| |
Moeders wil is wet
1) HET
PRIVATE DOMEIN NA
ECHTSCHEIDING
Emeritus Prof. dr.
G.P. Hoefnagels
2) Vaders
doen er niet toe,
kinderen zijn de dupe.De
macht van moeders is
grenzeloos. Prof.
dr. mr. Dorien Pessers
3)
Onpartijdigheid
gewaarborgd
door de
discriminerende
Emeritus Prof. dr. G.P.
Hoefnagels
Voordracht van
prof.dr.G.P.Hoefnagels
voor de Vereniging
Personen- en
Familierecht Advocaten
op 15 november 2001 in
Landgoed De Reehorst te
Driebergen., 2001
1950 - 2001. Wet en
Verdrag, een illusie?
KORTE GESCHIEDENIS:
RECHT OP CONTINUERING
RELATIES KIND-OUDERS EN
GROOTOUDERS:
- 1950 EVRM:
CONTINUERING VAN
FAMILY-LIFE
- 1974 MARX-ARREST
- 1981 ARREST HOGE RAAD
GEZAMENLIJK GEZAG NA
ECHTSCHEIDING
- 1990 INTERNATIONAAL
VERDRAG VAN DE RECHTEN
VAN HET KIND (DOOR
NEDERLAND ONDERTEKEND IN
1995)
- 1995: RECHT OP
CONSULTATIE EN
INFORMATIE VOOUR
OUDER-ZONDER-GEZAG
- 1998 VOORTZETTING
GEZAMENLIJK OUDERLIJK
GEZAG ALS NORM. GEZAG
IMPLICEERT CONTACT (377h
B.W.1)
- 1999: H.R.:
UITSLUITEND EENHOOFDIG
GEZAG BIJ
"ONAANVAARDBAAR RISICO"
- 2000: VERBLIJFPLAATS,
AMBTSHALVE, ALS
NEVENVOORZIENING
Het Europees Verdrag van
de Rechten voor de Mens
is vanaf 1950 geldig,
maar de Nederlandse
overheid is niet erg
ijverig geweest met de
invoering en uitvoering
ervan.
(Het Internationaal
Verdrag van de Rechten
voor het Kind is in 1990
gesloten en in 1995 door
Nederland ondertekend.)
In de jaren zeventig
baarde het Marx-arrest
opzien, waarin iedere
discriminatie van
kinderen (te onzent:
"onwettige",
"natuurlijke",
"overspelige" kinderen
en we kunnen daaraan
toevoegen: kinderen na
echtscheiding) op grond
van het EVRM werd
verboden en uit de
nationale wetgeving
moest worden
geëlimineerd. In de
jaren tachtig kwam de
Hoge Raad met een
voorzichtig arrest over
voortzetting van
gezamenlijk ouderlijk
gezag bij "goede
verstandhouding" als een
eerste stap naar "de
continuering van
family-life" en een niet
mis te verstane
verwijzing naar het
private domein in
artikel 8 van het EVRM,
in het bijzonder het
recht op privacy in de
vorm van het respect
voor de
ouder-kind-verhouding na
echtscheiding. Artikel 8
heeft met continuering
van family-life van den
beginne daarin betrokken
de grootouders en de
ouders uit niet
gelegaliseerde
samenlevingen, ook die
zonder gezag. Het gaat
om de rechten op
relaties van het kind.
De vereiste continuering
van 'family life' na
echtscheiding van het
kind met beide ouders
werd in Nederland in
1990 in de wet
vastgelegd door een
omgangsrecht van
rechtswege voor het kind
en de ouder die geen
gezag heeft (377a BW 1).
Alleen indien
"zwaarwegende belangen"
van het kind dit
vereisten, kan
uitsluitend de rechter
hier een uitzondering op
maken door ontzegging
(377a, 3e lid). Ik heb
dit wetsvoorstel mee
mogen behandelen in de
Eerste Kamer en was er
zeker van dat vijandige
scheidingsemoties de
relatie van het kind met
de andere ouder niet
meer konden frustreren.
Staatssecretaris Kosto,
die de wet in beide
Kamers behandelde, was
daar ook van overtuigd.
In 1995 werd de relatie
van de ouder zonder
gezag ten opzichte van
zijn/haar kinderen nog
eens versterkt door het
recht op consultatie en
informatie (artt. 377 b
en c, 1 BW).
Sinds 1998 is
voortzetting van het
ouderlijk gezag van
beide ouders na
echtscheiding wet. Ook
deze wet versterkte de
continuering van family
life. Daarmee werd het
contact van het kind met
beide ouders nog eens
extra verankerd als
mensenrecht. Ontzegging
van dit recht is in
geval van gezamenlijk
gezag uitgesloten. Gezag
impliceert contact (377h
BW 1). Sinds het arrest
van de Hoge Raad van 10
september 1999 is het
gezamenlijk gezag nog
eens bevestigd: geen
eenhoofdig gezag, tenzij
een ouder "een
onaanvaardbaar risico"
voor het kind zou zijn.
Zou dat "onaanvaardbaar
risico" er zijn als een
ouder omgang frustreert,
omdat hij/zij niet boven
de scheidingsemoties
staat? Als de ouderrol
ondergeschikt wordt
gemaakt aan vijandige
ex-partner-emoties
begint het proces van
ouderverstoting en dat
is "een onaanvaardbaar
risico". December 2000
erkende de H.R. de
rechterlijke beslissing
tot bepaling van de
verblijfplaats als
nevenvoorziening. Hoe
dan ook, met dit Verdrag
en deze wetgeving en de
steeds duidelijker
uitspraken van de Hoge
Raad, zou een weldenkend
mens zeggen, is de
voortzetting van de
relatie van het kind met
ieder van de ouders na
scheiding stevig
vastgelegd en
gewaarborgd. Na vijftig
jaar Europees Verdrag
geldt dit mensenrecht
ook voor de vele
tienduizenden kinderen
van gescheiden ouders in
Nederland.
Maar toen ik in 1995 na
mijn colleges op de
universiteit en mijn
wetgevend werk in de
Eerste Kamer weer volop
in de praktijk van het
familierecht
terechtkwam, bleken
Verdrag, wet en
mensenrechten in die
praktijk een illusie. De
door de rechter
veronderstelde
"deskundigen" bij de
raden voor de
kinderbescherming bleken
in veel gevallen de
wetten van 1990, 1995 en
1998 betreffende gezag
en omgang niet te
kennen. Zij gedoogden
eenzijdige
"stopzettingen" van
omgang. Niks geen
continuering van 'family
life', niks geen
mensenrechten in
Nederland, niks geen
kind-ouderrelatie als de
verzorgende ouder het
niet wilde. Nee hoor,
alles ging gewoon door
zoals het ging onder de
oude wet, alsof wet en
EVRM niet bestond.
Raden voor de
kinderbescherming,
rechters en advocaten
deden vaak niet mee aan
de nieuwe wet. Als de
ouder bij wie het kind
verbleef (in 90 % van de
gevallen de moeder) de
overeenkomst van omgang,
eenzijdig en
uitdrukkelijk in strijd
met de wet, stopzette,
zei de raadsmedewerker,
dus de overheid, niet
tegen de moeder dat dit
in strijd was met de
wet, noch stelt hij de
rechter onmiddellijk op
de hoogte van het
onwettig gedrag. Wat is
zo'n overheidsorgaan dan
nog waard? Wat is een
rapport Pro justiti dan
nog waard? Ook vroeg de
advocaat in kort geding
vaak niet om
voortzetting van de
overeenkomst, maar om
een omgangsregeling door
de rechter, alsof die
regeling al niet
bestond. Op dit bij
uitstek private domein,
waar de ouderlijke
verantwoordelijkheid ook
door de regering telkens
weer primair wordt
gesteld, deed men alsof
de privaatrechtelijke
overeenkomst niet gold.
Ook omgangsregelingen
die door de rechter
worden vastgesteld,
blijft de verzorgende
ouder stopzetten.
Moeders wil is wet en de
wetgever kan met zijn
blote benen naar bed. In
Nederland gaan onwettige
relatieverbreking en
"stopzetting van de
omgang" tot op de dag
van vandaag door. Ook de
politiek, toch ijverig
als het mensenrechten in
verre landen betreft,
doet alsof continuering
van het famileleven in
Nederland niet als een
mensenrecht bestaat.
Hoe kan dat?
Er is iets taais dat in
de weg zit, een taai
slijm dat in een
verouderde cultuur is
genesteld en waartegen
we een medicijn moeten
vinden. Wat is die
verouderde cultuur?
DE ONTWIKKELING VAN DE
ECHTSCHEIDING SINDS 1974
Om dat taaie slijm te
leren kennen dient als
achtergrond de cultuur
van de echtscheiding en
de ontwikkeling ervan.
Ten tijde van het
ontstaan van het nieuwe
echtscheidingsrecht van
1972 ontwierp ik een
proces-theorie, waarin
vijf processen van
scheiden werden
beschreven:
SHEET 3.
1. het menselijk of
psychologisch
scheidingsproces; 2. het
zakelijk
scheidingsproces; 3. het
juridisch
scheidingsproces; 4. het
proces van de
omstanders; 5. het
maatschappelijk
scheidingsproces.
Deze processen liepen
niet parallel, maar
kwamen geregeld met
elkaar in botsing. Het
ging mij om het
consumenten-perspectief
in het recht, maar er
bestond geen afstemming
op het menselijk,
relationeel of
psychologisch proces van
scheiden.
Terwijl ik aan de
beschrijving van deze
processen bezig was,
ontdekte ik - het was in
1974 - de bemiddeling,
waardoor afstemming van
het zakelijk en
juridisch proces op het
menselijk proces van
scheiden vanzelfsprekend
werd.* Sindsdien heb ik
wekelijks met twee
scheidende mensen aan
tafel gezeten en 1000
scheidingsovereenkomsten
gemaakt. D.w.z. van
nabij zag ik de
psychologie, de zaken en
de juridiek van de
scheiding, kortom het
private domein van art.8
EVRM zich ontwikkelen.
(SHEET 4:)
VERANDERINGEN IN DE
SCHEIDINGSCULTUUR:
-'Schuld' maakt plaats
voor
verantwoordelijkheid
- 'duurzame
ontwrichting' wordt
'verstoting'
- Vrouw neemt vaker
inititief tot scheiden
-'Victoriaanse
scheiding' maakt plaats
voor emancipatoire
scheiding
- accent op duur van
alimentatie,
carrière-perspectief en
levensperspectief
- de zorgvader
Sinds het
scheidingsrecht van 1972
kunnen gehuwde mensen
van elkaar af op grond
van "duurzame
ontwrichting". Korte
tijd kon door de
gedagvaarde partij nog
een beroep worden gedaan
op "een grotere mate van
schuld" van de ander,
maar ook dit laatste
restant van schuld is
uit de wet verdwenen. De
"duurzame ontwrichting"
functioneert als een
wettelijk
verstotingsbeginsel,
waar ook de vrouw in
ruime mate gebruik van
maakt. Volgens
onderzoeken uit de jaren
tachtig werd de
scheiding in 75 % van de
gevallen door de vrouw
aanhangig gemaakt. In
mijn
bemiddelingspraktijk
neemt de vrouw vaker het
initiatief tot scheiden
dan de man.
Van 1974 tot heden heb
ik de
echtscheidingscultuur
zien veranderen. Ik noem
enkele veranderingen:
- het maatschappelijk
taboe op de
echtscheiding (proces 5)
is zo goed als
verdwenen. Maakten we in
de jaren zeventig, begin
jaren tachtig, met de
scheidenden nog een plan
hoe de omstanders,
familie, vrienden, de
werkgever, de kerk en de
kennissen (proces 3),
van hun scheiding op de
hoogte te stellen, nu is
dat alleen bij
uitzondering een
probleem.
- de schuldcultuur
(proces 3 en 5) is zo
goed als verdwenen, de
psychologie van het
schuldgevoel(proces 1)
natuurlijk niet. Het
schuldgevoel wordt aan
de bemiddelingstafel
omgezet in een
gezamenlijke
verantwoordelijkheid
voor een
scheidingsovereenkomst.
Maar in de cultus van de
twee-advocaten-procedures
en in een aantal
rapporten van de raden
blijven schuld en
schuldtoewijzing vaak
virulent aanwezig.
- de vrouw neemt vaker
het initiatief tot
scheiden dan de man.
- de "Victoriaanse
scheiding" -de oudere
man verliet het huwelijk
met een jongere vrouw,
bij voorkeur zijn
secretaresse- verdween
ten gunste van de
emancipatoire scheiding:
de vrouw zegt de man
vaarwel om reden van
haar eigen ontwikkeling
en wegens een
onbevredigende relatie.
- de oude discussie over
de hoogte van de
alimentatie verlegt zich
vooral naar de duur van
de alimentatie. Hierbij
wordt door de vrouw haar
carrière ter sprake
gebracht. D.w.z. dat de
bemiddelingsdiscussie in
de kaders van
levensperspectieven en
leeftijden van man,
vrouw en kinderen wordt
gevoerd, zoals daar
zijn: de
schoolleeftijden van de
kinderen en het
achttiende jaar van het
jongste kind, de data
van de bijdragen
studiefinanciering, en
de pensioenleeftijden.
