| |
Bron VKCE
Vader kennis Centrum
Europe
De paradox van het
belang van het kind
Lezing te
Amersfoort gehouden voor FatherCare
Kenniscentrum i.o. Mr.Ir.
P.J.A. Prinsen,
advocaat
Prinsenlaw; Den Haag; 12
april 2006
Onderdeel van het
papa.nl.nu-dossier
Belang van het kind
1. Inleiding
2. Het belang van het
kind
3. Belang van het Kind
leidt tot een paradox
4. Rechtspsychologie in
plaats van goede
bedoelingen
5. Gelijkwaardig
ouderschap
6. Zorgverdeling op
basis van rationele
argumenten
7. Echtscheiding is geen
kinderbeschermingsmaatregel
8. Vereenvoudiging
1. Inleiding
Het Nederlandse
familie- en jeugdrecht
kampt met het probleem
dat echtscheidingen vaak
zeer conflictueus
verlopen. De daarbij
betrokken kinderen
“komen in de knel”.
Jaarlijks verliezen
ongeveer 29.000 kinderen
het contact met hun
vader en met hun overige
familie van vaders zijde
[1]. Dit is de helft van
de 59.000 kinderen die
in een jaar een
scheiding (formele
scheiding,
flitsscheiding,
verbreking
partnerschapsrelatie)
van hun ouders meemaken.
Cumulatief is van een
half miljoen kinderen
tot 18 jaar aldus het
leven blijvend
ontwricht, terwijl
daarnaast ook
honderdduizenden levens
van ouders en andere
familieleden blijvend
ontwricht raken.
De wetswijzigingen
die tot gezamenlijk
ouderlijk gezag en
omgangsrecht hebben
geleid hebben hun
doelstelling nog lang
niet gerealiseerd. In
een adviesaanvraag [2]
merkte de Minister van
Justitie op: “Ondanks
deze ingrijpende
wijzigingen die de
afgelopen jaren zijn
doorgevoerd blijkt de
wetgeving op een aantal
punten aanvullingen te
behoeven”. [3]
De maatschappelijke
schade, ook in termen
van waarden en normen,
is groot. Signalen in de
vorm van leed, stress,
arbeidsongeschiktheid en
ontsporingen laten zien
dat het om ernstige en
grootschalige
problematiek gaat waarop
het familierecht het
juiste antwoord nog niet
gevonden lijkt te
hebben.
Deze problematiek
lijkt maatschappelijk
als onaanvaardbaar te
worden gezien, getuige
de permanente stroom van
overheidsinitiatieven
[4] [5] gericht op
verbetering van deze
situatie. Bemiddeling is
daarbij het parool. Meer
en meer eist bemiddeling
het primaat op als
gedragsbeïnvloedend
instrument. Het recht
heet in die
gedachtesfeer een “verlegenheidsoptie”[6]
en door bemiddeling
moeten problemen worden
“gedejuridiseerd”. [7]
[8]
Pleitbezorgers van
gelijkwaardig ouderschap
staan afwijzend tegen
deze relativerende
benadering. Enerzijds
wordt de positie van de
traditioneel verzorgende
ouder met alle middelen
rechtens gehandhaafd.
Anderzijds echter wordt
de aanspraak van de
andere ouder op
deelgenootschap in de
zorg voor het kind
juridisch gerelativeerd.
De vrees lijkt gewettigd
dat, als de valkuilen
van het familierecht
niet worden gedicht,
bemiddeling te vaak
slechts tot
schijnsuccessen zal
leiden.
Het familierecht
slaagt vaak niet in zijn
streven het gedrag van
rechtzoekenden in een
gewenste richting (“als
elkaar respecterende
ouders gescheiden verder
gaan”) te beïnvloeden,
maar dit rechtvaardigt
nog niet het primaat van
het recht dan maar uit
te leveren. De betekenis
van hulpverlening mag
zeker niet onderschat
worden, maar zolang de
bemiddeling zich
afspeelt tegen de
achtergrond van een
familierecht dat, als
puntje bij paaltje komt,
toch het juiste antwoord
niet weet, dan zal
bemiddeling nooit kunnen
beantwoorden aan de
hooggespannen
verwachtingen die we er
thans van hebben. Pas
als het Recht adequate
antwoorden op de
problemen weet te geven
zal er, paradoxaal
genoeg, een minimaal
beroep op behoeven te
worden gedaan.
In dit artikel wordt
aandacht gevraagd voor
een vaak verlammend
aspect van het huidige
familierecht, te weten:
de tirannie van het
belang van het kind.
