| |
http://www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Donna+onder+toezicht+gesteld.htm
Donna onder toezicht
gesteld
Utrecht, 7 mei 2008
– De rechtbank
Utrecht heeft
woensdag bepaald dat
het 3-jarige
Belgische meisje
Donna onder toezicht
wordt gesteld van de
Stichting Bureau
Jeugdzorg Utrecht.
In de procedure die
de biologische vader
van Donna had
gestart, heeft de
Raad voor de
Kinderbescherming op
verzoek van de
rechtbank een
onderzoek verricht
en eveneens een
verzoek aan de
rechtbank gericht.
Op alle verzoeken is
nu beslist.
Donna verblijft
sinds maart 2005 bij
haar pleegmoeder en
haar partner in
Nederland. Het
meisje zou
oorspronkelijk bij
de biologische vader
en diens partner
opgroeien, maar de
verhouding met de
draagmoeder raakte
(vóór de geboorte
van Donna)
verstoord. De
draagmoeder en haar
partner hebben
vervolgens afspraken
gemaakt met de
Nederlandse
pleegmoeder en haar
partner om Donna bij
hen te laten
opgroeien.
De pleegmoeder wordt
niet ontzet uit de
tijdelijke voogdij,
zoals de biologische
vader had verzocht.
De rechtbank is van
oordeel dat zo’n
verstrekkende
maatregel niet aan
de orde is, omdat de
situatie in het
gezin niet zo
zorgwekkend dat
Donna daar niet kan
blijven. De
uitspraak betekent
dat het meisje
vooralsnog bij haar
pleegmoeder en haar
partner blijft
wonen.
Ondertoezichtstelling
Wel wordt Donna
onder toezicht
gesteld.
Ondertoezichtstelling
is een
gezagsbeperkende
maatregel. De
pleegmoeder behoudt
de tijdelijke
voogdij over Donna,
maar dit wordt wel
beperkt. Donna en de
pleegmoeder en haar
partner krijgen
begeleiding en
hulpverlening,
ingezet door een
gezinsvoogd van
Bureau Jeugdzorg. De
gezinsvoogd houdt
regelmatig contact
met de pleegmoeder
en haar partner en
helpt bij problemen.
Bij belangrijke
beslissingen over
Donna moet de
gezinsvoogd door de
pleegmoeder worden
ingeschakeld en
heeft de gezinsvoogd
een doorslaggevende
stem. Ook kan de
gezinsvoogd de
pleegmoeder en haar
partner aanwijzingen
geven die ze moeten
opvolgen.
Ondertoezichtstelling
achtte de rechtbank
mede noodzakelijk
omdat de druk op het
gezin vanwege de
juridische
procedures en de
grote media-aandacht
zo groot is dat
,,geen enkel gezin
die zonder hulp zou
aankunnen.’’
Daarnaast heeft de
rechtbank de indruk
dat de pleegmoeder
en haar partner zich
onvoldoende bewust
zijn van de eisen
die de bijzondere
ontstaansgeschiedenis
van Donna aan hen
als opvoeders stelt.
,,Alle betrokkenen
rondom Donna hebben
een rol gespeeld in
het ontstaan van de
huidige problemen;
op hen allen, en op
de opvoeders van
Donna in het
bijzonder, rust dan
ook de
verantwoordelijkheid
om op een goede
manier met die
problemen om te
gaan. Gedwongen
hulpverlening door
een onafhankelijke
instantie – die zelf
geen rol speelt in
de strijd rondom
Donna en daarom
uitsluitend haar
belang in het oog
kan houden – acht de
rechtbank daarbij
noodzakelijk.’’
Kennismaking
De
afwijzing van het
verzoek van de
biologische vader om
(alsnog) een
omgangsregeling vast
te stellen betekent
volgens de rechtbank
niet dat Donna geen
kennis zal kunnen
maken met haar
biologische vader.