- een variant is de
vrouw van in de dertig
of veertig die zeventig
procent voor de kinderen
zorgt en uitrekent
wanneer en hoe zij haar
carrière nog tijdig tot
volle bloei brengt,
terwijl de man aanbiedt
graag een paar jaar
extra aanvullende
alimentatie te betalen
als zij haar groter
aandeel in de zorg voor
de kinderen nog iets
langer zou willen
voortzetten.
- een belangrijke
verandering is de nieuwe
vader. Stond de vader
van de jaren zeventig
meestal ver van de
rechtstreekse praktische
zorg voor de kinderen
(dus nog dichtbij de
negentiende eeuwse, vaak
afstandelijke vader), nu
is de zorgvader naast de
zorgmoeder een gewone
verschijning geworden.
Ik zie dat niet alleen
om me heen en bij mijn
eigen kinderen, maar
hoor dat ook aan de
bemiddelingstafel.
Ofschoon er zelden
menselijke vooruitgang
valt te bespeuren in
deze wereld, lijkt dit
vooruitgang. Vaders die
net als moeders van
jongsafaan nabij zijn
aan hun kinderen, hen
verzorgen, met hen
meegroeien, die niet
alleen afwassen en een
ei bakken, maar gewoon
kunnen koken, soms
lekkerder dan zij het
kan), die de was doen en
de luiers verschonen.
Mocht de jonge vader
drie kwart eeuw geleden
nog niet bij de
bevalling zijn en moest
hij buiten de kraamkamer
wachten tot de zuster
met de baby kwam,
vijftig jaar geleden
zette hij zijn eerste
schreden in de
kraamkamer en, na wat
voorzichtige oefeningen,
is hij nu, bij alle
verschil, een hulpe de
vrouw bijna gelijk. Hij
is evenveel in de
babykamer als moeder,
loopt achter de
kinderwagen of heeft het
kind in de draagdoek.
Verdomd, die onwrikbare,
statige, afstandelijke
negentiende eeuwse vader
is verdwenen. Hij is
zelf anders. Hij doet de
huishouding niet
hetzelfde als de vrouw,
zoals de directrice niet
hetzelfde handelt als de
directeur. Zelden zie je
vooruitgang, maar hier
zie je het.
GEZAG EN OMGANG
Informatie over de
nieuwe wetgeving inzake
gezag en omgang valt bij
de mensen die via
bemiddeling scheiden als
Gods woord in een
ouderling. Er wordt aan
de bemiddelingstafel
niet over "recht op het
kind" gesproken (dat
recht bestaat bij mijn
weten ook niet), maar
over beschikbaarheid en
zorg, relatie, contact
en oppas (zie het
zorgmodel van Van
Leuven). Er wordt
gesproken over
collegiale samenwerking
van ouders die voor hun
kinderen moeten zorgen.
Al hebben zij hun rol
van huwelijkspartner
afgelegd (daartoe werd
de scheidingsmelding,
het adieu, nog eens
doorgenomen -zie mijn
Handboek
Scheidingsbemiddeling**-),
wel hebben zij te maken
met hun rol als ouder,
gebaseerd op het recht
van het kind op contact
met beide ouders. Tot
die collegiale
gezagssamenwerking, in
welke vorm dan ook,
distant of hartelijk,
functioneel of amicaal,
zijn ouders verplicht,
al of niet met een
incompatibilité d'humeur,
voor het leven. Respect
voor de partner mag
verdwenen zijn,
wederzijds respect van
de ouders voor elkaar
is, hoe afstandelijk
soms ook, noodzakelijk.
Collegiaal respect. De
ouder die dat respect
mist, is een risico voor
het kind. In eenvoudige
termen: de minimum
doelstelling van de
ouderlijke afspraken in
een
scheidingsovereenkomst
is: dat men gelijkelijk
(on)tevreden is en op de
hoogtepunten van het
leven van de kinderen
(examens, huwelijk,
toneelvoorstelling)
zonder problemen samen
aanwezig is. In de
meeste gevallen wordt
een hogere doelstelling
bereikt.
Kindermishandelende
procedures
Wanneer mensen echter in
een
twee-advocaten-procedure
om de kinderen gaan
strijden, lijkt het een
bokswedstrijd zonder
regels, een catch as
catch can, waaronder
kinderen lijden en
ouders hun respect
verliezen. Dat ligt in
beginsel niet aan de
advocaten, maar aan de
polariserende structuur
van de procedure. De
kinderen lijden onder
déloyaliteit van ouders
tegenover elkaar. Daar
leden zij eventueel
reeds onder in de
turbulente fase (vóór de
scheidingsmelding). de
kribbigheid, de haat en
agressie, de
vervreemding tussen de
ouders worden tijdens
het proces manifest en
beheersen de emoties van
de ouders. Als de omgang
met de andere ouder
ondertussen niet
doorgaat, moet het kind
door de verzorgende
ouder iets verteld
worden en dat is meestal
niet veel goeds. Het
kind hoort aanvankelijk
wel dat er leugentjes
zijn over vader, maar
door herhaling en om bij
moeder niet teveel
agressie op te roepen,
"leert" het niet meer te
reageren. Het
ouderverstotingsproces
wordt ingezet. Er is
tijd nodig om het kind
aan te praten dat er een
ouder aan hem ontvalt.
Er moet verzonnen
worden. Die tijd wordt
door de procedure aan
moeder gegeven als
ondertussen de omgang
wordt stopgezet. Het
ouderverstotingsproces
is een complex proces.
Het kind moet gaan
denken en handelen tegen
zijn belang in, schrijft
de Amerikaanse
hoogleraar
kinderpsychiatrie
Richard Gardner in zijn
lijvige studie over het
Parental Alienation
Syndrome.
(Sheet 5:) Parental
Alienation Syndrome
(PAS) of
HET
OUDERVERSTOTINGSSYNDROOM.
(Op Sheet boek van
Richard Gardner en
samenvatting voor
Nederland)
Het begint met
programmering van het
kind: eerst minachting
van de niet-verzorgende
ouder, nageprate
leugens, vijandschap
jegens de familie van de
andere ouder, het
overnemen van de
haat-emoties,
uitsluiting, eindigend
in het Parental
Alienation Syndrome, de
zg. PAS. Het is een vorm
van psychische
kindermishandeling met
als resultaat: kinderen
die voor hun verdere
leven gekenmerkt zijn
door:
- emoties van de
programmerende ouder
worden overgenomen, een-
zijdige idealisering
- dingen aannemen die
niet overeenstemmen met
hun eigen waarnemingen;
- verwarring,
onzekerheid, gebrek aan
zelfvertrouwen;
- breuk met de
werkelijkheid; problemen
met inschatten van de
werkelijkheid;
- meermalen openlijke
vijandigheid tegen de
verstoten ouder, soms
tot moord toe (de moord
in Renkum). Naast de
vijandigheid soms ook
het gevoel een groot
verlies te ervaren.
- Depressies en paranoia
komen vaak voor bij
PAS-kinderen.
- Vaak ontstaat er
identiteitsverlies (PAS-jongens
na vaderverstoting,
PAS-jongens na
moederverstoting)
- Pas op veel latere
leeftijd zoeken zij soms
weer contact met de
verstoten ouder, niet
zonder schuldgevoel
jegens de programmerende
ouder, soms na een forse
therapie, soms na een
breuk met de
programmerende ouder.
Paul Vlaardingerbroek
rekende (op basis van
cijfers van het CBS) uit
dat er jaarlijks zo'n
16000 echtscheidingen
met kinderen zijn en in
10% ervan wordt over de
kinderen geprocedeerd.**
Jaarlijks worden zo'n
1600 procedures
gestreden, waarbij 3200
kinderen onderhevig zijn
aan gevechten van hun
tot in de vezels
gespannen déloyale
ouders. Alleen de
commerciëel denkende
advocaat wint aan zo'n
strijd, want iedere
emotie is goed voor een
procedure. Rechters doen
hun best eruit te komen,
maar niet zelden zie je
ze denken: "Als God het
niet meer weet, weet de
raad het nog". En te
vaak handelen ze ernaar.
Want de raad kent vaak
de wet niet, gedoogt dat
de verzorgende ouder de
omgang stopzet en
adviseert de rechter de
verzorgende ouder maar
niet te storen in haar
"beleving van de andere
ouder" en de omgang te
minimaliseren
("zaterdagmiddag van
twee tot vijf eenmaal
per veertien dagen"!
Ijssalon-omgang. Is dat
"voortzetting van
ouderlijk gezag"?
Voortzetting van een
kind-ouder-relatie? Soms
zelfs wordt de
stopzetting door de
rechter beloond met een
ontzegging van omgang,
zelfs bij twee ouders
met gezag, wat volgens
artikel 377h B.W.1
helemaal niet kan. Gezag
impliceert contact. De
rechter kan, als een
ouder erom vraagt, wel
regelen hoeveel contact.
Hoe kun je gezag
uitoefenen zonder
omgang? Overigens is
zo'n verzoek om een
omgangsregeling door de
rechter tevens een
indicatie voor
bemiddeling, meestal
wegens een non-adieu (of
gebrek aan
scheidingsmelding). De
collega's samen aan
tafel in ieder geval.
In een raadsrapport dd.
2000 valt te lezen dat
er geen bezwaar is tegen
omgang van het kind met
vader, maar in moeders
beleving(!) is die
omgang onduldbaar.
Advies: geen omgang. Ten
einde raad volgde de
rechter het advies.
Einde contact van het
kind met zijn vader. Het
onwettig einde van een
mensenrecht voor kind en
ouder.
HOE KOMEN ZULKE
BESLISSINGEN TOT STAND?
WAT ZIJN DE BESTANDDELEN
VAN HET TAAIE SLIJM DAT
HANDHAVING VAN DE WET
BELEMMERT?
Wat de raad betreft is
het voor de politiek
interessant. De raden
vallen onder de
politieke
verantwoordelijkheid van
de staatssecretaris van
justitie. In een
aangename en
veelbelovende bespreking
op het hoofdkantoor van
de raden in augustus
vernam ik van het hoofd
van het hoofdkantoor dat
er thans veranderingen
in gang zijn gezet bij
de raden, waarover
straks meer. Maar tot
voor kort en ook
gisteren nog konden we
ons verbazen over het
negeren door
verscheidene
raadsmedewerkers van de
wet, het gedogen van
stopzetting van omgang,
het niet aan één tafel
spreken met beide
ouders, het gebrek aan
kennis van de wetgeving
inzake gezag en omgang
en van de psychologie
van het
scheidingsproces, het
negeren van de
scheidingsmelding als
passage van de
irrationele naar de
rationele fase van
scheiden, een
ondeskundige rapportage,
een en ander naast
gunstige uitzonderingen
bij een aantal
rapporteurs.
Een recente procedure in
kinderzaken
Volgen we een recente
zaak die februari 2000
in kort geding aanhangig
werd gemaakt en enig
zicht geeft op de
activiteiten en
passiviteiten van
rechter, raad en
advocaat en bijna alle
malheurs van vandaag te
zien geeft, in ieder
geval genoeg om ons
vanmiddag bezig te
houden. We zullen het DE
ZAAK PAULUS noemen.
(SHEET 6: DE ZAAK PAULUS)
- Na 18 jaar huwelijk
wordt in 1997 Paulus
geboren.
- Moeder verlaat de
woning met medeneming
van Paulus.
Echtscheiding 1998.
Vader heeft meer dan een
jaar iedere zondag
omgang, vastgelegd in
overeenkomst en door de
rechter.
- Juli 1999: Moeder
stopt omgang. Vader
probeert moeder te
bewegen omgang te
hervatten, maar zonder
succes.
Februari 2000: kort
geding aanhangig.
Maart 2001: De rechter
in kort geding beslist
tot "onmiddellijke
omgang, bemiddeling en
een raadsrapport binnen
drie maanden".
April 2001: De moeder
weigert na uitnodiging
van de raad met de man
aan tafel te komen; de
raad gedoogt dat. De
cliënt meldt het aan
zijn advocaat.
- Mei 2001: De volgende
afspraak van de raad is
met haar alleen. De raad
slaat de door de rechter
verplichte bemiddeling
in de wind, zonder de
rechter zulks te
berichten. Op weg naar
de afspraak met de raad,
keert de vrouw terug
naar huis en meldt zich
ziek. De raad neemt het
voor kennisgeving aan,
de advocaat ook.
- Honorering van gedrag
bevordert dat gedrag en
moeder blijft omgang
weigeren. De raad
gedoogt dat. De advocaat
van de man neemt het
voor kennisgeving aan.
- De raad stelt de
rechter niet op de
hoogte van moeders
weigeringen, handelt
lijnrecht tegen de
opdrachten van de
rechter en miskent aldus
het forensisch,
wettelijk en rechterlijk
kader.
-De raad maakt een
nieuwe afspraak met de
man apart en de vrouw
apart na de vacanties,
het is inmiddels
september 2001.
De rechter dringt aan op
rapport.
- De raad spreekt met de
vrouw, maar vraagt
nergens naar wat moeder
aan het kind heeft
verteld.
- Vader ziet het kind in
de supermarkt en speelt
er een uurtje mee. Het
kind is blij hem te
zien.
- Van september tot
december 2000 vraagt de
raad uitstel. Het
rapport komt tenslotte,
na nogmaals aandringen
van de rechter, begin
december 2000. Het kort
geding van maart werd op
30 december voortgezet.
