-
Titularissen en
inhoud van het
ouderlijk gezag
-
Aangewezen
procedures voor
de scholen
-
Informatieve
omzendbrief aan
de
schooldirecties
van het basis-,
secundair en
deeltijds
kunstonderwijs
en de directies
van de centra
voor
leerlingenbegeleiding
1. INLEIDING
De beslissingen over
een minderjarige
worden genomen door
de personen die het
ouderlijk gezag
uitoefenen. Voor de
school is het niet
altijd evident te
weten wie het
ouderlijk gezag
uitoefent of hoe en
wanneer de school
met hen best
communiceert.
Bovendien kan de
gezinssituatie
wijzigen in de loop
van de
schoolloopbaan. De
ouders verwachten
dan meestal dat ook
de school met deze
wijzigingen rekening
houdt, pedagogisch
en
administratief-organisatorisch.
Deze omzendbrief wil
u informeren over
het ouderlijk gezag
en over de beste
handelwijze bij
contacten met de
ouders. De concrete
toepassing van deze
principes blijft de
verantwoordelijkheid
van het
schoolbestuur. Het
departement
Onderwijs staat niet
in voor de
handhaving of
sanctionering van
deze rechten en
plichten.
In de communicatie
met de meeste
gezinnen stellen
zich geen problemen.
Beide ouders nemen
de beslissingen
betreffende het
onderwijs samen en
vragen zo nodig ook
de instemming van
hun kind. Ook als
maar één persoon het
ouderlijk gezag
heeft, is er weinig
kans op betwisting
van zijn of haar
beslissingen
betreffende het
onderwijs en recht
op informatie van de
school. In de meeste
gevallen zal gezond
verstand volstaan en
is het niet nodig om
de ouders met
bijkomende
formaliteiten te
belasten.
Moeilijkheden
ontstaan vooral
tijdens en na
echtscheidingsprocedures.
Uiteraard is het in
de eerste plaats de
verantwoordelijkheid
van de ouders om de
gezamenlijke
opvoeding van hun
kinderen te
organiseren,
daarover onderlinge
afspraken te maken
en een goede
communicatie te
onderhouden.
2. Titularissen
van het ouderlijk
gezag
1
2.1. OUDERS
In principe zijn de
beide ouders van een
minderjarige
gezamenlijk
verantwoordelijk
voor de opvoeding
van hun kind
(co-ouders). Zij
hoeven daarvoor niet
gehuwd te zijn of
samen te wonen, maar
dat zal in de regel
wel het geval zijn.
Zij nemen solidair
de beslissingen
betreffende het
onderwijs aan hun
kind. Eén van de
ouders (vader of
moeder) kan namens
beide ouders
optreden tegenover
derden die “te
goeder trouw” zijn,
op basis van een
vermoeden van
akkoord.
2
Welke personen “te
goeder trouw” zijn,
is een feitenkwestie
die per individueel
geval beoordeeld
moet worden,
desnoods door een
rechtbank. De school
mag dus de
beslissingen (zoals
de inschrijving) van
één van de ouders
uitvoeren, tenzij de
school weet dat de
andere ouder het er
niet mee eens is. In
het laatste geval
moet de school
weigeren de
beslissing uit te
voeren, zonder
uitdrukkelijk
akkoord van de
andere ouder.
Een rechtbank kan
beslissen dat één
van de (gescheiden)
ouders het exclusief
ouderlijk gezag
krijgt. Deze
exclusieve ouder
heeft, met
uitsluiting van de
andere, het gezag
over de opvoeding en
de goederen van het
kind. Bovendien
heeft hij of zij
(meestal) het kind
feitelijk bij zich
en neemt hij of zij
de beslissingen over
de school- en
studiekeuze en de
keuze godsdienst of
zedenleer of
vrijstelling. In dat
geval moet de school
een inschrijving
door de andere ouder
weigeren.
De rechtbank bepaalt
meestal, eventueel
op voorstel van de
ouders, een
tussenoplossing
waarbij bepaalde
beslissingen met
instemming van beide
ouders moeten worden
genomen en voor het
overige één ouder
alleen
verantwoordelijk is.
