|
Informatie
bron:
http://ond.vsko.be/pls/portal/docs/172792.DOC
Vlaams Verbond van het
Katholiek Secundair
Onderwijs
Guimardstraat 1, 1040
Brussel
website :
http://ond.vsko.be
Mededeling
referentienr. :
M-VVKSO-2003-016
datum :
2003-02-20
gewijzigd :
2006-01-31
contact : Dienst
Leerlingen en
schoolorganisatie, dls@vsko.be
Ann
Henderickx,
ann.henderickx@vsko.be,
02 507 07 25
Bart Beliën,
bart.belien@vsko.be,
02 507 07 34
School en
echtscheiding
1
Inleiding
Als directie, leerkracht of
opvoeder worden we vaker
geconfronteerd met kinderen
van gescheiden ouders. Meer
en meer kinderen maken een
scheiding van hun ouders
mee. Zij worden er op steeds
jongere leeftijd mee
geconfronteerd. Daarmee
gepaard gaand wonen steeds
meer kinderen in
éénoudergezinnen en
stiefgezinnen.
1.1
Enkele cijfers
Om slechts enkele cijfers te
geven: in het jaar 2004
werden in België 43 326
huwelijken gesloten en
vonden 31 418
echtscheidingen plaats. In
datzelfde jaar zien we voor
Vlaanderen resp. 24 172
huwelijken en 16 171
echtscheidingen. Er bestaan
verschillen tussen de
gewesten. Het Vlaamse Gewest
telt verhoudingsgewijs
minder kinderen met
gescheiden ouders dan de
twee andere gewesten.
Er bestaan op 1 januari 2004
belangrijke gemeentelijke
verschillen binnen het
Vlaamse Gewest. De hoogste
concentraties kinderen met
gescheiden ouders worden
aangetroffen in de
(groot)steden, de kuststreek
en rond het Brusselse
Hoofdstedelijke Gewest. Het
aandeel kinderen met
gescheiden ouders varieert
tussen de gemeenten van 8%
tot 35%.
In 1991 was de variatie
tussen de steden en
gemeenten nog groter. De
gemeentelijke verschillen
inzake het aandeel kinderen
met scheidingservaring namen
af in de periode 1991 -
2004. Het merendeel van de
gemeenten die in 1991 hoge
aandelen kinderen met een
scheidingservaring hadden,
zijn in 2004 nog steeds de
koplopers. Maar het zijn
juist de gemeenten met in
het verleden (zeer) lage
aandelen kinderen met een
scheidingservaring, die in
de jaren negentig de
grootste stijging
meemaakten.
Ruim 20% van de 0- tot
17-jarigen in het Vlaamse
Gewest heeft een scheiding
van de ouders meegemaakt.
Het gaat in
totaal om circa 250.000
kinderen die ervaring hebben
met een (echt)scheiding van
hun ouders of een overlijden
van een ouder.
Hoe ouder de kinderen zijn,
hoe groter de kans dat zij
een scheiding van hun ouders
meemaakten: 10% van de 0-
tot 2-jarigen versus bijna
26% van de 12- tot
17-jarigen.
1.2
Diverse
samenlevingsvormen
In overeenstemming met
bovenstaande trend zijn de
samenlevingsvormen in
diversiteit toegenomen. Het
aantal éénoudergezinnen,
voornamelijk vrouwen, en
alleenstaanden met kinderen
groeit. Wanneer het gaat om
twee-oudergezinnen zijn het
vaak niet langer ouders in
een eerste huwelijk met
biologische kinderen.
Scholen hebben ook te maken
met pleeggezinnen, kinderen
met holebi-ouders,
ideologisch gekleurde
gezinsvormen als
leefgemeenschappen en
nieuw-samengestelde
gezinnen.
Nieuw-samengestelde gezinnen
ontstaan wanneer vader en/of
moeder gaat samenleven (of
huwt) met een nieuwe partner
die mogelijk zelf kinderen
uit een vorig huwelijk
heeft. Leerlingen kunnen op
deze wijze deel uitmaken van
één of twee
nieuw-samengestelde gezinnen
en hebben dan ook één of
twee stiefouders en mogelijk
stiefbroers en –zussen.
Inspelend op al deze
evoluties introduceert de
onderwijsreglementering
het begrip “leefeenheid”.
Het betreft: “leerlingen
met ten minste één
gemeenschappelijke ouder of
ouders en leerlingen met
eenzelfde
hoofdverblijfplaats”. Bv.:
een kind dat tot dezelfde
leefeenheid behoort als een
reeds ingeschreven leerling,
heeft voor de inschrijving
voorrang op alle andere
nieuwe leerlingen.
1.3
Impact op de school
Als ouders uit elkaar gaan,
is dit een ingrijpende
gebeurtenis. Niemand blijft
er onberoerd bij. Een
scheiding gaat niet alleen
gepaard met een heleboel
feitelijke veranderingen; de
relationele ommekeer brengt
heel wat spanningen en
emotionele instabiliteit
teweeg. De school als tweede
opvoedingsmilieu wordt hoe
dan ook vaak zeer direct
geconfronteerd met wat zich
in het gezin afspeelt. De
school zal dus moeten
bepalen hoe ze hierop kan
inspelen.
Kinderen ondersteunen
betekent op een gepaste
wijze en gemeend aandacht
besteden aan de
veranderingen in hun
leefwereld. Deze aandacht
komt zowel relationeel tot
uiting in sociaal-emotionele
opvang en ondersteuning door
de leerkracht, als op een
meer praktisch niveau in het
soepel omgaan met de
behoeften van het kind.