Een kennismaking is
volgens de rechtbank
in beginsel in het
belang van Donna. De
gezinsvoogd zou
kunnen besluiten dat
Donna enig contact
krijgt met haar
biologische vader.
De juridische strijd
die over het hoofd
van Donna wordt
gevoerd moet dan
stoppen, stelde de
rechtbank:
,,Voorwaarde is wel
dat de biologische
vader de
bestaanswerkelijkheid
van Donna erkent,
haar plaats in het
pleeggezin en haar
banden met degenen
die haar tot nu toe
hebben opgevoed.’’
Zie ook het
dossier Baby Donna.
LJ Nummer
BD1068
***
|
LJN: BD1068, Rechtbank
Utrecht
,
231478
/ FA
RK
07-3130,
245307
/ JE
RK
08-545,
246390
/ FA
RK
08-1849 |
|
|
 |
|
Datum
uitspraak: |
07-05-2008 |
|
Datum
publicatie: |
07-05-2008 |
|
Rechtsgebied: |
Personen-en
familierecht |
|
Soort
procedure: |
Eerste
aanleg
-
meervoudig |
|
Inhoudsindicatie: |
Verzoek
tot
ontzetting
uit
de
tijdelijke
voogdij
van
de
pleegmoeder
van
een
driejarig
Belgisch
meisje.
De
rechtbank
is
van
oordeel
dat
aan
de
in
de
wet
genoemde
gronden
die
kunnen
leiden
tot
een
ontzetting
niet
is
voldaan.
De
uitspraak
betekent
dat
het
meisje
vooralsnog
bij
haar
pleegmoeder
en
haar
partner
blijft
wonen.
De
rechtbank
stelt
het
kind
onder
toezicht
van
de
Stichting
Bureau
Jeugdzorg
in
Utrecht
en
verklaart
verzoekers
niet-ontvankelijk
in
het
verzoek
tot
vaststelling
van
een
omgangsregeling. |
|
 |
 |
|
|
|
|
beschikking
RECHTBANK
UTRECHT
Sector
handels- en
familierecht
zaaknummers/rekestnummers:
231478 / FA
RK 07-3130
(ontzetting
voogdij)
245307 / JE
RK 08-545
(ondertoezichtstelling)
246390 / FA
RK 08-1849
(omgang)
Beschikking
van 7 mei
2008
in de zaak
op het
verzoek tot
ontzetting
uit de
voogdij en
tot
vaststelling
van een
omgangsregeling
van:
[verzoeker]
en
[verzoekster],
beiden
wonende te
[woonplaats],
België,
hierna te
noemen:
verzoekers,
procureur
mr. C.A.
Jonkers,
en op het
verzoek tot
ondertoezichtstelling
van:
de Raad voor
de
Kinderbescherming,
vestiging
Utrecht,
gevestigd te
Utrecht,
hierna te
noemen: de
Raad,
waarin
belanghebbenden
zijn:
[pleegmoeder],
wonende te
[woonplaats],
hierna te
noemen: de
pleegmoeder,
[pleegvader],
wonende te
[woonplaats],
hierna te
noemen: de
pleegvader,
procureur
voorheen mr.
M.I. van
Meel, nu mr.
F.S. van
Nierop,
[draagmoeder],
wonende te
[woonplaats],
België,
hierna te
noemen: de
draagmoeder,
[juridische
vader],
wonende te
[woonplaats],
België,
hierna te
noemen: de
juridische
vader,
samen ook te
noemen: de
ouders,
procureur:
mr. M.C.
Franken-Schoemaker.
1. Verloop
van de
procedure
1.1. In de
procedure
met nummer
231478 / FA
RK 07-3130
heeft de
rechtbank op
1 augustus
2007 en 24
oktober 2007
eerdere
beschikkingen
gegeven.
Daarbij is
de
behandeling
van het
verzoek tot
ontzetting
van de
pleegmoeder
uit de
tijdelijke
voogdij
aangehouden,
met verzoek
aan de Raad
voor de
Kinderbescherming
om een
onderzoek in
te stellen.