3
De rechtbank kan ook
één of beide ouders
volledig of
gedeeltelijk
ontzetten
uit het
ouderlijk gezag. In
dat geval heeft de
betrokken ouder geen
beslissings-
of toezichtsrecht
meer, maar wel nog
de onderhoudsplicht.
De niet-ontzette
ouder of een
aangestelde
“provoogd” oefent
het gezag over de
minderjarige uit.
4
2.2. Voogden
Wanneer een
minderjarige geen
ouders (meer) heeft,
wordt een voogd
aangesteld.
5 De
voogd
vertegenwoordigt dan
de minderjarige
6 en
het ouderlijk gezag
wordt vervangen door
het voogdijgezag. De
school voert de
beslissingen van de
voogd uit en
informeert de voogd
zoals andere ouders.
2.3.
Pleegvoogdij en
bijzondere
plaatsingsinstituten
Pleegvoogden hebben
niet alle rechten en
verplichtingen die
voortvloeien uit het
ouderlijke gezag of
het voogdijgezag.
Het ouderlijk gezag
of het voogdijgezag
blijft in dit geval
bij de ouders of
voogd. De
pleegvoogden oefenen
wel enkele
prerogatieven van de
ouders of voogd uit,
zoals het recht van
bewaring, als de
minderjarige bij hen
woont
7 en
ze hebben een
onderhoudsplicht
8.
De zeldzame
pleegvoogdij staat
los van de meer
gangbare
gezinsplaatsing in
een feitelijk
pleeg-, gast- of
opvanggezin, dat
geen wettelijk gezag
of statuut kent.
9
In de praktijk
communiceert de
school met de
pleegvoogden of het
pleeggezin over de
praktische zaken. De
ouders nemen evenwel
de beslissingen, die
eventueel via de
pleegvoogden of het
pleeggezin aan de
school
gecommuniceerd
kunnen worden.
Geplaatste
minderjarigen
10
staan onder toezicht
van de
jeugdrechtbank, via
de sociale dienst
van de Vlaamse
Gemeenschap.
11
2.4.
Meerderjarigen en
ontvoogde
minderjarigen
Meerderjarigen en
ontvoogde
minderjarigen zijn
zelf
verantwoordelijk
voor hun daden. Zij
nemen zelf de
beslissingen
betreffende hun
onderwijs en kunnen
zelf de documenten
met betrekking tot
hun schoolloopbaan
ondertekenen.
Een leerling is
meerderjarig vanaf
de leeftijd van 18
jaar.
12
Een minderjarige is
ontvoogd als hij of
zij huwt of door een
beslissing van de
jeugdrechtbank. Er
is dan wel een
curator van
rechtswege (de
meerderjarige
echtgenoot of
echtgenote) of er
wordt een curator
aangesteld.
13
In de praktijk heeft
de curator vooral
bevoegdheden over
het vermogen en
minder over de
persoon van de
ontvoogde
minderjarige. De
school kan met de
ontvoogde
minderjarige
communiceren en
overleggen.
Een meerderjarige
die in staat van
verlengde
minderjarigheid is
verklaard, wordt
gelijkgesteld met
een minderjarige.
14
2.5. Feitelijke
bewaring
Personen of
instellingen kunnen
de leerling
feitelijk onder hun
bewaring hebben,
zonder enig
ouderlijk gezag. Dit
is het geval bij
gezinsplaatsing of
plaatsing in een
instelling,
opvoeding door de
grootouders of
andere
familieleden,...
In verschillende
bepalingen in het
onderwijsrecht wordt
het begrip ouders
gedefinieerd als:
“de personen die het
ouderlijk gezag
uitoefenen of in
rechte of in feite
de minderjarige
onder hun bewaring
hebben”.
15
De “personen die het
ouderlijk gezag
uitoefenen” zijn de
(beide) ouders, voor
zover ze niet uit
het ouderlijk gezag
ontzet zijn. De
“personen die in
rechte de
minderjarige onder
hun bewaring hebben”
zijn bijvoorbeeld de
pleegvoogden.
