FEDERALE
OVERHEIDSDIENST
JUSTITIE
18
JULI 2006. - Wet tot
het bevoorrechten
van een gelijkmatig
verdeelde
huisvesting van het
kind van wie de
ouders gescheiden
zijn en tot regeling
van de gedwongen
tenuitvoerlegging
inzake huisvesting
van het kind (1)
ALBERT II, Koning
der Belgen,
Aan allen die nu
zijn en hierna wezen
zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben
aangenomen en Wij
bekrachtigen hetgeen
volgt :
HOOFDSTUK I. -
Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet
regelt een
aangelegenheid als
bedoeld in artikel
78 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. -
Wijzigingen van het
Burgerlijk Wetboek
Art. 2. Artikel 374
van het Burgerlijk
Wetboek, gewijzigd
bij de wet van 13
april 1995, waarvan
de bestaande tekst §
1 zal vormen, wordt
aangevuld met een §
2, luidende :
« § 2. Ingeval de
ouders niet
samenleven en hun
geschil bij de
rechtbank aanhangig
wordt gemaakt, wordt
het akkoord over de
huisvesting van de
kinderen door de
rechtbank
gehomologeerd,
tenzij het akkoord
kennelijk strijdig
is met het belang
van het kind.
Bij gebrek aan
akkoord, in geval
van gezamenlijk
ouderlijk gezag,
onderzoekt de
rechtbank op vraag
van minstens één van
de ouders bij
voorrang de
mogelijkheid om de
huisvesting van het
kind op een
gelijkmatige manier
tussen de ouders
vast te leggen.
Ingeval de rechtbank
echter van oordeel
is dat de
gelijkmatig
verdeelde
huisvesting, niet de
meest passende
oplossing is, kan
zij evenwel
beslissen om een
ongelijk verdeeld
verblijf vast te
leggen.
De rechtbank
oordeelt in ieder
geval bij een met
bijzondere redenen
omkleed vonnis, en
rekening houdend met
de concrete
omstandigheden van
de zaak en het
belang van de
kinderen en de
ouders. »
Art.
3. Artikel 387bis
van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 13
april 1995, wordt
aangevuld met de
volgende leden :
« Onverminderd
artikel 1734 van het
Gerechtelijk
Wetboek, poogt de
rechtbank de
partijen te
verzoenen. Zij
verstrekt hen alle
nuttige inlichtingen
over de
rechtspleging en in
het bijzonder over
het nut een beroep
te doen op de in het
zevende deel van het
Gerechtelijk Wetboek
bepaalde
bemiddeling. Indien
zij vaststelt dat
een toenadering
mogelijk is, kan zij
de schorsing van de
procedure bevelen,
teneinde de partijen
de mogelijkheid te
bieden alle nuttige
inlichtingen
hierover in te
winnen en het
bemiddelingsproces
op te starten. De
duur van de
schorsing mag niet
meer dan één maand
bedragen.
De rechtbank kan,
zelfs ambtshalve,
een voorafgaande
maatregel bevelen
teneinde de
vordering te
onderzoeken of de
toestand van de
partijen voor een
termijn die zij
vaststelt, voorlopig
te regelen.
Ingeval een
dergelijke vordering
voor het eerst bij
de jeugdrechtbank
aanhangig wordt
gemaakt, en
behoudens
overeenstemming van
alle partijen en van
de procureur des
Konings, beslist de
jeugdrechtbank over
een voorlopige
regeling. De zaak
kan tijdens een
latere zitting
opnieuw worden
onderzocht, op een
datum die ambtshalve
vastgelegd wordt in
het vonnis, binnen
een termijn die één
jaar niet te boven
mag gaan, en
onverminderd een
nieuwe oproeping op
een vroegere datum,
zoals is aangegeven
in het volgende lid
:
De zaak blijft
ingeschreven op de
rol van de
jeugdrechtbank tot
de kinderen op wie
het geschil
betrekking heeft,
ontvoogd zijn of de
leeftijd van
wettelijke
meerderjarigheid
hebben bereikt. In
geval van nieuwe
elementen, kan de
zaak opnieuw voor de
rechtbank worden
gebracht bij
conclusie of bij een
schriftelijk verzoek
dat wordt neergelegd
bij of gericht is
aan de griffie.
Artikel 730, § 2,
a), van het
Gerechtelijk Wetboek
is niet van
toepassing op deze
zaken. »
Art.
4. In hetzelfde
Wetboek wordt een
artikel 387ter
ingevoegd, luidende
:
« Artikel 387ter. §
1. Ingeval één van
de ouders weigert de
rechterlijke
beslissingen met
betrekking tot de
huisvesting van de
kinderen of het
recht op persoonlijk
contact uit te
voeren, kan de zaak
opnieuw voor de
bevoegde rechter
worden gebracht. In
afwijking van
artikel 569, 5°, van
het Gerechtelijk
Wetboek, is de
bevoegde rechter
degene die de
niet-nageleefde
beslissing heeft
gewezen, tenzij de
zaak inmiddels bij
een andere rechter
aanhangig is
gemaakt, in welk
geval de vordering
voor deze laatste
wordt gebracht.