- Er was, zei het
raadsrapport, geen
bezwaar tegen contact
van het kind met de
vader, maar "de beleving
van de verzorgende
moeder" maakte dat zij
"er niet tegen kan dat
het kind contact heeft
met vader".
- De beleving ging boven
de feiten. De beleving
van de moeder ging boven
de beschikbaarheid van
de vader. De beleving
van de moeder dat "hij
het kind wel eens iets
zou kunnen aandoen" ging
boven de feitelijke
constatering van de raad
"dat er tegen een omgang
met de vader geen
bezwaar was in te
brengen." Advies: geen
omgang voorlopig totdat
moeder hulpverlening
heeft gekregen en zover
zal zijn. (Neemt u in
acht als het woord
"hulpverlening" valt.
Het is een kunstwoord.
Het kunstwoord
suggereert dat ooit
alles goed zal worden,
als de verlosser komt.
Als vader eerst gestraft
wordt met het kind. In
de jaren zestig schreef
ik met anderen een boek:
"Help, ik word
geholpen". Ik variëer op
het gedicht van Lucebert:
"Help, het helpen heeft
zijn gezicht verbrand."
Waaraan verbrandde zijn
gezicht? Aan de
subsidiestroom. Die paar
echte helpers vergeven
mij, maar het wordt tijd
dat zij hun collega's
wakker schudden. Er is
ook geen plan van
hulpverlening. Er zal
ook niets gebeuren,
behalve de
oudervervreemding en
ouderverstoting. De
procedure heeft tot
doel: het belang van het
kind, maar niemand heeft
het over het kind.
Natuurlijk lijdt Paulus
onder de déloyaliteit
van zijn ouders, but
nobody cares, de raad
niet, de moeder niet, en
de rechter ziet twee
vechtende ouders.
- De cliënt belt mij een
week voor het kort
geding en stuurt de
stukken. Zijn advocaat
belt mij de avond voor
de zitting. Hij is geen
familierechtadvocaat en
is niet op de hoogte van
de artikelen 251 BW e.v.,
noch van 377a en 377h
BW. Ik leg hem
desgevraagd uit dat
stopzetting van omgang
niet mag, dat bij
eenhoofdig gezag
ontzegging van omgang
door de rechter mogelijk
is, maar bij gezamenlijk
gezag ontzegging niet
mogelijk is.
- Op de zitting vergeet
hij het gezag van vader
en informeert hij de
rechter dat voor
stopzetting van omgang
ontzegging nodig is.
- De rechter neemt het
raadsadvies over en de
instructie van de
advocaat, nota bene met
ontzegging van omgang
van een vader met gezag,
dus in strijd met de wet
(377h), en met
voorbijgaan aan zijn
tussenvonnis van negen
maanden geleden. De
rechter vergat zijn
eigen tussen-vonnis en
spreekt een
Alzheimer-vonnis uit.
- De beleving van de
moeder ging boven de
waarheid en boven de
rechten van de mens, het
kind en de vader.
Wat gebeurt er met het
kind en zijn beleving?
Het raadsrapport wijdt
er geen woord aan.
Niemand eigenlijk. De
procedure in kinderzaken
pretendeert het belang
van het kind voor ogen
te hebben, maar de
procedure zelf negeert
dat belang en is daarmee
doorgaans in strijd,
zeker als de omgang
ondertussen niet
doorgaat. De duur van de
procedure is
onverenigbaar met het
kinderlijk tijdbesef. De
déloyaliteit, d.w.z. de
haat en vijandschap
tussen de ouders wordt
door de procedure
verhevigd en het is
juist die déloyaliteit
(lees: haat en agressie)
waar het kind onder
lijdt, zowel tijdens
huwelijk als na
scheiding. Als de
scheidingsmelding niet
heeft plaatsgevonden,
gaat de turbulente fase
ook na de scheiding
door.
Wat zegt de
omgangsfrustrerende
ouder tegen het kind?
Niemand ten processe
vraagt ernaar. Niet veel
goeds over zijn vader.
Het kind leert eerst dat
een relatie zo maar kan
wegvallen, niet door
overlijden, maar vanwege
haat en agressie als
opvoedingsmiddelen. Het
moet vinden dat de
andere ouder niet deugt
en zo wordt het proces
van oudervervreemding en
ouderverstoting ingezet.
In alle expertises die
ik in deze zaken
uitbracht bleek de
oorzaak te liggen in het
non-adieu, het gebrek
aan afscheid door
afwezigheid van een
voltooide
scheidingsmelding. Ook
in deze zaak. Moeder
ging het huis uit naar
een kliniek die bij haar
binnenkomst
diagnostiseerde dat ze
afhankelijk was van haar
man. Ik las de papieren
van de kliniek.
Doelstelling
behandeling: autonomie
van de vrouw. Drie
maanden later:
doelstelling bereikt: de
vrouw ging scheiden. Het
kind was in die maanden
bij de kinderloze zus
van de vrouw en bij de
moeder van de vrouw.
Daar is het vijf dagen
van de week nog.
Gebrek aan kennis van de
psychologie van het
scheidingsproces
De omgang werd in feite
geweigerd op grond van
het feit dat de
verzorgende ouder
ex-partner-emoties liet
prevaleren boven de
ouderrol. Dat kan alleen
door beide partijen
samen aan één tafel
verholpen worden. Wie
dat weigert houdt de
partner-emoties in stand
ten koste van de
ouderrol. Een overheid,
een raad dus, die dat
aanvaardt en het
onderzoek dan maar aan
twee tafels apart doet,
is niet op de hoogte van
de psychologie van de
echtscheiding en
handelde in het genoemde
geval bovendien in
strijd met de opdracht
van de rechter. Evenmin
strookt zo'n apart horen
van de ouders met de
Beleidsbrief van de
Staatssecretaris van
1997 die bemiddeling en
overeenkomst voorstaat.
1997. Hoe taai is taai
slijm, dat ambtenaren
zich niets aantrekken
van hun opperste,
politieke chef? En niets
weten van de in
degelijke studies
beschreven
ouderverstoting van
Richard Gardner, die
door het ministerie van
justitie werd
uitgenodigd op een
congres voor
kinderbeschermers in
Nederland.
Het zogenaamd
"gedragskundig rapport"
van de raadsmedewerker
gaf geen blijk iets te
weten van de psychologie
van het scheiding. Het
rapport bleef hangen in
een sentiment voor de
moeder. Dit sentiment is
ook verklaarbaar uit
gebrek aan kennis van de
psychologie van het
scheidingsproces, in het
bijzonder van de
scheidingsmelding en
haar katharse-functie,
naast een verouderde
opvatting van de
zorgende moederrol en
een achterlijke
miskenning van de nieuwe
vaders. Uit dit taaie
slijm van gebreken en
sentimenten wordt de
uitweg gezocht in geen
omgang om "rust" te
krijgen, "rust" voor de
verzorgende moeder en
waarschijnlijk ook rust
voor de rechter en de
raad die daarmee hopen
van de zaak af te zijn.
De "rust" voor het kind
is schijn, want voor het
kind houdt de strijd
niet op. Het begon met
'Pappa is niet lief',
maar dat is bij een
onverwerkte scheiding
van de moeder
onvoldoende. Waarom niet
naar pappa? Daar is wat
grover geschut voor
nodig. Pappa komt er
zwart en gehavend uit.
Is dat voor het kind
"rust"?
Gevolgen van de
verbreking van de
ouder-kind-relatie:
tijdens de anderhalf tot
vier jaar durende
procedures wordt voor
het kind, zoals we
zagen, het
ouder-verstotingproces
ingezet en wordt een
dierbare relatie aan de
dijk gezet. Tenslotte
ondergaat het kind het
ouderverstotingssyndroom
met de psychische
stoornissen van dien.
Dit proces van
ouderverstoting heet in
de door mij gewraakte
praktijk dus "rust". Het
klinkt als het militair
commando aan een
compagnie in
oorlogstijd: "Op de
plaats: rust". Tijdens
die rust kan het kind de
loopgraven in van een
bijvoorbaat verloren
gevecht.
(Sheet 7:)
DE KLACHT ALS WAPEN
Het non-adieu van de
partners, het gebrek aan
afscheid of
scheidingsmelding leidt
bij een aantal
verzorgende ouders, in
het bijzonder bij de zg.
"terugtrekkers" -zoals
Mc.Gillavry ze noemt
naar het
communicatie-model van
Watzlawick-, tot het
inzetten van derden,
zoals de politie, de
slachtofferhulp, het
meldpunt
kindermishandeling en
tenslotte de aangifte
van strafbare feiten.
Sinds Pipo de Clown en
de Bolderkar is aangifte
van incest favoriet. Sex
ligt voor de hand. Sex
is bij de hand. De
klacht als wapen,
schreef de daarin
gespecialiseerde
advocaat Chris Veraart
in zijn boek "Valse
zeden". (In Nederland
is, schreef A. van
Montfoort in zijn
dissertatie, inzake
incest niet gekozen voor
het hulpverleningsmodel,
maar voor het
strafrechtelijk
ingrijpen. Dat gaat
zover dat zelfs jonge
kinderen gehoord worden
en als getuigen gebruikt
tegen hun ouders. Van
Leuven bepleit de
aangifte te herleiden
tot het relationele
model tussen de
partners. Dus
bemiddeling. Inderdaad
zien we na een voltooide
scheidingsmelding een
heilzamer weg geopend
tussen de ouders. Over
de relationele aspecten
van incest, zie ook de
dissertatie van de
psychiater Dr. S. Van
der Kwast.) De keren dat
mij om een expertise
werd gevraagd bij een
incest-aangifte, liep
deze uit op een sepot of
een vrijspraak, ook als
politie en hulpverleners
bevooroordeeld
handelden. Sinds de
recente kritische en
verhelderende expertise
van justitie over de
studio-verhoren lijkt de
hype van "incest moet"
naar zijn einde te
lopen. Het aantal
onbewezen aangiftes is,
volgens Gronings
onderzoek, zeer hoog.
De wens van moeder om
vader (zoveel mogelijk)
buiten te sluiten komt
voort uit haar gebrek om
in haar ouderrol boven
haar scheidingsemoties
te staan. Wie daaraan
toegeeft, rechter, raad
of advocaat, miskent een
oud rechtsadagium: AAN
EIGEN SLECHTHEID (OF
GEBREK) KAN MEN GEEN
RECHT ONTLENEN.
Summa summarum: het
taaie slijm zit 'm in
een verouderde cultus
van verouderde
opvattingen over vaders
en moeders na
echtscheiding, onkunde
over Verdrag en wet,
miskenning van de
rechten voor de mens en
voor het kind en gebrek
aan kennis van de
psychologie van het
scheidingsproces en
gebrek aan kennis van
het
ouderverstotingsproces
en het
ouderverstotingssyndroom.
Kortom, het omgaan met
de normen en de emoties
van echtscheiding, recht
en psychologie zijn aan
de orde.
Tot slot van het eerste
deel van mijn one man
shows een
televisie-uitzending met
de advocaat van de
vrouw. Ik zal er een
deel uit voordragen. De
video-band is in het
bezit van uw voorzitter.
DE ADVOCAAT. EEN
TELEVISIE-UITZENDING
De advocaat van de vrouw
had op de televisie haar
zienswijze op
kinderzaken uiteengezet
in een uitzending dd. 28
februari 2000 met de
titel "In het belang van
het kind". Ik laat u dit
horen ter eigen
beoordeling. Naar eigen
zeggen heeft ze
drieduizend kinderzaken
gedaan. Het gaat om een
stem uit de praktijk. Ik
citeer de advocaat:
"Ik adviseer de mannen
die bij me komen en die
problemen hebben met de
omgang. Dan begin ik op
de eerste plaats de
rechtspositie te
verduidelijken en te
zeggen, dat ze als man
in het Nederlandse recht
praktisch nergens staan
en dat ze bijna nergens
op kunnen terugvallen,
dat ze afhankelijk zijn
van de goodwill van hun
partner en dat dat
inhoudt, wat mij
betreft, en dat woord
gebruik ik heel vaak:
pappen en nat houden.
Dat wil zeggen dat ik
zeg van nou geef maar
toe, en ook al vindt u
het onredelijk wat uw
vrouw van u eist of noem
maar op. Probeer in
ieder geval de situatie
niet zodanig te laten
escaleren dat mevrouw
het kind weghoudt, want
als het eenmaal zover
is, dan kun je het niet
meer terugdraaien.
Ik bedoel dan staan de
posities van partijen al
zover van elkaar
verwijderd dat gewoon
die vrouw er als het
ware een prestige-object
van maakt om haar kind
maar van de man weg te
kunnen houden en ik zeg
tegen de vader dan ook:
u moet zich.., u moet
toch maar proberen in
gesprek te blijven en
ondanks het feit dat u
meent...het onredelijk
vindt, toch uw vrouw op
een of ander manier
tegemoet te komen in het
belang dat u het kind
ziet.
Presentator:....
Advocaat: "Je kunt niet
naar de politie gaan en
zeggen van: kijk, hier
heb ik een beschikking
van de rechtbank, haalt
u mijn kind als vader,
dus haalt u mijn kind
maar af en brengt u het
mij maar weer terug..,
een politie is daar niet
voor geschikt. Ik bedoel
dan zeggen ze: dat is
een familierechtelijke
kwestie, zoek het zelf
maar uit. Je staat in
feite machteloos, als
je..."
