Informatie
Als ouder heb je steeds het
recht op alle nuttige
informatie omtrent de
opvoeding van het kind.
Enkel indien de ouder uit
zijn ouderlijke macht is
ontzet door de jeugdrechter
op basis van artikel 32 van
de wet betreffende de
jeugdbescherming
vervalt dit recht.
Dit kan
indien:
De ouder
strafrechterlijk is
veroordeeld wegens enig feit
gepleegd op het kind.
Door slechte behandeling,
misbruik van gezag, of het kind
heeft mishandeld of verwaarloost.
Door kennelijk slecht gedrag
of erge nalatigheid, de
gezondheid, de veiligheid of
de zedelijkheid van het kind
in gevaar heeft brengt.
Informatie
Als ouder heb je steeds het
recht op alle nuttige
informatie omtrent de
opvoeding van het kind.
Enkel indien de ouder uit
zijn ouderlijke macht is
ontzet door de jeugdrechter
op basis van artikel 32 van
de jeugdbeschermingswet
vervalt dit recht. Dit kan
indien de ouder
strafrechterlijk is
veroordeeld, het kind
mishandeld, verwaarloost of
door slechte behandeling
Artikel
374 burgerlijk wetboek
Art.
374. BW
<13 april
1995>
Wanneer de ouders niet
samenleven, blijven zij het
ouderlijk gezag gezamenlijk
uitoefenen en geldt het in
artikel 373, tweede lid,
bepaalde vermoeden.
Bij gebreke van
overeenstemming over de
organisatie van de
huisvesting van het kind,
over de belangrijke
beslissingen betreffende
zijn gezondheid, zijn
opvoeding, zijn opleiding en
zijn ontspanning en over de
godsdienstige of
levensbeschouwelijke keuzes
of wanneer deze
overeenstemming strijdig
lijkt met het belang van het
kind, kan de bevoegde
rechter de uitoefening van
het ouderlijk gezag
uitsluitend opdragen aan één
van beide ouders.
Hij kan eveneens bepalen
welke beslissingen met
betrekking tot de opvoeding
alleen met instemming van
beide ouders kunnen worden
genomen. Hij bepaalt
de wijze waarop de ouder die
niet het ouderlijk gezag
uitoefent, persoonlijk
contact met het kind
onderhoudt. Dat persoonlijk
contact kan enkel om
bijzonder ernstige redenen
worden geweigerd.
De ouder die niet het
ouderlijk gezag uitoefent,
behoudt het recht om
toezicht te houden op de
opvoeding van het kind. Hij
kan bij de andere ouder of
bij derden alle nuttige
informatie hieromtrent
inwinnen en zich in het
belang van het kind tot de
jeugdrechtbank wenden.
In elk geval bepaalt de
rechter de wijze waarop het
kind wordt gehuisvest en de
plaats waar het in het
bevolkingsregister wordt
ingeschreven als hebbende
aldaar zijn hoofdverblijf.
Art.
375.
<W 31-03-1987, art. 42>
Indien de afstamming niet is
vastgesteld ten aanzien van
een van de ouders of indien
een van beiden overleden of
afwezig is dan wel in de
onmogelijkheid verkeert zijn
wil te kennen te geven,
oefent de andere dat gezag
alleen uit.
(Als van beide ouders er
geen overblijft die in staat
is het ouderlijk gezag uit
te oefenen, moet een
voogdijregeling worden
uitgewerkt.)
<W
1995-04-13/37, art. 9, 003; Inwerkingtreding :
03-06-1995>
Art.
375bis.
<ingevoegd bij W
1995-04-13/37, art. 10, 003;
Inwerkingtreding :
03-06-1995>
De grootouders hebben het
recht persoonlijk contact
met het kind te onderhouden.
Datzelfde recht kan aan
ieder ander persoon worden
toegekend, indien hij
aantoont dat hij met het
kind een bijzondere
affectieve band heeft.
Bij gebreke van een
overeenkomst tussen de
partijen, wordt over de
uitoefening van dat recht in
het belang van het kind op
verzoek van de partijen of
van de procureur des Konings
beslist door de
jeugdrechtbank.
Ontzetting ouderlijk gezag
Wet van 8 april 1965 -
Wet betreffende de
jeugdbescherming.
Art.
32. Van (het ouderlijk
gezag) ten aanzien van alle
kinderen, of van één of meer
onder hen, kan geheel of ten
dele worden ontzet
: <W
31-03-1987, art. 105>
1° de vader of de moeder die
is veroordeeld tot een
criminele of correctionele
straf wegens enig feit
gepleegd op de persoon of
met behulp van een van de
kinderen of afstammelingen;
2° de vader of de moeder
die, door slechte
behandeling, misbruik van
gezag, kennelijk slecht
gedrag of erge nalatigheid,
de gezondheid, de veiligheid
of de zedelijkheid van het
kind in gevaar brengt.
Hetzelfde geldt voor de
vader of de moeder die huwt
met een persoon die van (het
ouderlijk gezag) is ontzet.
<W
31-03-1987, art. 105>
De ontzetting wordt
uitgesproken door de
jeugdrechtbank, op vordering
van het openbaar ministerie.