|
Hechting
tussen Genen
en Omgeving
Leidse
pedagogen
toonaangevend
in onderzoek
naar
gehechtheid
aan
opvoeders
ANGELA
Rijnen
Bron:
Leidraad,
Magazine van
de
Universiteit
Leiden,
Januari 2003
Uitgegeven
door
Campagne
voor Leiden een
initiatief
van het
Leids
Universitair
Fonds
Inleiding
|
Veilig en
onveilig
|
Stress
|
Nature-nurture
|
Adoptie
|
Wonderpil
|
|
Kinderen
die
goed
gehecht
zijn
aan
hun
opvoeders
ontwikkelen
zich
het
beste.
Maar
heb
je
daar
als
ouder
ook
altijd
invloed
op?
De
afdeling
Algemene
en
Gezinspedagogiek
van
de
Universiteit
Leiden
mag
zich
rekenen
tot
de
wereldtop
op
haar
onder-zoeksterrein:
gehechtheid
van
kinderen
aan
hun
ouders
of
andere
opvoeders
en
de
rol
die
genen
en
omgeving
daarbij
spelen.
Gemakkelijke
en
panklare
opvoedingsadviezen
verstrekken
ze
niet
gauw.
‘We
vinden
dat
alles
wat
we
voor
een
breder
publiek
naar
voren
brengen,
geënt
moet
zijn
op
wetenschappelijk
onderzoek.’
Prof.
M.
H.
van
IJzendoorn |
 |
Inleiding
De meeste
jonge
zoogdieren
hechten zich
aan hun
ouders.
Sommige
letterlijk,
zoals kleine
Rhesusaapjes,
die zich aan
de buik van
hun moeder
vastklemmen.
Als ze de
wereld gaan
ont-dekken,
blijft de
warme
moederbuik
nog lang een
‘uitvalsbasis’
waarnaar ze
terugkeren
zodra er
gevaar
dreigt.
Mensenkinderen
hechten zich
ook. Baby’s
huilen om
hun moeder,
vader of
andere
opvoeder te
alarmeren,
ze lachen om
hen te
charmeren.
Zulk gedrag
laat de
meeste
volwassenen
niet
onberoerd:
ze geven
zorg en
aandacht aan
het kind en
troosten het
wanneer dat
nodig is.
‘Gehechtheid
aan een
ouder of
andere
opvoeder is
zó
belangrijk
voor het
overleven,
dat alle
kinderen
gehecht
raken, zelfs
- in
subtiele
vorm -
autisten’,
zegt
hoogleraar
Pedagogiek
prof.dr.
Rien van
IJzendoorn.
‘De liefde
van een kind
gaat door de
maag’, zo
luidde de
traditionele
psycho-analytische
verklaring
voor het
verschijnsel:
een kind
hecht zich
aan wie het
te eten
geeft. Maar
experimenten
van de
etholoog
Harry Harlow
eind jaren
vijftig
wezen erop
dat er méér
aan de hand
was.
In angstige
omstandigheden
klampten
baby-aapjes
zich bij
voorkeur
vast aan een
zacht
beklede
surrogaatmoeder
en niet aan
een kil
exemplaar
van
ijzerdraad,
zelfs niet
wanneer dat
voor voedsel
had
‘gezorgd’.
Het was John
Bowlby die
gehech-theid
als
zelfstandig
fenomeen ook
beschreef
voor de band
tussen
kinderen en
hun
opvoeders.
In alle
onderzochte
culturen
bouwen
kinderen een
unieke band
op met een
of enkele
opvoeders.
Er is daarop
slechts één
uitzondering
bekend:
Roemeense
kinderen die
tijdens het
bewind van
Ceauçescu in
weeshuizen
opgroeiden.
Van
IJzendoorn:
‘Na de val
van het
regime zijn
veel van hen
geadopteerd
door Engelse
en Canadese
gezinnen.
Onderzoekers
observeerden
dat zij in
de eerste
fase na
overkomst
buitengewoon
weinig
hechtingsgedrag
vertoonden.
