| |
Bron Vrije Universiteit
Amsterdam: Faculteit
der
Rechtsgeleerdheid
Door: Ismay
Zandvliet
Master
Internationaal en
Europees recht
Het belang van het
kind
in artikel 3 IVRK
Concretisering van
een rechtsbegrip
|

|
Inhoudsopgave
Voor alle kinderen,
waar dan ook, wiens
belangen in het
gedrang zijn
Voorwoord
Dankwoord
Lijst met
afkortingen
Hoofdstuk 1:
Inleiding
§ 1.1 Inleiding
§ 1.2 Rechtstreekse
werking van
verdragsbepalingen
§ 1.3 Rechtstreekse
werking van artikel
3 lid 1 IVRK
§ 1.4
Probleemstelling en
subvragen
§ 1.5 Opzet van de
verschillende
hoofdstukken
§ 1.6 Doel van de
scriptie
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
§ 2.1 Inleiding
§ 2.2 Het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
§ 2.3 Artikel 31 en
32 Weens Verdragen
Verdrag
§ 2.4 De
grammaticale
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
§ 2.5 De contextuele
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
§ 2.6 De
teleologische
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
§ 2.7 De
wetshistorische
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
§ 2.8 Conclusie
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
§ 3.1 Inleiding
§ 3.2 Visie van
rechtsgeleerden
§ 3.2.1 De
onbepaaldheid van
het belang van het
kind
in artikel 3 lid 1
IVRK
§ 3.2.2 De
onbepaaldheid van
het belang van het
kind en culturele
invullingen
§ 3.2.3 Manieren om
tot een invulling
van het belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
te komen
§ 3.2.4 Invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid
1 IVRK volgens
rechtsgeleerden
§ 3.3 Visie van het
VN
Kinderrechtencomité
§ 3.3.1 De werkwijze
van het VN
Kinderrechtencomité
§ 3.3.2 Het belang
van het kind volgens
het
VN
Kinderrechtencomité
§ 3.4 De visie van
psychologen en
pedagogen
§ 3.4.1 Werkwijze
van psychologen en
pedagogen
§ 3.4.2 Het belang
van het kind volgens
psychologen
en pedagogen
§ 3.5 Samenvoeging
pedagogische en
juridische visie
§ 3.6 Conclusie
Hoofdstuk 4: Het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
§ 4.1 Inleiding
§ 4.2 Het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK in
samenhang
met andere artikelen
in het IVRK
§ 4.2.1 Het belang
om zekerheid te
hebben omtrent de
afstamming en door
de ouders te worden
verzorgd
§ 4.2.2 Het belang
van gezinsleven en
gezinshereniging
§ 4.2.3 Het belang
van gezamenlijke
verantwoordelijkheid
van de ouders
§ 4.2.4 Belang van
continuïteit van en
duidelijkheid over
de
opvoedingssituatie
en een ongestoord
hechtingsproces
§ 4.2.5 Belang van
bescherming en
bijzondere zorg
§ 4.2.6 Het belang
van opvang en
bijstand
§ 4.2.7 Het belang
van onderwijs
§ 4.2.8 Het belang
dat
vrijheidsontneming
een uiterste
maatregel is voor de
kortst mogelijke
passende duur
§ 4.3 Samenvoeging
van de juridische en
de pedagogische
visie
§ 4.4 Conclusie
Hoofdstuk 5: Het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
§ 5.1 Inleiding
§ 5.2 Het belang van
het kind in
jurisprudentie
binnen het
familierecht
§ 5.2.1. Het belang
van het kind in
jurisprudentie
over omgang
§ 5.2.2 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
gezag
§ 5.2.3 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
erkenning
§ 5.2.4 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
geslachtsnaamwijziging
§ 5.2.5 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
§ 5.3 Het belang van
het kind in
jurisprudentie
binnen het
vreemdelingenrecht
§ 5.3.1 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
alleenstaande
minderjarige
vreemdelingen
§ 5.3.2 Het belang
van het kind en
jurisprudentie
over gezinsleven
§ 5.4 Het belang van
het kind in het
jeugdstrafrecht
§ 5.4.1 Het belang
van het kind in de
literatuur over
het jeugdstrafrecht
§ 5.4.2 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
de PIJ-maatregel
§ 5.5 Kwalificatie
van de
jurisprudentie over
het belang van het
kind
§ 5.5.1 Kwalificatie
1: ‘niet
situatiegebonden’
§ 5.5.2
Kwalificatie 2:
‘algemeen
situatiegebonden’
§ 5.6 Samenvoeging
van de juridische en
de pedagogische
visie
§ 5.7 Conclusie
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
§ 6.1 Inleiding
§ 6.2 Beantwoording
probleemstelling en
subvragen
§ 6.3 Toepassing van
het belang van het
kind
§ 6.3.1 Toepassing
van het belang van
het kind in
een
familierechtelijke
casus
§ 6.3.2 Toepassing
van het belang van
het kind in
een
vreemdelingrechtelijke
casus
§ 6.3.3 Toepassing
van het belang van
het kind in
een strafrechtelijke
casus
§ 6.4 Conclusie
Aanbevelingen
Bijlagen
Bijlage I:
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Bijlage II:
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
Bijlage III:
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
Artikel 3 lid 1 IVRK
Literatuurlijst
Jurisprudentielijst
Voetnoten
‘6;Voor alle kinderen,
waar dan ook, wiens
belangen in het
gedrang zijn’
Mijn baby, mijn
kindje,
zo voelt het voor
mij
het was een lange
weg,
eerst klein, maar
later groeide zij
Vaak riep ze om
aandacht,
ook al was die stem
niet van haar maar
van mij
ik kon haar ook niet
laten liggen
en wachten op het
keren van de tij,
Niet altijd was het
even makkelijk,
niet altijd ging zij
de kant op die ik
voor ogen had
gelachen, gehuild,
we maakten het samen
mee,
maar er was één ding
dat ik nooit vergat:
Het is makkelijk te
kiezen
voor iets dat je
niet zo moeilijk
vindt
maar kijk in die
blik in haar ogen
die zegt:
‘wat écht telt is
het belang van het
kind’
Voorwoord
De totstandkoming
van het
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
(IVRK) begint in
1924, bij de
aanvaarding van de
Verklaring van
Genève. Na de Tweede
Wereldoorlog werd de
Universele
Verklaring van de
Rechten van de Mens
aangenomen waarin
persoonlijke
vrijheden als
politieke en sociale
rechten zijn
neergelegd. Deze
Verklaring is niet
speciaal van
toepassing op
kinderen, maar op
alle mensen. Een
Verklaring waarin
specifiek de rechten
van kinderen werden
vastgelegd kwam op
20 november 1959 tot
stand met de
aanvaarding van de
Verklaring van de
Rechten van het
Kind. Men vond
echter dat de
rechten van het kind
bindend moesten
worden
vastgelegd en op 7
februari 1978 werd
door Polen een
eerste ontwerp voor
een Verdrag inzake
de
Rechten van het Kind
ingediend. Na 11
jaar werd op 20
november 1989 door
de Algemene
Vergadering van de
Verenigde Naties het
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
aangenomen.1 Nadien
heeft Nederland het
Verdrag uitgebreid
met twee
facultatieve
protocollen. Het
ene protocol betreft
kinderen in
gewapende conflicten
en de ander heeft
betrekking op
kinderen die
verhandeld en
geëxploiteerd
worden.2 Door middel
van een facultatief
protocol wordt de
Staat, die het
protocol heeft
ondertekend,
onderworpen aan
verdergaande
verplichtingen dan
die van het IVRK. Op
twee landen na,
Somalië en de
Verenigde Staten, is
het IVRK door alle
landen ondertekend
en
geratificeerd.
Het IVRK bestaat
naast de preambule
uit 54 artikelen. De
eerste 41 artikelen
worden de materiële
rechten genoemd. De
artikelen 42 tot 45
IVRK gaan over de
rapportageverplichting
van de
Verdragsstaten en de
overige zeven
artikelen omvatten
de procedurele
voorschriften. Het
Verdrag kan
in drie delen worden
opgesplitst: de
rechten die de
voorzieningen
weergeven, de
beschermingsrechten
en de
participatierechten.
Verder bevat het
IVRK ook algemene
beginselen en
artikelen over
speciale
zorg. Eén van de
algemene beginselen
is artikel 3 lid 1
IVRK waarin “het
belang van het kind”
is
neergelegd. Het
belang van het kind
als rechtsbegrip
werd voor het eerst
genoemd in 1902 in
het
Haagse Verdrag tot
regeling van de
voogdij van
minderjarigen. Het
begrip is dus allang
geen kind
meer. Nader
onderzoek naar dit
rechtsbegrip is
echter noodzakelijk.
Het begrip is buiten
de context
van het IVRK
bejaard, binnen het
IVRK internationaal
net volwassen
geworden, maar in
Nederland is
zij nog steeds een
kind.3 Het begrip is
in ontwikkeling en
heeft ondersteuning
nodig. Deze
ondersteuning hoop
ik te kunnen bieden
met ‘Het belang van
het kind in artikel
3 IVRK:
Concretisering van
een rechtsbegrip’.
Ik heb dit stuk
geschreven
allereerst omdat ik
dit in het belang
van het kind
noodzakelijk acht,
maar daarnaast om
kinderrechtenorganisaties,
advocaten, personen
die
de belangen van
kinderen behartigen
in juridische
procedures, een
handreiking te
bieden.
Hopelijk brengt deze
scriptie “het belang
van het kind” een
stapje verder in
haar ontwikkeling
tot een
volwaardig
rechtsbegrip.
Dankwoord
Graag wil ik
iedereen bedanken
die heeft
meegeholpen aan de
totstandkoming van
deze scriptie. Voor
het lezen van de
opzet van deze
scriptie en de
praktische
toepassing van mijn
gevonden invulling
wil
ik hartelijk danken:
Stan Meuwese;
voormalig directeur
van Defence for
Children
International,
Mariëlle Bruning;
hoogleraar
jeugdrecht en jurist
bij Defence for
Children
International,
Annemieke
Wolthuis; jurist bij
de William Schikker
Groep en Margrite
Kalverboer; pedagoge
en jurist.
Met name wil ik mijn
begeleiders bedanken
die mij gedurende
het hele proces met
hun kritiek en
scherpe visie hebben
bijgestaan: mijn
begeleider vanuit de
faculteit de heer
Mansvelt Beck en
mijn
voormalig
stagebegeleidster
jurist en
orthopedagoge Carla
van Os van Defence
for Children
International.
Als laatste wil ik
alle medewerkers van
Defence for Children
International in het
bijzonder bedanken
voor het beschikbaar
stellen van een
werkplek en de
morele
ondersteuning.