De “personen die in
feite de
minderjarige onder
hun bewaring hebben”
zijn niet de
personen die een
minderjarige
occasioneel onder
hun hoede hebben,
maar wel de pleeg-
of stiefouders
bijvoorbeeld, die
het kind werkelijk
bij zich opvoeden.
Hoewel zij geen
ouderlijk gezag
hebben, worden zij
in het
onderwijsrecht soms
met de ouders
gelijkgesteld en
krijgen zij voor de
toepassing van die
bepalingen dezelfde
rechten.
In dat geval kan de
school in afwijking
op het ouderlijk
gezag met deze
personen overleggen
voor de toepassing
van de betrokken
bepalingen uit de
onderwijswetgeving.
3. Recht van
opvoeding
Het recht van
opvoeding omvat het
recht van zorg of
dagelijkse opvoeding
en het
beslissingsrecht,
onder meer over
taal, school,
onderwijsrichting,
beroep. Het is een
recht dat
voorbehouden is aan
de titularissen van
het ouderlijk gezag,
als onderdeel van
het gezag over de
persoon van de
minderjarige.
Dit recht impliceert
voor de school dat
de titularissen van
het ouderlijk gezag
beslissingsrecht
hebben met
betrekking tot een
aantal
sleutelmomenten in
de schoolloopbaan,
zoals:
- de school- en
studiekeuze;
- de inschrijving;
- kennisname van of
akkoord met het
schoolreglement;
- informatie over
jaarprogramma,
aanpak van de
school, ...;
- keuze of
vrijstelling van
levensbeschouwelijke
vakken;
- keuze moedertaal
en tweede taal;
- weigering van
leerlingenbegeleiding;
- toestemming
extra-muros-activiteiten;
- lidmaatschap
ouderverenigingen;
- kiesrecht voor en
stemrecht in
bestuurs- of
medezeggenschapsorganen;
- orde en tucht,
uitsluiting, ...;
- klachten en
vertegenwoordiging
in rechte in interne
beroepsprocedures en
gerechtelijke
procedures;
- evaluatie en
bespreking van de
leerling;
- attestering;
- schoolverandering
en verwijzing
buitengewoon
onderwijs.
Om dat recht van
opvoeding te
respecteren is het
aanbevolen hiermee
rekening te houden
in een aantal
procedures.
In ieder geval is
bij de inschrijving
enige waakzaamheid
geboden. De
omzendbrief
NO/205/SH/AS/MPV
van 10 november
1983: “Inschrijving
van leerlingen in
onderwijsinrichtingen”
bepaalt welke
documenten de
inschrijver voor kan
leggen om de
identiteit van de
leerling te
bevestigen.
In geval van twijfel
over de identiteit
van de inschrijvende
(vermeende) ouder
en/of van de relatie
tot de leerling kan
de school
telefonisch contact
nemen met de
bevolkingsdienst of
de vorige school of
kunnen bijkomende
documenten zekerheid
verschaffen.
16
De beste garanties
biedt de
gezamenlijke
inschrijving door
beide ouders. Een
afzonderlijke
inschrijving door de
ouder die de
leerling feitelijk
bij zich heeft, met
machtiging of
instemming van de
andere ouder is een
goed alternatief.
Maar een
afzonderlijke
inschrijving kan ook
zonder een
uitdrukkelijke
machtiging of
instemming van de
andere ouder. Het is
dan van belang om
uitdrukkelijk, maar
tactvol te vragen
naar de
gezinssituatie, meer
bepaald of de ouders
co-ouders zijn. In
dat laatste geval
moet de school op
gelijke wijze met
beide ouders
overleggen en
communiceren.
Als de school op de
hoogte is van
onenigheid,
bijvoorbeeld door
ervaring met een
broer of zus, vraagt
u toch best de
uitdrukkelijke
instemming van beide
ouders.
De inschrijving
17
(of de periode
onmiddellijk daarna)
is ook het beste
moment om afspraken
te maken over de
bepaling van “het
gezinshoofd”, over
de communicatie (in
persoon, via de
leerling, via de
post, telefoon,
e-mail, ...) met
alle belanghebbenden
(ouders,
grootouders,
stiefouder,
pleegouders, ...),
over de familiale
verzekering en over
het adres voor de
facturen. Deze
afspraken kunnen dan
verder worden
gerespecteerd tot de
overgang naar een
andere school of tot
ze worden gewijzigd,
op initiatief van de
(bij voorkeur beide)
co-ouders of van de
exclusieve ouder.