Pas na een
aantal jaren
veranderde
dat.’
Veilig en
onveilig
De neiging
tot
gehechtheid
is
aangeboren,
maar de vorm
kent
varianten.
Optimaal is
wat
pedagogen
‘veilige
gehechtheid’
noemen.
Gebeurt er
iets
vervelends,
of iets wat
angst bij
een kind
oproept, dan
zoekt het
troost bij
de moeder of
de persoon
aan wie het
’t meeste
gehecht is.
Daarna gaat
het meestal
weer snel op
in zijn
spel: het
kind
vertrouwt
erop dat
deze figuur
beschikbaar
voor hem is.
Bij
onveilige
gehechtheidsrelaties
is dat niet
het geval.
Is het kind
bang of
gestresst,
dan houdt
het zich
groot. Het
zoekt geen
steun en
blijft wel
spelen, maar
gaat niet
meer in zijn
spel op. Dit
heet in
jargon
‘vermijdende
gehechtheid’.
Een andere
vorm van
onveilige
gehechtheid
is
‘ambivalentie’:
het kind
zoekt de
vertrouwenspersoon
wel op, maar
is
ontroostbaar.
Het klampt
zich vast,
maar is ook
bozig en kan
geen troost
aan de ouder
ontlenen.
Kinderen met
dit gedrag
doen er
álles aan om
de ouder bij
zich te
houden.
Tot slot
doet zich
soms een
bijkomend
fenomeen
voor:
gedesorganiseerde
gehechtheid.
Het
gebruikelijke
gehech-theidsgedrag
valt dan
even weg en
het kind
gedraagt
zich
tegenstrijdig,
bijvoorbeeld
door te
huilen én
van de ouder
weg te
kruipen.
Vooral
kinderen van
ouders die
te kampen
hebben met
een
onverwerkt
verlies en
mishandelde
kinderen
vertonen dit
gedrag.
Gedesorganiseerde
gehechtheid
kan tot op
volwassen
leeftijd
sporen
achterlaten,
zoals
boven-matige
angstgevoelens
of grotere
kwetsbaarheid
bij
schokkende
gebeurtenissen.
Kleine
kinderen die
veilig
gehecht
zijn,
ontplooien
zich op
latere
kinderleeftijd
doorgaans
beter dan
onveilig
gehechte
kinderen.
Vooral hun
sociaal-emotionele
ontwikkeling
is
gunstiger,
ze zijn
expressiever,
hebben meer
zelfvertrouwen,
zijn sociaal
vaardiger en
staan meer
open voor
gevoelens
van anderen.

Stress
In de
ontwikkeling
van het type
gehechtheid
is de
‘sensitiviteit’
van de
opvoeder
heel
belangrijk,
vertelt Van
IJzendoorn.
‘Sensitief
reageren
betekent
signalen van
onlust,
angst en
span-ning
van het kind
op waarde
schatten en
tijdig en
adequaat
reageren.
Als een baby
huilt, dan
is dat
doorgaans
een
indicatie
dat het kind
ongemak
zoals
honger,
dorst, of
verveling
ondervindt.
Het beste is
te voorkomen
dat het kind
helemaal
overstuur
raakt door
het tijdig
te troosten
of af te
leiden. Maar
niet
iedereen
heeft zo’n
sensitieve
houding "van
nature" en
daardoor
verschillen
gehechtheidsrelaties.’
Er is
intussen een
verhit debat
gaande over
de oorsprong
van
verschillen
in
gehechtheid
en
sensitiviteit:
geeft
genetische
aanleg
daarbij de
doorslag of
eigen
ervaringen
in de
kindertijd?
Want, om
maar een
extreem
voorbeeld te
noemen: door
ouders
mishandelde
kinderen
lopen meer
risico op
gedesorganiseerde
gehechtheid.
‘Op latere
leeftijd
kunnen zij
meer
problemen
hebben om
stress te
hanteren –
dat is ook
fysiologisch
aangetoond –
en worden ze
bijvoorbeeld
meer geraakt
door het
huilen van
hun kind. Er
is dan een
verhoogd
risico dat
ze hun eigen
kinderen
mishandelen.’