Amersfoort, 10 maart
2008
Ismay Zandvliet
Lijst met
afkortingen
AC Aanmeldcentrum
ABRvS Afdeling
Bestuursrechtspraak
Raad van State
ABW Algemene
Bijstandswet
AMV Alleenstaande
Minderjarige
Vreemdeling
BW Burgerlijk
Wetboek
COA Centrum Opvang
Asielzoekers
EVRM Europees
Verdrag van de
Rechten van de Mens
EHRM Europese Hof
van de Rechten van
de Mens
HR Hoge Raad
IND Immigratie-en
Naturalisatiedienst
IVRK Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
NGO
Non-gouvernementele
Organisatie
OC Opvangcentrum
PIJ Plaatsing in een
Justitiële
Inrichting
Rv Rechtsvordering
Sr Strafrecht
Sv Strafvordering
VC
Vreemdelingencirculaire
VW Vreemdelingenwet
WHO Wereld
Gezondheidsorganisatie
WOBKA Wet Opneming
Buitenlandse
Pleegkinderen ter
Adoptie
WVV Weens Verdragen
Verdrag
Hoofdstuk 1:
Inleiding
Hoofdstuk 1:
Inleiding
§ 1.1 Inleiding
Met de komst van een
internationaal
kinderrechtenverdrag
hebben kinderen
eigen rechten
gekregen
die ingeroepen
kunnen worden. Dit
is een positieve
ontwikkeling. Een
speciaal verdrag
voor kinderen
heeft echter ook een
negatieve lading, er
is blijkbaar een
instrument nodig dat
kinderen andere
rechtsbescherming
biedt dan de
algemene
mensenrechtenverdragen.
Zo’n verdrag lijkt
in het belang
van het kind
noodzakelijk.
Ik kwam voor het
eerst in aanraking
met het IVRK tijdens
mijn stage bij de
kinderrechtenorganisatie
Defence for Children
International. Deze
stage ben ik
ingegaan met de
vraag of
rechtsregels
daadwerkelijk
effectief zijn.
Gedurende de studie
heb ik geleerd welke
rechtsregels in een
bepaalde
situatie moeten of
kunnen worden
ingeroepen. In de
praktijk blijkt dit
echter niet altijd
het gewenste
resultaat te hebben
als het gaat om het
IVRK. Vaak liet ik
mij ontmoedigen, met
name als het ging om
artikel 3 lid 1 IVRK
waarin het draait om
het belang van het
kind. Dit artikel
bepaalt:‘Bij alle
maatregelen
betreffende
kinderen, ongeacht
of deze worden
genomen door
openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn of door
rechterlijke
instanties,
bestuurlijke
autoriteiten of
wetgevende lichamen,
vormen de belangen
van het kind de
eerste overweging’.
Ik raakte
teleurgesteld
vanwege het feit dat
de hoogste
rechtscolleges in
Nederland tot nu toe
geen
rechtstreekse
werking aan artikel
3 lid 1 IVRK
toekennen, in
tegenstelling tot
sommige lagere
rechtscolleges. Door
het niet toekennen
van rechtstreekse
werking wordt het
belang van het kind
niet
vooropgesteld en
krijgt het kind
onvoldoende
rechtsbescherming.
§ 1.2 Rechtstreekse
werking van
verdragsbepalingen
Om als burger een
beroep te kunnen
doen op een
verdragsbepaling
dient deze bepaling
rechtstreekse
werking te hebben.
Artikel 94 van de
Grondwet spreekt van
een ieder
verbindende
verdragsbepaling.
Volgens artikel 93
van de Grondwet
hebben bepalingen
van verdragen en van
besluiten van
volkenrechtelijke
organisaties, die
naar haar inhoud een
ieder kunnen
verbinden, een
verbindende
kracht nadat zij
zijn bekendgemaakt.
Op basis van artikel
94 Grondwet dient
nationaal recht
opzij te
worden gezet, indien
toepassing van
nationaal recht niet
verenigbaar is met
een ieder
verbindende
bepaling van een
verdrag en van
besluiten van
volkenrechtelijke
organisaties. Als
een
verdragsbepaling
naar inhoud een
ieder verbindt dan
kan gesteld worden
dat deze
verdragsbepaling
rechtstreekse
werking heeft.
De criteria die
moeten bepalen of
een verdragsartikel
rechtstreeks werkt
zijn ontwikkeld in
het
Spoorwegstakingsarrest.4
Bij het bepalen van
rechtstreekse
werking draait het
om de inhoud van de
verdragsbepaling.
Daarbij zijn twee
elementen van
belang:
Hoofdstuk 1:
Inleiding
•
Of de
verdragsbepaling de
Nederlandse wetgever
verplicht tot het
treffen van een
nationale
regeling met een
bepaalde inhoud of
strekking;
•
Of de bepaling van
dusdanige strekking
is dat deze zonder
meer als objectief
recht in de
nationale rechtsorde
kan functioneren.
In het laatste geval
dient er sprake te
zijn van
rechtstreekse
werking, in het
eerste geval heeft
het
artikel geen
rechtstreekse
werking. Om te
bepalen of artikel 3
lid 1 IVRK
rechtstreekse
werking
toekomt dient dus
gekeken te worden
naar de aard, de
inhoud, de strekking
en de formulering
van de
verdragsbepaling.
Daarnaast zijn ook
de bedoeling van de
verdragsopstellers
van belang.
Uiteindelijk
bepaalt de rechter
of aan het artikel
rechtstreekse
werking toekomt. Hij
is niet gebonden aan
de
zienswijze van de
wetgever.5 Indien
aan een bepaling
geen rechtstreekse
werking toekomt,
betekent dit
niet dat de rechter
en de wetgever niet
gebonden zijn aan
die bepaling. De
rechter dient een
verdragsbepaling
altijd toe te passen
wanneer dit geen
strijd met nationaal
recht oplevert. Bij
afwezigheid van
rechtstreekse
werking dient dus
ook verdragsconform
gehandeld te
worden.6
§ 1.3 Rechtstreekse
werking van artikel
3 lid 1 IVRK
In haar Memorie van
Toelichting heeft de
regering artikel 3
lid 1 IVRK niet
opgenomen als een
artikel
waaraan de rechter
mogelijk
rechtstreekse
werking zal
toekennen.7 In
Nederland hebben
lagere
rechters zich in een
aantal gevallen wel
over de
rechtstreekse
werking van artikel
3 lid 1 IVRK
uitgelaten. De zaken
waarin een beroep is
gedaan op artikel 3
lid 1 IVRK zijn
schaars als het gaat
om
arresten van de Hoge
Raad. In die paar
zaken voor de Hoge
Raad, waarin een
beroep is gedaan op
artikel 3 lid 1 IVRK,
wordt niet ingegaan
op het belang van
het kind.
Rechtstreekse
werking wordt
vooralsnog door de
Hoge Raad niet
aangenomen. De Raad
van State is
explicieter in haar
weigering
om rechtstreekse
werking aan dit
artikel toe te
kennen. In meerdere
uitspraken stelt de
Raad van State
dat ‘het gewicht dat
aan het belang van
het kind in een
concreet geval moet
worden toegekend,
gelet
op haar formulering
geen norm is die
zonder nadere
uitwerking in
nationale wet-en
regelgeving door
de rechter direct
toepasbaar is’.8 De
Raad van State vindt
het belang van het
kind onvoldoende
concreet.9 Door de
hogere
rechtscolleges wordt
dus geen
rechtstreekse
werking aan artikel
3 lid 1
IVRK toegekend,
terwijl meerdere
lagere
rechtscolleges de
rechtstreekse
werking van het
artikel aannemen.
§ 1.4
Probleemstelling en
subvragen
Het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK is niet
duidelijk genoeg om
directe werking aan
te
verlenen waardoor
het begrip een
nadere concrete
invulling behoeft.
Er dient
verdragsconform te
worden gehandeld,
ook als de rechter
geen rechtstreekse
werking toekent aan
artikel 3 lid 1 IVRK.
Om
te kunnen bepalen of
daadwerkelijk
verdragsconform is
gehandeld, moet
duidelijk zijn welke
verplichtingen
artikel 3 lid 1 IVRK
met zich meebrengt.
Als duidelijk is wat
het belang van het
kind is
kan pas beoordeeld
worden of het belang
van het kind
daadwerkelijk de
eerste overweging is
geweest.
Het begrip dient
nader gepreciseerd
te worden omdat het
kind anders
onvoldoende
rechtsbescherming
geniet. De
onderzoeksvraag die
in deze scriptie
centraal staat is:
‘Wat is “het belang
van het kind” in
artikel 3 lid 1 IVRK?’
Deze
probleemstelling is
verdeeld in een
aantal subvragen die
in de hoofdstukken 2
tot en met 5
behandeld zullen
worden:
•
Hoe kan “het belang
van het kind
geïnterpreteerd
worden volgens de
verschillende
interpretatiemethoden
van het Weens
Verdragen Verdrag?;
•
Wat zijn de visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
volgens:
-Rechtsgeleerden
-Het VN
Kinderrechtencomité
-Psychologen en
pedagogen
•
Hoe verhoudt de
invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK door
rechtsgeleerden en
het VN
kinderrechtencomité
zich tot de
pedagogische
invulling?;
•
Welke invulling
krijgt het belang
van het kind in
jurisprudentie
waarin een directe
verwijzing
naar artikel 3 lid 1
IVRK wordt gemaakt?;
•
Hoe verhoudt de
uitkomst van het
jurisprudentieonderzoek,
waarin een directe
verwijzing naar
artikel 3 lid 1 IVRK
is gemaakt, zich tot
de pedagogische
invulling van het
belang van het
kind?;
•
Welke invulling
krijgt het belang
van het kind in
jurisprudentie
waarin een directe
verwijzing
naar artikel 3 lid 1
IVRK ontbreekt?;
•
Hoe verhoudt de
uitkomst van het
jurisprudentieonderzoek,
waarin een directe
verwijzing naar
artikel 3 lid 1 IVRK
ontbreekt, zich tot
de pedagogische
invulling van het
belang van het
kind?
Hoofdstuk 1:
Inleiding
§ 1.5 Opzet van de
verschillende
hoofdstukken
Mijn onderzoek
begint met de
behandeling van het
belang van het kind
door toepassing van
de
verschillende
interpretatiemethoden
die het Weens
Verdragen Verdrag
biedt. Vervolgens
zullen de
diverse visies over
het belang van het
kind uiteen worden
gezet.