Bovendien is
in de
beschikking
van 24
oktober 2007
een
eindbeslissing
gegeven op
het verzoek
van
verzoekers
om een
omgangsregeling
vast te
stellen
(zaaknummer
231480 / FA
RK 07-3132)
en op het
verzoek om
de
tijdelijke
voogdij op
te heffen;
verzoekers
zijn in die
twee
verzoeken
niet-ontvankelijk
verklaard.
1.2. De
Raad heeft
op 29
februari
2008
gerapporteerd
en
geadviseerd
over het
verzoek tot
ontzetting
en daarbij
zelf een
verzoek tot
ondertoezichtstelling
ingediend
(zaaknummer
245307 / JE
RK 08-545).
1.3. Verzoekers
hebben
tenslotte
aanvullend
een nieuw
verzoek
ingediend
tot
vaststelling
van een
omgangsregeling
(zaaknummer
246390 / FA
RK 08-1849
(omgang).
1.4. De
zaak is
behandeld
ter
terechtzitting
met gesloten
deuren van
31 maart
2008.
1.5. De
Raad heeft
op de
zitting zijn
standpunt
gewijzigd en
primair zelf
de
ontzetting
van de
pleegmoeder
gevraagd,
met
subsidiair
ondertoezichtstelling.
2. Vaststaande
feiten
2.1. Voor
de
vaststaande
feiten wordt
verwezen
naar de
beschikking
van 1
augustus
2007, die –
kort
weergegeven
– op het
volgende
neerkomen:
Uit het
huwelijk van
de
draagmoeder
en de
juridische
vader is
geboren:
[D.], op [
2005] te
[geboorteplaats],
België.
2.2. [D.]
is verwekt
op basis van
afspraken
tussen
verzoekers
en de ouders
over
draagmoederschap,
die
inhielden
dat de
ouders het
kind zouden
afstaan aan
verzoekers
om door hen
te worden
geadopteerd.
Tijdens de
zwangerschap
zijn de
verhoudingen
tussen
verzoekers
en de ouders
verstoord
geraakt en
is
uiteindelijk
het contact
verbroken.
De ouders
hebben
vervolgens
afspraken
gemaakt met
de
pleegouders
om het kind
aan hen af
te staan.
2.3. [D.]
verblijft
sinds enkele
dagen na
haar
geboorte bij
de
pleegouders
in
[woonplaats].
Zij wordt
sindsdien
door hen
verzorgd en
opgevoed.
2.4. De
pleegmoeder
is bij
beschikking
van de
kantonrechter
in deze
rechtbank
(locatie
Amersfoort)
van 13
februari
2006 belast
met de
tijdelijke
voogdij.
2.5. Verzoekers,
de ouders en
[D.] hebben
de Belgische
nationaliteit.
De
pleegouders
hebben de
Nederlandse
nationaliteit.
3. Beoordeling
3.1. Bij de
beoordeling
van het
verzoek tot
ontzetting
bouwt de
rechtbank
voort op
hetgeen al
is overwogen
in de
beschikking
van 24
oktober
2007. Voor
die
overwegingen
wordt
verwezen
naar die
beschikking.
3.2. De
ouders
hebben
opnieuw de
bevoegdheid
van deze
rechtbank
aan de orde
gesteld om
te oordelen
over het
ontzettingsverzoek.
De rechtbank
heeft
daarover al
beslist in
de
beschikking
van 24
oktober
2007, en
ziet geen
aanleiding
om daarop nu
terug te
komen.
De nieuwe
argumenten
hebben
overigens
alle
betrekking
op een
procedure
over de
(juridische)
afstamming
van [D.].
Aangezien
een
dergelijk
verzoek hier
niet
voorligt,
hoeft de
rechtbank
ook daarom
niet opnieuw
in te gaan
op de
bevoegdheidskwestie.