Feature:
Holocaust-overlevenden

Nature-nurture
|
In
de
jaren
zestig
en
zeventig
waren
gedragswetenschappers
niet
zo
gecharmeerd
van
een
biologische
benadering
van
menselijk
gedrag.
Maar
de
laatste
tien
jaar
kwamen
er
steeds
meer
aanwijzingen
dat
erfelijke
aanleg
daar
wel
degelijk
een
rol
in
kan
spelen.
Van
IJzendoorn:
‘Het
ontstaan
van
gehechtheid
is
goed
te
verklaren
door
de
evolutie.
We
kunnen
niet
over
onze
biologische
schaduw
heenspringen,
we
zijn
er
op
allerlei
manieren
aan
gebonden.
Voor
ons
als
pedagogen
is
het
heel
interessant
om
binnen
die
evolutionair
bepaalde
gedragsneiging
te
kijken
wat
genetisch
en
wat
omgevingsbepaald
is
en
hoe
het
samenspel
tussen
aanleg
en
opvoeding
eruit
ziet.’
Om
vat
te
krijgen
op
de
verhouding
nature
en
nurture
zet
zijn
afdeling
methodologisch
hecht
doortimmerd
empirisch
onderzoek
op.
De
resultaten
daarvan
leggen
de
onderzoekers,
waar
mogelijk,
naast
analyses
van
data
uit
tientallen
andere
studies,
zogenoemde
‘meta-analyses’ |
|
Pedagoge dr.
Marian
Bakermans-Kranenburg
en
promovenda
Caroline
Bokhorst
onderzoeken
onder meer
gehechtheid
van kinderen
die dezelfde
opvoeder
hebben. In
een van hun
studies zijn
kinderparen
betrokken
die variëren
in mate van
genetische
verwantschap.
Samen met
onderzoeksteams
uit
Amsterdam,
Londen en
Haifa
onderzochten
ze niet
alleen
identieke en
twee-eiïge
tweelingen
en broertjes
en zusjes,
maar ook
onverwante
kinderen die
in kleine
groepjes
dagelijks
acht uur
lang met
dezelfde
leidster
optrekken in
de
kinderopvang
van een
Israëlische
kibboets. De
422 kinderen
werden
onderworpen
aan een
observatieprocedure
waarmee het
type
gehech-theid
is vast te
stellen.
‘Statistische
analyses van
de data
wezen erop
dat
genetische
overeenkomst
en het
karakter van
het kind –
temperament
– de kans op
hetzelfde
soort
gehechtheidsgedrag
niet
beïnvloedden,
terwijl de
gedeelde
omgeving dat
wel deed’,
vertelt
Marian
Bakermans.
Het
onderzoek
wijst erop
dat
opvoedingsstijl
- meer of
minder
sensitief -
wel degelijk
van invloed
is op het
gedrag van
de kinderen.
Dit weerlegt
bijvoorbeeld
de visie van
adoptiemoeder
Judith
Harris, die
in haar
bestseller
Het
misverstand
opvoeding
beweerde
dat ouders
even
inwisselbaar
zijn als
fabrieksarbeiders.
Feature:
Gehechtheidsgen

Adoptie
|
Gehechtheidsgedrag
van
adoptiekinderen
is
het
terrein
van
prof
dr.
Femmie
Juffer,
bijzonder
hoogleraar
Studie
van
Adoptie.
‘Adoptiekinderen
zijn
genetisch
niet
aan
hun
opvoed-ers
verwant.
Zij
moesten
bovendien
een
band
verbreken
en
een
nieuwe
gehechtheidsrelatie
aangaan.’
In
het
afgelopen
decennium
is
meer
aandacht
gekomen
voor
probleemgedrag
dat
adoptiekinderen
relatief
vaker
zouden
ontwikkelen.
Eén
van
de
factoren
die
daarbij
een
rol
speelt,
is
verwaarlozing
die
kinderen
vóór
adoptie
hebben
meegemaakt,
vertelt
de
hoogleraar.