Het grootste
gedeelte van het
onderzoek zal
bestaan uit een
jurisprudentieonderzoek
waarin
onderzocht wordt hoe
het belang van het
kind door rechters
wordt ingevuld. Het
jurisprudentieonderzoek
valt uiteen in twee
onderdelen:
1. De invulling van
het belang van het
kind met directe
verwijzing naar
artikel 3 lid 1 IVRK.
2. De invulling van
het belang van het
kind zonder directe
verwijzing naar
artikel 3 lid 1 IVRK.
Voor het eerste
jurisprudentieonderzoek
is gekeken naar 207
zaken waarin het
belang van het kind
is
genoemd in relatie
tot artikel 3 lid 1
IVRK. Gekeken is
naar die arresten
waarin het
rechtsbegrip
verder is
uitgewerkt. Het
tweede
jurisprudentieonderzoek
behandelt de
jurisprudentie over
het belang
van het kind binnen
de context van het
familierecht,
vreemdelingenrecht
en het
jeugdstrafrecht. Het
betreft hier de
zaken waarin een
directe verwijzing
naar het IVRK
ontbreekt, maar het
begrip wel
invulling heeft
gekregen.
De hoofdstukken 3
tot en met 5 zullen
eindigen met een
samenvoeging van de
pedagogische en de
juridische invulling
van het belang van
het kind. De
scriptie besluit met
het antwoord op de
probleemstelling en
de praktische
toepassing van de
gevonden invulling
van het belang van
het kind.
§ 1.6 Doel van de
scriptie
Om het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
invulling te geven
is in 1989 onderzoek
gedaan
door psychologen
Heiner en Bartels.
Zij stellen bij de
invulling van het
belang van het kind
de
ontwikkeling van het
kind centraal en
werken dit uit door
12
ontwikkelingsvoorwaarden
te
omschrijven. In 2006
zijn deze
ontwikkelingsvoorwaarden
geactualiseerd door
pedagogen Kalverboer
en Zijlstra. Doel
van mijn scriptie is
om de juridische
kant van de
invulling van het
belang van het
kind te onderzoeken
en tezamen met de
pedagogische
invulling tot een
voldoende duidelijke
en
onvoorwaardelijke
invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK te komen.
Gekeken
zal worden in
hoeverre de uitkomst
van het juridische
onderzoek kan worden
gecombineerd met de
pedagogische
invulling en zo tot
een praktische
toepassing van het
begrip kan worden
gekomen.
De concrete heldere
invulling moet
rechters ertoe
bewegen het belang
van het kind de
eerste
overweging te laten
zijn. Concretisering
van het begrip dient
te leiden tot het
eerder aannemen van
rechtstreekse
werking van artikel
3 lid 1 IVRK door de
rechters en
verdragsconform
handelen, zodat
de rechtsbescherming
van het kind beter
gegarandeerd wordt.
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
§ 2.1 Inleiding
Het begrip het
belang van het kind
is neergelegd in
artikel 3 lid 1 IVRK
en is een van de
kernbepalingen van
het IVRK. Het belang
van het kind is een
overkoepelend begrip
en omschrijft de
aanpak die moet
worden gevolgd bij
alle maatregelen die
kinderen
betreffen.11
Over de uitwerking
van het begrip het
belang van het kind
heerst echter
verdeeldheid, zowel
nationaal
als internationaal.
In literatuur en
jurisprudentie wordt
op verschillende
wijze invulling
gegeven aan
dit begrip, tot een
eenduidige heldere
juridische
interpretatie is het
nog niet gekomen.
De rechter wordt
door middel van het
Weens Verdragen
Verdrag (WVV) een
handvat geboden om
een
verdragsbepaling te
kunnen
interpreteren. Deze
verschillende
interpretatiemethodes
zullen dan ook aan
bod komen in dit
hoofdstuk en worden
toegepast op het
rechtsbegrip het
belang van het kind.
Voordat op deze
interpretatiemethoden
wordt ingegaan, zal
eerst gekeken worden
naar het wetsartikel
waar het belang van
het kind in staat.
§ 2.2 Het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
Volgens de tekst van
artikel 3 lid 1 IVRK
dient met het belang
van het kind
rekening te worden
gehouden bij ‘alle
maatregelen
betreffende
kinderen’. Het
artikel spreekt van
het nemen van
maatregelen en niet
van het nalaten
ervan. Het is echter
niet houdbaar om het
nalaten van actie
niet
onder artikel 3 lid
1 IVRK te laten
vallen. Op deze
manier zou de staat
niet hoeven op te
treden in
situaties waarin
kinderen mishandeld
of verwaarloosd
worden, terwijl het
in deze gevallen
duidelijk is
dat het in het
belang van het kind
is om actie te
ondernemen en de
kinderen uit deze
situatie te halen.12
Het onderdeel
‘betreffende
kinderen’ is minder
duidelijk te
interpreteren.
Opvallend is daarbij
het
gebruik van het
woord ‘kinderen’
terwijl het binnen
het begrip het
belang van het kind
om het
enkelvoud gaat. Door
het meervoud te
gebruiken heeft het
begrip een wijder
bereik dan wanneer
het
zou gaan om ‘alle
maatregelen
betreffende het
kind’.13 Het woord
“betreffende” dient
dus niet
restrictief te
worden toegepast.
Een directe relatie
tussen de
maatregelen en een
bepaald kind is in
die
zin niet nodig, ook
indirecte
maatregelen die niet
op een specifiek
kind zijn gericht
vallen onder het
artikel.14
De maatregelen
betreffende kinderen
waarbij met het
belang van het kind
rekening dient te
worden
gehouden moeten
volgens de tekst
genomen worden door
‘openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn of door
rechterlijke
instanties,
bestuurlijke
autoriteiten of
wetgevende
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
lichamen’. Het
draait hier vooral
om maatregelen
genomen door
openbare lichamen.
Gaat het om een
instelling voor
maatschappelijk
welzijn, dan heeft
het eveneens
gevolgen voor
particulieren. Een
specifieke
verwijzing naar de
ouders wordt niet
gemaakt.15 Het
begrip het belang
van het kind treffen
we echter ook aan in
artikel 18 lid 1
IVRK, doch in een
zwakkere vorm dan
artikel 3 lid 1 IVRK.
Dit
artikel schrijft
voor dat ouders de
eerste
verantwoordelijkheid
hebben voor de
ontwikkeling en het
grootbrengen van hun
kinderen. Het belang
van het kind zal hun
eerste zorg zijn.16
Via deze weg
wordt ook op de
ouders de
verplichting gelegd
het belang van het
kind in ogenschouw
te nemen.
De toepassing van
het belang van het
kind levert met name
problemen op als het
gaat om de zwaarte
die aan het begrip
gegeven dient te
worden. Welk gewicht
aan het begrip dient
te worden gegeven
blijkt uit het
laatste onderdeel
van artikel 3 lid 1
IVRK dat spreekt van
“de eerste
overweging”.
Wanneer gekeken
wordt naar de
Engelse vertaling
dan zien we een
belangrijk gevolg
door het gebruik
van lidwoorden. Naar
de Nederlandse
vertaling is het
belang van het kind
de eerste
overweging,
terwijl het volgens
de Engelse vertaling
een eerste
overweging is. Dit
houdt in dat volgens
de
interpretatie naar
de Engelse variant
met het belang van
het kind rekening
dient te worden
gehouden,
maar dat ook andere
factoren een rol
spelen.17 De
zinsnede “een eerste
overweging” in
plaats van “de
eerste overweging”
geeft aan dat het
belang van het kind
een overweging is
die prioriteit
krijgt boven
alle andere
overwegingen. Het
heeft echter niet
absolute prioriteit
ten opzichte van
andere
overwegingen.18 Uit
de travaux
préparatoires blijkt
dat de
vertegenwoordigers
van de landen van
mening waren dat ook
andere belangen dan
die van het kind
soms een gelijke rol
of zelfs een grotere
rol konden spelen.
Om deze reden wilden
de
verdragsopstellers
het artikel
flexibeler maken.
Dit hield
niet in dat zij van
mening waren dat het
belang van het kind
niet de voornaamste
overweging moest
zijn in bepaalde
omstandigheden, maar
zij wilden het
artikel een breed
toepassingsbereik
meegeven.19
Het woord “een”
volgens de Engelse
vertaling geeft
flexibiliteit mee
aan het begrip zodat
ook met
andere belangen dan
die van het kind
rekening kan worden
gehouden, dit
slechts enkel in
extreme
zaken, bijvoorbeeld
als het gaat om
medische noodzaak
van levensbelang.
Het is aan de
persoon die het
besluit genomen
heeft om aan te
tonen dat andere
overwegingen om
bepaalde redenen
zwaarder hebben
gewogen dan het
belang van het
kind.20
De Memorie van
Toelichting bij het
IVRK stelt echter
dat bij een conflict
van belangen het
belang van
het kind doorslag
hoort te geven. Dit
komt overeen met de
doelstelling van het
Verdrag.21
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
Ook het gebruik van
bijvoeglijke
naamwoorden is van
belang in de context
van het verdrag en
het
begrip. In artikel 3
lid 1 IVRK gaat het
om een eerste
overweging, terwijl
het in artikel 21
IVRK
(adoptie) gaat om de
voornaamste
overweging. Het
woord “voornaamste”
geeft aan dat het
belang
van het kind
bepalend is. Wanneer
het belang van het
kind de voornaamste
overweging is zullen
andere overwegingen
minder snel onder de
aandacht worden
gebracht. Het belang
van het kind staat
dan niet meer
bovenaan een lijst
met factoren, maar
wordt in die zin
bijna de enige
factor waar
rekening mee wordt
gehouden. De rol van
de persoon die
uiteindelijk een
maatregel
betreffende het
kind neemt heeft
daar echter wel
invloed op. Indien
het belang van het
kind de “eerste”
overweging is
wordt aan het belang
van het kind
zwaarder gewicht
toegekend dan aan
andere overwegingen
of
belangen.22 Het
belang van het kind
dient dus door alle
besluitvoerders te
worden toegepast
wanneer
het gaat om
maatregelen die
kinderen betreffen.
Het gewicht dat aan
het begrip dient te
worden
toegepast verschilt
per situatie, maar
het belang van het
kind dient altijd
een belangrijke of
een eerste
overweging te
vormen.
§ 2.3 Artikel 31 en
32 Weens Verdragen
Verdrag
Het Weens Verdragen
Verdrag (WVV) geeft
de rechter een
handvat bij de
uitleg van
verdragsbepalingen.
Het Verdrag noemt
verschillende
interpretatiemethoden.
Volgens artikel 31
lid 1
WVV moet ‘een
verdrag te goeder
trouw worden
uitgelegd
overeenkomstig de
gewone betekenis van
de termen van het
Verdrag in hun
context en in het
licht van voorwerp
en doel van het
Verdrag”. Het
gaat hier om de
grammaticale,
contextuele en
teleologische
interpretatiemethode.