3.3. De
ouders
stellen
voorts dat
niet als
vaststaand
kan worden
aangenomen
dat
verzoeker de
biologische
vader van
[D.] is, nu
dit
vaderschap
nimmer op
een rechtens
juiste wijze
is
vastgesteld.
Bij de
stukken
bevindt zich
echter een
mededeling
van de
Belgische
onderzoeksrechter
Anne
François van
30 mei 2007.
Deze
bevestigt
dat het in
België
uitgevoerde
DNA-onderzoek
verzoeker
aanduidt als
de
biologische
vader. Dat
dit
onderzoek is
uitgevoerd
als
onderdeel
van een
strafrechtelijk
onderzoek
doet niet
ter zake,
evenmin als
het feit dat
het
DNA-onderzoek
niet geleid
heeft tot
ontkenning
van het
wettelijk
vaderschap
of tot
gerechtelijke
vaststelling
van het
vaderschap
(daargelaten
overigens of
een
dergelijk
verzoek
toewijsbaar
zou kunnen
zijn). De
ouders
hebben
weliswaar
formele
bezwaren
tegen de
gevolgde
procedure
naar voren
gebracht,
maar zij
hebben de
juistheid
van het
DNA-onderzoek
en het
biologische
vaderschap
van
verzoeker
feitelijk
niet
betwist. De
rechtbank
zal er
daarom als
vaststaand
van
(blijven)
uitgaan dat
verzoeker de
biologische
vader van
[D.] is.
3.4. Op dit
moment zijn
aan de orde
het verzoek
tot
ontzetting
van de
pleegmoeder
uit de
tijdelijke
voogdij, het
verzoek tot
ondertoezichtstelling
van [D.] en
een nieuw
verzoek tot
vaststelling
van een
omgangsregeling
tussen [D.]
en
verzoekers.
3.5. Grond
voor
ondertoezichtstelling
bestaat
wanneer een
kind zodanig
opgroeit,
dat zijn of
haar
zedelijke of
geestelijke
belangen of
gezondheid
ernstig
worden
bedreigd, en
andere
middelen ter
afwending
van deze
bedreiging
hebben
gefaald of,
naar is te
voorzien,
zullen falen
(artikel
1:254 van
het
Burgerlijk
Wetboek).
3.6. De
rechtbank
heeft in de
beschikking
van 24
oktober 2007
al een
aantal
factoren
genoemd die
een
bedreiging
kunnen
vormen voor
de
ontwikkeling
van [D.].
Kort
samengevat
zijn dat de
volgende.
[D.] is
geboren uit
een
draagmoeder,
die
aanvankelijk
zwanger was
geworden
voor andere
wensouders.
Biologisch
gezien stamt
[D.] af van
deze
oorspronkelijke
wensvader.
Zij is
vervolgens
afgestaan
aan de
pleegouders,
die
biologisch
niet met
haar verwant
zijn. Alle
contacten
zijn tot
stand
gekomen via
internet.
Van deze
ontstaansgeschiedenis
weet [D.]
zelf nog
niets. De
biologische
vader en
zijn vrouw
(verzoekers)
voeren nog
steeds een
verbitterde
strijd met
de
pleegouders
om de
toewijzing
van [D.]. In
deze strijd
spelen ook
de ouders
inmiddels
een rol. Bij
deze strijd
(zijn en)
worden ook
de media
betrokken.
Hoewel de
ouders
ontkennen
dat er voor
[D.] betaald
zou zijn, en
hoewel zowel
de
pleegouders
als
verzoekers
ontkennen
dat zij voor
[D.] betaald
hebben, komt
de suggestie
van
commercieel
draagmoederschap
in veel van
die
publicaties
terug.
Tenslotte
bestaat nog
steeds de
mogelijkheid
van
strafvervolging
(als gevolg
van de
verdenking
van
commercieel
draagmoederschap)
van de
juridische
ouders en/of
van de
pleegouders.
3.7. De
Raad heeft
over het
verzoek
geadviseerd
en daarbij
ook verzocht
[D.] onder
toezicht te
stellen. Op
dit rapport
hebben de
betrokkenen
veel
kritiek. In
een deel van
die bezwaren
kan de
rechtbank
zich vinden.