Bij twijfel laat u
best deze afspraken
nog eens
schriftelijk
bevestigen. Als de
ouders bij de
inschrijving twee
verschillende
adressen opgeven,
zal de
briefwisseling naar
beide adressen
moeten gestuurd
worden, tenzij de
ouders hiervan
uitdrukkelijk willen
afwijken.
Het schoolreglement
is een ideaal
instrument om het
gezinsbeleid in het
algemeen van de
school te
expliciteren en om
vooraf te bepalen
hoe de communicatie
met de ouders in de
regel verloopt. Bij
de inschrijving
moeten de school en
de ouders dan enkel
bijkomende afspraken
maken die wenselijk
of vereist zijn door
de specifieke
gezinssamenstelling.
4. Recht van
toezicht
Als één van de
(gescheiden) ouders
het exclusief
ouderlijk gezag
krijgt, heeft de
andere ouder het
recht op toezicht.
Dit houdt onder meer
in dat hij of zij
geïnformeerd moet
worden over de
opvoeding van het
kind
(schoolresultaten,
oudercontacten,
leerlingenbegeleiding,
...) en dat hij of
zij bij de
jeugdrechtbank of de
kortgedingrechter
een verhaalrecht
heeft tegen
beslissingen van de
exclusieve ouder. De
school zelf kan
absoluut niet in de
rol van rechter
worden
gemanoeuvreerd.
Het recht van de
toeziende ouder of
voogd op toezicht op
de opvoeding van de
leerling en het
recht op objectieve
informatie hierover
is niet afhankelijk
van de goedkeuring
van de exclusieve
ouder en kan niet
beperkt worden op
grond van praktische
bezwaren.
In elk geval
(behoudens
ontzetting uit het
ouderlijk gezag) en
dus ook zonder
co-ouderschap moet
de school beide
ouders informeren
over
schoolresultaten,
begeleidingsactiviteiten,
oudercontacten,
informatievergaderingen,
bevoegd centrum voor
leerlingenbegeleiding,
schoolfeesten,
enzovoort (actieve
informatieplicht).
Als een
tuchtprocedure wordt
gestart tegen de
leerling, moeten
beide ouders op de
hoogte gebracht
worden.
De school kan niet
automatisch
veronderstellen dat
de informatie beide
ouders bereikt, maar
kan wel met de
ouders afspreken dat
informatie, zoals de
klasagenda, via de
ene ouder bij de
andere ouder terecht
komt. De school zal
ook zoveel mogelijk
alle informatie die
de leerling
meekrijgt dubbel of
parallel aanbieden.
Ondanks dergelijke
afspraak mag de
school de informatie
niet weigeren als de
andere ouder daarom
vraagt (passieve
informatieplicht).
18
Dit betekent niet
dat de school
verplicht is vragen
te beantwoorden die
onredelijke eisen
qua tijd en middelen
stellen, zoals het
opstellen van een
verslag of het
invullen van een
vragenlijst.
Ook familieleden
hebben recht op
informatie. De
grootouders en
iedereen die een
bijzondere
affectieve band
aantoont (de stief-
of pleegouder,
broers en zussen
bijvoorbeeld),
hebben in principe
recht op persoonlijk
contact met de
leerling. Bij gebrek
aan overeenkomst,
beslist de
jeugdrechtbank.
19
Meer algemeen wijs
ik er op dat de
onderwijsinstellingen
ook onderworpen zijn
aan de openbaarheid
van bestuur.
20
5. Betwistingen
De ouder die niet
aanwezig was bij de
inschrijving door de
andere ouder en die
deze inschrijving
niet wil aanvaarden,
kan verhaal
aantekenen bij de
rechter. De
leerplichtige
leerlingen moeten
uiteraard aanwezig
zijn op de school
waar ze ingeschreven
zijn.