Artikel 32 WVV kan
aanvullend worden
toegepast bij de
uitleg van een
verdragsbepaling.
Het artikel dient om
de betekenis
die na de toepassing
van de
interpretatiemethoden
van artikel 31 WVV
is gevonden, te
bevestigen of
de betekenis te
bepalen indien de
uitlegging, die
geschied
overeenkomstig
artikel 31 de
betekenis
dubbelzinnig of
duister laat, of
leidt tot een
resultaat dat
duidelijk ongerijmd
of onredelijk is.
Artikel 32 WVV stelt
dat ‘een beroep kan
worden gedaan op
aanvullende middelen
van uitlegging en
in het bijzonder op
de voorbereidende
werkzaamheden en de
omstandigheden
waaronder het
verdrag
is gesloten (…)’.
Hier spreekt men van
de wetshistorische
interpretatiemethode.
De vier
interpretatiemethoden
zullen in dit
hoofdstuk worden
toegepast om meer
duidelijkheid te
verkrijgen over de
invulling en
uitlegging van het
belang van het kind.
§ 2.4 De
grammaticale
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
Bij de toepassing
van de grammaticale
interpretatiemethode
dient volgens
artikel 31 lid 1 WVV
gekeken te worden
naar de gewone
betekenis van de
termen van het
verdrag. Het
woordenboek kan
uitkomst bieden bij
wat in het heersende
taalgebruik wordt
bedoeld met “het
belang van het
kind”.
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
Volgens Van Dale is
“het belang” 1.
“Iets dat iemand
raakt, doordat zijn
voordeel, zijn
voorspoed
ermee gemoeid is,
a.) erbij
geïnteresseerd zijn,
b.) er
belangstelling voor
hebben. 2. Aandeel,
participatie, er
geld in gestoken
hebben, insteken, de
situatie waarbij een
gedeelte van de
aandelen
van een nv e.d. zich
(in)direct in handen
van een groep
bloedverwanten
bevindt. 3. Wat
iemand ter
harte gaat doordat
het
nieuwsgierigheid,
weetlust, deelneming
wekt, veel
belangstelling. 4.
Waarde,
van belang zijn.”
Naast het raadplegen
van de gepubliceerde
versie van Van Dale,
heb ik ook de
online-versie
geraadpleegd. Daarin
wordt “iets dat
iemand raakt,
doordat zijn
voordeel, zijn
voorspoed ermee
gemoeid is”
omschreven als “een
zaak waaraan men
aandacht schenkt
omdat er voordeel
mee
gemoeid is=>
interesse”.
Als het gaat om het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK dan is met name
de uitleg van de
online versie
relevant en de
eerste omschrijving
van de gepubliceerde
versie. De derde en
vierde
omschrijving van de
gepubliceerde versie
laat ik daarom
achterwege. De
tweede omschrijving
leent
zich niet voor
concretisering van
het rechtsbegrip.
Er zijn twee
verschillen te
vinden als gekeken
wordt naar de
omschrijving van
“het belang” bij de
online-versie en de
gepubliceerde
versie. In de
online-versie wordt
“iets dat iemand
raakt”
omschreven als “een
zaak” en spreekt men
niet van “zijn
voordeel, zijn
voorspoed” maar over
dat “er
voordeel mee gemoeid
is”.
Bij de uitwerking
van “het belang van
het kind” wil ik
uitgaan van “een
zaak” in plaats van
“iets dat
iemand raakt” omdat
“een zaak” een meer
concrete
omschrijving is. Nu
Van Dale geen
uitwerking
geeft van het begrip
in zijn geheel,
draait het om de
vraag waar het
onderdeel “van het
kind” uit het
begrip “het belang
van het kind” dient
te worden geplaatst.
Het onderdeel “van
het kind” kan
geplaatst
worden achter “een
zaak”. Via deze weg
komen we tot de
volgende uitwerking
van het begrip: ‘het
belang van het kind
is een zaak
betreffende het
kind, waar men
aandacht aan schenkt
omdat er
voordeel mee gemoeid
is’. Dit roept
echter de vraag op
wiens voordeel er
mee gemoeid is. De
Van
Dale online-versie
stelt dat “er
voordeel mee
gemoeid” is, terwijl
de gepubliceerde
versie van “zijn
voordeel” spreekt.
Bij een niet
expliciete
verwijzing naar het
voordeel voor het
kind kan deze
uitwerking tot
misbruik van artikel
3 lid 1 IVRK leiden,
bijvoorbeeld in
omgangszaken. Een
moeder kan stellen
dat het in het
belang van het kind
is indien het kind
bij de moeder komt
wonen,
terwijl zij enkel
uit is op haar eigen
voordeel: namelijk
de omgang met haar
kind.
Voegen we beide Van
Dale omschrijvingen
samen dan is “het
belang van het
kind”: een zaak
betreffende het
kind, omdat zijn
voordeel, zijn
voorspoed ermee
gemoeid is. Het
draait dus niet om
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
voordeel voor de
moeder, de vader, de
staat of ieder ander
persoon dan wel
instelling. Bij het
nemen
van een maatregel
betreffende het kind
moet blijken dat het
kind daarbij
voordeel geniet.
In de omschrijving
die Van Dale geeft
treffen we verder
een aantal
synoniemen aan voor
“het belang”:
de gepubliceerde
versie spreekt over
“erbij
geïnteresseerd zijn
of er belangstelling
voor hebben” de
online-versie heeft
het over
“interesse”. Beide
uitwerkingen kunnen
echter tot een
verschillende
interpretatie van
“het belang van het
kind” leiden. Indien
wordt uitgegaan van
de omschrijving van
de
gepubliceerde versie
lijkt het of anderen
dan het kind
geïnteresseerd in
het kind dienen te
zijn of er
belangstelling voor
moeten hebben. Wordt
“het belang”
weggelaten en de
omschrijving van de
onlineversie
daarvoor in de
plaats gebracht dan
draait het om “de
interesse van het
kind”. Hoewel bij
het
bepalen van wat in
het belang van het
kind is vaak wordt
uitgegaan van wat
anderen denken dat
in het
belang van het kind
is, wordt met de
visie van het kind
zelf niet altijd
rekening gehouden.
De vertaling
van “de interesse
van het kind” geeft
veel eerder een
verwijzing naar het
rekening houden met
de visie
van het kind zelf.
Wat het kind vindt
dat in zijn of haar
belang is lijkt op
die manier ook mee
te tellen.
Op grond van de
grammaticale
interpretatiemethode
dient tot de
conclusie te worden
gekomen dat het
bij “het belang van
het kind” in ieder
geval draait om een
maatregel waarbij
voordeel voor het
kind
bewerkstelligd
wordt. Bij het nemen
van deze maatregel
is het noodzakelijk
dat het kind daarbij
betrokken wordt.
§ 2.5 De contextuele
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
Het WVV bevat een
uiteenzetting van
wat onder de context
van het Verdrag
dient te worden
verstaan.
Zo stelt artikel 31
lid 2 WVV: “voor de
uitlegging van een
verdrag omvat de
context, behalve de
tekst,
met inbegrip van
preambule en
bijlagen:
a.) Iedere
overeenstemming die
betrekking heeft op
het verdrag en die
bij het sluiten van
het
verdrag tussen alle
partijen is bereikt;
b.) Iedere akte
opgesteld door een
of meer partijen bij
het sluiten van het
verdrag en door de
andere partijen
erkend als
betrekking hebbende
op het verdrag”.
De preambule
behandel ik bij de
teleologische
interpretatiemethode.
Het IVRK bevat
bijlagen, deze
bieden echter geen
mogelijkheid tot
interpretatie van
het belang van het
kind.
Kijkende naar de
context van het
belang van het kind
dan geven de overige
artikelen in het
IVRK
invulling aan dit
belang. Zoals gezegd
is het belang van
het kind een
overkoepelend begrip
en op deze
wijze zouden de
overige artikelen
onder dit belang
kunnen worden
gebracht. In de
literatuur spreekt
men ook wel over de
holistische werking
van het IVRK.
Hiermee wordt
bedoeld dat alle
rechten van
even groot belang
zijn en dat elk
recht op zich en
alle rechten samen
een bijdrage leveren
aan de
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
ontwikkeling van het
kind.26 Zo is bijv.
het recht op
vrijheid van
meningsuiting in het
belang van het
kind maar dient
daarnaast ook naar
de andere rechten in
het IVRK te worden
gekeken in een
gegeven
situatie. Mijns
inziens is een
maatregel
betreffende het kind
ook niet in het
belang van het kind
indien
deze maatregel een
schending van het
IVRK oplevert.
Het belang van het
kind wordt niet
alleen in artikel 3
lid 1 IVRK genoemd,
maar komt in
meerdere
artikelen in het
IVRK naar voren. Het
begrip is terug te
vinden in artikel 9
lid 1 IVRK
(scheiding
tussen ouder en
kind), artikel 9 lid
3 IVRK (contact
tussen ouder en
kind), artikel 18
IVRK
(verantwoordelijkheid
van de ouders),
artikel 21 IVRK
(adoptie), artikel
37 sub c
(vrijheidsberoving)
en artikel 40 lid 2
IVRK
(jeugdstrafrecht).
Omdat artikel 3 lid
1 IVRK een
paraplubepaling is
en van
belang bij alle
maatregelen
betreffende kinderen
is het een algemeen
principe van het
IVRK en geldt
de interpretatie van
dit begrip bij de
toepassing van elk
artikel uit het IVRK.
Volgens artikel 31
lid 3 WVV dient
naast de context van
het verdrag ook
rekening te worden
gehouden met latere
overeenstemming
tussen partijen met
betrekking tot de
uitlegging van het
verdrag
of de toepassing van
zijn bepalingen. Na
de inwerkingtreding
van het IVRK is men
echter niet tot een
invulling van het
begrip gekomen en is
overeenstemming over
de invulling van het
begrip niet bereikt.
Om deze reden is
verdere uitwerking
van de subonderdelen
van artikel 31 lid 3
WVV overbodig en zal
buiten beschouwing
worden gelaten.
Lid 4 van artikel 31
WVV stelt daarnaast
nog dat een term in
een bijzondere
betekenis verstaan
dient
te worden als
vaststaat dat dit de
bedoeling van de
partijen is geweest.
Een bijzondere
betekenis is tot
nu toe nog niet
toegekend aan het
begrip het belang
van het kind.
§ 2.6 De
teleologische
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
Bij de teleologische
interpretatiemethode
draait het om het
doel en de strekking
van het verdrag.