Het valt
inderdaad te
betreuren
dat de
ouders pas
in een laat
stadium bij
het
onderzoek
betrokken
zouden
worden en
dat dit
uiteindelijk
door
praktische
problemen
zelfs
helemaal
niet gebeurd
is. Een
tweede
bezwaar
betreft de
consultatie
van
deskundigen.
In het
rapport
wordt
onvoldoende
inzichtelijk
gemaakt op
basis van
welke
gegevens
deze
deskundigen
tot hun
advies
gekomen
zijn.
Tenslotte
worden de
twijfels
over de
opvoedkundige
mogelijkheden
van de
pleegouders
onvoldoende
concreet
onderbouwd.
Aan sommige
van de
aangehaalde
waarnemingen
lijkt meer
gewicht te
worden
gehecht dan
op basis van
de
beschrijving
daarvan
begrijpelijk
is.
Met dit
alles wil
overigens
niet gezegd
zijn dat de
conclusies
niet juist
zouden zijn.
De
onderbouwing
daarvan in
het rapport
is echter
niet op alle
punten
overtuigend.
3.8. De
rechtbank
ziet echter
onvoldoende
reden voor
nader
onderzoek,
zoals ter
zitting
gevraagd.
Dat zou
namelijk
leiden tot
een langer
voortbestaan
van de
spanningen
rond [D.]
die een
gevolg zijn
van deze
procedure,
met het
gevaar dat
zij daarvan
meer merkt
dan goed
voor haar
is.
Aangezien
het rapport
van de Raad
(bij
behoedzaam
gebruik) in
samenhang
met de
overige
informatie
en de
behandeling
op de
zitting van
31 maart
2008
voldoende
aanknopingspunten
biedt voor
een
beslissing,
zal de
rechtbank de
behandeling
niet
nogmaals
aanhouden
maar nu een
eindbeslissing
geven.
3.9. Ook
bij
behoedzame
lezing,
rekening
houdend met
de onder 3.7
genoemde
bezwaren,
bevestigt
het rapport
van de Raad
dat de onder
3.6 genoemde
omstandigheden
reden tot
zorg zijn.
Hoewel de
rechtbank
uit het
rapport niet
de conclusie
kan trekken
dat de
pleegouders
blijvend
niet in
staat zullen
zijn dit
alles te
hanteren,
maakt de
rechtbank
zich
daarover wel
ernstige
zorgen. In
de eerste
plaats is de
druk op dit
gezin –
vanuit
verzoekers,
maar zeker
ook vanwege
de
media-aandacht
– zo groot,
dat geen
enkel gezin
die zonder
hulp aan zou
kunnen. Ook
de
verklaringen
van de
pleegouders
in het
rapport
roepen op
dit punt
twijfel op,
die wordt
bevestigd
door hun
standpunt
zoals hun
advocaat dat
op de
zitting
verwoord
heeft. Zij
zeggen de
problemen te
onderkennen,
maar dat
blijkt
verder uit
niets.
Volgens het
rapport
hebben zij
bij het
onderzoek
gezegd dat
zij als een
gewoon gezin
willen
leven, dat
zij alleen
behoefte
hebben aan
rust en niet
aan hulp.
Zij zijn
echter geen
gewoon
gezin. Zij
voeden een
kind op dat
zowel
juridisch
als
biologisch
andere
ouders heeft
en dat een
zeer
ongebruikelijke
ontstaansgeschiedenis
heeft. Rust
valt
bovendien
hoe dan ook
niet te
verwachten,
gezien de
voortdurende
strijd van
de
biologische
vader en de
belangstelling
van de
media,
waardoor
[D.] naam
zowel in
Nederland
als in
België breed
bekend is.