21
Als een co-ouder of
exclusieve ouder de
leerling in een
tweede school
inschrijft en deze
school de
formaliteiten inzake
schoolverandering
vervult, zoals de
verwittiging van de
eerste school, is de
leerling een
regelmatige leerling
in de laatste
school. Een leerling
die in twee scholen
ingeschreven is, is
geen regelmatige
leerling.
22
De school aanvaardt
evenwel geen
beslissing van een
co-ouder, als de
andere co-ouder zich
daar uitdrukkelijk
tegen verzet heeft.
Het behoort niet tot
de taak van de
school om de andere
co-ouder te vragen
naar zijn of haar
intenties hiertoe.
De school moet
steeds uitgaan van
een vermoeden van
instemming. De
school komt niet
tussen in de
echtelijke
betwistingen en
respecteert het
ouderlijk gezag en
de beslissingen die
de co-ouders genomen
hebben toen ze het
vermoedelijk nog
eens waren.
De school zelf kan
absoluut niet in de
rol van rechter
worden
gemanoeuvreerd. Als
de ouders hun kind
in verschillende
scholen willen
inschrijven, kan de
school niet
trancheren. Het kind
is dan ingeschreven
tot uit de feiten
het tegendeel
blijkt.
Als een ouder zich
niet kan verzoenen
met een beslissing
van of informatie
aan de andere ouder
en de school met de
beide ouders geen
overeenstemming kan
bereiken, kan de
school de ouders
verwijzen naar het
centrum voor
leerlingenbegeleiding,
dat in het kader van
zijn
draaischijffunctie,
na onderzoek, de
ouders verder kan
doorverwijzen. Dit
alles ontslaat de
school echter niet
van haar
verantwoordelijkheid
om eventuele
onwettelijke
situaties te melden
aan de bevoegde
instanties. De
school licht de
beide ouders hiervan
vooraf in.
Het
Kinderrechtencommissariaat
is bevoegd om
klachten te
onderzoeken van
zowel het kind, als
de ouders of een
derde betreffende de
toepassing van het
internationaal
verdrag van 20
november 1989 inzake
de rechten van het
kind.
23
In het uiterste
geval beslist de
jeugdrechtbank
24
wie de beslissing
mag nemen of de
jeugdrechtbank
beslist zelf, in het
belang van het kind,
en zo nodig na het
kind zelf te hebben
gehoord
25.
Bij geschillen
tussen een
minderjarige
leerling en zijn of
haar ouders, hebben
de ouders het
laatste woord,
onverminderd hun
wederzijdse plicht
tot respect
26.
Een minderjarige kan
(formeel) zelf de
rechtbank niet
vragen om tussen te
komen.
6. Bijkomende
opmerkingen
6.1.
Naamsverandering
Door adoptie krijgt
de geadopteerde de
naam van de
adoptant.
27
De naam kan ook
veranderen als de
vader het kind pas
erkent na de
geboorteaangifte
door de moeder.
28
Ook na een
echtscheiding of de
nieuwe samenstelling
van het gezin kan de
leerling (via zijn
wettelijke
vertegenwoordiger)
aan de Federale
Overheidsdienst
Justitie vragen om
zijn naam te
veranderen. Die
naamsverandering is
geen recht en kan
maar uitzonderlijk
onder de wettelijk
bepaalde voorwaarden
worden toegestaan.
29
De Koning kan de
naamsverandering
uitzonderlijk
toestaan als hij
meent dat het
verzoek op ernstige
redenen steunt.
Adopties, scheiding
en wettiging van
kinderen zijn
geldige redenen.
Het koninklijk
besluit wordt in het
Belgisch Staatsblad
gepubliceerd. Zestig
dagen na de
publicatie wordt de
naamsverandering
definitief, maar ze
heeft pas gevolgen
op de dag van de
overschrijving in de
registers van de
burgerlijke stand.
Vanaf dan kunnen de
bevolkingsregisters
en de
identiteitskaart,
identiteitsstuk of
identiteitsbewijs
worden aangepast.
Deze
naamsverandering
wijzigt op zich
niets aan het
ouderlijk gezag.
6.2. Privacy
Om de privacy van de
leerling en zijn
familie niet te
schenden is het
aangeraden om de
inlichtingen over
het gezin bij de
inschrijvende ouder
of ouders zelf te
verzamelen.