Daarbij dient niet
alleen rekening te
worden gehouden met
de wil van de
verdragsopstellers,
maar ook
met de actuele
maatschappelijke
context.27 Het doel
en de strekking van
het verdrag kunnen
uit de
preambule van het
IVRK worden herleid.
De preambule
verwijst naar
eerdere verklaringen
waarin
bepaalde rechten,
ook specifiek voor
kinderen, zijn
neergelegd. Centraal
staat in de
preambule dat het
kind zich op
harmonische wijze
kan ontplooien. Er
worden een aantal
punten genoemd die
aan deze
harmonische
ontplooiing moeten
bijdragen:
•
Het gezin is de kern
van de samenleving.
•
Het kind moet
bescherming en
bijstand krijgen om
zo zijn of haar
verantwoordelijkheid
in de
maatschappij op zich
te kunnen nemen.
•
Een kind moet kunnen
opgroeien in een
sfeer van geluk,
liefde en begrip.
x
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
•
Het kind dient
tevens te worden
voorbereid op
zelfstandigheid in
de samenleving en
moet
worden opgevoed
volgens de idealen
van het VN Handvest.
•
Op grond van
lichamelijke en
geestelijke
onrijpheid heeft een
kind, zowel voor als
na de
geboorte, bijzondere
bescherming en zorg
nodig.
•
Er dient rekening te
worden gehouden met
het belang van
tradities en
culturele fenomenen
van
elk volk.
Hoewel deze punten
helder zijn, roepen
zij wel degelijk
vragen op. Het gezin
is de kern van de
samenleving, maar
wat als de sfeer van
geluk, liefde en
begrip niet aanwezig
is binnen dit gezin?
Wanneer is iets een
gezin en wie bepaalt
die sfeer van geluk,
liefde en begrip?
Verder is het in
acht
nemen van
traditionele en
culturele tradities
van belang, maar
geldt dit ook in een
geval als
meisjesbesnijdenis?
Dit zijn vragen waar
in de literatuur
veelvuldig over is
geschreven, maar
waar ook
rechters aandacht
hebben besteed.
Daarnaast is van
belang dat rekening
wordt gehouden met
de actuele
maatschappelijke
context van het
belang van het kind.
De preambule is uit
1989 en inmiddels 19
jaar oud. Gekeken
dient te worden of
het belang om zich
harmonisch te kunnen
ontwikkelen op
dezelfde wijze kan
worden
bewerkstelligd
vandaag de dag als
19 jaar geleden. De
volgende
hoofdstukken zullen
dan ook dieper
ingaan op deze
kwesties.
§ 2.7 De
wetshistorische
interpretatiemethode
en het belang van
het kind
Hoewel de uitwerking
van de
interpretatiemethoden
volgens artikel 31
lid 1 WVV wel tot
een
beknopte uitwerking
van het begrip het
belang van het kind
leidt, blijft de
betekenis nog
duister en
onvoldoende
nauwkeurig bepaald.
De wetshistorische
interpretatiemethode,
genoemd in artikel
32
WVV, zou uitkomst
kunnen bieden bij
het nader
omschrijven van het
begrip. De
wetshistorie van het
IVRK vinden we terug
in de travaux
préparatoires van
het IVRK en de
Memorie van
Toelichting van
de Goedkeuringswet
van het IVRK.
Uit de travaux
préparatoires van
artikel 3 lid 1 IVRK
blijkt dat over de
inhoud van het
belang van het
kind, in
tegenstelling tot de
andere onderdelen
van artikel 3 lid 1
IVRK, nauwelijks is
gediscussieerd.28 In
het eerste Poolse
ontwerp van het IVRK
heeft men wel
getracht om tot een
uitwerking van het
begrip te komen. In
dit ontwerp stond:
“Een kind zal
speciale bescherming
genieten, zal
mogelijkheden en
faciliteiten worden
gegeven, bij de wet
en andere manieren,
om hem in
staat te stellen
lichamelijk,
geestelijk, moreel
en sociaal in een
gezonde en op een
normale manier in
omstandigheden van
vrijheid en
waardigheid te
ontwikkelen. Bij het
uitvoeren van de wet
zal het
belang van het kind
de voornaamste
overweging zijn”.29
Deze uitwerking riep
echter de nodige
vragen
op. Zo was niet
duidelijk wat onder
‘een normale manier’
diende te worden
verstaan en wees
Nieuw-
Zeeland naar het
feit dat ‘het
belang’ nationaal
zal worden uitgelegd
in de termen van de
wet. Daarbij
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
wilde de Wereld
Gezondheidsorganisatie
(WHO)
verduidelijking van
het begrip “speciale
bescherming”. Dit
ontwerp hield
uiteindelijk geen
stand en de
uitwerking van het
begrip werd
opzijgezet.30
Tijdens één van de
sessies van de
Werkgroep ter
voorbereiding van
het IVRK, wees een
regeringsvertegenwoordiger
op het subjectieve
karakter van het
begrip. Nu het IVRK
geen bepaling
bevatte waarin stond
dat het belang van
het kind betekent:
zijn of haar
algehele, of
lichamelijke,
geestelijke,
spirituele, morele
en sociale
ontwikkeling, dienen
personen,
instellingen of
organisaties
welke te maken
hebben met
beslissingen ten
aanzien van kinderen
tot een eigen
invulling te komen
van het belang van
het kind. Deze
suggestie werd door
de andere partijen
niet overgenomen.31
Ook de Memorie van
Toelichting van de
Goedkeuringswet van
het IVRK geeft geen
duidelijkheid
over de invulling
van het begrip, maar
slechts de reden
voor de algemene
omschrijving van het
begrip.
Om het Verdrag door
zoveel mogelijk
landen te laten
ondertekenen en
ratificeren zijn
veel artikelen tot
stand gekomen op
basis van consensus.
Een groot aantal
artikelen zijn een
compromis geworden
vanwege culturele,
religieuze,
rechtssystematische
en politieke en
economische
omstandigheden die
per verdragsstaat
verschillen.32
Hieruit kan worden
afgeleid dat het
begrip het belang
van het kind om
eenzelfde reden zo
open mogelijk is
gehouden. Op deze
manier werd het
artikel door zoveel
mogelijk
landen geaccepteerd
en kan elk land haar
eigen culturele,
religieuze,
rechtssystematische,
politieke en
economische
omstandigheden
betrekken bij de
invulling van het
begrip. Deze
vrijheid zorgt er
aan de
andere kant voor dat
er internationaal,
maar ook nationaal,
geen consensus
bestaat over wat
precies
onder het belang van
het kind dient te
worden verstaan.
§ 2.8 Conclusie
De toepassing van
het belang van het
kind blijkt niet
alleen problemen op
te leveren door het
gebrek
aan een concrete
invulling van het
begrip, maar ook de
zwaarte die aan het
gewicht moet worden
toegekend zorgt voor
moeilijkheden. Het
belang van het kind
zet niet altijd alle
andere belangen
opzij,
maar dient wel bij
een conflict van
belangen voorrang te
krijgen. Indien een
ander belang
zwaarder
weegt, zal de
persoon die de
maatregel neemt
dienen aan te geven
waarom dit belang
zwaarder heeft
gewogen dan het
belang van het kind.
Na de uitwerking van
de verschillende
interpretatiemethodes
blijken de
contextuele en
teleologische
interpretatiemethode
het meest concreet
invulling te geven
aan het
rechtsbegrip. Door
toepassing van
de teleologische
interpretatiemethode
moet tot de
conclusie worden
gekomen dat het
belang van het
kind kan worden
omschreven als “zich
harmonisch kunnen
ontwikkelen”. Bij de
teleologische
interpretatiemethode
is gekeken naar het
doel van het
Verdrag, dat
neergelegd is in de
preambule. Hoe
dit doel, om zich
als kind harmonisch
te kunnen
ontwikkelen, moet
worden verwezenlijkt
blijkt uit het
Hoofdstuk 2:
Interpretatiemethoden
en het belang van
het kind
IVRK zelf. Het IVRK
is de context waarin
het belang van het
kind staat en de
rechten omschreven
in
het Verdrag moeten
bijdragen aan het
belang van het kind
om zich harmonisch
te kunnen
ontwikkeling.
Daarbij is het
rekening houden met
de wens van het kind
zelf essentieel, zo
blijkt na
toepassing van de
grammaticale
interpretatiemethode.
De volgende
hoofdstukken zullen
ingaan op de
interpretatie van
rechtsgeleerden,
psychologen,
pedagogen en
rechters van het
belang van het kind.
De problematiek ten
aanzien van het
interpreteren
van het rechtsbegrip
zal uiteen worden
gezet.
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
§ 3.1 Inleiding
Iedereen heeft wel
een visie over wat
het belang van het
kind is. Juristen,
de overheid,
hulpverleners,
psychologen,
pedagogen, filosofen
etc. De literatuur
is omvangrijk. Bij
het bespreken van de
visies
over het belang van
het kind heb ik
daarom gekozen voor
een afbakening. De
literatuur vanaf het
jaar
1989 zal besproken
worden. Dit is het
jaar waarin het IVRK
tot stand kwam. De
reden hiervoor is
gelegen in het feit
dat de literatuur
voor 1989 niet
spreekt over het
belang van het kind
in artikel 3 lid
1 IVRK. Het gaat
hier om het belang
van het kind zoals
neergelegd in o.a
het Burgerlijk
Wetboek. In
dit hoofdstuk wil ik
echter ingaan op de
betekenis die het
begrip krijgt binnen
artikel 3 lid 1
IVRK.
Ten tweede zijn
veranderende
maatschappelijke
opvattingen ook van
belang voor de
invulling van het
begrip. Was het
vijftig jaar geleden
nog vrij normaal om
je kind te slaan,
tegenwoordig is dit
verboden
en hanteert men
liever andere
manieren om het kind
te straffen. Meer
recente literatuur
geeft een beter
beeld van de
invulling van het
begrip in de huidige
tijd.
In § 3.2 zullen de
visies over het
belang van het kind
van rechtsgeleerden
worden besproken.
Eerst
zullen de problemen
die gepaard gaan bij
het bepalen van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK aan bod komen.
Daarna worden
verschillende
manieren beschreven
waarop invulling aan
het
belang van het kind
kan worden gegeven.
Afsluitend vindt
bespreking van de
invullingen van het
rechtsbegrip door
rechtsgeleerden
plaats. Ik beperk
mij tot het
onderzoeken van de
onbepaaldheid van
het begrip. Wat is
de reden van deze
onbepaaldheid, hoe
kan deze
onbepaaldheid worden
aangepakt en
wat is de invloed
van culturele
diversiteit op de
onbepaaldheid van
het begrip. Na de
visies van
rechtsgeleerden komt
de visie van het VN
kinderrechtencomité
aan bod. Afgesloten
zal worden met de
visie van
psychologen en
pedagogen op het
belang van het kind.
