f4j.be » documenten      :: Ga naar  
 

f4j.be home

Bron     Magazine van de Universiteit Leiden
         http://www.childandfamilystudies.leidenuniv.nl/index.php3?c=495
Datum  01/01/03

 

Hechting tussen Genen en Omgeving

Leidse pedagogen toonaangevend in onderzoek naar gehechtheid aan opvoeders

ANGELA Rijnen
Bron: Leidraad, Magazine van de Universiteit Leiden, Januari 2003
Uitgegeven door Campagne voor Leiden een initiatief van het Leids Universitair Fonds


  Inleiding Veilig en onveilig  |  Stress Nature-nurture | Adoptie | Wonderpil
Kinderen die goed gehecht zijn aan hun opvoeders ontwikkelen zich het beste. Maar heb je daar als ouder ook altijd invloed op? De afdeling Algemene en Gezinspedagogiek van de Universiteit Leiden mag zich rekenen tot de wereldtop op haar onder-zoeksterrein: gehechtheid van kinderen aan hun ouders of andere opvoeders en de rol die genen en omgeving daarbij spelen.

Gemakkelijke en panklare opvoedingsadviezen verstrekken ze niet gauw. ‘We vinden dat alles wat we voor een breder publiek naar voren brengen, geënt moet zijn op wetenschappelijk onderzoek.’

Prof. M. H. van IJzendoorn

 
 


Inleiding

De meeste jonge zoogdieren hechten zich aan hun ouders. Sommige letterlijk, zoals kleine Rhesusaapjes, die zich aan de buik van hun moeder vastklemmen. Als ze de wereld gaan ont-dekken, blijft de warme moederbuik nog lang een ‘uitvalsbasis’ waarnaar ze terugkeren zodra er gevaar dreigt. Mensenkinderen hechten zich ook. Baby’s huilen om hun moeder, vader of andere opvoeder te alarmeren, ze lachen om hen te charmeren. Zulk gedrag laat de meeste volwassenen niet onberoerd: ze geven zorg en aandacht aan het kind en troosten het wanneer dat nodig is.

‘Gehechtheid aan een ouder of andere opvoeder is zó belangrijk voor het overleven, dat alle kinderen gehecht raken, zelfs - in subtiele vorm - autisten’, zegt hoogleraar Pedagogiek prof.dr. Rien van IJzendoorn. ‘De liefde van een kind gaat door de maag’, zo luidde de traditionele psycho-analytische verklaring voor het verschijnsel: een kind hecht zich aan wie het te eten geeft. Maar experimenten van de etholoog Harry Harlow eind jaren vijftig wezen erop dat er méér aan de hand was.

In angstige omstandigheden klampten baby-aapjes zich bij voorkeur vast aan een zacht beklede surrogaatmoeder en niet aan een kil exemplaar van ijzerdraad, zelfs niet wanneer dat voor voedsel had ‘gezorgd’. Het was John Bowlby die gehech-theid als zelfstandig fenomeen ook beschreef voor de band tussen kinderen en hun opvoeders.

In alle onderzochte culturen bouwen kinderen een unieke band op met een of enkele opvoeders. Er is daarop slechts één uitzondering bekend: Roemeense kinderen die tijdens het bewind van Ceauçescu in weeshuizen opgroeiden. Van IJzendoorn: ‘Na de val van het regime zijn veel van hen geadopteerd door Engelse en Canadese gezinnen. Onderzoekers observeerden dat zij in de eerste fase na overkomst buitengewoon weinig hechtingsgedrag vertoonden. Pas na een aantal jaren veranderde dat.’

 


Veilig en onveilig

De neiging tot gehechtheid is aangeboren, maar de vorm kent varianten. Optimaal is wat pedagogen ‘veilige gehechtheid’ noemen. Gebeurt er iets vervelends, of iets wat angst bij een kind oproept, dan zoekt het troost bij de moeder of de persoon aan wie het ’t meeste gehecht is. Daarna gaat het meestal weer snel op in zijn spel: het kind vertrouwt erop dat deze figuur beschikbaar voor hem is. Bij onveilige gehechtheidsrelaties is dat niet het geval. Is het kind bang of gestresst, dan houdt het zich groot. Het zoekt geen steun en blijft wel spelen, maar gaat niet meer in zijn spel op. Dit heet in jargon ‘vermijdende gehechtheid’. Een andere vorm van onveilige gehechtheid is ‘ambivalentie’: het kind zoekt de vertrouwenspersoon wel op, maar is ontroostbaar. Het klampt zich vast, maar is ook bozig en kan geen troost aan de ouder ontlenen. Kinderen met dit gedrag doen er álles aan om de ouder bij zich te houden.