Presentator: "Dat is wel
raar als een advocaat
dat zegt."
Advocaat: "Ja...als ik,
ja..als ik voor de vrouw
optreed niet, maar wel
als ik voor de man
optreed...dan sta ik
machteloos als een vrouw
niet wil meewerken. Dan
heb ik inderdaad nog de
mogelijkheid van
gijzeling en het
opleggen via kort geding
van een dwangsom, maar
dat heb ik nog nooit
meegemaakt...en ik denk
als ik dat in de
praktijk een keer zou
doen, dat dat gewoon
averechts zou
uitwerken."
Presentator: "Wat ziet u
hier bij u het liefste
binnenkomen, een
gescheiden man of een
gescheiden vrouw?"
Advocaat: "Een
gescheiden vrouw, ja,
want een gescheiden
vrouw die krijgt in het
Nederlandse
echtscheidingsrecht
praktisch alles wat ze
wil..."
Presentator: "Dat is een
winning case voor u?"
Adv.: "Ja, dat is voor
mij een winning case,
dat is voor mij een heel
prettige zaak om het zo
maar eens te zeggen. Je
vraagt dus het huis; als
er kinderen zijn, krijgt
de vrouw altijd het huis
toegewezen, de man moet
maar zien waar hij
onderdak vindt. Ik heb
vaak meegemaakt dat de
man in de auto slaapt,
terwijl de vrouw het
huis en de kinderen
krijgt toegewezen. Ze
vraagt alimentatie. Je
stelt zelf de
omgangsregeling op zoals
het jou het beste
uitkomt. Behaaglijk rust
je vervolgens achterover
en dan is de man aan het
woord en die, ja, die
moet voor elke kleine
centimeter, om het zo
maar eens te zeggen,
strijden voor wat hij
wil hebben. Die vindt
wellicht de alimentatie
te hoog, die vindt de
omgangsregeling te
weinig ruim, die vindt
dat hij ook recht heeft
op het huis, je kunt er
praktisch zeker van zijn
dat je op alle punten
scoort.
........... De rechter
vraagt meestal ook de
rapportage van de raad
voor de
kinderbescherming....Waar
moet de rechter anders
enige waarde aan
hechten...?"
Presentator: "Gaat
daarmee de
kinderbescherming niet
een beetje op de stoel
van de rechter zitten?"
Adv.: "Ja, dat zou je
wel kunnen zeggen,
daarom zeg ik altijd
tegen de mannen die ik
hier heb, de vaders: als
de raad voor de
kinderbescherming komt,
weer dat pappen en nat
houden, probeer u zo
goed mogelijk te
presenteren, probeer zo
weinig mogelijk fanatiek
te zijn, probeer u zo
goed mogelijk uit te
drukken, het huis zo
goed mogelijk in orde te
hebben, het kind zo goed
mogelijk te verzorgen,
gewoon om een goede
indruk te maken, want
die rapportage is
doorslaggevend."
Een rechter:".....dat er
een wet moet komen dat
het een strafbaar feit
zou worden....een extra
mogelijkheid naast
dwangsom en
gijzeling..."
Advocaat: "Ik ken zoveel
vrouwen die zo'n
ontzettende haat hebben,
dat als ik dat wetboek
van strafrecht erbij pak
en ze dat onder de neus
duw, dat ik dan meer
indruk maak dan wanneer
ik een verhaal ophang
van het kind heeft recht
op zijn vader...Dan
krijg je iets op je
strafblad, dat is voor
je eigen leven ook een
belasting."
Presentator: "Kan het in
het belang van het kind
zijn, bijvoorbeeld als
je kijkt naar de rust
voor een kind, dat het
papa dan maar niet meer
ziet?"
Advocaat: "Ja, ja,...
dat is dan heel triest
voor de man, als het
zover moet komen...
Op een gegeven moment
zeg ik dan ook vaak
tegen cliënten: probeer
uw aandacht op uw werk
te richten, of ga
sporten of probeer een
hobby erbij te krijgen,
het komt allemaal op de
lange termijn wellicht
op zijn pootjes terecht,
maar niet nu. U bent
teveel gefixeerd op dat
doel, omgang met dat
kind..." EINDE
UITZENDING.
EINDE EERSTE BEDRIJF.
DISCUSSIE
Vraag aan de zaal: Hoe
zou u het hoger beroep
aanpakken?
Vraag 2: De raad heeft
nu als norm: in alle
zaken van omgang en
gezag eerst verplichte
bemiddeling, pas daarna
de rechter, voorzover
nog nodig. (Zie
"Meerjaren Beleidsplan
Raden kinderbescherming
2001") Het voor justitie
gedane onderzoek van
Chin A Fat concludeert
overeenkomstig. Het is
de bedoeling dat dit wet
wordt. Wat vindt u
hiervan?
Ik dank u voor uw
luisteren. Ik zal nu
graag luisteren naar uw
discussie. A Bientôt!
HET PRIVATE DOMEIN 2 EEN
NIEUWE AANPAK IN
KINDERZAKEN
(Sheet 8:)
- HET HOGER BEROEP IN DE
ZAAK PAULUS
- De man kiest een
advocaat met kennis van
zaken, een
familierecht-advocaat,
en gaat in hoger beroep.
- Ik maak een expertise
en toets het
raadsrapport aan de
psychologie van het
scheidingsproces, de
psychologie van het kind
en aan de wet. De
expertise kraakt het
rapport onder het acht
keer herhaalde motto:
Moeders wil is wet. Het
Alzheimervonnis kraakt
mee. Ik adviseer
verplichte bemiddeling
wegens het non-adieu en
tot herstel van de
scheidingsmelding.
- De advocaat van de man
verzoekt het hof een
combinatie van primaire
en subsidiaire
mogelijkheden tot: 1.
verblijfplaats bij
vader, loyale omgang
voor moeder; 2.
onmiddellijke omgang,
desnoods met de sterke
arm; 3. verplichte
bemiddeling 4.
aanhouding van de zaak
in afwachting van het
resultaat van de
bemiddeling.
- De advocaat van de
vrouw maakt gebruik van
alle
vertragingsmogelijkheden
en zet ondertussen de
vrouw aan tot aangifte
van mishandeling van de
vrouw, te beginnen op
een datum voor het
huwelijk in 1978. De
vrouw verklaart in het
proces-verbaal dat zij
dit doet om omgang te
voorkomen. De klacht als
wapen.
- Het Hof bepaalt
tenslotte begin juli
2001 een datum, maar de
advocaat van de vrouw
stelt dat zij dan op
vacantie is, waardoor
het kort geding
tenslotte eind augustus
2001 dient, dat is één
jaar en zes maanden na
aanvang kort geding.
- "Pappen-en-nathouden"
heet deze strategie.
(Pikante bijzonderheid:
op de aanvankelijk
vastgestelde datum in
juli bleek de advocaat
op het uur van de
zitting gewoon op
kantoor te zijn.)
De procedure dient in
het belang van het kind
te zijn, maar de
advocaat vecht voor de
wens van de cliënt, dat
is: zoveel of zo weinig
mogelijk omgang tussen
ouder en kind.
(SHEET 10: MENSELIJK
PROCES -ZAKELIJK PROCES-
JURIDISCH PROCES)
De bedoeling is dat het
zakelijk en juridisch
proces afgestemd worden
op het menselijk proces
van scheiden.
Vanuit het menselijk
proces van scheiden
gezien, hebben de
cliënten en het kind
belang bij een voltooide
scheidingsmelding, een
stevig adieu alvorens
het zakelijk en
juridisch
scheidingsproces kan
beginnen. In de
bemiddeling is dat goed
te doen. Het primaat van
de overeenkomst of de
schikking in der minne
is geregeld in de
gedragscode; het daaruit
volgend primaat van de
bemiddeling is niet
geregeld, zelfs niet in
scheidingszaken, waar
het voor de hand ligt.
Het primaat van de
overeenkomst is nog
steeds niet geregeld in
de wet. Wel in de
Gedragscode die aan de
minnelijke schikking
voorrang geeft. De
mediation is ontstaan
uit een proces-theorie
met als beginsel: stem
het zakelijk en
juridisch proces af op
het menselijk proces van
scheiden. Zonder die
afstemming verergeren we
de emoties. Er worden
procedures opgezet om
conflicten te
beslechten, waardoor
weer procedures worden
opgezet, waaruit
conflicten ontstaan.
Door afstemming van het
juridisch proces op het
menselijk of relationeel
proces van scheiden
geven we de
justitiabelen hun eigen
verantwoordelijkheid
terug.
DE OORZAAK: HET
NON-ADIEU (Sheet 2:
RELATIONEEL PROCES)
De oorzaak van
frustratie van omgang of
contact door een van de
ouders was in alle
gevallen die ik
onderzocht: het
non-adieu, dat is een
gebrek in het
afscheidsgesprek
tengevolge van een
gebrek aan
scheidingsmelding,
waardoor onverwerkte
scheidingsemoties bij de
ex-partners ontstaan. In
de meer dan duizend
bemiddelingen, waarin de
scheidingsmelding aan de
orde kwam, slaagde het
paraplugesprek van de
ouders met de kinderen.
In het laatste jaar
constateerden we een
gunstige verandering in
de rechtspraktijk: de
rechter hield zo'n
procedure over het kind
aan om te verwijzen naar
de bemiddelaar. Het
hoofdkantoor van de raad
heeft mij verzekerd dat
dit ook de instructie is
aan de raden. Als de
bemiddeling tegelijk met
de omgang plaats vindt,
is dat een goede
oplossing. Het is niet
raadzaam de omgang
afhankelijk stellen van
de bemiddeling.
Integendeel: de rechter
moet de norm stellen.
Bemiddeling had geen
zin, toen een rechter
partijen naar een
communicatie-psycholoog
stuurde met de
mededeling dat de omgang
kon beginnen als "de"
communicatie hersteld
was. Het was voor de
omgang-frustrerende
partij niet moeilijk de
bemiddeling stuk te
laten lopen en daarmee
de omgang.
(sheet 13:)
DE ZAAK PAULUS. ZITTING
EN UITSPRAAK
- Het Hof luisterde
aandachtig. De
raadsvrouwe van de man
richtte zich op de
aangifte van
mishandelingen sinds
1978. De advocaat van de
man verwees het proces
verbaal van aangifte in
keurige bewoordingen
naar de prullenmand. Hij
wees in dit verband op
het
communicatie-mechanisme
van dwingers en
terugtrekkers. Hij
attendeerde het Hof op
de mogelijkheid van
Begeleide Omgang door de
Raad en de noodzaak van
een gekwalificeerde
bemiddelaar. Hij vroeg
of het gerucht juist was
dat de vrouw met kind
verhuisd was.
- De advocaat van de
vrouw zei dat de vrouw
en het kind thans over
de grens in Duitsland
woont, maar dat het kind
domicilie had te haren
kantore. Door een van de
raadsheren werd
doorgevraagd; de
advocaat van de vrouw
zei dat een
raadsmedewerker haar
toestemming gegeven had
voor de verhuizing naar
Duitsland.
- De vertegenwoordiger
van de raad zei dat,
indien dit juist was, de
raadsmedewerker haar
boekje te buiten was
gegaan.
- Het hof bleek uit zijn
vraagstelling het recht
op contact tussen vader
en zoon zeer ernstig te
nemen.
- Dat bleek ook uit het
arrest van september
2001.In de strenge
beoordeling in het
arrest werd de vrouw met
ernstige maatregelen
bedreigd, zoals verlies
van het gezag, indien
zij de omgang langer zou
frustreren. Het dictum
luidde: Onmiddellijke
omgang, de eerste malen
met medewerking van het
BOR van de raad.
Gelijktijdige
bemiddeling door de
raad.
In het arrest werd nog
de door de vrouw
opgegeven woonplaats in
Nederland genoemd.
GEVOLGEN VAN HET ARREST
tot op heden 14 november
2001:
- De man zat er bij de
raad achter heen om zijn
kind te zien. Totnutoe
is er geen omgang noch
afspraak daartoe.
- De raad had, naar
eigen zeggen, het arrest
op 26 october nog niet
ontvangen. De man
stuurde onmiddellijk het
arrest naar de raad. De
raad had geen adres van
het kind. De vrouw had
geen advocate meer.
Volgens de raad werkt
het BOR alleen als
moeder ook meewerkt. De
raad zei alleen te
werken binnen de
Nederlandse grenzen.
Vraag aan de zaal: Wat
is uw beoordeling van
het arrest? Hoe staat
het met de rechtsmacht?
Wat kan de man of de
advocaat van de man nu
doen?
(Sheet 14:) SITUATIE EN
MOTIEVEN VAN DE
OUDERVERSTOTER
Wat bewoog moeder tot
haar extreme
ontouderingsprogrammering
en de enorme hoeveelheid
energie en geld die zij
daarin stak. Zeker, het
verstoorde
scheidngsproces, de
afwezigheid van het
adieu. Maar ook daar
waren oorzaken voor. Het
is van groot belang om
daar meer van te weten
en de aandacht van de
rechter daarop te
concentreren.