Daaronder wordt
verstaan: de in de
rechtspraak gevoelde
plicht om het belang van
het kind, losgemaakt uit
zijn context, centraal
te stellen, waardoor een
neerwaartse
conflictspiraal in gang
wordt gezet en
oplossingen onbereikbaar
worden die bij een
structuralistische
benadering binnen bereik
hadden gelegen.

2. Het belang van
het kind
Bij alle hedendaagse
initiatieven twijfelt
niemand er aan dat het
belang van het kind
centraal [9] gesteld
moet worden, maar
tegelijk weet niemand
aan dat begrip een
eenduidige invulling te
geven.
Procedures over
omgang, gezag en
zorgdeling ontaarden in
een twist over het
belang van het kind, en
“in het belang van het
kind” verliezen
jaarlijks tientallen
duizenden kinderen ieder
contact met een van hun
ouders en verdere
familie, wordt de
diffamatie en verguizing
door kinderen van een
van hun ouders in rechte
gehonoreerd, en worden
gezinswaarden en -normen
prijsgegeven. “In hun
eigen belang” worden
daarnaast jaarlijks vele
honderden
scheidingskinderen uit
huis geplaatst, en
wordt, als de ene
(gescheiden) ouder het
kind niet kan opvoeden,
de vraag of de andere
ouder daartoe in staat
is zelfs niet gesteld.
“Het doorgeschoten
familierecht richt zich
niet meer op gezinnen
maar op individuen. (…)
Vaders doen er niet toe,
kinderen zijn de
dupe”.[10] Het belang
van het kind domineert
op een eigenzinnige
manier het Familierecht.
3. Belang van het
Kind leidt tot een
paradox
Een
structuralistische
benadering
Uit de toon waarop we
de
echtscheidingsproblematiek
vaak benaderen spreekt
veelal een zeker dédain
waarmee we de scheidende
ouders verantwoordelijk
stellen voor wat ze hun
kinderen aandoen met hun
wijze van scheiden.
Dit dédain is
misplaatst omdat het
voorbij gaat aan de
wettelijke context
waarin de scheidende
ouders terecht komen,
een context die zij zelf
niet gemaakt hebben, en
waarvoor de juridische
discipline
verantwoordelijkheid
draagt. Vanuit
structuralistisch
oogpunt: het is de
wettelijke en juridische
context die hun kind van
oogappel tot twistappel
maakt.
Wat is het
karakteristieke van die
context en zou het ook
anders kunnen? Dat
vraagt om een benadering
waarin ruimte is voor
rechtspsychologische
analyse. Met die
invalshoek kan men de
situatie waarin het
familierecht scheidende
ouders plaatst als volgt
analyseren:
Prisoners dilemma
In onderling vertrouwen
samenwerken bij de
verdere opvoeding van
het kind zou voor alle
drie de partijen – beide
ouders en hun kind – het
allerbeste zijn, daar
twijfelt niemand aan.
Maar de “andere” ouder
zou wel eens de
alleenheerschappij
kunnen nastreven, en
welke
rechtszekerheid[11]
heeft de ene ouder dan
nog om zijn band met
zijn kind te behouden?
Is het dan niet veiliger
om zelf maar voor die
alleenheerschappij te
gaan?
Hier tekent zich het
beruchte prisoners
dilemma af. Het helpt
niet om de ouders te
beleren elkaar te
vertrouwen zolang daar
geen rationele basis in
de vorm van
rechtshandhaving voor
is. Alleen klassieke
rechtszekerheid in de
vorm van
rechtshandhaving voor
beide ouders verschaft
een rationele basis voor
vertrouwen. Hoe gaat het
Familierecht hiermee om?
Het Nederlandse
familie- en jeugdrecht
kent een woelige
geschiedenis. In het
vorige decennium is het
met een beroep op
mensenrechtenverdragen
drastisch gewijzigd,
eerst op het gebied van
omgang [12],[13] en toen
dat de problemen niet
oploste is het wettelijk
gelijkwaardig ouderschap
[14] zelfs ingevoerd.
Toch wordt, alsof er
wettelijk niets is
veranderd, na
echtscheiding nog altijd
“in het belang van het
kind” onderzocht aan wie
van de ouders de zorg
voor de kinderen moet
worden toegewezen [15].