Tot slot doet zich soms een bijkomend fenomeen voor: gedesorganiseerde gehechtheid. Het gebruikelijke gehech-theidsgedrag valt dan even weg en het kind gedraagt zich tegenstrijdig, bijvoorbeeld door te huilen én van de ouder weg te kruipen. Vooral kinderen van ouders die te kampen hebben met een onverwerkt verlies en mishandelde kinderen vertonen dit gedrag. Gedesorganiseerde gehechtheid kan tot op volwassen leeftijd sporen achterlaten, zoals boven-matige angstgevoelens of grotere kwetsbaarheid bij schokkende gebeurtenissen. Kleine kinderen die veilig gehecht zijn, ontplooien zich op latere kinderleeftijd doorgaans beter dan onveilig gehechte kinderen. Vooral hun sociaal-emotionele ontwikkeling is gunstiger, ze zijn expressiever, hebben meer zelfvertrouwen, zijn sociaal vaardiger en staan meer open voor gevoelens van anderen.

 


Stress

In de ontwikkeling van het type gehechtheid is de ‘sensitiviteit’ van de opvoeder heel belangrijk, vertelt Van IJzendoorn. ‘Sensitief reageren betekent signalen van onlust, angst en span-ning van het kind op waarde schatten en tijdig en adequaat reageren. Als een baby huilt, dan is dat doorgaans een indicatie dat het kind ongemak zoals honger, dorst, of verveling ondervindt. Het beste is te voorkomen dat het kind helemaal overstuur raakt door het tijdig te troosten of af te leiden. Maar niet iedereen heeft zo’n sensitieve houding "van nature" en daardoor verschillen gehechtheidsrelaties.’ Er is intussen een verhit debat gaande over de oorsprong van verschillen in gehechtheid en sensitiviteit: geeft genetische aanleg daarbij de doorslag of eigen ervaringen in de kindertijd? Want, om maar een extreem voorbeeld te noemen: door ouders mishandelde kinderen lopen meer risico op gedesorganiseerde gehechtheid. ‘Op latere leeftijd kunnen zij meer problemen hebben om stress te hanteren – dat is ook fysiologisch aangetoond – en worden ze bijvoorbeeld meer geraakt door het huilen van hun kind. Er is dan een verhoogd risico dat ze hun eigen kinderen mishandelen.’

Feature: Holocaust-overlevenden

 


Nature-nurture

 

In de jaren zestig en zeventig waren gedragswetenschappers niet zo gecharmeerd van een biologische benadering van menselijk gedrag. Maar de laatste tien jaar kwamen er steeds meer aanwijzingen dat erfelijke aanleg daar wel degelijk een rol in kan spelen. Van IJzendoorn: ‘Het ontstaan van gehechtheid is goed te verklaren door de evolutie. We kunnen niet over onze biologische schaduw heenspringen, we zijn er op allerlei manieren aan gebonden. Voor ons als pedagogen is het heel interessant om binnen die evolutionair bepaalde gedragsneiging te kijken wat genetisch en wat omgevingsbepaald is en hoe het samenspel tussen aanleg en opvoeding eruit ziet.’

Om vat te krijgen op de verhouding nature en nurture zet zijn afdeling methodologisch hecht doortimmerd empirisch onderzoek op. De resultaten daarvan leggen de onderzoekers, waar mogelijk, naast analyses van data uit tientallen andere studies, zogenoemde ‘meta-analyses’

 
 

Pedagoge dr. Marian Bakermans-Kranenburg en promovenda Caroline Bokhorst onderzoeken onder meer gehechtheid van kinderen die dezelfde opvoeder hebben. In een van hun studies zijn kinderparen betrokken die variëren in mate van genetische verwantschap. Samen met onderzoeksteams uit Amsterdam, Londen en Haifa onderzochten ze niet alleen identieke en twee-eiïge tweelingen en broertjes en zusjes, maar ook onverwante kinderen die in kleine groepjes dagelijks acht uur lang met dezelfde leidster optrekken in de kinderopvang van een Israëlische kibboets. De 422 kinderen werden onderworpen aan een observatieprocedure waarmee het type gehech-theid is vast te stellen. ‘Statistische analyses van de data wezen erop dat genetische overeenkomst en het karakter van het kind – temperament – de kans op hetzelfde soort gehechtheidsgedrag niet beïnvloedden, terwijl de gedeelde omgeving dat wel deed’, vertelt Marian Bakermans. Het onderzoek wijst erop dat opvoedingsstijl - meer of minder sensitief - wel degelijk van invloed is op het gedrag van de kinderen.