We pleiten er dan ook voor
dat de school aandacht
besteedt aan het uitbouwen
van een beleid m.b.t. de
relatie school-gezin waarin
zoveel mogelijk recht wordt
gedaan aan de eigenheid van
elk gezin. De uitbouw van
een dergelijk ondersteunend
schoolbeleid impliceert: een
houding van openheid en
begrip, een goede
informatie-uitwisseling en
communicatie, een curriculum
inhoudelijk afgestemd op de
heterogene leefwereld van
kinderen en daarbij
aansluitend het toepassen
van een aantal didactische
methodieken en technieken in
de klaspraktijk.
We willen binnen het kader
van deze tekst suggesties
formuleren die op dit vlak
kunnen leiden tot een
preventief schoolbeleid. Om
de bestaande wetgeving en de
omzendbrief betreffende de
organisatie van het
ouderlijk gezag te kunnen
toelichten, geven we de
lezer eerst nog enkele
courante begrippen mee. We
besteden daarna uitvoerig
aandacht aan concrete
situaties waarmee scholen
geconfronteerd (kunnen)
worden. Daarbij verwoorden
we, binnen de wettelijke
verplichtingen, mogelijke
benaderingen en praktische
richtlijnen. Wie daarna nog
meer informatie wil kan de
bibliografie bekijken.
Deze mededeling kwam tot
stand in nauwe samenwerking
met de Werkgroep Relationele
en Seksuele vorming (VSKO,
Pedagogisch Bureau).
1.4
Begrippenkader
In het kader van de
organisatie van het
ouderlijk gezag worden nogal
wat begrippen door elkaar
gebruikt vandaar deze korte
lijst.
Bilocatieregeling is
een verblijfsregeling. We
spreken van
bilocatieregeling wanneer de
ouders beslissen om de
kinderen afwisselend bij elk
van hen te laten wonen voor
bepaalde periodes.
Co-ouderschap: de wet
zelf gebruikt de term niet.
Concreet betekent dit dat
beide ouders
verantwoordelijk blijven
voor de opvoeding van hun
kinderen. Dit houdt in dat
men als vader of moeder
samen met de mede-ouder
optreedt voor alle
handelingen en beslissingen
die genomen moeten worden.
De essentie van het
co-ouderschap is de
blijvende betrokkenheid van
de ouders bij alle aspecten
van de opvoeding van hun
kinderen.
Exclusief ouderlijk gezag:
toewijzing van de
uitsluitende uitoefening van
het ouderlijk gezag aan één
van beide ouders. De rechter
kan dit opdragen maar is
niet daartoe verplicht.
In dit systeem voorziet de
wet ook de mogelijkheid om
de uitsluitende uitoefening
aan één van de ouders op te
dragen, maar om tegelijk te
bepalen dat een aantal
belangrijke beslissingen
m.b.t. de opvoeding van het
kind alleen met de
instemming van beide ouders
kunnen genomen worden. Dit
wordt wel eens de gemengde
vorm genoemd en houdt een
hele waaier van concrete
uitspraken in over de
uitoefening van het
ouderlijk gezag.
Hoorrecht: het recht
van elke minderjarige die
over het vereiste
onderscheidingsvermogen
beschikt, in elk geding dat
hem betreft, op zijn verzoek
of bij beslissing van de
rechter, gehoord te worden
door de rechter of door de
persoon door de rechter
aangeduid.
Omgangsrecht: in
geval van exclusieve
gezagsuitoefening door één
ouder zal de rechter bepalen
op welke wijze de ouder die
niet met de uitoefening van
het ouderlijk gezag belast
is, persoonlijk contact met
het kind onderhoudt.
Ook grootouders en iedere
andere persoon (bv.
stiefouder) die een
bijzondere affectieve band
met het kind kan aantonen,
kunnen via de rechter
omgangsrecht aanvragen.
Het is niet aangewezen om de
verblijfsregeling
omgangsrecht te noemen. De
term ‘omgangsrecht’ blijft
voorbehouden voor het
systeem van de uitsluitende
gezaguitoefening. Andere
bronnen gebruiken hier bij
voorkeur het begrip recht op
persoonlijk contact in
plaats van omgangsrecht. De
term bezoekrecht kan beter
volledig verlaten worden.
Verblijfsregeling:
regeling die ouders dienen
te treffen omtrent hetgeen
de wet noemt: “de
organisatie van de
huisvesting van het kind”.
Alle mogelijke formules zijn
hierbij denkbaar, gaande van
een bilocatieregeling tot
bestendig verblijf bij één
ouder onderbroken door korte
verblijfperiodes bij de
andere ouder, enz…
De verblijfsregeling is een
concretisering van het recht
van elke ouder op
persoonlijk contact. De
rechter kan een bepaalde
verblijfsregeling ook
opleggen.
Stiefouder: de term
stiefouder slaat op diegene
die samenwoont of gehuwd is
met de juridische ouder. De
stiefouder oefent in geen
geval het ouderlijk gezag
uit ten aanzien van het
stiefkind, zelfs niet indien
de echtgenoot-ouder
overlijdt. Als de stiefouder
het stiefkind geadopteerd
heeft, kan hij/zij wel het
ouderlijk gezag uitoefenen.
2
Een preventief
schoolbeleid
Een preventief schoolbeleid
is een beleid dat recht doet
aan de noden en behoeften
van leerlingen die met de
scheiding van hun ouders
geconfronteerd worden.
2.1
Zorg en aandacht voor
het kind
Als ouders scheiden is dit
een ingrijpende en vaak
traumatische gebeurtenis.
Scheiden is een emotioneel
proces dat drie à vijf jaar
in beslag neemt en zowel
geldt voor jonge als oudere
leerlingen, voor jongens en
meisjes, voor zeer
conflictueuze of voor
eerdere rustige scheidingen.
Het kind loopt als het ware
een rouwproces door. De
manier waarop kinderen deze
‘verliessituatie’ verwerken,
is erg verschillend en in
grote mate afhankelijk van
hun leeftijd en
ontwikkelingsniveau.
