wordt gemaakt, en behoudens
overeenstemming van alle
partijen en van de procureur
des Konings, beslist de
jeugdrechtbank over een
voorlopige regeling. De zaak
kan tijdens een latere
zitting opnieuw worden
onderzocht, op een datum die
ambtshalve vastgelegd wordt
in het vonnis, binnen een
termijn die één jaar niet te
boven mag gaan, en
onverminderd een nieuwe
oproeping op een vroegere
datum, zoals is aangegeven
in het volgende lid.
De
zaak blijft ingeschreven op
de rol van de jeugdrechtbank
tot de kinderen op wie het
geschil betrekking heeft,
ontvoogd zijn of de leeftijd
van wettelijke
meerderjarigheid hebben
bereikt. In geval van nieuwe
elementen, kan de zaak
opnieuw voor de rechtbank
worden gebracht bij
conclusie of bij een
schriftelijk verzoek dat
wordt neergelegd bij of
gericht is aan de griffie.
Artikel 730, § 2, a), van
het Gerechtelijk Wetboek is
niet van toepassing op deze
zaken.
Art.
387terr.
§
1. Ingeval één van de ouders
weigert de rechterlijke
beslissingen met betrekking
tot de huisvesting van de
kinderen of het recht op
persoonlijk contact uit te
voeren, kan de zaak opnieuw
voor de bevoegde rechter
worden gebracht. In
afwijking van artikel 569,
5°, van het Gerechtelijk
Wetboek, is de bevoegde
rechter degene die de
niet-nageleefde beslissing
heeft gewezen, tenzij de
zaak inmiddels bij een
andere rechter aanhangig is
gemaakt, in welk geval de
vordering voor deze laatste
wordt gebracht.
De
rechter doet uitspraak met
voorrang boven alle andere
zaken. Behalve in geval van
dringende noodzakelijkheid,
kan hij onder meer:
–
nieuwe onderzoeksmaatregelen
verrichten, zoals een
maatschappelijke enquête of
een deskundigenonderzoek;
–
een poging tot verzoening
ondernemen;
–
de partijen voorstellen
gebruik te maken van de in
artikel 387 bis bepaalde
bemiddeling .
Hij
kan nieuwe beslissingen
nemen met betrekking tot het
ouderlijk gezag of de
huisvesting van het kind.
Onverminderd strafvervolging
kan hij de partij die het
slachtoffer is van de
miskenning van de in het
eerste lid bedoelde
beslissing toestaan een
beroep te doen op
dwangmaatregelen. Hij
bepaalt de aard van deze
maatregelen en de nadere
regels betreffende de
uitoefening ervan, rekening
houdend met het belang van
het kind en wijst, indien
hij zulks nodig acht, de
personen aan die gemachtigd
zijn de gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor de
tenuitvoerlegging van zijn
beslissing. De rechter kan
een dwangsom uitspreken om
te waarborgen dat de te
nemen beslissing zal worden
nageleefd en, in die
hypothese, stellen dat voor
de tenuitvoerlegging van die
dwangsom, artikel 1412 van
het Gerechtelijk Wetboek van
toepassing is.
De
beslissing is van rechtswege
uitvoerbaar bij voorraad.
§
2. Dit artikel is eveneens
van toepassing wanneer de
rechten van de partijen
geregeld zijn door een
overeenkomst zoals voorzien
in artikel 1288 van het
Gerechtelijk Wetboek. In dat
geval, en onverminderd
§
3, wordt de zaak bij de
rechtbank aanhangig gemaakt
door middel van een
tegensprekelijk
verzoekschrift.
§
3. In geval van absolute
noodzaak, en onverminderd de
mogelijkheid om een beroep
te doen op artikel 584 van
het Gerechtelijk Wetboek,
kan bij eenzijdig
verzoekschrift de
toestemming worden gevraagd
om een beroep te doen op de
dwangmaatregelen als bedoeld
in § 1. De artikelen 1026
tot 1034 van het
Gerechtelijk Wetboek zijn
van toepassing. De
verzoekende partij moet het
verzoekschrift staven met
alle dienstige stukken die
aantonen dat de weigerende
partij daadwerkelijk werd
aangemaand haar
verplichtingen na te komen
en dat zij zich heeft verzet
tegen de tenuitvoerlegging
van de beslissing. De
inschrijving van het
verzoekschrift is kosteloos.
Het verzoekschrift wordt
gevoegd bij het dossier van
de rechtspleging die
aanleiding heeft gegeven tot
de beslissing die niet werd
nageleefd, tenzij de zaak
inmiddels bij een andere
rechter aanhangig is
gemaakt.
§
4. Dit artikel doet geen
afbreuk aan de
internationale bepalingen
die België verbinden op het
vlak van de internationale
ontvoering van kinderen.
HOOFDSTUK III
Wijziging van het
Gerechtelijk Wetboek
Art. 5
Artikel 1412, eerste lid,van
het Gerechtelijk Wetboek,
gewijzigd bij de wetten van
31 maart 1987 en 14 januari
1993, wordt aangevuld als
volgt:
3°
wanneer de rechter artikel
387 ter, tweede lid,van het
Burgerlijk Wetboek heeft
toegepast.
1.5
Strafwetboek
432 Sw
|