Ouderverstoting is een
ernstige vorm van
psychische
kindermishandeling. Wat
zijn de motieven van de
dader? Wat dreef deze
moeder daartoe? Wat
dreef haar zo kort na de
geboorte van Paulus het
huis te verlaten zonder
iets te zeggen?
De moeder van Paulus,
daar had die kliniek
gelijk in, is een
afhankelijke vrouw. Na
de geboorte ontfermde de
oudste zus van de man
zich al gauw over het
kind. Zij was
kinderloos. Zij kwam
vaak op bezoek bij de
ouders van Paulus en
ging zo met het kind om
dat man en vrouw tegen
elkaar zeiden: ze doet
alsof het haar eigen
kind is. Ook de moeder
van de vrouw (oma) vond
een levensvervulling in
de baby. Zij had de man
van haar dochter altijd
op handen gedragen, maar
na de komst van de baby
veranderde dat. De beide
vrouwen gingen moeder
adviseren te scheiden.
Zij was altijd
afhankelijk van haar
moeder geweest. Toen
moeder naar de kliniek
ging, ging Paulus naar
de oudste zus en de
grootmoeder. De vader
had een vooraanstaande
positie in de
gezondheidszorg. Die was
aan het fuseren. Hij was
er niet op bedacht dat
de beide vrouwen een
plan uitvoerden. De
moeder van Paulus had
door toedoen van haar
man een full time
betrekking; vijf dagen
bleef het kind bij
grootmoeder en/of oudste
zus. De man vertrouwde
hen. Hij probeerde zijn
vrouw terug te krijgen,
maar zij wenste niet met
hem te spreken. Of mocht
zij niet met mem
spreken? Zij zocht hem
wel op, als oma het niet
wist. De oudste zus
zorgde ervoor dat de man
de helft van zijn
vermogen stortte op de
rekening van de vrouw.
"Als hij haar terug
wilde, moest hij nu
royaal zijn." Maar het
hielp niet. Steeds
duidelijker waren de
kaarten geschud. De man
haalde het kind geregeld
op bij oma. Volgens de
omgangsregeling. Totdat
oma daar bezwaar tegen
maakte. Het ophalen
moest anders. Even later
zette moeder (moeder?)
de omgang stop. Nog wat
later verzon moeder de
mishandelingen. Dat had
ze in de kliniek, in
feite een
blijf-van-mijn-lijf-huis,
gehoord. Daarvan
vertelde ze aan oma en
de oudste zus. De man
kan niet geloven dat
zijn vrouw dat verzon.
Hij is er nog steeds
zeker van dat de twee
vrouwen erachter zitten.
Moeder rijdt wel eens
langs zijn huis. Ik heb
hem gevraagd wat hij zou
doen, als de vrouw voor
de deur staat en hem
zegt terug te komen.
"Dan is ze meteen
welkom." Natuurlijk mag
ze van oma niet aan een
tafel met hem. Het was
Oma die op weg naar de
raad moeder deed
terugkeren. Oma heeft
haar levensvervulling in
Paulus gevonden. De
dochter zit vijf dagen
op kantoor. Moeder heeft
een nieuwe vriend. Een
afhankelijke vrouw,
gesteund door twee
vrouwen en haar vriend.
Daar kan geen man, geen
wet, geen verdrag, geen
rechter, geen hogere
rechter tegen op. Let
maar op.
(sheet 15:)
VERPLICHTE BEMIDDELING
In een zaak die ik
kortgeleden voor een
door de rechter
verplichte bemiddeling
kreeg, was drie jaar om
omgang gevochten voor
rechtbank en hof.
Vader en moeder hebben
beiden het gezag over
een jongen van veertien
en een meisje van tien.
Zij verblijven bij
moeder. Er is drieën een
half jaar geprocedeerd
over de omgang met hun
vader, twee keer de
rechtbank, voor de
tweede keer het Hof, dan
beslist het Hof:
bemiddeling en omgang,
te regelen tijdens de
bemiddeling.
De eerste keer komt de
vrouw niet opdagen. De
vrouw had ook bij de
raad het onderzoek twee
maanden opgehouden door
niet te verschijnen. Ik
voer een goed gesprek
met haar advocaat, wijs
hem erop dat ik als
bemiddelaar in foro
verslag aan de rechter
moet uitbrengen. Er
wordt een nieuwe
afspraak gemaakt.
Tijdens het heen en weer
gebel naar de vrouw en
beide advocaten vertelt
de man dat de jongen hem
geregeld opzoekt en hij
hem ziet op het
voetbalveld zonder dat
zijn moeder het weet. Ik
verzoek de man de rest
in aanwezigheid van zijn
vrouw te vertellen.
Met zijn drieën aan
tafel zegt de man dat
zijn vrouw het
initiatief tot scheiden
had genomen, omdat zij
een advocaat had
ingeschakeld, maar de
vrouw zei dat hij het
initiatief nam.
De man: “Onzin, die
advocaat schreef mij dat
jij wilde scheiden. Ik
vond het
verschrikkelijk.”
De vrouw: “Ik nam die
advocaat, omdat ik
hoorde dat jij een ander
had.”
De bemiddelaar vraagt
wat ieder nu wil.
De man vertelt van hun
slechte huwelijk, dat
hij op een
zaterdagmiddag was
vertrokken, nadat hij
met de beide kinderen,
toen 11 en 7 jaar, was
gaan wandelen. Ze hadden
gezegd: “Wat ben je
stil?”
“Ik wil jullie wat
zeggen.” Het lukte hem
niet.
“Iets met mamma?” vroeg
het meisje. En toen
hadden de kinderen het
zelf gezegd: “Ga je weg
bij mama?” De kinderen
zeiden wat hij niet
durfde zeggen. Daarna
was hij vertrokken, nog
diezelfde middag.
De man snoot zijn neus.
De vrouw reageerde
woedend op zijn verhaal.
“Je was een week zo maar
weg. En ik moest het van
je advocaat horen.”
“Ik kon niet meer met je
praten.”
“Maar wel de jongens
beïnvloeden.”
“Ik wilde niet weggaan
zonder de kinderen...¼
“Maar wel zonder mij! Je
vrouw, weet je wel?”
Hij mompelt voor zich
uit.
Bemiddelaar: “Wat zegt
u?”
Zachtjes: “Ik wilde van
haar af.”
“Vertelt u het aan
mevrouw.”
Hij kijkt haar aan. Zij
hem.
“Vergeef me dat ik het
je niet eerder zei.”
“Wat?”
“Ik wil niet langer met
je. Ik wil niet...¼”.
Het adieu op zachte
toon.
De vrouw huilt. Ik haal
een glas water. De man
kijkt naar haar, poetst
neus en ogen, kijkt dan
naar mij. Ik leg mijn
vinger op mijn mond om
hem te zeggen dat hij nu
niets moet zeggen.
Na een korte
onderbreking zitten we
weer aan tafel. De vrouw
wil zich
verontschuldigen, ik
onderbreek haar en zeg:
“Iedere traan scheelt
een kilo agressie.”
Ze lacht, bet haar ogen.
Ik vraag: “Wilt u ook
van hem scheiden?”
“Nu wel.”
Ik introduceer het
paraplugesprek en dus
ook de omgang.
Ze denken terug aan de
procedure, de strijd.
“Het was een
verschrikkelijke tijd”,
vinden ze beiden.
Ik informeer hun over de
normen, de wet.
(Sheet 16:) HET
PARAPLUGESPREK
Ze spreken het
paraplugesprek af;
beiden willen dat zo
spoedig mogelijk. Ze
zullen in elkaars
aanwezigheid aan de
kinderen zeggen dat ze
goed contact met de
ander moeten
onderhouden. “Ik zal
zeggen dat ze een goede
moeder is”, verbetert de
man. Man en vrouw
ondertekenen een
omgangsovereenkomst.
De bemiddeling heeft
drie uur geduurd.
De vrouw belt mij na
enkele dagen enthousiast
op. Het paraplugesprek
had plaatsgevonden. Haar
man is veranderd, zegt
ze. “Onherkenbaar. Een
prima vader.”
De man belt een dag
later, tevreden, en
besluit: “Drie jaar
procederen wat in drie
uur kan. Een ton in het
water gegooid.”
Ik breng schriftelijk
verslag uit aan beide
advocaten en besluit:
“Een en ander is dus
geheel volgens het EVRM
en onze wetgeving
geregeld.”
Na drie uur bemiddelen,
eerst dus de
scheidingsmeldingsoperatie
en dan de omgang, was er
een omgangsovereenkomst
en werd door de ouders
het "paraplugesprek met
de kinderen" in volle
overeenstemming gevoerd.
(Voor het paraplugesprek
zie: "Handboek
Scheidingsbemiddeling"
of "Gelukkig Getrouwd,
Gelukkig gescheiden"**)
In andere zaken met door
de rechter opgelegde
bemiddeling kwam de
omgang ook meteen tot
stand, maar waren meer
bemiddelingszittingen
nodig om de strijdbijl
te begraven.
HOE VOORKOMEN WE
PROCEDURES OVER KINDEREN
NA ECHTSCHEIDING? ZIJN
ZULKE PROCEDURES NOG
NODIG? HEBBEN ZIJ ENIG
NUT?
Advies aan wetgever,
rechter en Orde van
advocaten: barrières
opwerpen tegen
twee-advocaten-procedures
in het algemeen en in
het bijzonder over
kinderen (zie stellingen
42 en 43 in genoemd
Handboek*). Hierbij kan
aangesloten worden aan
de Beleidsbrief van de
Staatssecretaris van
Justitie in 1997 aan de
Tweede Kamer, waarin zij
schrijft dat scheidende
mensen primair zelf
verantwoordelijk zijn
voor de rechtsgevolgen
van hun scheiding.
D.w.z. dat zij tot
overeenkomsten
dienaangaande moeten
komen, desgewenst met
een bemiddelaar. De
aanbeveling van de
Staatssecretaris leidt
tot het primaat van de
overeenkomst en, daarvan
afgeleid, het primaat
van de bemiddeling. Wat
let de wetgever om geen
eenzijdige verzoeken tot
echtscheiding of
aanverwante procedures
toe te staan zonder
daaraan voorafgaand
gebleken serieuze
pogingen om tot
overeenkomsten te komen,
al of niet met behulp
van een bemiddelaar? Wat
let de rechter om
eenzijdige verzoeken en
dagvaardingen naar de
bemiddelaar te
verwijzen?
Zeker in kinderzaken is
verplichte bemiddeling
noodzakelijk, want de
juridische processen
functioneren als
exercitievelden van
vechtende ouders die in
strijd zijn met het
belang en de
ontwikkeling van het
kind. Het is niet goed
in een oorlog groot te
worden. Het kind dient
beschermd te worden
tegen zulke
respectvernietigende,
tijdrovende, de
kinderleeftijd en het
kinderlijk tijdbesef
verre overschijdende,
geldverslindende en
kindermishandelende
procedures, waarvoor de
overheid, in casu de
wetgever, de wapens
levert en waaraan de
Nederlandse Orde van
Advocaten geen grenzen
stelt. (Ik bundel hier
de bezwaren van de
voorzitter van uw
vereniging met die van
mij. Het is een
duivelslitanie die nog
langer en pejoratiever
kan worden gemaakt.)
Alleen reeds de
tijdsduur nodig om de
rapporten van de raad
voor de
kinderbescherming te
maken, is in strijd met
het kinderlijk
tijdsbesef en ontzet
kinderlevens.
Als de rapporteur niet
met beide ouders aan één
tafel gaat zitten (het
uitgangspunt trouwens
van gezamenlijk gezag en
samen ouder zijn),
krijgen de ouders de
kans in termen van
verwijten over elkaar te
praten, arrangeert zich
in het rapport al gauw
een soort schuld aan
scheiden, uitmondend in
de oude vraag uit het
alles-of-niets-stelsel:
"wie de beste of de
slechtste ouder is".
Door al die herhaalde
scheidingsverwijten
komen de
scheidingsemoties in een
vals en disfunctioneel
perspectief te staan en
gaan sommige rapporten
meer op gesubsidiëerde
roddel lijken dan op
serieuze forensische
rapportage Pro Justitia.
Wat een onderzoek naar
de psychologie van het
scheidingsproces had
moeten zijn, verwordt
tot buurvrouwen-roddel.
Zo'n onderzoek mist
relevantie.
Het recht op privacy
Hier rijst ook een
juridische vraag die ik
aan uw onderzoek en
praktijk aanbeveel: mag
de overheid in een
civielrechtelijke zaak
van gezag en omgang het
ouderlijk gezag zodanig
onderzoeken met het oog
op feitelijke
uitschakeling van één
ouder? Wat tijdens
huwelijk niet mag, mag
ook niet na scheiding,
want datzelfde ouderlijk
gezag loopt bij
echtscheiding door. Is
zo'n onderzoek in strijd
met een ander
mensenrecht, nl. het
privacy-beginsel,
neergelegd in art. 8
EVRM.
De onderzoeken van de
raad in scheidingszaken
naar de relaties stammen
uit een tijd dat het
Europees Verdrag van de
Rechten voor de Mens
niet bestond en de raad
nog moest uitzoeken "wie
de beste ouder was."
