Scheiden valt kinderen zwaar
Trouw 24/01/2006
Monic Slingerland
Echtparen met kinderen
besluiten steeds vaker uit
elkaar te gaan. Maar de
kinderen leven, zelfs als ze
volwassen zijn, met de
gevolgen: „Omdat ze willen
voorkomen dat ze zelf ook
weer gaan scheiden, maken ze
het huwelijk tot een stolp
van angst."
Als ouders besluiten te gaan
scheiden, ondervinden de
kinderen daarvan hun hele
leven lang de gevolgen.
Zo stellen ze het vaak lang
uit om zelf een serieuze
liefdesrelatie aan te gaan.
Ook wachten ze lang met het
krijgen van kinderen. „Ze
moeten duizend procent
zekerheid hebben”, zegt
ElseMarie van den Eerenbeemt,
familietherapeut en
onderzoeker van ouders en
kinderen.
„Het is voor hen een veel
angstiger avontuur om zelf
een gezin te beginnen. Omdat
ze absoluut willen voorkomen
dat ze zelf ook weer gaan
scheiden, maken ze het
huwelijk tot een stolp van
angst. Dat legt zoveel druk
op de relatie dat je ziet
dat dat toch weer tot een
scheiding kan leiden.”
Steeds vaker zijn bij een
echtscheiding kinderen
betrokken. Tot zes jaar
geleden gingen vooral mensen
zonder kinderen scheiden.
Ouders met een slecht
huwelijk bleven toch maar
bij elkaar, vaak vanwege de
kinderen. In 1999 overtrof
voor het eerst het aantal
scheidingen waarbij kinderen
betrokken waren het aantal
huwelijksontbindingen van
mensen zonder kinderen. Dat
is zo gebleven, ook na de
komst van de flitsscheiding,
waarbij jaarlijks zo’n 5000
kinderen betrokken zijn.
In de cijfers van het CBS
over scheidingen met en
zonder kinderen waren tot nu
toe de flitsscheidingen niet
meegeteld. Als de gegevens
over flitsscheidingen worden
opgeteld bij de cijfers van
de ’gewone’ scheidingen,
blijkt dat de trend doorzet.
Bij meer dan de helft van de
scheidingen zijn kinderen
betrokken. In 1996 waren er
bij scheidingen in Nederland
ruim 29000 kinderen
betrokken, in 2004 waren dat
er zo’n 38000.
In vier van de vijf gevallen
blijven de kinderen bij hun
moeder wonen. Dat is al
jaren een constant gegeven.
Wat wel veranderd is, is dat
die moeders meer zijn gaan
werken en dat er meer
moeders een betere baan
hebben. Dat zou een
verklaring kunnen zijn voor
het gegeven dat steeds meer
mensen met kinderen uit
elkaar gaan.
„Vrouwen met een hogere
opleiding zijn niet
afhankelijk van hun man als
kostwinner. Ze verdienen
genoeg om na de scheiding
hun eigen brood te
verdienen. Ze hoeven niet
bang te zijn om in de
bijstand terecht te komen”,
zegt gezinssocioloog Kees de
Hoog.
„Scheiden is ook meer
geaccepteerd. Mensen zien
het in hun omgeving, zien
ook dat buren of vrienden na
die ramp gewoon doorleven.
Dan denken ze: ’Dat lukt mij
ook wel’.”
Hulpverlening bij ontwrichte
huwelijken is volgens De
Hoog vooral gericht op het
’netjes uit elkaar gaan’ en
nauwelijks op pogingen tot
herstel.
Tot 1998 verloor een van de
ouders bij een echtscheiding
de ouderlijke macht. Dat was
vier van de vijf keer de
vader. Alleen op aanvraag
was het mogelijk dat beide
ouders de ouderlijke macht
hielden. Dat gebeurde in
slechts 17 procent van de
gevallen, zegt Paul
Vlaardingerbroek, hoogleraar
familie- en jeugdrecht aan
de Universiteit van Tilburg.
Mogelijk heeft ook die
verandering uitwerking gehad
op het aantal scheidingen
waarbij kinderen betrokken
zijn.
Hoe dan ook, het is meer
geaccepteerd dat gehuwden
uit elkaar gaan. „Kinderen
praten er in de klas over.
Ze durven het ook te
bespreken’’, weet
Vlaardingerbroek. „Dan
zeggen ze tegen hun ouders:
’Jullie gaan toch niet uit
elkaar, hè’.”
Ook al is het taboe op
scheiden opgeheven, zelfs
als er minderjarige kinderen
zijn, toch zijn de negatieve
gevolgen van de scheiding
voor kinderen groot. Juist
wanneer de reden is dat het
huwelijk langzaamaan zijn
glans verloren heeft.
Ed Spruijt, socioloog,
echtscheidingsonderzoeker en
verbonden aan de
Universiteit Utrecht, ziet
dat het voor kinderen
„moeilijker te verteren is
als ouders met een matig
huwelijk uit elkaar gaan dan
wanneer ze elkaar vaak
geweld aandeden.”
Kinderen willen geen
scheiding, vragen ouders om
voor hen bij elkaar te
blijven.