In de tweede
plaats
bestaat op
grond van
het rapport
en het
verhandelde
ter
terechtzitting
de indruk
dat de
pleegouders
zich
onvoldoende
bewust zijn
van de eisen
die de
bijzondere
ontstaansgeschiedenis
van [D.] aan
hen als
opvoeders
stelt.
Hoewel het
begrijpelijk
is dat zij
de problemen
die met die
geschiedenis
samenhangen
liever uit
de weg gaan,
is de
rechtbank er
voldoende
van
overtuigd
dat die
houding
uiteindelijk
niet in het
belang van
[D.] is.
Alle
betrokkenen
rondom [D.]
hebben een
rol gespeeld
in het
ontstaan van
de huidige
problemen;
op hen
allen, en op
de opvoeders
van [D.] in
het
bijzonder,
rust dan ook
de
verantwoordelijkheid
om op een
goede manier
met die
problemen om
te gaan.
Gedwongen
hulpverlening
van een
onafhankelijke
instantie –
die zelf
geen rol
speelt in de
strijd
rondom [D.]
en daarom
uitsluitend
haar belang
in het oog
kan houden –
acht de
rechtbank
daarbij
noodzakelijk.
3.10. Op de
zitting is
verder
gebleken dat
de genoemde
zorgen
alleen maar
dringender
geworden
zijn. De
standpunten
zijn verhard
en de strijd
is
verbitterd.
Onder de
druk van hun
eigen wensen
en
verlangens
lijken de
betrokkenen
het belang
van [D.] uit
het oog te
verliezen.
Door alle
voornoemde
omstandigheden
is naar het
oordeel van
de rechtbank
een situatie
ontstaan die
een zo reële
bedreiging
vormt voor
de
ontwikkeling
van [D.],
dat het nu
noodzakelijk
is nadere
maatregelen
te nemen ter
bescherming
van [D.]’s
belangen en
haar
ontwikkeling.
Er is daarom
in ieder
geval
voldoende
grond voor
een
ondertoezichtstelling.
3.11. Van
de gronden
voor de
verdergaande
maatregel
van
ontzetting
uit de
tijdelijke
voogdij is
er nog
slechts één
aan de orde:
“misbruik
van zijn
bevoegdheid,
verwaarlozing
van zijn
verplichtingen,
of de
omstandigheid
dat hij niet
in staat is
tot een
behoorlijke
uitoefening
van zijn
voogdij”
(artikel
1:327 lid 1
sub b BW).
Over de
andere
gronden
heeft de
rechtbank al
beslist in
de
beschikking
van 24
oktober
2007.
De Raad ziet
op deze
grond reden
voor
ontzetting
wanneer
blijkt dat
de
pleegouders
niet
meewerken
aan de
hulpverlening
en therapie
die de Raad
voor [D.]
noodzakelijk
acht.
Bovendien
ziet de Raad
de weigering
(in het
verleden)
van de
pleegouders
om mee te
werken aan
DNA-onderzoek
om vast te
stellen wie
[D.]’s
biologische
vader is als
verwaarlozing
van hun
verplichtingen.
Verzoekers
zien ook het
weigeren van
contact met
hen, althans
met
verzoeker,
als zodanig.
Bij
ontzetting
acht de Raad
plaatsing
van [D.] in
een neutraal
pleeggezin
wenselijk.
Verzoekers
wensen dat
[D.] op
korte
termijn bij
hen
geplaatst
wordt.
3.12. Ook
bij deze
beoordeling
moet het
belang van
[D.] voorop
staan.
Hiervoor
dient niet
het
gezichtspunt
van de
volwassen
betrokkenen
bij de zaak
centraal te
staan, maar
dat van het
kind. [D.]
is een klein
kind, dat
voor een
goede
ontwikkeling
bescherming
nodig heeft.
Voor [D.] is
de
belangrijkste
relatie in
haar leven
die met haar
opvoeders,
de
pleegouders.