Onder het Verdrag en de
huidige wet worden beide
ouders na scheiding even
verantwoordelijk geacht
als tijdens huwelijk,
onafhankelijk van hun
aard of karakter. Zowel
vanuit justitie als
vanuit de hulpverlening
wordt thans, in het
bijzonder in zaken van
gezag en omgang, te
weinig een beroep gedaan
op de ouderlijke
verantwoordelijkheid.
"Hoe durft u, ouder, in
plaats van uw kind te
plaatsen onder de
paraplu van uw
gezamenlijke
verantwoordelijkheid,
een potje te gaan
vechten in ruziënde
procedures waar uw
kinderen onder lijden?"
Onlangs is tegen Fora,
een door de raad
ingeschakeld
rapportage-orgaan, een
procedure aangevangen,
omdat vader als narcist
omschreven was.
Klachtgever kreeg gelijk
van het tuchtcollege,
omdat de kwalificatie
niet onderbouwd zou
zijn. Daarenboven, lijkt
me, rijst de vraag of
zulke kwalificaties niet
in strijd zijn met het
recht op privacy van
artikel 8 EVRM. Kinderen
hebben recht op contact
met hun ouders, ook als
deze narcistisch,
neurotisch, borderline
of gestoord zouden zijn.
Deze kwalificaties zijn
dan ook in beginsel niet
relevant in een rapport
in foro. De kwaliteit
van het ouderschap valt
tijdens huwelijk en na
scheiding onder het
recht op privacy van het
gezin en is in het kader
van een
privaatrechtelijke
regeling in beginsel
niet ter beoordeling van
de overheid. Tenzij een
kinderbeschermende
maatregel nodig zou
zijn, maar daarmee
verlaten we het
privaatrechtelijke
domein van de
echtscheiding. De
overgang van kinderrecht
naar
kinderbeschermingsrecht
dient niet lichtvaardig
te worden genomen. Het
gaat bij gezag en omgang
immers om private
rechten van kinderen en
ouders op contact met
elkaar, niet om
kinderbeschermingsrecht.
Rechten van kinderen en
ouders, zoals neergelegd
in het omgangs- en
gezagrecht, behoren tot
het privaatrecht; de
verantwoordelijkheid van
de ouders en de rechten
van kinderen op hun
ouders blijven onverlet.
Juist vanwege de eigen
rechten van kinderen zou
in zaken van gezag en
omgang veel meer gebruik
gemaakt kunnen worden
van (SHEET 17:) het
instituut van de
bijzonder curator, zodat
het belang van het kind
op de zitting
rechtstreeks wordt
vertegenwoordigd,
bijvoorbeeld als de
rechter de
verblijfplaats moet
bepalen.
In het kinderrecht
blijven de eigen
verantwoordelijkheid van
ouders en kinderen
onverminderd in stand.
Kinderbeschermingsrecht
heeft een
publiekrechtelijk
karakter. Via
kinderbeschermingsmaatregelen
als
ondertoezichtstelling,
voorlopige
toevertrouwing,
ontheffing en ontzetting
neemt de overheid de
verantwoordelijkheid van
de ouders geheel of
gedeeltelijk over.
Ondertoezichtstelling
is, gezien het
onvermogen van de
hulpverlening, meestal
contra-geïndiceerd.
Sinds op echtscheiding
geen taboe meer rust,
sinds de schuld aan
scheiden geen reden meer
is om iemand het gezag
te onthouden (dat was
ongeveer een eeuw
geleden zo), sinds het
alles-of-niets-stelsel
van voogdij en toeziende
voogdij is verdwenen, is
echtscheiding geen
signaal om kinderen te
beschermen, tenzij bij
kans op ouderverstoting
of een andere vorm van
bewezen
kindermishandeling.
Bewezen
kindermishandeling, want
in de hitte van de
scheidingsemotie wordt
incest al gauw een
rituele klacht. De
klacht als wapen.**** In
deze gevallen zal het
verstandig zijn eerst de
scheidingsmelding te
controleren en te
behandelen, omdat het
non-adieu de onverwerkte
scheidingen en de
omgangsfrustratie
veroorzaakt. Kortom, als
de ouderrol bij een
ouder ondergeschikt
wordt aan de
ex-partner-emoties,
waardoor frustratie van
contact door de
verzorgende ouder het
gevolg is, kan de
rechter, zonder enig
rapport, op de eerste
zitting paradoxale
toewijzing van de
verblijfplaats
uitspreken ten gunste
van de ouder van wie
loyale omgang te
verwachten is. De Hoge
Raad laat wijziging van
de verblijfplaats als
nevenvoorziening toe (H.R.
15 december 2000,
Nederlandse
Jurisprudentie nr. 123,
2001). Maar het is bij
omgangsfrustratie door
de verzorgende ouder
meestal voldoende om de
wijziging aan de orde
stellen en de zaak ter
controle aan te houden,
meestal met bemiddeling.
Bemiddeling zal met oog
op de scheidingsmelding
en het paraplugesprek
doorgaans een weldaad
zijn voor man, vrouw en
kinderen en het
wederzijds respect van
de ouders kunnen
herstellen.
(Het kan ook zijn dat de
rechter, wat de
verblijfplaats van het
kind betreft, een
belangenafweging wil
maken en daarvoor een
onderzoek wenst naar de
feitelijke
beschikbaarheid en de
mogelijkheden van zorg.
Dit is geen
privacy-onderzoek naar
psychische stoornissen
van ouders, maar naar
zorgfuncties van ouders.
Zo'n onderzoek kan,
voorzover het al niet op
de zitting zelf
plaatsvindt, binnen
enkele weken
plaatsvinden. (Zie het
zorgmodel van Van
Leuven.****)
Nu volgt een zaak die ik
recent na aanhouding ter
bemiddeling kreeg en die
niet zo vlot liep als de
hierboven geschetste.
Man en vrouw hadden
beiden het gezag over
twee jongetjes. Man en
vrouw hadden
tweeëneenhalf jaar fel
geprocedeerd. Moeder
stond geen omgang toe.
De raad steunde haar
verbod teneinde de
verzorgende moeder en de
zaak tot 'rust' te
brengen. De vrouw had
een groter talent om met
de autoriteit van de
raad om te gaan dan de
man. De raad vond "dat
de man niet meewerkte".
(Nogal wiedes, want hij
kreeg zijn kinderen niet
te zien.) De man diende
een klacht in tegen de
raad en won deze. De
zaak werd aan een andere
vestiging overgedragen.
Deze rapporteur
adviseerde wijziging van
de verblijfplaats,
aangezien moeder niet
wenste mee te werken aan
de omgang. De advocaat
van de man vroeg tevens
om bemiddeling. De
rechter stond dat toe en
hield de zaak aan.
Aan de bemiddelingstafel
bleek dat er geen
afscheidsgesprek was
geweest. De vrouw was
met de kinderen abrupt
vertrokken. De man had
haar en de kinderen
wekenlang vergeefs
gezocht. Kortom, een
agressie-escalerend
non-adieu. De procedures
hadden de rest gedaan.
Man en vrouw kijken
elkaar aan de
bemiddelingstafel het
eerste half uur niet
aan, terwijl zij over
elkaars 'leugens'voor de
rechter spraken. De man
geeft paradoxale
boodschappen af: 'Ik kan
je vermoorden. Mijn
kinderen! Twee maanden
hield je ze van me weg!'
En even later: 'Wil je
met de kinderen weer bij
me komen wonen?'
Ze schudt van nee.
Bemiddelaar: 'Weest u
eens duidelijk,
mevrouw.'
Ze praat moeilijk,
klagend. 'Ik wil niet
meer. Niet meer met
jou.'
De man luistert. Ze
kijkt hem aan, draait
dan weer weg.
'Ik geloof het niet',
zegt de man.
'Wilt u haar terug?'
vraag ik hem.
Fel zegt hij: 'Nooit
meer. Nu niet meer. Na
al die leugens voor de
rechter. Comedie van jou
en je advocaat.'
Bemiddelaar: 'Hoort u,
mevrouw, dat hij van u
af wil?'
'Ik geloof hem niet',
zegt de vrouw.
Het is voor de
bemiddelaar duidelijk
dat de scheidingsmelding
volgende keer weer moet
gebeuren. Wat ze melden
refereert niet aan hun
relatie, maar aan de
rechtzittingen. Het
non-adieu en de
vervreemdende procedures
hebben wonden geslagen,
de wonden zijn gekorst,
ze zijn niet meer gewend
gewoon te zeggen wat ze
vinden, het adieu zit
verborgen, verstopt. Ze
zijn gewend aan de
machtsstrijd en nog niet
aan de gezamenlijke
voordelen van
bemiddeling. Ze praten
niet over hun relatie,
maar over de pijn van
het non-adieu en van de
laatste twee jaren.
Ik stel de omgang aan de
orde. Leg de normen uit,
de wet en de beslissing
van de rechter conform
de wet. We maken een
voorlopige regeling, een
royale omgang, tot en
met de volgende
bemiddeling. De volgende
bemiddeling worden
omgang en overdracht
geëvalueerd. De
scheidingsmelding blijft
nog lange tijd verstopt.
Het forensisch kader met
daarin de dreiging van
wijziging van de
verblijfplaats bracht de
vrouw aan de
bemiddelingstafel en tot
medewerking aan het
gesprek. Maar de
strijdhouding
overheerste wederzijds
aanvankelijk de
bemiddeling. De
bemiddeling ging hier op
den duur ook werken als
begeleiding en evaluatie
van omgang en
overdracht. Doel blijft
natuurlijk een
collegiale
gezagssamenwerking, te
beginnen met een goed
paraplugesprek met de
kinderen.
Voor mij opvallend was
dat de informatie over
de normen voor gezag en
omgang voor de vrouw
nieuw waren. Erger, ze
zat op een normatief
dwaalspoor (het oude
karrepad van het
alles-of-niets-stelsel)
en dat sloot aan bij de
emoties van de
onverwerkte scheiding,
het non-adieu. Zonder
handhaving van de
wettelijke normen staan
bemiddeling, therapie en
onderzoeken, maar vooral
de kinderen, in de kou.
Recht en psychologie,
normen en emoties, zijn
in deze zaken schering
en inslag geweven,
dienen in ieder geval
schering en inslag
geweven te zijn.
PARADOXALE TOEWIJZING
Ik kan waardering
opbrengen voor degenen
die geen harde sancties
willen tegen frustratie
van omgang, maar zo'n
frustratie is wel in
strijd met een
welomschreven
mensenrecht in wet en
Verdrag en met de
rechten en belangen van
kinderen. Gefrustreerde
omgang kan kinderen ook
voor hun leven
gehandicapt maken. In de
eerste druk van mijn
Handboek* zult u voor
zulke gevallen
aantreffen de paradoxale
gezagstoewijzing: wie
niet loyaal staat
tegenover een royale
omgang, wordt het gezag
ontnomen ten gunste van
de ouder die wel royale
omgang toestaat. Hij of
zij staat een goed
functioneren van het
gezamenlijk gezag in de
weg en levert een
onaanvaardbaar risico op
als mede-gezagsdrager.
Verlies van het
ouderlijk gezag in zo'n
geval is een uiterste
middel. In de tweede
druk laat ik daaraan
voorafgaan de paradoxale
toewijzing van de
verblijfplaats. Dat
heeft dezelfde gevolgen,
maar juridisch blijft
het gezamenlijk gezag
bestaan.
Op een symposium over
mediation vroeg een
rechter hoe dat kon, als
de omgangsloyale ouder
niet voor het verblijf
van het kind kon zorgen.
Het antwoord is:
juridisch gaat het niet
om het feitelijk
verblijven, maar om de
vraag wie heeft "de
macht over de
verblijfplaats". Dit
middel zal in de meeste
gevallen voldoende
ruimte bieden om de
contacten tussen ouder
en kind te herstellen,
al of niet via daaraan
gepaard gaande
bemiddeling. Pas als dat
niet voldoende zou zijn
voor herstel van het
contact, komt de
eenhoofdige
gezagstoewijzing aan de
orde ten gunste van de
ouder die loyale omgang
bevordert. Maar zover
zal het doorgaans niet
komen, constateerde ik
reeds in de praktijk.
Uiteraard zal de rechter
tevens naar bemiddeling
verwijzen om de
scheidingsmeldingsinteractie
te doen plaatsvinden,
waardoor de verstopte
scheidingsverwerking,
die de procedure
veroorzaakte, alsnog
wordt gedéblokkeerd.
Tegen verplichting van
zo'n bemiddeling bestaat
evenmin bezwaar als
tegen verplichte
inenting, een bezoek aan
de tandarts of een
noodzakelijke blinde
darmoperatie. Gaat u bij
pijn van uw kind
vrijwillig naar de
tandarts? Spinoza geeft
het antwoord. Vrijheid
is erkenning van de
noodzaak.
Een vijfpuntige ster
Zo kan de advocaat in de
vele gevallen waarin de
omgang gefrustreerd
wordt door een ouder, de
rechter op goede gronden
een vijfpuntige ster
(SHEET 18) vragen, te
weten: 1. onmiddellijke
omgang 2. wijziging van
verblijfplaats, cq. van
gezag; 3. verplichte
bemiddeling. 4. Een en
ander met aanhouding van
de zaak, zulks ter
controle van de omgang,
cq. de
verblijfplaatswijziging.