De rechter doet
uitspraak met
voorrang boven alle
andere zaken.
Behalve in geval van
dringende
noodzakelijkheid,
kan hij onder meer :
- nieuwe
onderzoeksmaatregelen
verrichten, zoals
een maatschappelijke
enquête of een
deskundigenonderzoek;
- een poging tot
verzoening
ondernemen;
- de partijen
voorstellen gebruik
te maken van de in
artikel 387bis
bepaalde
bemiddeling.
Hij kan nieuwe
beslissingen nemen
met betrekking tot
het ouderlijk gezag
of de huisvesting
van het kind.
Onverminderd
strafvervolging kan
hij de partij die
het slachtoffer is
van de miskenning
van de in het eerste
lid bedoelde
beslissing toestaan
een beroep te doen
op dwangmaatregelen.
Hij bepaalt de aard
van deze maatregelen
en de nadere regels
betreffende de
uitoefening ervan,
rekening houdend met
het belang van het
kind en wijst,
indien hij zulks
nodig acht, de
personen aan die
gemachtigd zijn de
gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor
de tenuitvoerlegging
van zijn beslissing.
De rechter kan een
dwangsom uitspreken
om te waarborgen dat
de te nemen
beslissing zal
worden nageleefd en,
in die hypothese,
stellen dat voor de
tenuitvoerlegging
van die dwangsom,
artikel 1412 van het
Gerechtelijk Wetboek
van toepassing is.
De beslissing is van
rechtswege
uitvoerbaar bij
voorraad.
§ 2. Dit artikel is
eveneens van
toepassing wanneer
de rechten van de
partijen geregeld
zijn door een
overeenkomst zoals
voorzien in artikel
1288 van het
Gerechtelijk
Wetboek. In dit
geval, en
onverminderd § 3,
wordt de zaak bij de
rechtbank aanhangig
gemaakt door middel
van een
verzoekschrift op
tegenspraak.
§ 3. In geval van
absolute noodzaak,
en onverminderd de
mogelijkheid om een
beroep te doen op
artikel 584 van het
Gerechtelijk
Wetboek, kan bij
eenzijdig
verzoekschrift de
toestemming worden
gevraagd om een
beroep te doen op de
dwangmaatregelen als
bedoeld in § 1. De
artikelen 1026 tot
1034 van het
Gerechtelijk Wetboek
zijn van toepassing.
De verzoekende
partij moet het
verzoekschrift
staven met alle
dienstige stukken
die aantonen dat de
weigerende partij
daadwerkelijk werd
aangemaand haar
verplichtingen na te
komen en dat zij
zich heeft verzet
tegen de
tenuitvoerlegging
van de beslissing.
De inschrijving van
het verzoekschrift
is kosteloos. Het
verzoekschrift wordt
gevoegd bij het
dossier van de
rechtspleging die
aanleiding heeft
gegeven tot de
beslissing die niet
werd nageleefd,
tenzij de zaak
inmiddels bij een
andere rechter
aanhangig is
gemaakt.
§ 4. Dit artikel
doet geen afbreuk
aan de
internationale
bepalingen die
België verbinden op
het vlak van de
internationale
ontvoering van
kinderen. »
HOOFDSTUK III. -
Wijzigingen van het
Gerechtelijk Wetboek
Art. 5. Artikel
1412, eerste lid,van
het Gerechtelijk
Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 31
maart 1987 en 14
januari 1993, wordt
aangevuld als volgt
:
« 3° wanneer de
rechter artikel
387ter, tweede lid,
van het Burgerlijk
Wetboek heeft
toegepast. »
Kondigen deze wet
af, bevelen dat zij
met 's Lands zegel
zal worden bekleed
en door het Belgisch
Staatsblad zal
worden
bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel,
18 juli 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van
Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel
gezegeld :
De Minister van
Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
_______
Nota's
(1) Gewone zitting
2004-2005.
Kamer van
volksvertegenwoordigers.
Parlementaire
stukken. -
Wetsontwerp, nr.
51-1673/001 van 17
maart 2005. -
Amendementen, nr.
51-1673/002 tot 006.
Gewone zitting
2005-2006
Parlementaire
stukken. -
Amendementen, nr.
51-01673/007 tot 13.
- Verslag namens de
subcommissie, nr.
51-1673/14 -
Amendementen, nrs.
51-1673/15 tot 17. -
Verslag namens de
commissie, nr.
51-1673/18. - Tekst
aangenomen door de
commissie, nr.
51-1673/19. -
Amendementen, nr.
51-1673/20. - Tekst
aangenomen in
plenaire vergadering
en overgezonden aan
de Senaat, nr.
51-1673/21.
Integraal Verslag. -
Vergadering van 30
maart 2006.
Senaat.
Parlementaire
stukken. - Ontwerp
geëvoceerd door de
Senaat, nr.
3-1645/1. -
Amendementen, nr.
3-1645/2 tot 3. -
Verslag namens de
commissie, nr.
3-1645/4. - Tekst
verbeterd door de
commissie, nr.
3-1645/5. -
Amendementen, nr.
31645/6. -
Beslissing om niet
te amenderen, nr.
31645/7.
Parlementaire
Handelingen : 8 juni
2006.