Voor ouders is dat
bedreigend, want wie (de
zorg voor) de kinderen
niet krijgt toegewezen
is overgeleverd aan de
genade van de andere
ouder. De rechtspraktijk
heeft geen boodschap aan
de vernedering van de
ouder wiens ouderschap
wordt uitgehold. “Het
gaat immers niet om de
ouder maar om de
kinderen”. Als
gladiatoren worden de
ouders aldus de arena
ingestuurd om elkaar
tegen wil en dank te
bestrijden, en ja, zodra
de eerste tik is
uitgedeeld, de eerste
schram is opgelopen
wordt het een strijd om
te overleven als ouder.
Bovendien levert zo’n
onderzoek naar de vraag
aan wie het kind moet
worden toegewezen geen
grondslag voor een
beslissing, want vaak
moet men vaststellen dat
beide ouders even
geschikt zijn. De keuze
berust dan op traditie
of op pragmatisme en
toegeeflijkheid van
(meestal) de vader, die
de gevoelens van
vernedering verdringt en
zijn laatste hoop
vestigt op een “goede”
omgangsregeling.
Met de toewijzing van
het “hoofdverblijf” van
de kinderen aan een van
de ouders is de
alleenheerschappij van
die ouder een feit. De
verhoudingen zijn dan
vaak reeds uiterst
gespannen geraakt. In
die toestand wordt voor
het vaststellen van een
zorgdelings- of
omgangsregeling ook weer
onderzoek gedaan,
waarbij ook weer het
belang van het kind
centraal heet te staan.
Al met al ontstaat de
uiterst cynische
situatie dat bij
echtscheiding tussen de
ouders een oneigenlijk
conflict om de kinderen
wordt uitgelokt, waarna
de “draagkracht en
draaglast” van het kind
wordt onderzocht om te
zien in hoeverre het
tegen dat conflict
bestand is. Het is in
deze surrealistische,
door het belang van het
kind opgeroepen
situatie, dat de
beslissingen worden
genomen.
Kortom: het centraal
stellen van het belang
van het kind en op grond
hiervan kiezen tussen de
ouders speelt de ouders
tegen elkaar uit. Het
plaatst hen in een
Prisoners dilemma en het
leidt tot strijd tussen
de ouders, uiteindelijk
tot marginalisering of
zelfs tot verlies van
een der ouders, en dat
is niet in het belang
van het kind. Ziehier de
Belang van het
Kind-paradox: door het
centraal stellen van het
belang van het kind
worden de ouders tot
elkaars tegenstanders
gemaakt, en dat is
allerminst in het belang
van het kind.
Just world
hypothesis
Met het uitlokken van
het oneigenlijke
conflict tussen de
ouders houdt het niet
op; het uitprocederen
van dit conflict onder
de knoet van het belang
van het kind leidt tot
een verdere escalatie.
Het belang van het kind
wordt al snel
geïdentificeerd met het
belang van de ouder aan
wie de dagelijkse zorg
zal worden toevertrouwd,
omdat het kind voor zijn
“rust” aangewezen is op
die ouder. Maar al te
vaak leidt de uitgelokte
oneigenlijke strijd om
het kind tot wilde
beschuldigingen, waarbij
het meest alledaagse
gedrag van kinderen
reeds wordt
gepresenteerd als een
signaal van incest. Wat
de in het defensief
gedrongen ouder naar
voren brengt tegen de
aantijgingen wordt
aangemerkt als eigen
belang, want “het gaat
niet om
waarheidsvinding, het
gaat om het wantrouwen
tussen de ouders dat uit
die beschuldigingen
spreekt”.
Waarheidsvinding en
rehabilitatie is het
niet relevante
eigenbelang van de
beschuldigde ouder, dat
moet wijken voor het
belang van het kind, te
weten rust in het gezin
van de “verzorgende”
ouder, reden waarom de
omgang wordt opgeschort
of zelfs ontzegd.
Voor de stelling dat
hiermee rust voor het
kind zou ontstaan moet
men wel een zeer
gekunstelde definitie
van het begrip ‘rust’
hanteren. Het is een
illusie te denken dat
met het ontzeggen van
bijvoorbeeld de omgang
de rust weerkeert. Het
in het gelijk stellen
van de verzorgende ouder
plaatst diezelfde ouder
voor de morele noodzaak
tot rationalisatie van
het onverdiende gelijk,
een verschijnsel dat in
de rechtspsychologie
bekend staat als het
zogenaamde “just world
hypothesis”-effect [16].
De onverdiend in het
gelijk gestelde ouder
ontwikkelt een
waanvoorstelling van de
realiteit en gaat zelfs
geloven in de
gegrondheid van de valse
beschuldigingen tegen de
andere ouder en in de
eigen morele
superioriteit want “de
wereld kan niet zo in
elkaar zitten dat morele
superioriteit niet
beloond wordt en
inferioriteit niet wordt
bestraft.”