Kinderen en jongeren zullen
eerder via hun gedrag
duidelijk maken dat ze
ergens mee zitten dan er
over te praten. De
leerkracht, opvoeder of
zelfs een
vertrouwensleerling kan
hierin een belangrijke rol
spelen. Een luisterend oor,
openheid, begrip en wat
extra aandacht op school
kunnen goed doen, zonder het
kind in een
uitzonderingspositie te
brengen. Concrete
methodieken of werkvormen
kunnen ondersteuning bieden
in het verwerkingsproces van
de leerling b.v.
kringgesprek, rollenspel,
stellingenspel,
tekenopdracht,
schrijfopdracht, filosoferen
met kinderen, …
Mogelijke reacties van
kinderen, tijdens, voor of
na de echtscheiding:
–
concentratieproblemen: omdat
een stuk basiszekerheid is
weggevallen, kunnen ze er
hun aandacht moeilijk
bijhouden;
–
angst en onzekerheid:
ze zijn onzeker over wat de
toekomst zal brengen;
–
schuldgevoelens:
kinderen denken vaak dat zij
aan de basis liggen van de
echtscheiding en voelen zich
schuldig;
–
schaamte: ze schamen
zich voor de scheiding. Hoe
zal de omgeving reageren?
Wat zullen de leerkrachten,
de medeleerlingen en de
vrienden denken?
–
agressie: een stuk
basiszekerheid valt weg, dat
kan agressie meebrengen;
–
parentificatie:
sommige kinderen nemen in
een eenoudergezin de
ontbrekende ouderrol op
zich, wat voor hen erg
belastend kan zijn;
–
loyaliteitsconflict:
moeten kiezen tussen een
biologische ouder die op het
achterplan geraakt en de
stiefouder;
–
faalangst: dit kan
leiden tot een negatief
zelfbeeld;
–
herwonnen
zelfvertrouwen: na verloop
van tijd voelen de kinderen
dat ze de situatie aankunnen
en dat ze zelfstandiger en
zelfzekerder geworden zijn.
Dit geeft hen een goed
gevoel:
–
herenigingswens: ze
hopen dat het nog goed komt
tussen de ouders.
Later, na de crisisperiode,
wanneer de rust in het gezin
terugkeert en er een
hernieuwde stabiliteit is,
hoeft de echtscheiding geen
blijvende negatieve gevolgen
te hebben.
2.2
Externe hulp
Wanneer de leerkracht,
opvoeder of
vertrouwensleraar opmerkt
dat een jongere zwaar te
lijden heeft onder de
echtscheiding, dan zal in
eerste instantie een
hulpvraag aan het CLB worden
gesteld. De CLB-medewerkers
beschikken over de nodige
professionaliteit om op
vragen en
ondersteuningsbehoeften van
scholen, leerlingen en
ouders in te gaan. In tweede
instantie kan het CLB
doorverwijzen. In dat geval
wordt de verdere begeleiding
of behandeling door een
hulpverlener van een andere
dienst aangeraden of eraan
toevertrouwd en verder
opgevolgd vanuit het CLB.
2.3
Eerbied voor elk kind
Prioritair in deze openheid
is het respect en de eerbied
voor elk kind los van de
gezinssituatie. Dit betekent
een daadwerkelijk besef,
zowel bij het schoolbeleid
als in de concrete
lespraktijk dat onze
kinderen in erg verscheiden
gezinssituaties opgroeien.
2.4
Openheid en begrip
Een houding van openheid en
begrip wordt door de ouders
en de kinderen, zeker bij
crisismomenten, als
ondersteunend ervaren. In
volle crisis is de school
misschien de enige houvast
of het enige rustpunt voor
de betrokken jongere. De
school probeert zich zo goed
mogelijk in de beleving van
de jongere te plaatsen: wat
betekent de
verblijfsregeling voor de
jongere? Wat hoort en ziet
de jongere allemaal? Enz.
De openheid van een school
kan op dit terrein ook
getoetst worden aan de wijze
waarop relationele vorming
wordt aangeboden. Ruimer dan
seksuele voorlichting kunnen
sociale vaardigheden
ingeoefend worden:
conflicthantering,
communicatie en leren omgaan
met eigen gevoelens en die
van anderen.
Ook praktisch/administratief
kan een schoolbeleid daar
rekening mee houden.
Voorbeeld
Een rapport meegeven en
verwachten dat het de
volgende ochtend getekend
terug komt, is voor sommige
kinderen niet haalbaar.
Wanneer er fraaie punten op
staan kunnen we ons indenken
dat de leerling die ook aan
de andere ouder (bij wie
hij/zij tijdens het weekend
verblijft) wil laten zien.
2.5
Neutraal tegenover
beide ouders
Er moet een ernstige zorg
bij de school bestaan om bij
echtscheidingen of
betwistingen neutraal
tegenover beide ouders te
zijn. De meeste leerlingen
verkiezen immers ook loyaal
aan vader en moeder te
blijven. Kinderen mogen niet
gevoel of het idee krijgen
dat ze mogen of moeten
kiezen tussen hun beide
ouders. De school kan
evenmin partij kiezen voor
een ouder. Hoe dat concreet
kan gebeuren, wordt
verduidelijkt in punt 4.
Het lijkt ons ook essentieel
dat de school deze boodschap
van onpartijdigheid bekend
maakt aan de ouders en de
betrokken kinderen. Wanneer
een leerling expliciet de
kant van één ouder kiest zal
die opdracht niet eenvoudig
zijn en een heus gesprek
vereisen. Toch zullen de
meeste leerlingen die
houding van de school
begrijpen.
2.6
Buiten elke
betwisting blijven
Een echtscheiding, een
rechtsgeding treft alleen de
betrokken partijen. De
school is hier geen
betrokken partij en moet
niet proberen conflicten
tussen ouders op te lossen.