De
onderwijsinstellingen
moeten uiteraard de
wetgeving inzake de
privacy naleven en
discreet zijn met de
informatie in de
leerlingenadministratie,
het
leerlingvolgsysteem
en/of het
leerlingendossier.
30
Het is daarbij
belangrijk sober en
ter zake te zijn en
het inzage- en
verbeteringsrecht
van de leerling en
de ouders te
respecteren. Voor
bewaring in het
administratief
dossier volstaan
veelal de identiteit
en
communicatiegegevens
van de persoon of
personen die
beslissingen mogen
nemen en de
identiteit en
communicatiegegevens
van de persoon of
personen die op de
hoogte moeten worden
gehouden. Op die
manier blijft de
informatie ook
langer actueel. De
officiële documenten
kunnen na controle
worden teruggegeven.
De informatie wordt
overbodig na de
uitschrijving.
6.3. Informatie
voor ouders en
leerkrachten
Ouders vinden
informatie over het
bovenstaande in de
brochure “Gids
voor ouders met
kinderen in het
basisonderwijs”.
31
Deze brochure is ook
beschikbaar in het
standaard Arabisch,
Engels en Turks. Er
is ook een “Gids
voor leerlingen
secundair onderwijs”
32
(...). De cel
Publicaties
Onderwijs is
bereikbaar via
onderwijspublicaties@vlaanderen.be,
telefoonnummer
02-553 66 53 of
faxnummer 02-553 66
54.
Leerkrachten vinden
hulp in de fiche 13
“Echtscheiding/nieuwe
gezinnen” in de
reeks “de
eerste lijn” van
Klasse
33,
in de studie “Nieuwe
gezinsvormen en
onderwijsparticipatie
in Vlaanderen”
in opdracht van het
departement
Onderwijs
34 en
in de brochure “Leven
in een eenoudergezin
- Getuigenissen van
ouders en kinderen”
(redactie Bea
Bossaerts), waarvan
elke leerkracht in
het basisonderwijs
een gratis exemplaar
kreeg
35.
- (1):
Opgelet: wat
volgt is een
beknopte schets
van het huidig
juridisch kader
sinds 3 juni
1995, dat
overigens
grotendeels een
federale materie
is. Het is
onvolledig en
voor de
leesbaarheid is
een
vereenvoudigde
terminologie
gebruikt. Het is
dan ook niet
dienstig om een
juridische
argumentatie op
te bouwen.
- (2):
Artikelen 373 en
374, eerste
alinea van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (3):
Artikel 374,
tweede en
volgende
alinea's van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (4):
Artikelen 32-34
van de wet van 8
april 1965
betreffende de
jeugdbescherming.
- (5):
Artikelen 389 en
405 en volgende
van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (6):
Artikel 405 van
het Burgerlijk
Wetboek.
- (7):
Artikel
475quater van
het Burgerlijk
Wetboek.
- (8):
Artikel 475bis,
eerste lid van
het Burgerlijk
Wetboek.
- (9): Zie
o.m. de op 4
april 1990
gecoördineerde
decreten inzake
bijzondere
jeugdbijstand.
- (10):
Artikel 37, § 2,
4°, van de wet
van 8 april 1965
betreffende de
jeugdbescherming;
besluit van de
Vlaamse regering
van 27 juni 1990
waarbij de
voorwaarden
worden
vastgesteld
waaronder in
bepaalde
Gemeenschapsinstellingen
voor observatie
en opvoeding en
in onthaal- en
oriëntatiecentra
en in de
observatiecentra,
ressorterend
onder de
bijzondere
jeugdbijstand,
aan de
leerplicht kan
worden voldaan.
- (11):
Artikel 42 van
de wet van 8
april 1965
betreffende de
jeugdbescherming.
- (12):
Artikelen 388 en
488 van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (13):
Artikelen
476-486 van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (14):
Artikel 487bis
van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (15): Zie
onder meer
artikel 3, 41°
van het decreet
basisonderwijs
van 25 februari
1997.