Daarmee wordt de
ontzegging van de
omgang, bedoeld om een
eind te maken aan de
strijd om het kind, het
startsein voor de
ontwikkeling van het
beruchte
ouderverstotingssyndroom
[17], een vorm van
psychische en morele
verminking van het kind.
Het kind ontwikkelt
onder invloed van
indoctrinatie door de
ouder aan wie het is
toegewezen een schil
waarbinnen de
inferioriteit van de
andere ouder een
realiteit lijkt, en op
grond waarvan het kind
die andere ouder actief
verstoot. Gardner wijst
op de omkeerbaarheid van
het proces.
Ook in dit stadium
van de besluitvorming
zien we hoe paradoxaal
het belang van het kind
als beslissingscriterium
in het Familie- en
Jeugdrecht kan
uitpakken.
De tirannie van
het Belang van het Kind
Als gevolg van de
bovenbeschreven
mechanismen ontaarden
procedures over gezag,
omgang en zorgverdeling
– in wezen een kwestie
van agenda’s vergelijken
- steeds in een twist
over het belang van het
kind.
Recentelijk betoogde
Bullens[18] dat als het
conflict op
partnerniveau ligt “het
a a-priori verrichten
van uitgebreid
psychologisch onderzoek
bij het kind […] niet
echt noodzakelijk is”.
Dit inzicht wordt van
harte onderschreven,
maar de (moraliserende)
boodschap dat het
onderzoek zich zou
moeten richten op de
ouders die “in
onvoldoende mate hun
verantwoordelijkheid
nemen om de
ontwikkelingsbelangen
van hun kinderen zo goed
mogelijk te behartigen”
lost in wezen niets op.
Ook al nemen we ons deze
boodschap ter harte, nog
steeds zullen dan
procedures blijven
ontaarden in een twist
over het belang van het
kind. Dat zal het geval
blijven zolang voorbij
gegaan wordt aan de
rechtspsychologische
mechanismen (prisoners
dilemma, just world
hypothesis) die ouders
provoceren om elkaar te
beschuldigen. Deze
fundamentele mechanismen
komen pas in beeld als
we de materie op een
structuralistisch niveau
benaderen: Niet de
ouders, maar de wet en
de rechtspleging moeten
in analyse.
Niettemin is het een
welkome observatie van
Bullens, vooral waar hij
zijn artikel besluit met
de (overigens te
heteronome) opmerking
dat “het oplossen van
het conflict op
partnerniveau centraal
[zal] dienen te staan,
omdat dit pas echt in
het belang van het kind
is”. Met dit gevoel voor
paradox zouden we
eindelijk eens kunnen
ontsnappen aan de
tirannie van het belang
van het kind waaraan
art. 3 IVRK ons schijnt
te willen onderwerpen,
en die, ook los van het
IVRK, al decennia lang
ons in zijn greep
gevangen houdt.
De kiem van deze
tirannieke ontwikkeling
is wellicht beginsel 2
van de Verklaring van de
rechten van het kind[19]
uit 1959: “Het kind moet
bijzondere bescherming
genieten en moet
krachtens wet of langs
andere wegen gelegenheid
en faciliteiten krijgen
om zich lichamelijk,
geestelijk, zedelijk,
intellectueel en
maatschappelijk te
ontwikkelen op een
gezonde en normale wijze
en in omstandigheden van
vrijheid en waardigheid.
Bij het vaststellen van
wetten met dit oogmerk
moet het hoogste belang
van het kind de
voornaamste overweging
zijn”. (Let op de twee
superlatieven “hoogste”
en “voornaamste” in de
laatste volzin).
De laatste volzin is
een eigen leven gaan
leiden, met dien
verstande dat het
superlatief “hoogste”
geleidelijk is
verwaterd. We vinden de
gedachte in iets andere
gedaante terug bij de
Commissie Wiarda[20]:
“Het
jeugdbeschermingsrecht
is er in het belang van
het kind […]. De
commissie stelt voor dit
uitgangspunt in de wet
tot uitdrukking te
brengen door de
bepalingen die
betrekking hebben op het
kind te laten voorafgaan
door één algemene
bepaling, dat alle
beslissingen ten aanzien
van het kind slechts dan
mogen worden genomen,
indien deze in zijn
belang zijn. Bij die
beslissing zal
natuurlijk, indien het
kind deel uitmaakt van
een gezin, ook rekening
moeten worden gehouden
met het belang van het
gehele gezin.” Inmiddels
is dit beginsel
neergelegd, zoals we
weten, in artikel 3
IVRK. De eerste volzin
in lid 1, de tweede
volzin in lid 2.