Indien er een regeling werd
getroffen die niet werkzaam
is en ingaat tegen het
belang van het kind, kan de
school hen doorverwijzen
naar een jeugdrechtbank.
2.7
Betrokkenheid van
beide ouders bij de
opvoeding stimuleren
Een goede samenwerking en
communicatie met beide
ouders zal het kind ten
goede komen. In volle crisis
kunnen zelfs ouders soms
heel emotioneel reageren.
Benader hen steeds als
volwaardige partners in
zaken die de opvoeding van
hun kind aanbelangen.
Stimuleer de communicatie
indien mogelijk tussen het
kind en de ouder(s), tussen
de ouders onderling. Zorg
voor voldoende informatie
verkregen bij ouders en
leerlingen maar wees
tegelijkertijd discreet in
het omgaan ermee.
2.8
Correcte toepassing
van de wetgeving
Eenduidigheid over de
gebruikte terminologie is
vaak zoek. Uitspraken gedaan
vóór 3 juni 1995 (datum van
de inwerkingtreding van de
wet van 13 april 1995
betreffende de gezamenlijke
uitoefening van het
ouderlijk gezag die de
regeling van het ouderlijk
gezag in het Burgerlijk
Wetboek ingrijpend wijzigde)
blijven hun uitwerking
behouden, tenzij de ouders
een nieuwe uitspraak vragen
in het licht van de huidige
wetgeving.
Wanneer de school
bijvoorbeeld bij de
inschrijving informeert naar
de organisatie van het
ouderlijk gezag, zal vrij
snel blijken, dat streven
naar eenvormige terminologie
zeer moeilijk blijft en de
verzamelde informatie niet
steeds uitsluitsel biedt. We
verwijzen hiervoor naar punt
3 en de bijlage bij deze
Mededeling.
3
De wetgeving
De wetgeving over
echtscheiding, organisatie
van het ouderlijk gezag, het
omgangsrecht, het hoorrecht
van minderjarigen enz. is
aan fundamentele wijzigingen
onderhevig (zie o.m. de wet
van 13 april 1995
betreffende de gezamenlijke
uitvoering van het ouderlijk
gezag. Alles wijst erop dat,
mede gezien de evoluties in
onze samenleving, aan het
familierecht verder
gesleuteld zal worden (bv.
objectieve criteria voor en
de afdwingbaarheid van de
alimentatie…).
3.1
Enkele belangrijke
wetten
Op 30 juni 1994 kwam er een
nieuwe wet op de
echtscheiding. Deze wet
zorgt voor een grondige
inkorting van de procedure
bij scheiding met onderlinge
toestemming.
Sinds 1 oktober 1994 is er
hoorrecht van
minderjarigen
. Bij betwistingen tussen
ouders over de organisatie
van het ouderlijk gezag of
de verblijfsregeling is de
jeugdrechter verplicht
kinderen vanaf 12 jaar op te
roepen voor een gesprek en
hun mening te horen.
Op 13 april 1995 volgt de
wet betreffende de
gezamenlijke uitoefening van
het ouderlijk gezag. Deze
wet vertrekt van het
principe dat beide ouders,
samenlevend of niet,
gezamenlijk instaan voor de
opvoeding van hun kinderen
(het zogenaamde
co-ouderschap).
De grootouders en iedereen
die een bijzondere
affectieve band met het kind
kunnen aantonen hebben recht
op persoonlijk contact (zie
bijlage, punt 5).
Door de wet van 19 februari
2001 betreffende
proceduregebonden
bemiddeling in familiezaken
kunnen de scheidende
partijen beroep doen op een
bemiddelaar. Dit kan een
notaris zijn, een advocaat
of welzijnswerker. De
bemiddelaar praat de
geschilpunten met de beide
partijen uit.
De wet van 16 april 2002
kort de termijn voor
echtscheiding op grond van
feitelijke scheiding in van
vijf naar twee jaar.
3.2
Omzendbrief
Scholen kunnen zich voor de
concrete dagelijkse werking
baseren op de ministeriële
omzendbrief NO/20005/01
(13AC) van 14 april 2005
betreffende ouderlijk gezag
in onderwijsaangelegenheden.
De omzendbrief bevat slechts
aanbevelingen over de
wijze waarop de school kan
handelen. Er wordt bovenaan
immers uitdrukkelijk vermeld
dat het gaat om een
informatieve omzendbrief.
De vroegere omzendbrief
bevatte twee bijlagen: de
wet van 13 april 1995
betreffende de gezamenlijke
uitoefening van het
ouderlijk gezag en een
uittreksel uit het
Burgerlijk wetboek, meer
bepaald de door de wet
gewijzigde artikelen 371 –
375bis van het B.W. Deze
bijlagen zijn weggevallen.
Omdat de huidige omzendbrief
het wettelijke kader weinig
toelicht, geven we de
relevante artikels uit het
Burgerlijk wetboek mee als
bijlage bij deze Mededeling
(M-VVKSO-2003-016-B01).
3.3
Wetgeving betreffende
de uitoefening van het
ouderlijk gezag
3.3.1
Basisprincipe
De wet gaat uit van het
volgende basisprincipe: de
ouders oefenen , samenlevend
of niet-samenlevend,
gezamenlijk het ouderlijk
gezag uit. Men spreekt hier
van co-ouderschap, al
gebruikt de wet deze term
niet.
Dit ouderlijk gezag geldt
zowel op het vlak van het
gezag over de persoon van de
minderjarige als wat betreft
het beheer van de goederen.
In de schoolcontext zullen
we hoofdzakelijk met het
eerste te maken hebben.
Het gezag over de persoon
van de minderjarige houdt
alle beslissingen in die
moeten genomen worden in het
kader van de huisvesting van
het kind, de belangrijke
beslissingen betreffende
zijn gezondheid, zijn
opvoeding, zijn opleiding,
zijn ontspanning, zijn
godsdienstige of
levensbeschouwelijke keuze.