- (16): Ter
illustratie:
identiteitskaart
of paspoort met
foto en
geboortedatum,
identiteitsbewijs
min-twaalfjarigen,
militair (NAVO)
of enig ander
identiteitsbewijs,
SIS-kaart,
EU-verblijfskaart,
attest van
immatriculatie,
verblijfs- of
vestigingsvergunning,
uittreksel uit
de registers van
de burgerlijke
stand, zoals het
bevolkingsregister,
het
vreemdelingenregister
of
wachtregister,
getuigschrift
van woonst,
bewijs van
nationaliteit,
samenstelling
van het gezin,
akte van
bekendheid,
adoptie- of
voogdijakte,
schriftelijk
akkoord van
co-ouder, vonnis
houdende
regeling van of
ontzetting uit
het ouderlijk
gezag, ...; zie
ook de
omzendbrief van
7 oktober 1992
betreffende het
houden van de
bevolkingsregisters
en het
vreemdelingenregister,
B.S., 15 oktober
1992, in het
bijzonder deel
I, punt 28 en
deel III, punt
68.
- (17): Zie
voor het
basisonderwijs
ook de
omzendbrief
BaO/2002/01 van
8 februari 2002:
“informatie bij
eerste
inschrijving en
schoolreglement”.
- (18): Zie
ook de
nieuwsbrieven
van 27 november
2002
(“Echtscheiding
leeft door op
school”) en van
4 september 2002
(“Informatierecht
van ouders”) van
Schooldirect:
http://schooldirect.vlaanderen.be.
- (19):
Artikel 375bis
van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (20):
Decreet van 26
maart 2004
betreffende de
openbaarheid van
bestuur, B.S., 2
juli 2004,
www.vlaanderen.be/openbaarheid.
- (21):
Artikel 3, § 1
van de wet van
29 juni 1983
betreffende de
leerplicht.
- (22): Zie
de artikelen 20
tot en met 24
van het decreet
basisonderwijs
van 25 februari
1997, de
omzendbrief
BaO/97/12 van 17
juni 1997
“Schoolveranderen”,
artikel 48, 2°
van het decreet
van 31 juli 1990
betreffende het
onderwijs-II,
het besluit van
de Vlaamse
regering van 19
juli 2002
betreffende de
organisatie van
het voltijds
secundair
onderwijs en de
omzendbrieven
SO/2002/06 van
15 augustus
2002:
“Afwezigheden en
in- en
uitschrijvingen
in het voltijds
gewoon secundair
onderwijs”,
SO/2002/07 van
15 augustus
2002:
“Afwezigheden en
in- en
uitschrijvingen
in het deeltijds
beroepssecundair
onderwijs” en
SO/2002/05/buso
van 15 augustus
2002:
“Afwezigheden en
in- en
uitschrijvingen
in het
buitengewoon
secundair
onderwijs”.
- (23):
Artikel 6 van
het decreet van
15 juli 1997
houdende
oprichting van
een
Kinderrechtencommissariaat
en instelling
van het ambt van
Kinderrechtencommissaris.
- (24):
Artikel 373,
derde alinea van
het Burgerlijk
Wetboek.
- (25):
Artikel 56bis
van de wet van 8
april 1965
betreffende de
jeugdbescherming.
- (26):
Artikel 371 van
het Burgerlijk
Wetboek.
- (27):
Artikel 353-1
van het
Burgerlijk
Wetboek.
- (28):
Artikel 335 van
het Burgerlijk
Wetboek.
- (29):
Artikel 2 en
volgende van de
wet van 15 mei
1987 betreffende
de namen en
voornamen.
- (30): Zie
onder meer de
omzendbrief
13AD/CLB/O/01/1
van 21 juni
2001: “Het
multidisciplinair
dossier in de
Centra voor
Leerlingenbegeleiding”.
- (31):
www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?nr=221
- (32):
www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?nr=39
- (33):
www.klasse.be/specials/specials.taf?doc=eerstelijn
- (34):
http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/1999/colpin_9907.htm;
zie ook de
nieuwsbrief van
13 maart 2002
van Schooldirect
(“Schoolbeleid
rond
gezinsvormen”),
http://schooldirect.vlaanderen.be.
- (35): Zie
Klasse nr. 111,
p. 18
|