Heeft de Commissie
Wiarda ons in 1971 aan
een tirannie van het
belang van het kind
willen onderwerpen?
Gelet op de integrerende
formulering van de
tweede volzin lijkt dat
geenszins de bedoeling
van de Commissie
geweest. In literatuur
en rechtspraak komen we
echter steeds een
oppositie tegen van het
belang van het kind
tegenover het belang van
de niet verzorgende
ouder.
De observatie van
Bullens over wat pas
ècht in het belang van
het kind is – “het
oplossen van het
conflict op
partnerniveau” of
liever: vrede tussen
zijn ouders - moet dan
ook van harte worden
verwelkomd. Om tot een
oplossing te geraken zou
de door Bullens
aangegeven lijn echter
doorgetrokken moeten
worden. Als het conflict
op partnerniveau ligt is
inderdaad “het a
a-priori verrichten van
uitgebreid psychologisch
onderzoek bij het kind
[…] niet echt
noodzakelijk”. Moet het
onderzoek zich richten
op de ouders die “in
onvoldoende mate hun
verantwoordelijkheid
nemen om de
ontwikkelingsbelangen
van hun kinderen zo goed
mogelijk te behartigen”?
Die vraag zou beter
anders gesteld kunnen
worden, ontdaan van
moralistisch dédain,
n.l.: “Hoe komt het dat
er op partnerniveau een
conflict uitbreekt?” en
het antwoord is: “Omdat
het Recht hun kind van
oogappel tot twistappel
maakt”. De aandacht moet
zich noch op het
kindniveau, noch op
ouderniveau richten,
maar op een
structuralistisch
niveau. Die twist is te
voorkomen door het
geschil over de
zorgverdeling te
beslechten op basis van
rechtszekerheid, van
gelijkwaardig ouderschap
en gebruik makend van
rationele argumenten
zoals agendakwesties,
geografische afstanden
en de
verantwoordelijkheid
daarvoor, niet op basis
van subjectieve
stellingen over het
belang van het kind. Het
“voorkómen” van een
conflict op
partnerniveau, dat is
“pas ècht in het belang
van het kind”.
4.
Rechtspsychologie in
plaats van goede
bedoelingen
Het heersende
familierechtelijk denken
gaat helaas gebukt onder
de tirannie van het
belang van het kind en
voelt zich, in elk geval
in laatste instantie,
verplicht niet de vrede
van het uiteenvallend
gezinssysteem, maar het
geïsoleerde belang van
het kind centraal te
stellen. Het
familierecht moet het
doen met de goede
bedoelingen van de
rechtsplegers met
betrekking tot het
belang van het kind; het
heeft geen eigen
rechtsfilosofisch
fundament. Het
familierecht, bedoeld om
bij echtscheiding een
rechtsorde te creëren
waarin mensenrechten en
fundamentele vrijheden
kunnen gedijen en waarin
het doorgeven van
waarden en normen aan
een nieuwe generatie
wordt beschermd, mist
centrale beginselen die
daarop gericht zijn.
Op basis van
rechtspsychologische
concepten zouden
wetgeving en rechtspraak
moeten inspelen op de
wetmatigheden van
menselijk gedrag van
procespartijen zoals
hiervoor globaal
geschetst, vrij van
moralistisch dédain,
bevrijd van de tirannie
van het belang van het
kind. Alleen dan kunnen
partijautonomie, de
persoonlijke levenssfeer
van partijen en de
integriteit van hun
ouderschap intact
gelaten worden.
Non-coöperatief gedrag
moet zich keren – zo
wist reeds Salomo -
tegen degene die zich
non-coöperatief
gedraagt.
5. Gelijkwaardig
ouderschap
De Nederlandse
wetgever heeft in 1998
af willen rekenen met de
polariserende
alles-of-niets-benadering
van eenhoofdig ouderlijk
gezag na echtscheiding,
en gekozen voor
gelijkwaardig
ouderschap: gezamenlijk
ouderlijk gezag [21].
Als dat zou worden
beschermd en gehandhaafd
zouden ouders niet
uitgelokt worden te
strijden om de kinderen.
Maar met de
juridische constructie
“hoofdverblijf van het
kind [22]” wordt de oude
ongelijkwaardigheid in
stand gehouden, waardoor
de polariserende werking
van het
echtscheidingsrecht in
stand blijft. “Het gaat
niet om de ouders, het
gaat om het belang van
het kind”, zo luidt het
dogma.