De opsomming in art. 374
B.W. is niet limitatief.
Dit zou betekenen dat voor
elk van deze beslissingen de
beide ouders samen moeten
optreden. In de praktijk is
dit natuurlijk niet
haalbaar. Om die reden
voorziet de wet in een
‘vermoeden van instemming’
(zie punt 4.2.1.1).
Voor de school is hiermee
een eerste aandachtspunt
geformuleerd.
3.3.2
Afwijkingen van het
basisprincipe
Indien de ouders niet
samenleven en er onenigheid
bestaat over sommige
aspecten die met het kind te
maken hebben, dan kan
de rechter (hij is niet
verplicht):
•
de uitoefening van
het ouderlijk gezag
uitsluitend opdragen aan één
van beide ouders (het
zogenaamde ‘exclusieve
ouderlijk gezag’);
•
bepalen welke
beslissingen over de
opvoeding alleen met
instemming van beide ouders
kunnen worden genomen,
bijvoorbeeld medische
ingrepen,
schoolaangelegenheden (de
zogenaamde ‘gemengde
regeling’).
Voor de organisatie van het
schoolleven is het
belangrijk te weten dat in
beide bovenstaande gevallen
de andere ouder steeds het
recht bewaart om:
•
toezicht te houden op
de opvoeding van het kind;
•
bij de andere ouder
of bij derden alle nuttige
informatie in te winnen over
de opvoeding van het kind;
•
zich in het belang
van het kind te wenden tot
de jeugdrechtbank.
Indien een ouder uit het
ouderlijk gezag ontzet is,
heeft hij in beginsel
bovenstaande rechten niet.
4
Praktische en
administratieve aspecten die
verband houden met nieuwe
samenlevingsvormen
4.1
Inleiding
Een school die adequaat wil
inspelen op de sociale
tendensen die
gezinsveranderingen met zich
meebrengen, moet een
strategie hanteren die
anticipeert op allerlei
mogelijke (praktische en
administratieve) problemen
die de aandacht voor
kinderen in nieuwe
gezinsvormen met zich
meebrengt.
Complexe (gezin)situaties
worden de school en de klas
binnengebracht. Ze geven
duidelijke signalen dat we
deze verscheidenheid en
complexiteit moeten erkennen
en respecteren. De keerzijde
van die complexiteit is het
toenemende aantal
onduidelijkheden en het
verlies van een eenvormig
referentiekader. We kunnen
er niet langer van uitgaan
dat beide (biologische)
ouders in gelijke mate het
ouderlijk gezag waarnemen en
even intens betrokken zijn
bij de opvoeding van hun
kind(eren).
De school wordt in
toenemende mate
geconfronteerd met vragen
als: mogen we deze leerling
inschrijven? Wie moet
verwittigd, uitgenodigd
worden voor een
oudercontact? Hoe gaan we om
met een (groot)ouder die
tijdens de lesuren vraagt
(klein)zoon of
(klein)dochter te zien? Wat
met de vraag van één ouder
naar informatie over het
sociaal-emotioneel
functioneren van zoon of
dochter op school?
4.2
Concrete vragen en
situatie waarmee de school
geconfronteerd wordt
Globaal kunnen de vragen en
de situaties waarmee de
school geconfronteerd worden
ingedeeld worden in volgende
thematieken:
•
in- en
uitschrijvingen van
leerlingen;
•
andere handelingen
die een beslissing van
ouders vereisen;
•
informatie over de
jongere inwinnen;
•
persoonlijk contact
met de jongere;
•
hoorrecht van
minderjarigen.
4.2.1
In- en
uitschrijvingen van
leerlingen
De personen die het
ouderlijk gezag uitoefenen,
nemen in verband met de
opvoeding van de
minderjarige een aantal
beslissingen. Daarvan zijn,
voor de
onderwijsinstellingen, de
schoolkeuze en de
studiekeuze de
belangrijkste.
4.2.1.1
Gezamenlijke
uitoefening van het
ouderlijk gezag en vermoeden
van instemming
Zowel bij samenlevende als
bij niet-samenlevende ouders
wordt het ouderlijk gezag in
principe gezamenlijk
uitgeoefend. Dit
co-ouderschap houdt in dat
men als vader of als moeder
samen met de mede-ouder
optreedt voor alle
beslissingen die moeten
genomen worden. De wetgever
heeft hiermee de bedoeling
gehad blijvende
betrokkenheid van de ouders,
bij alle aspecten van de
opvoeding van hun kind, te
bevorderen.
De gezamenlijke uitoefening
van het ouderlijk gezag is
strikt genomen in de
praktijk niet haalbaar. Om
die reden heeft de wetgever
voorzien in het ‘vermoeden
van instemming’.
Het vermoeden van instemming
houdt in dat ten opzichte
van derden te goeder trouw,
elke ouder die een handeling
stelt, geacht wordt op te
treden met instemming van de
andere ouder (art. 373, 2de
lid B.W. en art. 376, 2de
lid B.W.).
De wetgever maakt hier geen
onderscheid tussen gewone,
dagelijkse beslissingen (de
deelname van het kind aan de
sportdag) en meer
fundamentele beslissingen
(een medische ingreep of een
inschrijving in een school).
Sommige praktijkjuristen
betreuren dit.
Voorbeeld
Eén ouder komt
zoon/dochter inschrijven in
de school. De school mag er
vanuit gaan dat dit gebeurt
met (stilzwijgende)
instemming van de andere
ouder. Wanneer de school
echter weet heeft, of weet
had moeten hebben van het
ontbreken van die instemming
– bv. door een eerdere
ervaring met een broer of
zus – dan handelt zij niet
te goeder trouw als ze toch
in-of uitschrijft.