5. de sterke arm.
De sterke arm
Wanneer gevreesd mag
worden dat omgang of
verblijfplaatswijziging,
ondanks de rechterlijke
uitspraak, gefrustreerd
wordt, voegt men daaraan
toe: desnoods met de
sterke arm. In plaatsen
waar de politie ontwend
is gevolg te geven aan
familierechterlijke
beschikkingen kan de
advocaat een en ander
met de politie
bespreken. We denken het
recht teneinde toe. De
sterke arm is het
sluitstuk van de
rechtstaat. Maar dat
behoef ik juristen niet
uit te leggen.
Peter Hoefnagels,
emeritus hoogleraar
familierecht en
scheidingsbemiddelaar.
Oud-lid van de Eerste
Kamer.
Literatuur:
* G.P.Hoefnagels:
"Handboek
Scheidingsbemiddeling.
Mediation als methode
van recht en
psychologie". Tweede
druk. Tjeenk Willink,
Deventer 2001.
* G.P.Hoefnagels:
"Gelukkig Getrouwd
Gelukkig Gescheiden.
Bemiddeling en
overeenkomst bij trouwen
en scheiden."
(publieksuitgave) 5e
druk. L.J.Veen,
Amsterdam 2001.
**In dezelfde geest: P.
Vlaardingerbroek:
Omgangsrecht. Een lezing
over omgangsrecht en
zijn juridische (on)mogelijkheden,
aan de KUB te Tilburg op
14 maart 2000.
***Richard Gardner: The
Parental Alienation
Syndrome. A Guide for
Mental health and Legal
professionals. Second
Edition, Creskill, New
Yersey, U.S.A. 1998.
C, van Leuven. Het
gezamenlijk Gezag na
scheiding.
EchtscheidingBulletin
1998. C.van Leuven: De
klacht als wapen.
EchtscheidingBulletin
december 2001.
Vaders doen er niet
toe, kinderen zijn
de dupe:
De macht van moeders
is grenzeloos.
NRC Handelsblad 20
december 2003 Pagina
17 Opinie & Debat
Prof. dr. mr. Dorien
Pessers
Vrouwen beslissen
van wie ze kinderen
willen krijgen en of
ze nog iets met de
verwekker te maken
willen hebben. Het
doorgeschoten
familierecht richt
zich niet meer op
gezinnen maar op
individuen, ten
koste van vaders en
vooral kinderen.
In
het familierecht van
veel Europese landen
hebben zich in de
afgelopen
vijfentwintig jaar
revolutionaire
veranderingen
voltrokken. Niet het
klassieke
heteroseksuele gezin
is nog de hoeksteen
van het
familierecht, maar
het individu dat
naar eigen seksuele
en morele voorkeur
bepaalt of en hoe
het een gezin zal
stichten:
heteroseksueel of
homoseksueel,
biologisch of
kunstmatig,
tijdelijk of
duurzaam. Door de
opmerkelijke
snelheid van de
veranderingen
ontstaat de indruk
dat er van
maatschappelijke
consensus sprake
was. Die indruk is
onjuist. Het was
vooral - in de
woorden van de
Franse sociologe
Evelyne Sullerot -
de
,,bulldozergeneratie
van `68'' die,
eenmaal aan de
macht, deze
veranderingen wist
af te dwingen. Deze
generatie gaf blijk
van een aversie
tegen het
traditionele gezin,
dat onderdrukkend
voor vrouwen en
kinderen,
reactionair en
`systeembevestigend'
werd gevonden. Niet
het verschil, maar
de gelijkheid tussen
de seksen zou
uitgangspunt van het
familierecht moeten
worden. Niet
institutionele
dwang, maar
persoonlijke
keuzevrijheid, niet
onmondigheid, maar
mondigheid van
kinderen.
Persoonlijke,
seksuele en
relationele
zelfbeschikking
werden de nieuwe
beginselen van het
familierecht.
In
Nederland vond de
ik-generatie vooral
in D66 een politieke
partij die van
individuele
zelfbeschikking haar
pointe d'honneur
maakte. Buiten het
parlement was het de
rechterlijke macht
die voor de
`doorbraakjurisprudentie'
zorgde. Het
rechtspolitiek
activisme ging
gepaard met dédain
voor degenen die
zich op het
traditionele, op
bloedverwantschap
gebaseerde, gezin
beriepen. Niet de
bloedband, maar
liefde en
verantwoordelijkheid
maakten iemand tot
ouder. Ook mocht
nauwelijks worden
gewezen op het
belang van vaders
voor de socialisatie
van kinderen; dat
zou een verkapt
pleidooi voor
herstel van het
patriarchale gezin
inhouden. Hetzelfde
gold voor het belang
van het kind: ook
dat werd als een
heimelijk
reactionair argument
afgedaan. Zelfs een
beroep op het belang
van het gezin als
zodanig werd als not
done beschouwd.
Kortom, elk belang
dat het individu in
zijn vrijheid zou
beperken, werd als
niet terzake doende
van tafel geveegd.
Aldus werd het
familierecht
gedemonteerd en
aangepast aan de
verlangens van
seksuele en
relationele
zelfbeschikkers. Van
de
institutionaliserende
en symboliserende
functie van het
familierecht is
weinig over. Steeds
meer lijkt het
familierecht op een
gereedschapskist
waarmee burgers -
mede dankzij de
medische
biotechnologie - hun
eigen
verwantschapsrelaties
en stambomen in
elkaar kunnen
knutselen.
Tot
een jaar of
vijfentwintig
geleden was de kern
van het familierecht
het huwelijk.
Antropologisch
gezien een
buitengewoon
intelligent
instituut. Het
huwelijk smeedt
immers niet alleen,
via een horizontale
as, een man en vrouw
aaneen (en daarmee
twee families), maar
ook, via een
verticale
afstammingsas, de
generaties. Huwelijk
en afstamming hangen
dus onverbrekelijk
samen. Kinderen
worden vanaf hun
geboorte ingevoegd
in een duurzaam en
genealogisch verband
dat identiteit,
veiligheid en
zekerheid verschaft.
Dit genealogische
systeem is een
referentiesysteem,
dat het leven van
het kind in een -
zowel naar het
verleden als naar de
toekomst gericht -
tijdsperspectief
plaatst. Het bestaan
van het kind
verwijst naar het
leven van zijn
voorouders, zijn
ouders en naar zijn
eigen plaats in de
keten van
generaties.
In
het nieuwe
familierecht
ontbreekt de
aandacht voor dit
institutionele
karakter van het
huwelijk, dat zo
bevorderlijk is voor
de onvoorwaardelijke
invoeging van
kinderen, voor hun
identiteit en voor
de familiale
cohesie. Huwelijkse
en niet-huwelijkse
vormen van
ouderschap zijn
vrijwel aan elkaar
gelijk gesteld. Deze
juridische
gelijkwaardigheid
kan echter niet
verhullen dat grote
ongelijkheid tussen
mannen en vrouwen,
tussen vaders en
moeders, en tussen
kinderen is
ontstaan. Het is de
zelfbeschikkende
moeder die bepaalt
of en zo ja onder
welke voorwaarden
zij een man zal
toelaten tot het
vaderschap. Kiest
zij voor een vaste
relatie met een man
en staat zij toe dat
hij het kind erkent?
Of kiest zij voor
een one night stand
in de hoop dat
daaruit een kind zal
worden geboren?
Kiest zij voor een
relatie met een
vrouw met wie zij
door middel van
spermadonatie een
kind krijgt? Staat
zij toe dat haar
vriendin het kind
adopteert? Of kiest
zij ervoor alleen
een kind te krijgen,
van een anonieme
spermadonor, of van
een bekende
spermadonor, aan wie
zij nu en dan omgang
met het kind
toestaat? In het
nieuwe familierecht
lijkt de macht van
de ongehuwde moeder
grenzeloos.
Buiten het huwelijk
is er geen man die
vanzelfsprekend de
juridische vader
wordt over het kind
dat hij heeft
verwekt. Zelfs niet
nu dankzij
DNA-onderzoek het
biologische
vaderschap met
honderd procent
zekerheid is vast te
stellen. Sterker
nog, op hetzelfde
moment is sprake van
een bizarre
fragmentatie van het
vaderschap. Het
familierecht kent
inmiddels twaalf
categorieën vaders:
de biologische, de
sociale, de
juridische vader; de
stiefvader, de
adoptievader, de
stiefouderadoptievader;
de verwekker, de
verwekker die als
partner toestemming
heeft gegeven voor
kunstmatige
inseminatie; de
anonieme
spermadonor, de
bekende spermadonor,
de goed bekende
spermadonor; en ten
slotte de dode vader
met wiens ingevroren
sperma post mortem
een kind is verwekt.
Overigens is ook het
moederschap aan
fragmentatie
onderhevig. Negen
juridische
categorieën
figureren er: de
biologische, de
sociale, de
juridische moeder;
de stiefmoeder, de
adoptiemoeder, de
stiefouderadoptiemoeder;
de lesbische
`meemoeder', de
draagmoeder, en de
genetische moeder.
Afstammings- en
gezagsrelaties,
omgangsrechten en
onderhoudsplichten
verschillen per
categorie.
In
dit doolhof van
meervoudig
ouderschap moet het
kind zijn plaats
zoeken. Zal het
langs genealogische
lijnen worden
ingevoegd en zo ja
welke? Wie zijn zijn
ouders eigenlijk,
zijn biologische,
juridische of
sociale ouders? En
wie zijn zijn
grootouders, neven
en nichten: de
verwanten van zijn
genetische ouders,
van zijn sociale of
van zijn juridische
ouders? Met het oog
op deze chaotische
situaties is het
idee geopperd niet
langer in termen van
gezin en
bloedverwantschap te
spreken, maar in
termen van
`biografisch
netwerk' en `sociale
omgeving'.
Illustratief in dit
verband is het
voorstel dat in
Frankrijk door de
invloedrijke
organisatie van
homoseksuele ouders
is gelanceerd: reik
van staatswege aan
het kind een livret
de l'enfant uit,
waarin staat wie
zijn genetische
ouders zijn, met wie
het
familierechtelijke
betrekkingen
onderhoudt, en door
wie het wordt
verzorgd.
Er
is één troost voor
het kind. Worden de
keuze-arrangementen
van zijn ouders al
te gek, dan is op de
achtergrond van het
familierecht nog het
beginsel van `het
belang van het kind'
aanwezig dat ter
correctie van
ouderlijke willekeur
door wetgever of
rechter kan worden
toegepast. Wat in
het belang van het
kind is, wordt
echter niet door
juridische
argumenten bepaald,
maar door pedagogen
en psychologen die
per jaar en per
nieuw verschenen
boek van mening
blijken te
veranderen.
Daarnaast kunnen
kinderen een beroep
doen op enkele
nieuwe `rechten van
het kind'. Deze
hebben dezelfde
functie: het kind
beschermen tegen
zelfbeschikkende
volwassenen. Zo
heeft het kind het
recht gekregen om in
omgangsconflicten te
worden gehoord en om
informatie te
krijgen over zijn
biologische
herkomst. Het heeft
zelfs het recht
gekregen om het
vaderschap van zijn
juridische vader te
ontkennen, opdat het
alsnog zijn eigen,
alternatieve
stamboom kan
opbouwen! Deze
tragische
compensatierechten
van het kind maken
in één oogopslag
duidelijk hoe
antagonistisch de
verhoudingen tussen
de seksen en tussen
de generaties zijn
geworden als gevolg
van de individuele
keuzevrijheid van
volwassenen.
In
het nieuwe
familierecht tekent
zich een samenleving
af waarin ouders hun
kinderen kiezen, en
kinderen hun ouders.
Verantwoordelijkheidsrelaties
worden naar eigen
keuze en tot nader
order aangegaan. Het
is de vraag hoe
stabiel deze
`gekozen' gezinnen
kunnen zijn. Ligt
het niet voor de
hand dat in deze
familiale netwerken
een
concurrentiestrijd
tussen de vele
ouders uitbreekt?
Dat iedereen een
bedreiging voor
iedereen wordt? En
bestaat niet het
risico dat vaders en
kinderen de dupe
worden van de nieuwe
almacht van vrouwen
inzake voortplanting
en afstamming?
Het
is historisch gezien
opmerkelijk hoe snel
de patriarchale
macht die 2000 jaar
het familierecht
heeft beheerst, is
vervangen door een
matriarchale macht,
althans waar het
gaat om
niet-huwelijks
ouderschap. Dat is
niet alleen te
verklaren uit de
introductie van
anticonceptie.
Waarschijnlijk
speelt ook de
verzwakkende sociale
positie van vaders
een rol. Een proces
dat zich - vanaf de
eerste
staatsinterventies
in het gezin, eind
negentiende eeuw -
in rap tempo
voltrekt. Vooral de
beide wereldoorlogen
zijn van bijzondere
- en tragische -
betekenis geweest.
De Eerste
Wereldoorlog richtte
een enorme slachting
aan onder vaders,
zonen en broers. De
achtergebleven
vrouwen namen het
werk van mannen
over. Hoewel zij na
de oorlog weer naar
huis en haard
terugkeerden, was de
kiem voor hun
emancipatie gelegd.
Hun kinderen
groeiden op in
vaderloze gezinnen.