Als de ouders toch uit
elkaar gaan, stelt zo’n kind
vast dat de ouders zichzelf
blijkbaar belangrijker
vinden dan het kind. „Dat
heeft permanente gevolgen.”
Dat ouders hun eigen geluk
boven dat van het kind
stellen, hangt volgens
Spruijt samen met de
heersende mentaliteit, die
gericht is op
zelfontplooiing, ook
immaterieel, die op het
individu gericht is. ,,Je
moet eruit halen wat erin
zit. Kinderen kunnen daarbij
als een belemmering ervaren
worden.”
Hij ziet op langere termijn
de negatieve gevolgen. „De
schoolprestaties gaan
omlaag, jongetjes worden
vandalistisch, meisjes
depressief of faalangstig,
er wordt gerookt, gedronken,
geblowd.”
En in sociale relaties, in
vriendschappen, werkt het
door. Kinderen van
gescheiden ouders scheiden
zelf vaker dan kinderen van
ouders die bij elkaar
blijven.
Spruijts voorstel is dan ook
om eerst een proefscheiding
van drie maanden in te
stellen, net als de
ondertrouw.
Counselingsgesprekken zouden
ouders die uit elkaar willen
gaan, moeten voorbereiden op
een omgang met elkaar die
voor de kinderen niet te
belastend is. „Een fiscale
beloning voor een goede
omgangsregeling helpt vast
ook.”
,,Bij elkaar blijven voor de
kinderen is de minst slechte
reden om níet te gaan
scheiden”, zegt ElseMarie
van den Eerenbeemt,
familietherapeute en
onderzoeker van ouders en
kinderen. „Bij elkaar
blijven om het geld is veel
erger. Ouders die uit elkaar
gaan, dat blijft een
levensfeit dat nooit meer
vergeten wordt.”
Van den Eerenbeemt komt de
gevolgen in haar praktijk
tegen. In 1992 deed ze een
groot onderzoek naar
effecten van echtscheiding
op kinderen, met vragen aan
grootouders, ouders en
kinderen. „Als na de
scheiding de ruzies
doorgaan, hebben kinderen al
gauw te maken met een
gespleten loyaliteit. Ze
zijn niet meer vrij om van
beide ouders te houden. Als
ze op bezoek zijn geweest
bij papa worden ze
uitgehoord. Dan gaan ze
zwijgen. Een meisje van
negen had meegemaakt dat er
een tweeling werd geboren
bij haar vader en diens
vriendin. Ze had er niets
over verteld aan haar
moeder. Toen die moeder op
een dag vroeg waarom niet,
zei het meisje: ’Mama, dan
zou het niet goed met je
gaan’.
Ex-partners moeten het
elkaar gunnen, de ouder van
een kind te zijn. Dus als
vader wat later komt om het
kind op te halen, niet
zeggen: ’Zie je wel, hij is
niet te vertrouwen’. En een
kind moet tegen vader kunnen
zeggen dat mama tegenwoordig
vaak hoofdpijn heeft. Of dat
ze dit weekend niet komt
omdat er een feestje is. Dan
is een kind vrij.”
Van den Eerenbeemt ziet veel
schadelijke effecten van
rechtszaken waarbij kinderen
moeten kiezen bij welke
ouder ze willen gaan wonen
na de scheiding.
Kinderen zijn geneigd partij
te kiezen voor de
kwetsbaarste ouder. Van den
Eerenbeemt sprak een man die
er als kind voor gekozen had
om bij zijn alcoholistische
vader te gaan wonen. Zijn
zusje had het eerst mogen
kiezen, zij wilde liever bij
haar moeder. Hij dacht als
kind dat het voor vader
beter zou zijn als er ook
iemand bij hem zou wonen.
Zijn moeder en zusje namen
hem die keus zo kwalijk dat
ze met hem braken. Of
hijzelf nu kinderen had,
wilde Van den Eerenbeemt
weten. Hij had zich al jong
laten steriliseren.
„Kinderen van gescheiden
ouders willen het hun
kinderen niet aandoen om dat
ook mee te maken. Dus zie je
dat ze vaak lang wachten met
trouwen en kinderen krijgen.
Soms krijgen ze bewust geen
kinderen. Het huwelijk is
voor hen een angstig
avontuur. Daarmee leggen ze
extra druk op de relatie.
Dat kan dan juist tot een
scheiding leiden. Soms ook
blijven ze bij elkaar, wat
er ook gebeurt, voor de
kinderen.”
Nieuwe wetsvoorstellen van
minister van justitie Donner
en van Tweede-Kamerlid
Luchtenveld van de VVD,
spreken van een
ouderschapsplan. Paul
Vlaardingerbroek, hoogleraar
familie- en jeugdrecht is
daar zeer over te spreken.
„Vroeger ging het bij
scheiding vooral over de
boedel en de alimentatie. De
kinderen hingen er maar bij.
In de voorstellen krijgt het
ouderschapsplan een
dominante plek in de
procedure.”
Volgens Vlaardingerbroek is
dat niet alleen belangrijk
om schade bij individuele
kinderen te voorkomen. „Het
is ook goed voor de
samenleving. Bij jeugdzorg
en jeugdcriminaliteit kom je
veel kinderen van gescheiden
ouders tegen.”