4.2.1.2
Betwistingen
•
In geval de ouders
die een gezamenlijke
beslissing moeten nemen niet
tot een akkoord komen, kan
één van hen de zaak
aanhangig maken bij de
jeugdrechtbank (art. 373, 3de
lid B.W.). De bevoegde
rechter kan in dat geval de
uitoefening van (bepaalde
aspecten van) het ouderlijk
gezag uitsluitend opdragen
aan één van beide ouders
(art. 374, 2de
lid B.W.).
–
Als co-ouders hun
kind in een verschillende
school willen inschrijven
dan kan de school hier geen
standpunt innemen. Haar
houding zal neutraal zijn en
ze zal die positie van
onpartijdigheid ook kenbaar
maken aan de beide ouders en
de betrokken leerling. De
ouder die niet akkoord gaat
met de inschrijving kan in
het belang van het kind,
verhaal aantekenen bij de
(jeugd)rechter. De school
schrijft niet in maar wacht
het vonnis in kortgeding af
.
–
De rechter heeft aan
één ouder het exclusief
ouderlijk gezag toegekend
(zie punt 3.3.2). Dat
betekent dat deze ouder het
alleenrecht heeft om te
beslissen waar de leerling
school loopt.
•
Scholen worden
meestal geconfronteerd met
een ouder die alleen
optreedt en bv. zoon/dochter
inschrijft of uitschrijft.
Achteraf blijkt dat de
andere (niet aanwezige)
ouder niet akkoord gaat.
–
Bij co-ouderschap
blijft de jongere
ingeschreven in de school
die hem te goeder trouw
inschreef en volgt daar de
lessen. De ouder die niet
akkoord gaat met de
inschrijving kan verhaal
aantekenen bij de
(jeugd)rechter. De school
voert het vonnis uit.
–
Als de school op het
ogenblik van de inschrijving
wist of kon weten dat de
afwezige ouder (mogelijk)
niet akkoord gaat met
inschrijving,
mag ze de leerling niet
inschrijven. Indien dit toch
gebeurd is, vond er geen
rechtsgeldige inschrijving
plaats. Dit betekent dat de
afwezige ouder bij een
rechter de nietigverklaring
van de inschrijving kan
vragen en eventueel een
schadevergoeding kan eisen.
–
Kreeg één ouder van
de rechter het exclusief
ouderlijk gezag toegekend,
dan beslist deze ouder waar
het kind school loopt.
•
Een ouder schrijft
zijn zoon/dochter in de loop
van het schooljaar in in een
andere school. De nieuwe
school die uitgaat van het
vermoeden van instemming,
vraagt het dossier op in de
oude school. Daar blijkt dat
de leerling niet is
uitgeschreven en de andere
ouder dat ook niet wenst te
doen.
–
Als de school te
goeder trouw handelt wordt
bij co-ouderschap aangenomen
dat de leerling toch
ingeschreven is in de nieuwe
school. De eerste school
schrijft de leerling
bijgevolg uit. De leerling
opnieuw inschrijven in de
eerste school kan niet meer
te goeder trouw gebeuren. De
school heeft immers weet van
het gebrek aan instemming.
De ouder die niet akkoord is
met de inschrijving in de
nieuwe school kan wel
verhaal aantekenen bij de
(jeugd)rechter. De
(jeugd)rechtbank beslist
zelf waar de leerling wordt
ingeschreven of geeft aan
welke ouder het recht heeft
de schoolkeuze te bepalen.
–
De ouder die door de
rechter het exclusief
ouderlijk gezag toegekend
kreeg beslist. Stel dat dit
de ouder was die het kind
inschreef in de eerste
school, dan kan de
inschrijving in de tweede
school niet doorgaan.
4.2.1.3
Praktisch
Om betwistingen te voorkomen
en om in het geval van
co-ouderschap gelijke
rechten aan beide ouders te
verzekeren, kan de school
bij de inschrijving van een
nieuwe leerling zelf het
initiatief nemen door:
•
bij het intakegesprek
te informeren naar de
organisatie van het
ouderlijk gezag, de
gezinssamenstelling
(mogelijke stiefouders,
stiefbroers en –zussen,
half-broers en –zussen), de
verblijfsregeling, …
De praktijk wijst echter uit
dat de school, indien het
inschrijvingsformulier een
invulrubriek bevat
betreffende de organisatie
van het ouderlijk gezag,
vaak onjuiste informatie
krijgt. Zo wordt bv. nog
vaak gesproken van
hoederecht en verwart men de
regeling m.b.t. het
ouderlijk gezag dikwijls met
de verblijfsregeling.
Informeren naar de
organisatie van het
ouderlijk gezag kan
uitsluitend kaderen in een
intakegesprek, als basis
voor de
leerlingenbegeleiding. Het
gaat niet om een
administratieve formaliteit.
Exacte informatie is
overigens alleen mogelijk
indien het vonnis wordt
voorgelegd. Maar ook dan
moet de school behoedzaam
met deze informatie
omspringen, soms legt een
ouder immers niet het meest
recente vonnis voor, omdat
dit voor hem minder gunstig
is.
•
Aan het
inschrijvingsformulier dat
door de inschrijvende ouder
wordt getekend, wordt daarom
volgende tekst toegevoegd:
“De inschrijvende
ouder verklaart t.o.v. de
school in toepassing van de
artikels 374 B.W. en 375 B.W.
te handelen met de
instemming van de andere
ouder.”
Tijdens het intakegesprek
wordt uitdrukkelijk op deze
verklaring gewezen, zodat de
inschrijvende ouder zich
bewust is van de inhoud.
4.2.2
Andere handelingen
die een beslissing van
ouders vereisen
Naast de in- en
uitschrijving moeten ouders
zich akkoord verklaren met
de studiekeuze van hun kind,
toestemming geven om tijdens
de middag de school te
verlaten, toestemming geven
voor een
extra-murosactiviteit in het
buitenland,
afwezigheidbewijzen
handtekenen, enz.