6. Zorgverdeling
op basis van rationele
argumenten
Voor de zorgverdeling
na echtscheiding zijn
alleen zaken van belang
als de werktijden van
vader en van moeder, de
schooltijden van het
kind, geografische
afstanden en eventueel
een verdeling van enkele
taken. Als iedereen weet
dat dit uiteindelijk de
exclusieve beslissende
factoren voor de rechter
zullen zijn, kan de
mediator het
bemiddelingsproces
zuiver houden, ontdaan
van machtsspelletjes.
Bij verschil van
mening moeten er knopen
worden doorgehakt op
basis van gelijkheid en
gelijkwaardigheid van de
ouders, op basis van
formele regels, niet op
basis van het belang van
het kind, want een
onderzoek daarnaar leidt
alleen maar tot een
twist over het belang
van het kind en is dan
ook een
ongerechtvaardigde
inbreuk op het privé- en
gezinsleven, met
desastreuze gevolgen.
De rechter zou geen
kennis moeten nemen van
beschuldigingen van
mishandeling, incest of
psychische stoornis. Die
onderwerpen horen bij de
kinderrechter thuis in
een generieke
kinderbeschermingsmaatregel
(OTS, Uithuisplaatsing,
ontheffing van c.q.
ontzetting uit het
ouderlijk gezag).
Bij verandering van
omstandigheden (zoals
verhuizing van een van
de ouders) moet het
criterium zijn aan wie
de verandering is toe te
rekenen. Emotionele
argumenten behoren geen
rol te spelen bij de
juridische vaststelling
en bij de handhaving van
wat is vastgesteld. Die
emoties moeten niet
ontkend of genegeerd
worden, maar moeten
buiten het juridisch
kader worden
gekanaliseerd.
Onttrekking aan de
zorgdelingsregeling door
de ene of door de andere
ouder moet op dezelfde
manier worden vervolgd
als onttrekking aan het
gezag: met parate en
directe executiemiddelen
(sterke arm van
rechtswege zonder
rechterlijke
tussenkomst,
strafbaarstelling).
Kortom: verdeling van de
zorg behoort deel uit te
maken van de ook na
scheiding voortdurende
onschendbaarheid,
integriteit van het
ouderschap.
Het vergt strikte
juridische discipline om
het proces of de
bemiddeling niet te
laten ontaarden in een
twist over het belang
van het kind. Niet voor
niets is het een
klassieke kerntaak van
het recht: het door
regulering en garantie
van rechtszekerheid
voorkomen van een
oeverloze twist over
belangen.
7. Echtscheiding
is geen
kinderbeschermingsmaatregel
Echtscheiding is geen
kinderbeschermingsmaatregel.
Toch wordt bij
echtscheiding al snel de
Raad voor de
Kinderbescherming
ingeschakeld, zogenaamd
om het kind te
beschermen tegen het
conflict van de ouders.
Dat is niet zuiver. Het
conflict van de ouders
over de kinderen is niet
een authentiek conflict,
maar het gevolg van die
niet-zuivere benadering.
Bovendien is het
discriminerend. Bij
echtscheiding leggen we
blijkbaar heel andere
maatstaven aan dan
tijdens huwelijk.
Immers, ook onder
gehuwden zal het wel
eens voorkomen dat een
goede onderlinge
verstandhouding ver te
zoeken is. Het is in die
gevallen ook niet aan de
Raad voor de
Kinderbescherming om
buiten een
kinderbeschermingsmaatregel
om in te breken in het
gezag van de ouders, of
zelfs aan een van de
ouders ieder contact met
het kind te ontzeggen.
De
omgangs-ontzeggingsgronden
(de term omgang moet
gereserveerd worden voor
anderen dan de ouders)
moeten daarom uit de
scheidingswet. En de
Raad voor de
Kinderbescherming moet
uit de
scheidingsrechtszaal
verdwijnen. Ontneming of
uitholling van het gezag
mag alleen aan de orde
zijn als zich een grond
zou voordoen voor
ontzetting uit het
ouderlijk gezag. Dat is
de zwaarste
kinderbeschermingsmaatregel,
opgelegd door een
rechter in een heel
speciale procedure die
niets met de
echtscheidings- of
omgangsprocedure te
maken heeft, omkleed met
strikte
rechtswaarborgen. De
echtscheidings- of
omgangsprocedure mag
niet als verkapte
ontzettingsprocedure
werken.