Zij heeft
nooit andere
ouders
gekend dan
hen, en zij
heeft zich
(zoals ook
blijkt uit
het rapport)
aan hen
veilig
gehecht. Zij
heeft recht
op
bescherming
van haar
gezinsleven
met de
mensen die
zij als haar
ouders
beleeft. Ook
als het voor
[D.]
mogelijk zou
zijn om zich
opnieuw te
hechten aan
andere
opvoeders
(zoals
verzoekers
aanvoeren),
dan neemt
dat niet weg
dat het
juist door
die
hechtingsrelatie
voor haar
traumatisch
zou zijn om
haar weg te
halen bij de
pleegouders.
Een
dergelijke
maatregel is
soms
noodzakelijk,
wanneer de
situatie in
het gezin
onaanvaardbaar
is, maar in
dit geval is
dat nog
onvoldoende
gebleken. De
Raad stelt
zelf al vast
dat aan de
pleegouders
nooit eerder
structurele
hulp geboden
is, en de
opstelling
van de
pleegouders
in deze
procedure
kan
ingegeven
zijn door de
grote
spanningen
die met de
procedure
gepaard
gaan.
3.13. De
rechtbank
ziet daarom
op dit
moment bij
de afweging
van het
belang van
[D.]
onvoldoende
reden om de
pleegmoeder
uit de
tijdelijke
voogdij te
ontzetten.
Er is echter
ruim
voldoende
reden om
[D.] onder
toezicht van
Bureau
Jeugdzorg te
stellen. De
ondertoezichtstelling
zal worden
uitgesproken
voor de
gebruikelijke
termijn, een
jaar. De
verantwoordelijkheid
voor de
uitvoering
berust bij
Bureau
Jeugdzorg.
Wanneer
tussentijds
aanleiding
bestaat voor
een
evaluatie of
voor het
inzetten van
ander
beleid, gaat
de rechtbank
ervan uit
dat de
gezinsvoogd
daarvoor de
noodzakelijke
initiatieven
zal nemen.
3.14. De
rechtbank
gaat er
verder van
uit dat de
pleegouders
in het
belang van
[D.] loyaal
zullen
meewerken
aan de
aangeboden
hulpverlening.
Zij zullen
ruimte
moeten
creëren voor
[D.] om
binnen hun
gezin te
leren omgaan
met haar
afkomst en
achtergrond,
die een
andere is
dan die van
de
pleegouders.
De rechtbank
begrijpt dat
dit voor hen
moeilijk zal
zijn, omdat
zij [D.] zo
graag als
eigen kind
gehad
hadden.
Juist daarom
zullen zij
in het
belang van
[D.] hulp
moeten
aanvaarden
om goed met
de situatie
om te gaan.
3.15. Verzoekers
hebben
verder een
nieuw
verzoek
gedaan tot
vaststelling
van een
omgangsregeling.
Zij wijzen
daarvoor op
een recente
beschikking
van de Hoge
Raad (30
november
2007, LJN
BB9094, RvdW
2007, 1023),
waarin een
ruime uitleg
is gegeven
aan het
begrip
‘nauwe
persoonlijke
betrekking’.
Zij voeren
aan dat met
die uitleg
ook tussen
verzoeker en
[D.] een
nauwe
persoonlijke
betrekking
bestaat,
waardoor hij
ontvangen
zou kunnen
worden in
het verzoek
om een
omgangsregeling
vast te
stellen. De
pleegouders
en de
juridische
ouders
hebben deze
visie
bestreden.
3.16. In de
beschikking
van 24
oktober 2007
heeft de
rechtbank
verzoekers
in een
dergelijk
verzoek al
niet-ontvankelijk
verklaard.
De
overwegingen
daarvoor
kwamen (voor
wat betreft
verzoeker)
kort gezegd
neer op het
volgende.
Tussen
verzoeker en
[D.] bestaat
wel een
biologische
maar geen
enkele
feitelijke
band: er is
nooit enig
contact
tussen hen
geweest. Dat
tijdens de
zwangerschap
een
intensief en
langdurig
contact
bestaan
heeft tussen
verzoekers
en de
draagmoeder
staat niet
vast. De
ouders
betwisten
dit, en
verzoekers
hebben het
onvoldoende
aannemelijk
gemaakt. Aan
de
draagmoederovereenkomst
tenslotte
kan
verzoeker
geen rechten
ontlenen,
omdat deze
nietig is.