§ 3.2 Visie van
rechtsgeleerden
§ 3.2.1 De
onbepaaldheid van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK
Doel van deze
scriptie is het
wegnemen van de
onbepaaldheid en
vaagheid van het
begrip het belang
van het kind. Om dit
weg te nemen dient
allereerst gekeken
te worden naar de
reden voor deze
onbepaaldheid.
Doordat het belang
van het kind binnen
het recht geen vaste
concrete invulling
kent,
kan de toepassing
van dit rechtsbegrip
tot verschillende
uitkomsten in één
bepaalde zaak
leiden. Elke
uitkomst kan worden
gerechtvaardigd door
te verwijzen naar
het belang van het
kind terwijl
verschillende
rechters in dezelfde
zaak tot een andere
uitkomst komen over
wat in het belang
van het
kind is.
De Australische
rechtsgeleerde
Steven Parker stelt
dat bij
beslissingproblemen
een bepaald antwoord
in het algemeen
vereist dat de
volgende condities
worden vervuld:
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
1. Alle
mogelijkheden moeten
bekend zijn;
2. Alle uitkomsten
van alle
mogelijkheden moeten
bekend zijn;
3. De
waarschijnlijkheid
van elke mogelijke
uitkomst moet bekend
zijn;
4. De waarde die aan
elke uitkomst moet
worden toegekend
moet bekend zijn.
Als besluitvormers
anders denken over
één van deze
condities dan kan
dit tot een
verschillende
uitkomst over wat in
het belang van het
kind is leiden.
Veelal is het belang
van het kind
onbepaald
doordat
besluitvormers
verschillende
waarden hebben en
daardoor tot een
ander antwoord komen
op
de vierde vraag.33
Een oplossing voor
de onbepaaldheid van
het rechtsbegrip
moet worden gezocht
in de interactie
binnen de juridische
gemeenschap. Steven
Parker noemt dit
conventies. Deze
conventies geven aan
hoe de regel van het
belang van het kind
moet worden
toegepast. Op die
manier wordt een
deel van de
onbepaaldheid van
het begrip
weggenomen. Een
voorbeeld over
meisjesbesnijdenis
kan dit
verhelderen. In
landen waar
meisjesbesnijdenis
gewoonte is en een
traditionele
praktijk, heerst de
gedachte binnen de
landelijke
gemeenschap dat het
besnijden van een
meisje zorgt voor
sociale
integratie en een
bijdrage levert aan
het volwassen
worden. Binnen deze
landelijke
gemeenschap
wordt dus de regel
gevolgd dat het in
het belang van het
kind is om besneden
te worden.34 Parker
noemt ook een tweede
voorbeeld waarbij
invulling wordt
gegeven aan het
belang van het kind.
Dit
voorbeeld gaat
eveneens over
meisjesbesnijdenis.
Zo is men in de
wetgevende en
administratieve
gemeenschap van
Burkina Faso van
mening dat
meisjesbesnijdenis
risico’s voor de
geestelijke en
lichamelijke
gezondheid met zich
meebrengt. De
overheid past
daardoor een
conventie toe dat
het in
het belang van het
kind is dat de
gezondheid van
meisjes worden
beschermd in plaats
van het
instandhouden van
culturele
tradities.35
Een andere reden
waarom het belang
van het kind
onbepaald is kan
worden gevonden in
het
regelscepticisme.
Dit
regel-scepticisme is
afgeleid van de
filosofische
discussie over wat
het betekent om
een regel te volgen.
Zo kunnen twee
personen tot
hetzelfde antwoord
komen in een
bepaalde zaak,
waardoor het lijkt
of zij beide de
regel dat het belang
van het kind de
eerste overweging
dient te zijn
hebben gehanteerd,
maar toch allebei
een andere regel
volgen. Op deze
manier valt niet te
achterhalen
of besluitvormers
daadwerkelijk de
regel dat het belang
van het kind de
eerste overweging
dient te zijn
hebben toegepast.36
Komen twee rechters
bijvoorbeeld tot de
conclusie dat het
gezien de
stabiliteit van
de
opvoedingssituatie
noodzakelijk is om
het kind bij de
pleegouders te laten
verblijven dan lijkt
het of
beide hebben gekeken
naar het belang van
het kind, terwijl
het mogelijk is dat
één van beide naar
het
belang van de
pleegouders heeft
gekeken. Om de
onbepaaldheid door
regel-scepticisme
tegen te gaan,
moeten eerdere
voorbeelden, oftewel
precedenten, een
regel voor
regelvolgers
verklaren en
uitleggen.
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
Op deze manier kan
beter achterhaald
worden of het belang
van het kind de
eerste overweging is
geweest.37
§ 3.2.2 De
onbepaaldheid van
het belang van het
kind en culturele
invullingen
Zoals door Steven
Parker aangegeven is
het begrip het
belang van het kind
niet geheel
onbepaald
doordat er binnen de
verschillende
conventies invulling
aan het begrip wordt
gegeven. Echter,
cultureel bepaalde
invullingen zorgen
er wel voor dat het
begrip in
verschillende
culturen en landen
anders wordt
geïnterpreteerd.
Niet alleen
nationaal verschilt
men over wat in het
belang van het kind
is, maar zeker ook
internationaal mede
door culturele
overwegingen. Hoewel
het IVRK op twee
landen na38
universeel is
ondertekend en
geratificeerd,
betekent dit nog
geen universaliteit
als het gaat
om de invulling van
het belang van het
kind. Doel van deze
scriptie is niet om
tot een universele
invulling van het
belang van het kind
te komen, maar tot
een invulling die in
Nederland als
handvat
kan dienen voor
besluitvormers en
het probleem ten
aanzien van de
toepassing van het
belang van het
kind nationaal kan
verminderen. Het
probleem van
culturele
diversiteit kan
daarmee echter niet
worden omzeild, ook
in Nederland zullen
besluitvormers hier
rekening mee moeten
houden. Zo kan
een rechter
geconfronteerd
worden met een
moslimmoeder die in
Nederland haar
dochter wil laten
besnijden. Wat is in
zo’n situatie in het
belang van het kind?
Kunnen Nederlandse
rechters met
Westerse denkwijzes
legitimeren dat
andere invullingen
van het belang van
het kind, in landen
die
eveneens partij zijn
bij het IVRK, niet
in “het belang van
kind” zijn?
De Australische
rechtsgeleerde
Philip Alston is van
mening dat met
culturele
overwegingen wel
rekening kan worden
gehouden door staten
een bepaalde mate
van beleidsruimte
oftewel ‘margin of
appreciation’ te
geven. Deze margin
of appreciation is
ontwikkeld binnen de
jurisprudentie van
het
Europese Hof van de
Rechten van de Mens
(EHRM). Culturele
dimensies zijn
volgens Alston
universeel en
hiermee moet niet
alleen rekening
worden gehouden
wanneer gekeken
wordt naar niet
Westerse culturele
factoren. Culturele
factoren zijn
belangrijk om mee te
nemen bij het
bepalen van
het belang van het
kind in een bepaalde
situatie, maar deze
moeten niet worden
gezien als een
metanorm die andere
rechten opzij kan
zetten. Het belang
van het kind kan dan
ook worden ingezet
om culturele
praktijken die in
strijd zijn met de
rechten uit het IVRK
een halt toe te
roepen.39
De reden voor het
terzijde schuiven
van de invulling van
het belang van het
kind tijdens de
totstandkoming van
het IVRK, waardoor
het begrip een open
karakter heeft, kan
dan ook worden
gezocht in de
culturele
diversiteit. Juist
doordat het begrip
open is wordt landen
de mogelijkheid
geboden om culturele
factoren mee te
nemen bij het
bepalen van het
belang van het kind.
De staat
heeft daar ook de
ruimte voor, tot een
bepaalde hoogte.
Terecht merkt Alston
op dat culturele
overwegingen die
strijdig zijn met
het IVRK nooit in
het belang van het
kind kunnen worden
geacht.
Dit is een plausibel
argument. Uit
culturele
overwegingen genomen
beslissingen in het
belang
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
van het kind zijn
niet universeel,
maar de basisnormen
neergelegd in het
IVRK zijn dat wel.
Beslissingen genomen
in het belang van
het kind in het
licht van een
bepaalde culturele
overweging
dienen dus altijd in
overeenstemming te
zijn met het IVRK
zelf.
§ 3.2.3 Manieren om
tot een invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK te
komen
De Engelse
rechtsgeleerde John
Eekelaar stelt dat
er twee manieren
zijn om het belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
in te vullen. De
eerste manier
betreft een
objectief model.
Besluitvormers
richten
zich op voorwaarden
die algemeen bekend
staan in het belang
van het kind te
zijn. Dit kan
bijvoorbeeld het
belang zijn om een
sterke band met de
opvoeder te hebben
of het ideaal om met
beide
ouders contact te
hebben.40 Het tweede
model wordt
‘zelfbepaling’
genoemd en staat
kinderen toe om
deel te nemen aan
het
besluitvormingsproces.
Het feit dat een
kind zelf heeft
deelgenomen aan het
proces om tot een
antwoord te komen op
de vraag wat in het
belang van het kind
is, zorgt ervoor dat
de genomen maatregel
ook echt in het
belang van het kind
is.41 Volgens
Eekelaar is het
bepalen van
het belang van het
kind het meest
gediend indien zowel
het objectieve als
het subjectieve
model
(zelfbepaling)
worden samengevoegd.
Dit betekent dat
besluitvormers bij
het bepalen van het
belang
van het kind niet
alleen naar de
objectieve criteria
moeten kijken, maar
ook naar de wensen
van het
kind.42
Een andere manier
waarop het belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
kan worden ingevuld
is het
opstellen van een
checklist met
factoren. De
effectiviteit van
zo’n checklist staat
echter ter
discussie.
De Engelse
rechtsgeleerde
Michael Freeman is
voorstander van het
toevoegen van een
checklist met
factoren aan het
IVRK. Dit kan
besluitvormers
ondersteunen bij het
bepalen van het
belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK.43 Hij
verwijst daarbij
naar nationale
rechtssystemen die
een dergelijke
checklist hanteren,
zoals Engeland dat
doet bij de Children
Act 1989.44 Als het
gaat om de scheiding
tussen ouders en
kind hanteert de
rechtbank in
Engeland onder
sectie 1(3) van de
Children Act de
volgende
welzijns-checklist:
1. De wensen en
gevoelens van het
betreffende kind
(gezien de leeftijd
en rijpheid).
2. Zijn
lichamelijke,
emotionele en
onderwijsbehoeften.