8. Vereenvoudiging
Het huidige Familie-
en Jeugdrecht is
verstoken van
rechtspsychologische
aandacht. Het centraal
stellen van het belang
van het kind leidt tot
langdurige, kostbare
procedures die zeer
schadelijk zijn, met
name voor het kind. Een
geschil om een
omgangsregeling leidt
niet zelden tot een
procedure van vier tot
vijf jaar, waarin het
kind uiteindelijk
psychisch en moreel
verminkt raakt. Daar
blijft het echter niet
bij. Het Familie- en
Jeugdrecht ontwricht het
leven van rechtzoekenden,
hetgeen weer hoge
secundaire kosten met
zich brengt. Verwacht
mag worden dat
rechtspsychologisch
onderzoek en toepassing
van de resultaten zal
leiden tot kortere en
doelmatiger procedures.
Mr.Ir. P.J.A.
Prinsen, advocaat.
Voetnoten:
- [1] O.m. Garsen,
J., J. de Beer, P.
Cuyvers, A. de Jong.
Samenleven, Nieuwe
feiten over relaties
en gezinnen.
Centraal Bureau voor
de Statistiek/
Nederlandse
Gezinsraad, 2001,
pag. 104.
- [2]
Adviesaanvraag
voorstellen
scheiding- en
omgangsproblematiek
door de Minister van
Justitie d.d. 29
oktober 2003 aan
diverse
geadresseerden.
- [3] Inmiddels
heeft de Minister op
20 januari 2005 een
concept-voorstel
‘Wet Bevordering
voortgezet
ouderschap en
zorgvuldige
scheiding’ voor
advies naar
verschillende
instanties gestuurd.
Blijkens de
concept-Memorie van
Toelichting is de
kerngedachte: “Het
wetsvoorstel gaat er
van uit dat
voortgezet
ouderschap bij
scheiding de norm is
en dat beide ouders,
ook na scheiding,
verantwoordelijk
zijn voor de
verzorging,
opvoeding en
ontwikkeling van hun
kinderen”. De
Minister hoopt dit
te bereiken door het
verplicht stellen
van een
ouderschapsplan bij
scheiding (een
uitgebreid
convenant) en door
mediation.
- [4] 'Anders
scheiden', Commissie
Herziening
Scheidingsprocedure
(Commissie De
Ruiter), 2 oktober
1996.
- [5] Kamerstukken
II 1996-1997, 25
451, nr. 1,
(Herziening
scheidingsprocedure).
- [6]
Adviesaanvraag, §1.
p. 2.
- [7]
Adviesaanvraag, §3.
p. 4.
- [8] Spruijt,E.,
H. Kormos,
C.Burggraaf,
A.Steenweg (2002).
Het verdeelde kind,
literatuuronderzoek
Omgang na scheiding.
Utrecht:
Capaciteitsgroep
Kinder- en
Jeugdstudies.
Universiteit
Utrecht.
- [9] Art.3 lid 1
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
(IVRK): Bij alle
maatregelen
betreffende
kinderen, ongeacht
of deze worden
genomen door
openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn of door
rechterlijke
instanties,
bestuurlijke
autoriteiten of
wetgevende lichamen,
vormen de belangen
van het kind de
eerste overweging.
- [10] Pessers D.
Vaders doen er niet
toe, kinderen zijn
de dupe: de macht
van moeders is
grenzeloos. NRC
Handelsblad 20
december 2003.
- [11] Prinsen
P.J.A.
Rechtszekerheid en
omgangsregeling.
FJR-1992-11 p. 242
e.v. Met reacties
vanuit de
Rechterlijke Macht
van mr.M.A. van der
Ham, mr.A.C.
Quik-Schuijt,
mr.P.J.A.Th. van
Teeffelen, mr.G.H.
Zweers.
- [12] Wet van 13
september 1990, Stb.
482, houdende nadere
regeling van de
omgang in verband
met scheiding.
- [13] Wet van 6
april 1995, Stb.
240, tot nadere
regeling van het
gezag over en van de
omgang met
minderjarige
kinderen. Door deze
wet kreeg de
wettelijke regeling
zijn huidige vorm en
plaats.
- [14] Wet van 30
oktober 1997, Stb.
1997, 506, i.w.tr. 1
jan. 1998.
- [15] HR 15 dec.
2000, NJ 2001/123.
- [16] Van Koppen
P.J., D.J.Hessing,
H.L.G.J.Merckelbach
en H.F.M.Crombag.
Het Recht van
Binnen. Deventer
2002 p. 33.