De school mag er ook hier
van uitgaan dat de ene ouder
handelt met instemming van
de andere ouder (zie punt
4.2.1.1). Wanneer de school
echter weet heeft, of weet
had moeten hebben van het
ontbreken van die instemming
– bv. door een eerdere
ervaring met een broer of
zus – dan zal ze bij de
andere ouder informeren naar
de instemming.
4.2.3
Informatie inwinnen
over een jongere
4.2.3.1
Regelgeving
Ouders hebben recht op
informatie (toezicht) over
het functioneren van hun
zoon/dochter op school. Bij
samenlevende ouders stelt
die communicatie meestal
geen probleem. Bij niet
samenlevende ouders kan dat
moeilijker liggen.
Artikel
374 B.W. stelt dat ook de
ouder die niet het ouderlijk
gezag uitoefent, het recht
behoudt om toezicht te
houden op de opvoeding van
zijn/haar kind. Om
dit te verwezenlijken kan
die ouder informatie
inwinnen bij de andere ouder
of, indien dit niet vlot,
bij derden i.c. de school.
De ouder die ontzet is uit
het ouderlijk gezag heeft in
beginsel geen
beslissingsrecht en geen
recht op informatie.
4.2.3.2
Praktisch
•
In de dagelijkse
schoolpraktijk betekent dit
dat beide ouders
geïnformeerd moeten worden
over de schoolresultaten,
begeleidingsactiviteiten,
buitenschoolse activiteiten,
uitnodigingen voor het
oudercontact, proclamatie….
Wanneer een tuchtprocedure
tegen een minderjarige
leerling wordt opgestart zal
de school er uitdrukkelijk
over waken dat beide ouders
op de hoogte worden
gebracht.
•
Bij de inschrijving
kan al duidelijk worden dat
de ouders niet samenleven.
Omdat het belangrijk is dat
beide ouders bij het
onderwijs van hun kind
betrokken zijn, kan al van
bij de inschrijving een
begin gemaakt worden over de
communicatie. Welke
informatie kan via welk
kanaal worden doorgegeven?
Wat geven de ouders aan
elkaar door? Wat kan via de
leerling aan beide ouders
worden doorgegeven? Via de
schoolagenda?
•
Indien een ouder met
wie er tot nog toe geen
communicatie was, bij de
school om informatie vraagt
dan zal de school daar
vanzelfsprekend op ingaan
als het een redelijke vraag
betreft. De school kan niet
verplicht worden om het
volledige pedagogisch
dossier te kopiëren, een
verslag op te maken van alle
gesprekken die hebben plaats
gevonden met een
leerlingbegeleider, een
vragenlijst in te vullen
enz. Bovendien lijkt enige
voorzichtigheid hier op zijn
plaats. Dit kan verantwoord
worden vanuit het volgende:
–
het komt voor dat een
ouder (of zijn advocaat) via
de school informatie
probeert te bekomen die
gebruikt wordt om een
wijziging van het vonnis te
verkrijgen;
–
van een leerling die
tot een redelijke
behartiging van zijn
belangen in staat is, moet
aanvaard kunnen worden dat
hij iemand in vertrouwen
neemt.
•
Het gebeurt dat
grootouders geen informatie
krijgen van de ouders van
hun kleinkind en zich om die
reden tot de school wenden.
De school moet niet ingaan
op die vraag naar informatie
van grootouders betreffende
hun kleinkind. Zij is hier
geen derde in de zin van
art. 373 B.W. De school zal
hen aanraden zich tot de
rechtbank te wenden.
4.2.4
Contact met een
jongere (omgangsrecht)
4.2.4.1
Regelgeving
Beide ouders hebben recht op
persoonlijk contact met hun
kind. In het geval van
exclusief ouderlijk gezag,
blijft de ouder die niet het
ouderlijk gezag uitoefent,
een recht van persoonlijk
contact t.a.v. zijn kind
behouden. De wijze waarop
hij dat persoonlijk contact
onderhoudt kan door de
rechter worden vastgelegd.
Dat persoonlijk contact kan
enkel om bijzonder ernstige
reden worden geweigerd (art.
374 B.W., 4de
lid).
Ook grootouders hebben recht
op persoonlijk contact met
het kind, zij het wel op een
andere rechtsgrond dan deze
van de ouders. Dit recht is
voor de grootouders een
principieel recht. Bij
gebrek aan overeenkomst,
beslist de jeugdrechtbank.
De uitoefeningsmodaliteiten
van het omgangsrecht van de
grootouders worden door de
rechter bepaald op grond van
het belang van het kind
(art. 375bis B.W.).
Het burgerlijk wetboek
bepaalt hier niet dat dit
persoonlijk contact enkel om
bijzonder ernstige reden kan
geweigerd worden.
Personen die een ‘bijzondere
affectieve band’ met het
kind kunnen aantonen (bv.
gewezen pleegouders) hebben
het virtuele recht op
persoonlijk contact. Dit
betekent dat het altijd en
enkel door de rechter wordt
toegekend of geweigerd.
4.2.4.2
Praktisch
Scholen krijgen wel eens de
vraag van een
ouder/grootouder om hun
kind/kleinkind te spreken
tijdens de schooluren of de
middagpauze.
Vanuit menselijk standpunt
is men geneigd in te gaan op
zo’n vraag. Toch is dit niet
de juiste houding:
•
de school kan immers
niet inschatten hoe de
leerling zelf zal reageren
wanneer hij met een
familielid in contact wordt
gebracht;
•
de vastgelegde
omgangsregeling moet
nageleefd worden en tenzij
het vonnis wordt voorgelegd,
kan de school niet weten wat
daarin beslist is.