Vijfentwintig jaar
later werden de
vaderloze zonen naar
het front gestuurd.
Weer vijfentwintig
jaar later kwamen
hún zonen - mede
naar aanleiding van
de oorlog in Vietnam
- in opstand tegen
de laatste restanten
van de vaderlijke
autoriteit. Na de
Tweede Wereldoorlog
liet de westerse
geschiedenis nog
enkele politieke
vaderfiguren zien in
de personen van
Churchill, De
Gaulle, Adenauer en
misschien Brandt.
Maar daarna zijn er
geen leiders van
vaderlijk formaat
meer geweest. De
populairste
politieke leiders,
zoals Kennedy,
Clinton, Bush jr. of
Fischer, zijn -
althans voor hun
generatiegenoten -
typische zonen. Ook
in het
bedrijfsleven, waar
de captains of
industry de
mannelijke helden
werden van de
naoorlogse
kapitalistische
samenleving,
verloren ondernemers
aan vaderlijk en
moreel gezag. De
genadeklap aan de
vaderlijke en morele
autoriteit van
ondernemers werd
afgelopen jaar
uitgedeeld door de
boekhoudschandalen
in het Amerikaanse
bedrijfsleven en,
hier in Nederland,
door Ahold.
Vanaf het einde van
de negentiende eeuw
speelde ook de
gestage emancipatie
van vrouwen een rol.
In 1919 kregen
vrouwen kiesrecht.
In 1956 werd de
gehuwde vrouw
handelingsbekwaam
verklaard. In de
jaren zeventig en
tachtig hadden de
belangrijkste
gelijkheidsoperaties
in het familierecht
plaats en werd de
vaderlijke macht
vervangen door het
ouderlijk gezag,
door man en vrouw
gemeenschappelijk
uit te oefenen.
Zelfs de zo
symbolische
naamgeving door de
vader aan zijn
kinderen is niet
meer
vanzelfsprekend.
Beide ouders
beslissen
tegenwoordig of de
uit hun huwelijk
geboren kinderen de
achternaam van de
vader of van de
moeder zullen
dragen.
Naarmate de
emancipatie en
arbeidsparticipatie
van vrouwen
vorderden, verloren
mannen hun
exclusieve positie
als kostwinner en
daarmee hun
exclusieve
vertegenwoordiging
van de buitenwereld.
Op scholen zijn
vrouwelijke
leerkrachten
oververtegenwoordigd.
Zij domineren daar
de socialisatie van
jongens. Ook zijn de
morele referenties
veranderd. De moeder
staat nog altijd
voor
lichamelijkheid,
liefde, troost en
geborgenheid. Maar
waar verwijst de
vader nog naar in
een samenleving
waarin een
patriarchale
verantwoordelijkheidsethiek
zelfs bij de
politieke, sociale
en economische elite
is verdwenen?
Daar
komt bij dat de
visuele cultuur
feminiene en
homoseksuele
manbeelden heeft
geïntroduceerd.
Seksuele
ambivalentie wordt
als verleidelijke
optie gepresenteerd.
Mannen poseren in
mannenondergoed, met
mannenparfums en
mannenmake-up. In de
reclame wordt de
vader met een kind
aan de borst
afgebeeld, of als
een homo domesticus
aan het fornuis of
aan de afwas. Jonge
vaders verkeren,
blijkens hun
egodocumenten in de
vorm van vaderboeken
en vaderwebsites, in
verwarring over hun
rol. Onbegrijpelijk
is voorts de
bereidheid van
talloze mannen om
als spermadonor te
fungeren. Kennelijk
heeft het vaderschap
voor hen geen morele
of sociale
betekenis, en maakt
het hen niet uit in
welke schoot hun
zaad zal ontkiemen.
De
afstand die mannen -
gedwongen en
vrijwillig - hebben
gedaan van hun
patriarchale macht,
heeft niet geleid
tot evenwichtige
sekseverhoudingen.
Zelfs de liefde is
er niet door
verrijkt.
Liefdesidealen als
onvoorwaardelijkheid,
overgave of
opoffering komen in
het nieuwe
liefdesvocabulaire
niet meer voor. Er
lijkt zelfs een
taboe op te rusten.
Populaire
tijdschriften als
Opzij, Elle en Marie
Claire, talkshows
als die van Oprah
Winfrey, en
therapeutische
zelfhulpboeken
brengen allemaal een
boodschap van
dezelfde,
calculerende,
strekking: ,,Bemin
niet te veel.
Investeer niet te
veel. Investeer
vooral in jezelf.
Concentreer je op
jezelf, op wat jij
zélf wenst en
belangrijk vindt.
Ontwikkel je
assertiviteit. Leer
eerst van jezelf te
houden. Blijf op je
hoede en houd je
emoties en
seksualiteit toch
vooral in eigen
beheer. Blijf onder
alle omstandigheden
je eigen leven
leiden.''
De
taal der liefde is
er een geworden van
achterdocht en
narcisme. Zij vormt
de werkelijkheid
waarin
liefdesrelaties
zakelijke
onderhandelingshuishoudingen
worden, waarin
partijen vanaf het
eerste moment van de
relatie anticiperen
op het laatste
moment ervan, waarin
partijen - mede
daarom - zo weinig
mogelijk van hun
eigen leven en
onafhankelijkheid
willen prijsgeven,
waarin bijna een op
de drie huwelijken
in echtscheiding
eindigt, en waarin
de zoektocht naar
nieuwe
liefdesrelaties
rusteloos wordt
voortgezet.
Wat
betekent de
zelfbeschikkingsideologie
voor het leven van
kinderen? De
tot-nader-order-verhoudingen
tussen de seksen
maken dat het kind
één ding zeker weet:
niets is meer zeker.
De gelukkige relatie
van zijn ouders kan
worden ontbonden
zodra één van zijn
ouders geen
emotionele
bevrediging meer
vindt in de ander.
Gaan zijn ouders
scheiden, dan moet
het kind maar
afwachten wie de
nieuwe vriend van
mama, wie de nieuwe
vriendin van papa
zal worden. Welke
stiefbroers en
stiefzusjes zullen
de nieuwe relatie
binnenkomen? Welke
nieuwe afspraken,
codes en gebruiken
zullen er in het
nieuwe gezin gaan
heersen? Het is
onduidelijk aan wie
het kind loyaal moet
zijn: aan zijn
stiefvader en
stieffamilie, door
wie het zo hartelijk
wordt ontvangen of
aan de familie van
zijn echte vader en
moeder. Aan wie moet
het kind zijn tijd
besteden? Op wiens
of wier verjaardagen
moet het
verschijnen? Aan wie
moet het de mooiste
geschenken geven?
Met wie zal het kind
op vakantie gaan?
Omdat tijd en geld
schaars zijn, zal
het kind
prioriteiten moeten
aangeven. Hoe kan
het kind die
motiveren?
Omgekeerd spelen
die problemen ook.
Aan wie geeft de
vader voorrang: aan
zijn biologische
kind met wie hij
slechts kort onder
één dak heeft
gewoond, of aan zijn
sociale kind of
stiefkind met wie
hij al jaren een
gezinsleven leidt?
Aan wie zullen
grootouders hun
bezit nalaten, aan
hun biologische of
ook aan hun sociale
kleinkinderen?
De
opmars van de
biotechnologie zet
de vervreemding
tussen de seksen en
de generaties voort.
Het is mogelijk een
kind te krijgen
zonder seksueel
contact met de
andere sekse. In
geval van anonieme
donaties is er zelfs
geen enkel
persoonlijk contact
meer nodig. De
andere sekse is nog
slechts
instrumenteel van
belang: als
leverancier van
sperma, eicellen of
een embryo.
De
vraag rijst of we in
een samenleving
willen leven waarin
de verhoudingen
tussen de seksen
calculerend en
instrumenteel
worden. Waarin
vooral
zelfbeschikkende
vrouwen mannen
reduceren tot hun
genetisch materiaal.
Waarin het
vaderschap geen
specifieke morele
referenties meer
heeft. En waarin het
genealogisch belang
van het kind met
voeten wordt
getreden. Er zou al
veel zijn gewonnen
indien ouderlijke
verantwoordelijkheid
niet alleen
verantwoordelijkheid
jegens het kind,
maar ook jegens de
andere ouder zou
omvatten.
Onpartijdigheid
gewaarborgd door de
discriminerende
De
onafhankelijke
onpartijdige rechter
wordt als één van de
peilers voor een
democratie aanzien.
Vooringenomen rechters
zorgen nu eenmaal voor
oneerlijke processen.
Als de
vereiste van
onafhankelijkheid en
onpartijdigheid in het
gedrang komt, dan zou er
bijzonder streng moeten
worden geoordeeld.
Vooreerst moeten de
rechterlijke organisatie
en de rechtspleging zo
zijn gestructureerd dat
er in hoofde van de
rechtzoekenden geen
twijfel omtrent de
onafhankelijkheid en
onpartijdigheid van de
rechterlijke instantie
kan rijzen. Als de
onpartijdigheid
gewaarborgd wordt door
de discriminerende zal
dit wegen op
het vertrouwen van de
burger in onze
magistratuur.
Justice must not only be
done, it must also be
seen to be done.
Men moet
al vooringenomen en van
kwade wil zijn mocht men
twijfelen aan het
gender-neutrale karakter
van de uitspraken van
onze rechters bij
misdrijven tegen de
familie.
Twee
voorbeelden van
misdrijven tegen de
familie zijn het niet
betalen van
onderhoudsgelden voor de
kinderen (in juridische
taal "familieverlating")
en het niet afgeven van
de kinderen aan een
ouder die nochtans wel
het recht heeft op
persoonlijk contact met
die kinderen. Bij
analyse van deze
misdrijven stellen we
vast dat er jaarlijks
ongeveer 17000 klachten
binnenstromen bij het
Parket wegens het niet
afgeven van de kinderen
en een goede 5000
klachten omdat het
onderhoudsgeld voor de
kinderen niet of
laattijdig betaald
wordt. Uit
de meest recente
cijfers met betrekking
tot het niet, of
laattijdig betalen van
onderhoudsgeld voor de
kinderen kan men
vaststellen dat er
gemiddeld 516
veroordelingen zijn,
waarbij het in 26
gevallen om vrouwen
gaat. In 103 van deze
516 vonnissen of
arresten wordt het
voordeel van opschorting
van straf uitgesproken.
Dat betekent dat de
strafrechtbank elk jaar
gemiddeld 413 effectieve
veroordelingen
uitspreekt wegens het
niet of laattijdig
betalen van de
onderhoudsgelden voor de
kinderen. Trekken we
deze cijfers uiteen op
basis van het geslacht
van de veroordeelde, dan
zien we dat hiervoor
jaarlijks 398 vaders en
15 moeders effectief
worden veroordeeld.
Misdrijven tegen de
familie
Men kan
de klachten tegen de
familie opdelen in 3
groepen namelijk,
kindermishandeling/verwaarlozing
(2,5%), familieverlating
(12,5%) en niet afgeven
van kinderen (85% of
ongeveer 17000
klachten). Van de
ongeveer 17000 klachten
wegens het niet afgeven
van kinderen worden er
jaarlijks gemiddeld 113
veroordelingen
uitgesproken door de
strafrechter. Hiervan
zijn 71 personen of 63%
van het vrouwelijk
geslacht. Kenschetsend
hierbij is wel dat, van
deze veroordeelden, 23
mannen en 73 vrouwen elk
jaar van de gunst van
opschorting van straf
genieten. 96 van de 113
veroordeelden wegens het
achterhouden van de
kinderen krijgen dus
opschorting van straf.
Rest nog iets mee te
delen over de jaarlijks
gemiddeld 17 effectief
veroordeelden wegens het
achterhouden van
kinderen. De verhouding
tussen mannen en vrouwen
bedroeg in 2001 en 2002
vijftien tegen twee.
Vijftien effectief
veroordeelde vaders
tegenover twee moeders
wel te
verstaan.
Twee ogen
Effectief
wordt in België
normaliter pas effectief
als de veroordeling meer
dan 6 maanden
gevangenisstraf
bedraagt. Als
gerechtigheid moet
gezien worden, kan je je
eens afvragen of je meer
ogen hebt, dan je
gevallen kent waarbij
een moeder meer dan 14
dagen in de cel heeft
gezeten wegens het
achterhouden van de
kinderen. Specialisten
zijn het het er allemaal
over eens dat men snel
moet handelen in plaats
van jarenlange
procedures voeren die
tot niets leiden.
Justitie moet de
complexe en delicate
materie anders aanpakken. De
17000 klachten per jaar
wegens het niet afgeven
van de kinderen en de
enorme berg leed die
erachter schuil gaat zal
men adequaat moeten
aanpakken en men zal
snel moeten leren
handelen. Pas als de
parketmagistraat van
dienst in het weekend
met zijn fax in de buurt
zal beslissen over
arrestatie en de
rechters de
hoofdverblijfplaats van
de kinderen
daadwerkelijk wisselen
van weerbarstige en
onwillige ouders, omdat
de gerechtelijke
uitspraak niet
gerespecteerd werden,
zal de klachtenberg
wegens het achterhouden
van de kinderen dalen.
Misschien wordt de
magistraat dan zoals
deze hoort te zijn en
dat is gender-neutraal.
Gerelateerde artikelen :
| |
|
|
|
|
|