3. Het mogelijke
effect op het kind
van de verandering
van omstandigheden.
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
4.
Zijn leeftijd,
geslacht,
achtergrond en
andere kenmerken die
volgens de rechtbank
van belang
zijn.
5.
De schade die het
kind lijdt of zal
lijden.
6.
In hoeverre de
ouders, of andere
personen ten aanzien
van wie de rechtbank
de vraag relevant
acht, in staat zijn
het kind in zijn of
haar behoeftes te
voorzien.
7.
De verschillende
machten die de
rechtbank in het
kader van de
Children Act ter
beschikking
staan ten aanzien
van de betreffende
kwestie.
Freeman voorziet wel
problemen bij het
hanteren van een
dergelijke checklist
bij het IVRK.
Overeenstemming
tussen alle
Verdragsstaten ten
aanzien van deze
factoren zou
moeilijk te
realiseren
zijn. Wel had een
verwijzing, zoals
gedaan bij de
Children Act 1989 in
de vorm van een
welzijnschecklist
, ook kunnen worden
gemaakt bij het
IVRK.45
De Engelse
rechtsgeleerde
Geraldine van Bueren
vindt een checklist
bij het IVRK, die op
elke situatie
kan worden
toegepast, haalbaar
noch praktisch.
Daarbij is het de
vraag welke waarde
aan elke factor
zal moeten worden
toegekend. Het IVRK
bepaalt namelijk
niet welk gewicht
aan elke factor moet
worden
toegeschreven.46
Een andere
mogelijkheid om tot
een invulling van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK te
komen treffen we aan
bij de Nederlandse
rechtsgeleerde De
Ruiter. Nadere
concretisering van
het
begrip moet volgens
De Ruiter worden
verkregen door het
verrichten van
systematisch
onderzoek naar
invullingen die
rechters geven aan
het belang van het
kind.47 Deze
werkwijze wordt in
deze scriptie
gehanteerd. De twee
modellen genoemd
door John Eekelaar
zullen daarbij ook
naar voren komen.
Enerzijds zullen de
objectieve criteria
worden onderzocht
binnen het
jurisprudentieonderzoek
in
hoofdstuk 4 en 5,
maar anderszijds zal
ook bekeken worden
in hoeverre rekening
wordt gehouden met
het subjectieve
element; de
zelfbepaling van het
kind.
De invulling van
pedagogen Kalverboer
en Zijlstra van het
belang van het kind
zou kunnen worden
gezien als een
nationale checklist
bij artikel 3 lid 1
IVRK. Uiteindelijk
zal deze uit
pedagogsich
onderzoek opgestelde
checklist worden
samengevoegd met de
uitkomst van het
jurisprudentieonderzoek.
§ 3.2.4 Invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK volgens
rechtsgeleerden
Zoals gezien in
hoofdstuk 2 kan
worden beredeneerd
dat het IVRK het
belang van het kind
invult.
Deze visie wordt ook
door meerdere
rechtsgeleerden
bepleit. Daarnaast
noemen enkele
rechtsgeleerden
factoren die het
belang van het kind
nader weergeven en
wordt teruggegrepen
naar de
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
voorloper van het
IVRK, de Declaratie
van de Rechten van
het Kind, om
invulling te geven
aan het
rechtsbegrip.
De Nederlandse
rechtsgeleerde Jan
Willems bespreekt in
zijn boek ‘Wie zal
de opvoeders
opvoeden?:
kindermishandeling
en het recht van het
kind op
persoonswording’
verschillende
internationale en
nationale
rechtsgeleerden die
invulling geven aan
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK.
Enkele van deze
rechtsgeleerden zal
ik hieronder
bespreken.
De meeste
rechtsgeleerden zijn
van mening dat het
IVRK invulling geeft
aan het belang van
het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK. Volgens de
eerder genoemde
Philip Alston vormt
het IVRK het
raamwerk
voor de invulling
van het
rechtsbegrip. Het
geeft normen weer
waar inmiddels 193
Verdragsstaten zich
aan verplicht
hebben. Het Verdrag
dient als een soort
wegwijzer te worden
gezien voor personen
die
het belang van het
kind trachten te
achterhalen.48 Het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK wordt
vaak behandeld in
samenhang met de
andere artikelen uit
het IVRK om een
bepaalde aanpak te
ondersteunen, te
rechtvaardigen of te
verhelderen.49 Er is
geen enkel artikel
in het IVRK waarbij
het
belang van het kind
geen rol speelt. Een
maatregel
betreffende een kind
kan volgens de
Australische
rechtendocent John
Tobin dan ook niet
in het belang van
het kind zijn
genomen wanneer deze
strijd
met één van de
rechten uit het IVRK
oplevert.50
Ook Jan Willems
neemt het IVRK als
uitgangspunt. Onder
het belang van het
kind vallen volgens
hem
het recht op
ontplooiing, fysieke
veiligheid en
leiding. Deze
rechten moeten
gerealiseerd worden
binnen de zogenaamde
Trias Pedagogica. De
Trias Pedagogica
houdt de relatie
tussen ouder, kind
en
staat in. Hiertussen
heerst een
wisselwerking, niet
alleen ouders moeten
de rechten van het
kind
verzekeren, maar ook
de staat.51
De Zuid-Afrikaanse
onderzoekster Amanda
Barratt en
rechtsgeleerde
Sandra Burman geven
factoren
weer die het belang
van het kind
bepalen. Het
grootste onderdeel
van het principe van
het belang van
het kind verschilt
per jurisdictie,
maar bevat met name
factoren als: de
wensen van het kind,
zijn of
haar lichamelijke,
emotionele en
onderwijsbehoeften,
de leeftijd en sekse
van het kind, de
mogelijkheid van de
ouders om te zorgen
voor onderwijs,
psychologische en
culturele
ontwikkeling,
de mogelijkheid van
de ouders om te
zorgen voor de
lichamelijke
behoeften van het
kind en de
emotionele band die
bestaat tussen het
kind en de ouder.52
De factoren die het
belang van het kind
bepalen zullen
volgens de eerder
aangehaalde Van
Bueren per
situatie
verschillen. De
factoren die
meegenomen moet
worden bij het
bepalen van het
belang van het
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
kind zijn in ieder
geval de mening van
het kind en die van
de familieleden van
het kind, het
tijdsgevoel
van het kind, de
behoefte aan
continuïteit, het
risico om schade op
te lopen en de
behoeften van het
kind.53
Het belang van het
kind is het
basisbelang volgens
John Eekelaar.
Hieronder valt
bijvoorbeeld
lichamelijke,
emotionele en
intellectuele zorg
en
ontwikkelingsbelangen,
om zo voorspoedig
mogelijk
volwassen te worden;
autonome belangen,
met name het hebben
van vrijheid om te
kiezen voor een
eigen levensstijl.54
Voor de invulling
van het belang van
het kind wordt ook
gekeken naar de
wetsgeschiedenis. In
de
literatuur wordt
daarbij
teruggegrepen naar
de voorloper van het
IVRK; de Declaratie
van de Rechten
van het Kind. De
Duitse
rechtsgeleerde
Joachim Wolf
verwijst naar het
tweede beginsel uit
deze
Declaratie. De
inhoud van dit
principe werd
omschreven in § 2.7.
De oorspronkelijke
invulling van het
belang van het kind,
die zou worden
toegepast in het
IVRK, wordt hiermee
aangehaald. Het gaat
bij
het belang van het
kind om de
mogelijkheid zich
lichamelijk,
geestelijk, zedelijk
en intellectueel te
ontwikkelen op een
gezonde en normale
wijze in de
omstandigheid van
vrijheid en
waardigheid.55
De Nederlandse
rechtsgeleerde Jaap
Doek verwijst
eveneens naar dit
tweede beginsel uit
de Declaratie
van de Rechten van
het Kind, maar ook
naar het zesde en
zevende beginsel.
Het zesde beginsel
stelt
dat de
verantwoordelijkheid
voor de opvoeding
van de kinderen bij
de ouders ligt en
het kind zoveel
mogelijk onder deze
verantwoordelijkheid
moet opgroeien. Een
kind moet een
opvoeding krijgen
die
zijn algemene
ontwikkeling ten
goede komt en het in
staat stelt op basis
van gelijke kansen
zijn
bekwaamheid,
persoonlijk oordeel
en gevoel voor
zedelijke en
maatschappelijke
verantwoordelijkheid
te ontwikkelen
volgens het zevende
beginsel.
Zoals ook blijkt uit
de preambule van het
IVRK, zijn deze
beginselen verder
uitgewerkt in het
IVRK
zelf. Doek vat deze
beginselen samen om
tot een invulling
van het belang van
het kind te komen.
Hieruit volgt dat
het in het belang
van het kind is om
een volledige en
harmonische
ontplooiing van
lichaam en geest te
hebben.56
Rechtsgeleerde Goos
Cardol omschrijft
het belang van het
kind als het recht
op ontwikkeling. Het
belang van het kind
draait om de
ontwikkeling van het
kind omdat de
minderjarige hierin
verschilt met
de meerderjarige.57
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
Kort samenvattend is
het belang van het
kind: ‘het zich
harmonisch kunnen
ontwikkelen’. Het
IVRK
is een richtlijn
voor de ontwikkeling
van het kind waarbij
verschillende
elementen een rol
spelen zoals
de mening van het
kind,
onderwijsbehoeften,
zorg etc.
§ 3.3 Visie van het
VN
Kinderrechtencomité
§ 3.3.1 De werkwijze
van het VN
Kinderrechtencomité
De artikelen 42 tot
en met 45 IVRK gaan
over het toezicht en
de naleving van het
IVRK. Artikel 43
IVRK bepaalt dat er
een Comité voor de
rechten van het kind
dient te worden
ingesteld. Dit is
het
zogenaamde VN
Kinderrechtencomité,
een orgaan van tien
onafhankelijke
experts die toezien
op de
implementatie van
het IVRK door de
Verdragsstaten.
Op basis van artikel
44 IVRK zijn staten
verplicht om verslag
uit te brengen over
de maatregelen die
zij hebben genomen
om de implementatie
van het IVRK te
verwezenlijken.
Staten dienen twee
jaar na
toetreding tot het
IVRK hun eerste
rapport uit te
brengen, daarna elke
vijf jaar. Ook
gespecialiseerde
organisaties, het
Kinderrechtenfonds,
de Verenigde Naties
en andere bevoegde
instellingen
waaronder
non-gouvernementele
organisaties (NGO’s)
brengen rapporten
uit over de
toepassing van het
Verdrag
op grond van artikel
45 sub a IVRK.