Omdat de school t.a.v. alle
betrokkenen een neutrale
positie inneemt, creëert zij
geen gelegenheden om het
omgangsrecht met bepaalde
personen mogelijk te maken.
Het is daarom aan te raden
de ouder/grootouder te
verwijzen naar de
jeugdrechtbank om een nieuwe
regeling te vragen of de
naleving van de bestaande
regeling te eisen. De school
kan ook leerlingen aanraden
zich tot de jeugdrechtbank
te wenden (zie punt 4.2.4).
4.2.5
Hoorrecht van de
minderjarige
4.2.5.1
Regelgeving
In toepassing van het
Internationaal Verdrag van
het Kind (art. 12)
kan een minderjarige die
over het vereiste
onderscheidingsvermogen
beschikt in een geding dat
hemzelf betreft, op eigen
verzoek of door een
beslissing van de rechter
gehoord worden (art. 931
Ger.W.).
Art. 931 Ger.W. bepaalt:
“…Evenwel kan een
minderjarige die over het
vereiste
onderscheidingsvermogen
beschikt, in elk geding
dat hem betreft, op zijn
verzoek of bij beslissing
van de rechter, worden
gehoord door de rechter of
door de persoon die deze
aanwijst, onverminderd de
wettelijke bepalingen
betreffende zijn vrijwillige
tussenkomst en zijn
toestemming. (…)
Wanneer een minderjarige het
verzoek om gehoord te worden
aan de rechter bij wie de
zaak aanhangig is, of aan de
procureur des Konings heeft
gericht, kan het onderhoud
slechts worden geweigerd bij
een speciaal gemotiveerde
beslissing, gegrond op het
gegeven dat de minderjarige
niet over het vereiste
onderscheidingsvermogen
beschikt. (…).
Wanneer de rechter
beslist om een minderjarige
te horen, kan laatstgenoemde
weigeren gehoord te worden.”
4.2.5.2
Praktisch
De school kan ook een
leerling die zich niet goed
voelt bij een
(niet-nageleefde) bestaande
omgangsregeling en/of
verblijfsregeling enz. ,
aanraden om zich tot de
jeugdrechter te wenden. Dit
kan enkel wanneer daar een
geding aanhangig werd
gemaakt. Een eenvoudige
handgeschreven brief
volstaat. Een minderjarige
heeft (nog) geen
procesbekwaamheid, dat
betekent dat hij zelf geen
zaak aanhangig kan maken.
Het gebeurt dat een leerling
komt melden dat hij afwezig
zal zijn omdat hij gehoord
zal worden door de
jeugdrechter. Deze
afwezigheid is van
rechtswege gewettigd.
De leerling is niet
verplicht op het verzoek van
de rechter in te gaan en
kan, wanneer hij voor de
rechter verschijnt,
verklaren dat hij niet wenst
te spreken.
De rechter kan voor het
onderhoud een geschikte
plaats en persoon aanwijzen.
Het onderhoud kan ook op
school plaatsvinden bv. met
een maatschappelijk
assistent.
5
Bibliografie
Provinciale Dienst
Volksgezondheid, Kind &
(echt)scheiding binnen de
schoolcontext.
Ondersteunende brochure voor
scholen. Limburg, 2003, 87
p.
Provinciale Dienst
Volksgezondheid, Kinderen
in een
echtscheidingssituatie: de
sociaaljuridische aspecten.
Brochure voor scholen, CLB’s
en buitenschoolse
kinderopvang. Limburg,
2003, 63 p.
Colpin, H., Verhaeghe, J.P.,
Vandemeulebroucke L.,
Ghesquière, P., Nieuwe
gezinsvormen en
onderwijsparticipatie in
Vlaanderen. Conclusies en
aanbevelingen.
K.U.Leuven en RUG
(http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/bijlagen0201/colpin1.htm)
JACOBS, M., (red.),
Kinderen en scheiding.
Kinderrechtencommissariaat
dossier, mei 2005.
Jeugd en Seksualiteit,
Uit Elkaar. Brochure over
kinderen en echtscheiding
voor leerkrachten, directies
en opvoeders, Mechelen,
1998, 35 p.
JACOBS, T., e.a.,
Gezinsontbinding in
Vlaanderen, Panelstudie van
Belgische huishoudens,
Antwerpen, UIA, 2000.
Overgenomen uit De
Standaard van 13 januari
2000.
SENAEVE, P.,
Co-ouderschap en
omgangsrecht. Commentaar op
de wet van 13 april 1995,
Maklu, 1995, 165 p.

Bijlage (pdf)
•
M-VVKSO-2003-016-B01
(Relevante
artikels uit het Burgerlijk
Wetboek)
http://ond.vsko.be/pls/portal/docs/172788.PDF


Verwante
links:
Ontzetting ouderlijk gezag
Wet van 8 april 1965 -
Wet betreffende de
jeugdbeschreming.
Art.
32. Van (het ouderlijk
gezag) ten aanzien van alle
kinderen, of van één of meer
onder hen, kan geheel of ten
dele worden ontzet
: <W
31-03-1987, art. 105>
1° de vader of de moeder die
is veroordeeld tot een
criminele of correctionele
straf wegens enig feit
gepleegd op de persoon of
met behulp van een van de
kinderen of afstammelingen;
2° de vader of de moeder
die, door slechte
behandeling, misbruik van
gezag, kennelijk slecht
gedrag of erge nalatigheid,
de gezondheid, de veiligheid
of de zedelijkheid van het
kind in gevaar brengt.
Hetzelfde geldt voor de
vader of de moeder die huwt
met een persoon die van (het
ouderlijk gezag) is ontzet.
<W
31-03-1987, art. 105>
De ontzetting wordt
uitgesproken door de
jeugdrechtbank, op vordering
van het openbaar ministerie.
|