Dit weerlegt bijvoorbeeld de visie van adoptiemoeder Judith Harris, die in haar bestseller Het misverstand opvoeding beweerde dat ouders even inwisselbaar zijn als fabrieksarbeiders.

Feature: Gehechtheidsgen

 


Adoptie

 Gehechtheidsgedrag van adoptiekinderen is het terrein van prof dr. Femmie Juffer, bijzonder hoogleraar Studie van Adoptie. ‘Adoptiekinderen zijn genetisch niet aan hun opvoed-ers verwant. Zij moesten bovendien een band verbreken en een nieuwe gehechtheidsrelatie aangaan.’

In het afgelopen decennium is meer aandacht gekomen voor probleemgedrag dat adoptiekinderen relatief vaker zouden ontwikkelen. Eén van de factoren die daarbij een rol speelt, is verwaarlozing die kinderen vóór adoptie hebben meegemaakt, vertelt de hoogleraar. Maar Leidse meta-analyses wijzen uit dat de kans op probleemgedrag niet kleiner is naarmate een kind jonger bij de adoptieouders komt. De vraag is dan ook of eventuele latere problemen met gehechtheid te maken hebben.

 
 

Juffer ‘volgt’, gefinancierd door onderzoeksorganisatie NWO en diverse adoptie-instanties, een groep kinderen die bij adoptie jonger waren dan zes maanden. In de vroege kindertijd onderzocht ze de gehechtheid van het kind aan de moeder. Sensitiviteit van de ouders en gehechtheid van het kind in de eerste levensjaren bleken te voorspellen hoe de kinderen op zevenjarige leeftijd functioneerden op school en thuis, en hoe zij zich sociaal-emotioneel en cognitief ontwikkelden. Nu, inmiddels zijn het pubers, vindt een nieuwe follow-up plaats, inclusief fysiologische tests bij het uitvoeren van taakjes. Promovenda Nicole Bimmel onderzoekt of er een verband is tussen de mate waarin de jongeren stress ervaren en hun vroegere gehechtheidsgedrag.

 


Wonderpil

Een ongunstige ‘gehechtheidsstart’ is niet onomkeerbaar, betogen de Leidse pedagogen. Femmie Juffer: ‘Onder betere omstandigheden kunnen kinderen veranderen, gezinnen kunnen veranderen en mensen kunnen compenserende relat-ies met anderen aangaan.’ Als ‘offshoot’ van het theoretisch georiënteerde onderzoek doet de afdeling dan ook meer praktijkgerichte studies naar mogelijkheden om gehechtheid te optimaliseren. Volgens prof. Juffer is daarnaar, vooral bij adoptieouders, veel vraag. ‘Wij overwegen voor hen een cursus te ontwikkelen.’ De afdeling heeft aangetoond dat de sensitiviteit van ouders zich laat beïnvloeden. Van IJzendoorn: ‘Als je in de thuissituatie video-opnamen maakt en daaruit frag-menten selecteert, vooral positieve voorbeelden van ouderlijke sensitiviteit, de ouders daarnaar laat kijken en erover praat, dan kunnen ze leren dat gedrag ook in andere situaties toe te passen. Ze leren zien dat het kind zich in interactie met hen ontwikkelt. Want vooral jonge kinderen worden vaak gezien als wezens die dat vanzelf moeten doen.’

 

De Leidse pedagogen zul je echter niet snel kunnen betrappen op opiniërende of populariserende optredens, zoals in de media. ‘We vinden dat alles wat we voor een breder publiek naar voren brengen, geënt moet zijn op wetenschappelijk onderzoek’, zegt Van IJzendoorn. ‘Ik ben een voorstander van evidence based pedagogiek, in navolging van wat in de geneeskunde bekend is geworden als evidence based medicine. Medici bepalen pas na reeksen van studies wat het beste medicijn is. Zij propageren niet zo maar een wonderpil tegen aids. Iets dergelijks vraagt men wel van pedagogen. Maar een bepaalde praktijk veranderen op basis van één studie – wat wel gebeurd is bij bijvoorbeeld onderwijsherzieningen en in de kinderopvang – is onverantwoord.’ 

 

 
 

        

Verwante links:

 
Datum   Type Titel Bron
    Gehechtheid een zaak van moeders en vaders Vaders in soorten