Maar
Leidse
meta-analyses
wijzen
uit
dat
de
kans
op
probleemgedrag
niet
kleiner
is
naarmate
een
kind
jonger
bij
de
adoptieouders
komt.
De
vraag
is
dan
ook
of
eventuele
latere
problemen
met
gehechtheid
te
maken
hebben.
|
 |
Juffer
‘volgt’,
gefinancierd
door
onderzoeksorganisatie
NWO en
diverse
adoptie-instanties,
een groep
kinderen die
bij adoptie
jonger waren
dan zes
maanden. In
de vroege
kindertijd
onderzocht
ze de
gehechtheid
van het kind
aan de
moeder.
Sensitiviteit
van de
ouders en
gehechtheid
van het kind
in de eerste
levensjaren
bleken te
voorspellen
hoe de
kinderen op
zevenjarige
leeftijd
functioneerden
op school en
thuis, en
hoe zij zich
sociaal-emotioneel
en cognitief
ontwikkelden.
Nu,
inmiddels
zijn het
pubers,
vindt een
nieuwe
follow-up
plaats,
inclusief
fysiologische
tests bij
het
uitvoeren
van taakjes.
Promovenda
Nicole
Bimmel
onderzoekt
of er een
verband is
tussen de
mate waarin
de jongeren
stress
ervaren en
hun vroegere
gehechtheidsgedrag.

Wonderpil
Een
ongunstige
‘gehechtheidsstart’
is niet
onomkeerbaar,
betogen de
Leidse
pedagogen.
Femmie
Juffer:
‘Onder
betere
omstandigheden
kunnen
kinderen
veranderen,
gezinnen
kunnen
veranderen
en mensen
kunnen
compenserende
relat-ies
met anderen
aangaan.’
Als
‘offshoot’
van het
theoretisch
georiënteerde
onderzoek
doet de
afdeling dan
ook meer
praktijkgerichte
studies naar
mogelijkheden
om
gehechtheid
te
optimaliseren.
Volgens
prof. Juffer
is daarnaar,
vooral bij
adoptieouders,
veel vraag.
‘Wij
overwegen
voor hen een
cursus te
ontwikkelen.’
De afdeling
heeft
aangetoond
dat de
sensitiviteit
van ouders
zich laat
beïnvloeden.
Van
IJzendoorn:
‘Als je in
de
thuissituatie
video-opnamen
maakt en
daaruit
frag-menten
selecteert,
vooral
positieve
voorbeelden
van
ouderlijke
sensitiviteit,
de ouders
daarnaar
laat kijken
en erover
praat, dan
kunnen ze
leren dat
gedrag ook
in andere
situaties
toe te
passen. Ze
leren zien
dat het kind
zich in
interactie
met hen
ontwikkelt.
Want vooral
jonge
kinderen
worden vaak
gezien als
wezens die
dat vanzelf
moeten
doen.’
|
De
Leidse
pedagogen
zul
je
echter
niet
snel
kunnen
betrappen
op
opiniërende
of
populariserende
optredens,
zoals
in
de
media.
‘We
vinden
dat
alles
wat
we
voor
een
breder
publiek
naar
voren
brengen,
geënt
moet
zijn
op
wetenschappelijk
onderzoek’,
zegt
Van
IJzendoorn.
‘Ik
ben
een
voorstander
van
evidence
based
pedagogiek,
in
navolging
van
wat
in
de
geneeskunde
bekend
is
geworden
als
evidence
based
medicine.
Medici
bepalen
pas
na
reeksen
van
studies
wat
het
beste
medicijn
is.
Zij
propageren
niet
zo
maar
een
wonderpil
tegen
aids.
Iets
dergelijks
vraagt
men
wel
van
pedagogen.
Maar
een
bepaalde
praktijk
veranderen
op
basis
van
één
studie
–
wat
wel
gebeurd
is
bij
bijvoorbeeld
onderwijsherzieningen
en
in
de
kinderopvang
– is
onverantwoord.’
|
|
|