- [17] Gardner R.A.,
The Parental
Alienation Syndrome,
a guide for mental
health and legal
professionals (second
edition). New
Jersey, 1998.
- [18] Bullens, R.
en J. de Ridder,
Omgang en ‘het
belang van het
kind’. FJR 2005,2
pag. 2.
- [19] Declaration
of the rights of the
child, Resolutie 1
386 (XIV),
Veertiende Algemene
Vergadering van de
Verenigde Naties op
20 november 1959.
Yearbook of the
United Nations 1959,
pag. 198, 199.
- [20] Rapport
Jeugdbeschermingsrecht
van de Cie Wiarda,
1971, pag. 62.
- [21] Wet van 30
oktober 1997, Stb.
1997, 506, i.w.tr. 1
jan. 1998.
- [22] HR 15 dec.
2000, NJ 2001/123.
Bron
jurlex
ook:
discussiegroep
Gescheiden-Ouders-en-Kinderen
In een kort debat achter de
schermen omtrent
"het belang van het kind"
als beslissingsgrondslag in
familiezaken"
kwam Mr. Peter Prinsen tot
(tussen)conclusie:
1. Het belang van het kind
is: vrede tussen de ouders.
2. Hierover kan geen gebrek
aan consensus bestaan.
3. Het
voorkomen van
verstoring van de vrede
vergt:
- gedisciplineerdheid
van magistraten en
bemiddelaars om geen ruimte
te bieden aan twistdebatten
over het belang van het
kind,
- ontmoralisering van
hun eigen beroepshouding,
- respect voor de
presumtie van goed
ouderschap van beide ouders,n beide ouders,n beide ouders,
- ontvlechting van
scheidingsrecht en
kinderbeschermingsrecht.
4. Jan Piet de Man
signaleert in zijn artikel
"Het belang van het kind bij
(echt)scheiding" (Revue
Trimestrielle de Droit
Familial, 3-4/1992, pp.
227-236):
"De praktische toepassing
van het "case-by-case"
principe, het belang van het
kind in elk individueel
geval afzonderlijk vast te
stellen, blijkt in de
praktijk dus het
tegenovergestelde effect te
bereiken! Het zou dus meer
in het belang van het kind
zijn, een algemeen geldende
regel van toewijzing van de
"hoede" vast te leggen, die
dus de rechtsonzekerheid
wegneemt, en de daaruit
voortvloeiende
traumatiserende strijd".
Dit lijkt mij de
rechtspsychologische
essentie, die op zichzelf
reeds voldoende is om tot
gelijke zorgdeling te komen.
In aanvulling daarop is Jan
Piet vanuit
gedragswetenschappelijk
perspectief tot diezelfde
conclusie gekomen. Mijn zorg
is, dat er weer andere
gedragswetenschappers komen
met andere opvattingen en
dat in die discussie het
rechtspsychologisch argument
op de achtergrond raakt. Ik
heb dat rechtspsychologisch
argument, dat ook al door
Jan Piet wordt gehanteerd,
naar voren willen halen.
Hopelijk wordt dit debat
eens grondig gevoerd op
internationaal niveau,
hopend daar een weerslag van
te zien in het Westers
familierecht. De
toekomst zal uitmaken of de
nieuwe bilocatiewet een
gunstige impact zal hebben
op het aantal- en de aard
van de
(v)echtscheidingen.
Is het belang van het kind
een forumdiscussie waard?
“Het belang van het
kind is een containerbegrip
waar men alle kanten mee
uitkan.” (Guy Swennen).
In de hoop hier een
boom te kunnen opzetten en
hieruit te leren het
volgende.
I) Wat zegt de wet?
II) Wat is de
praktijk?
De praktijk is dat 1 op 4
kinderen hun contact
verliezen met hun ouder na
echtscheiding.(CBS
Nederland)
III) Als de oorzaak
v/d praktijk “het belang van
het kind is”, worden onze
kinderen dan niet beter met
een wettelijk verbod het
belang van het kind in debat
te brengen bij een rechter?
I) Wat zegt de wet?
A)
art.3 IVRK (belang van
kind = de eerste overweging)
B)
art. 18 IVRK (Beide
ouders delen de gezamenlijke
verantwoordelijkheid)
C)
art. 9§3 IVRK (bij
scheiding: frequent en
regelmatig contact met beide
ouders)
D)
art. 8 IVRK (behoud van
identiteit, met inbegrip van
behoud van
familiebetrekkingen)
E) Grondwet art. 1
NL (In
België 10&11): Dacht iets in
de aard dat vrouw en man
gelijke rechten hebben.
| |
|
|
|
|
|