Aan deze
omstandigheden
is sinds de
beschikking
van 24
oktober 2007
niets
veranderd.
In de casus
van de Hoge
Raad stond
bovendien
vast dat
tussen de
moeder en de
donor een
hechte
vriendschap
bestaan had,
hetgeen een
wezenlijk
verschil
vormt met
deze
situatie. De
rechtbank
ziet daarom
nog steeds
geen grond
om
verzoeker(s)
in dit
verzoek te
ontvangen.
3.17. Dat
neemt niet
weg dat het
in beginsel
in [D.]’s
belang zou
zijn om
kennis te
kunnen maken
met haar
biologische
vader. In
het kader
van de
ondertoezichtstelling
zou de
gezinsvoogd
daarom
kunnen
besluiten
dat zij enig
contact met
hem moet
hebben. Dat
verzoekers
niet
ontvankelijk
zijn
verklaard in
hun verzoek
een
omgangsregeling
vast te
stellen
staat aan
dit contact
niet in de
weg. De
rechtbank
gaat ervan
uit dat de
pleegouders
daaraan
zullen
meewerken.
Zonodig kan
de
gezinsvoogd
hun een
aanwijzing
geven.
Voorwaarde
daarvoor is
wel dat de
biologische
vader de
bestaanswerkelijkheid
van [D.]
erkent, haar
plaats in
het
pleeggezin
en haar
banden met
degenen die
haar tot nu
hebben
opgevoed.
Daarover
bestaan op
dit moment
grote
zorgen. In
het rapport
heeft hij
zelfs
verklaard
haar een
andere naam
te zullen
geven
wanneer zij
bij hem zou
mogen wonen.
Daarmee
ontkent hij
[D.]’s
identiteit
en de eerste
drie jaren
van haar
leven. Ook
de Raad
stelt als
voorwaarde
voor contact
tussen [D.]
en de
biologische
vader dat de
strijd
stopt.
3.18. De
pleegouders
vragen
tenslotte om
verzoekers
in de
proceskosten
te
veroordelen.
De rechtbank
ziet
daarvoor
onvoldoende
reden. Gelet
op het
familierechtelijke
karakter van
de zaak is
voor een
proceskostenveroordeling
alleen
aanleiding
bij, kort
gezegd,
misbruik van
procesrecht.
Daarvoor
zijn
onvoldoende
argumenten
aangevoerd.
Door de
gevoegde
behandeling
hebben de
andere
betrokkenen
verder geen
extra kosten
hoeven maken
en is de
procedure
niet
vertraagd.
De kosten
zullen
daarom op de
gebruikelijke
manier
gecompenseerd
worden.
4. Beslissing
De rechtbank
stelt [D.]
onder
toezicht van
de Stichting
Bureau
Jeugdzorg
Utrecht met
ingang van
heden voor
de duur van
een jaar;
verklaart
verzoekers
niet-ontvankelijk
in het
verzoek tot
vaststelling
van een
omgangsregeling;
verklaart
deze
beslissing
tot zover
uitvoerbaar
bij
voorraad;
wijst af het
anders of
meer
verzochte;
bepaalt dat
partijen elk
de eigen
proceskosten
moeten
betalen.
Deze
beschikking
is gegeven
door mr.
H.A.
Gerritse,
mr. R.P.P.
Hoekstra en
mr. M.C.
Oostendorp,
allen
kinderrechter,
in
aanwezigheid
van mr. N.I.
Ganzevoort,
griffier, en
in het
openbaar
uitgesproken
op 7 mei
2008.?
|
 |
Bron: Rechtbank Utrechttt
Datum
actualiteit: 7 mei 2008
| |
|
|
|
|
|