Het
Kinderrechtencomité
onderzoekt elk
rapport en geeft
vervolgens
aanbevelingen.58
Deze
aanbevelingen staan
in de concluding
observations en
dienen de
implementatie van
het IVRK te
bevorderen. In deze
aanbevelingen worden
de positieve
aspecten van een
land als het gaat om
de
implementatie van
het IVRK omschreven,
maar worden eveneens
punten voor
verbetering gegeven.
Naast concluding
observations brengt
het Comité ook
general comments en
general
recommendations
uit. Een general
comment is de
interpretatie van
een bepaald artikel
uit het IVRK door
het Comité.59
Eén keer per jaar
houdt het Comité a
day of general
discussion. A day of
general discussion
is een dag
waarop de betekenis
en de inhoud van het
Verdrag in relatie
tot specifieke
onderwerpen verder
wordt
uitgediept.60 Deze
themadagen kunnen
leiden tot verder
onderzoek, maar
kunnen ook de basis
zijn
voor het
interpreteren van de
artikelen uit het
Verdrag. Aan de hand
van deze day of
general
discussion worden
general
recommendations
uitgebracht.61
General
recommendations zijn
in
tegenstelling tot
concluding
observations
algemene
aanbevelingen naar
aanleiding van een
themadag
over een specifiek
kinderenrechtelijk
onderwerp.
Om de visie van het
Comité over het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK te achterhalen
ben ik
de concluding
observations,
general comments en
general
recommendations van
het Comité
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
nagelopen. In veel
rapporten wordt het
belang van het kind
niet eens genoemd.
De concluding
observations die het
Comité heeft
uitgebracht na de
twee statenrapporten
van Nederland
spreken
weinig over het
belang van het kind.
In de meeste andere
rapporten waarin het
Comité zich uit laat
over het belang van
het kind stelt het
Comité dat de staat
het principe van het
belang van het kind
nog
niet voldoende heeft
geïmplementeerd in
haar beleid en
programma’s evenals
in haar
administratieve
en juridische
beslissingen.62 Een
enkele keer gaat het
Comité dieper in op
de invulling van het
begrip.
De visie uit die
concluding
observations zal in
de volgende
paragraaf worden
behandeld.
Hoewel er nog geen
general comments en
general
recommendations zijn
uitgebracht over
artikel 3
(lid1) IVRK kunnen
deze wel degelijk
bijdragen aan de
visie die het
Kinderrechtencomité
heeft over
het belang van het
kind. Uit de general
comments over de
andere artikelen van
het IVRK kan
informatie worden
gehaald voor het
interpreteren van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK.
Nu het belang van
het kind de
paraplubepaling is
van het IVRK dient
bij de implementatie
van ieder
artikel uit het IVRK
rekening gehouden te
worden met het
belang van het kind.
De general
recommendations
kunnen weinig
toevoegen aan de
invulling van het
belang van het kind
en zijn niet
verwerkt in de visie
van het Comité.
§ 3.3.2 Het belang
van het kind volgens
het VN
Kinderrechtencomité
De regel van het
vooropstellen van
het belang van het
kind vereist dat de
overheid, het
parlement en de
rechterlijke macht
actief optreden.
Elke wetgever,
bestuurlijke
autoriteit of
rechterlijke
instantie is
verplicht het
principe van het
belang van het kind
toe te passen door
te kijken in
hoeverre
kinderrechten en
belangen getroffen
zullen worden door
de beslissingen en
maatregelen die zij
nemen.63 De
ontwikkelende
vermogens van het
kind dienen daarbij
te worden
meegewogen.64 Een
verwijzing naar de
ontwikkelende
vermogens van het
kind wordt ook in
artikel 5 IVRK
(eerbiedigen
van gezag over het
kind) gemaakt. Het
belang van het kind
speelt uiteraard een
rol wanneer de wet,
het
beleid, de
maatregelen of de
rechterlijke
beslissing het kind
direct betreffen,
(zoals
gezondheidsdiensten,
zorg en school) maar
ook indirect
(bijvoorbeeld bij
huisvesting of
transport).65
Volgens het Comité
moet de
interpretatie van
het belang van het
kind in
overeenstemming zijn
met het
hele Verdrag.
Bepaalde praktijken,
zoals lijfstraffen
en andere vormen van
inhumane
behandelingen,
kunnen niet
gerechtvaardigd
worden met een
beroep op het belang
van het kind, omdat
zij in strijd zijn
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
met de menselijke
waardigheid van een
kind en het recht op
lichamelijke
integriteit.66 Dit
volgt
eveneens uit de
artikelen 19
(maatregelen tegen
geweld,
verwaarlozing en
misbruik), 27
(toereikende
levensstandaard) en
28 lid 2 IVRK
(maatregelen om te
verzekeren dat de
discipline op
scholen
verenigbaar is met
de menselijke
waardigheid van het
kind). Wanneer het
gaat om kinderen als
daders,
dient onderdrukking
en genoegdoening
opzij te worden
gezet voor
reclassering en
herstel om het
belang van het kind
te beschermen.67
Bij invulling van
het belang van het
kind moet niet
alleen gekeken
worden naar de
mening van de
ouders. Overleg met
de kinderen is nodig
om te kunnen bepalen
wat in het belang
van het kind is.68
Het belang van het
kind wordt niet
altijd voldoende
gerespecteerd, omdat
kinderen niet worden
gezien
als personen die
rechten hebben. De
rechten van het kind
worden vaak
ondermijnd door de
belangen
van volwassenen.69
Kinderen zijn echter
rechtssubjecten.70
Het Comité haalt
hier in feite
artikel 12 lid 1
IVRK aan. In dit
artikel is
vastgelegd dat
kinderen die in
staat zijn hun eigen
mening te vormen,
het recht hebben
deze
vrijelijk te uiten
in alle
aangelegenheden die
kinderen betreffen.
Aan de mening van
het kind wordt
passend belang
gehecht in
overeenstemming met
zijn of haar
leeftijd en
rijpheid. Door
toepassing van
de grammaticale
interpretatiemethode,
uitgewerkt in § 2.4,
kon tot de conclusie
worden gekomen dat
een genomen
maatregel in het
belang van het kind
is genomen wanneer
deze in het voordeel
van het
kind is en niet dat
van de ouders. Juist
door te luisteren
naar de mening van
het kind kan pas
echt recht
worden gedaan aan
het belang van het
kind.
Behalve de
concluding
observations van
Nederland, heb ik
ook naar de
concluding
observations van
de 192 overige
Verdragsstaten
gekeken waardoor
iets over de invloed
van culturele
tradities en
fenomenen op de
interpretatie van
het belang van het
kind kan worden
gezegd. In een
aantal gevallen
is het Comité
bezorgd om het feit
dat lokale gewoonten
en tradities
verhinderen dat het
belang van het
kind wordt
geïmplementeerd.
Lokale leiders
moeten zich soms nog
beter realiseren hoe
belangrijk het
is dat het belang
van het kind voorop
staat, zo blijkt
onder andere uit de
concluding
observations van
Yemen.71 Net als
meerdere
rechtsgeleerden is
het VN
Kinderrechtencomité
van mening dat een
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
maatregel genomen in
het belang van het
kind in
overeenstemming
dient te zijn met
het hele Verdrag.
Deze zienswijze
ondersteunt de visie
van Philip Alston op
het belang van het
kind en culturele
tradities zoals
meisjesbesnijdenis.
Er dient respect te
zijn voor
traditionele en
lokale praktijken
maar
niet zolang deze
strijd met het IVRK
opleveren.
Een specifieke
verwijzing kan hier
naar artikel 24 lid
3 IVRK gemaakt
worden. Hierin is
bepaald dat
staten doeltreffende
en passende
maatregelen nemen
teneinde
traditionele
gebruiken die
schadelijk zijn
voor de gezondheid
van kinderen af te
schaffen.
§ 3.4 De visie van
psychologen en
pedagogen
§ 3.4.1 Werkwijze
van psychologen en
pedagogen
Het IVRK is een
Verdrag dat naast
juridische aspecten
vooral doordrenkt is
met psychologische
en
pedagogische
elementen.
Psychologisch en
pedagogisch
onderzoek is daarom
van belang om het
belang van het kind
nader te kunnen
concretiseren.
In het jaar dat het
IVRK tot stand kwam
is men gekomen tot
een invulling van
het belang van het
kind.
Dit onderzoek is
opgesteld vanuit
psychologisch
perspectief.
Psychologen en
gedragstherapeuten
drs.
J. Heiner en dr.
A.A.J. Bartels
hebben in 1989 een
schema opgesteld
waarin twaalf
condities
omschreven staan
voor de optimale
ontwikkeling van het
kind. De uitkomst
van het onderzoek
heeft
zijn focus op de
toepassing binnen
het
jeugdstrafrechtelijke
kader, maar de
invulling kan
volgens
Heiner en Bartels
ook in
civielrechtelijke
zin als richtlijn
dienen.72 Bij het
opstellen van de
criteria van
het belang van het
kind hebben Heiner
en Bartels de
ontwikkeling van het
kind centraal
gesteld. De
uitkomst van de
invulling van het
belang van het kind
komt voort uit
ervaringen die
Heiner en Bartels
hebben opgedaan in
hun werk met
jeugdigen en door
onderzoek en
theorie-vorming in
de kinder-en
jeugdpsychiatrie.
In 2006 besloten
pedagogen Margrite
Kalverboer en
Elianne Zijlstra om
het schema van
Heiner en
Bartels, dat
inmiddels al 17 jaar
oud was, te
actualiseren vanuit
pedagogisch oogpunt.
De actualisatie
van het schema vond
plaats door middel
van een pedagogische
literatuurstudie. De
condities zijn
alleen daar
aangepast waar het
niet meer in
overeenstemming was
met de recente
literatuur.73
Kalverboer en
Zijlsta hebben niet
alleen gekeken naar
de inhoud van de
condities voor een
optimale
ontwikkeling die in
“het belang zijn van
het kind” zijn, maar
ook of de opzet en
structuur nog
actueel,
bruikbaar en
inzichtelijk zijn.74
Dit onderzoek heeft
geresulteerd in een
schema met veertien
ontwikkelingsvoorwaarden.
Volgens
Kalverboer&Zijlstra
kunnen deze veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
gekoppeld worden aan
rechten uit het
IVRK. Om tot een
praktische
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
toepassing van het
belang van het kind
te komen hebben zij
naast de veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
ook een vragenlijst
opgesteld die
besluitvormers moet
helpen het belang
van het kind nader
te concretiseren.75
Bij het bepalen van
het belang van het
kind in een gegeven
zaak
wordt uitgegaan van
de vier algemene
rechten in het IVRK,
te weten artikelen
2, 3 lid 1, 6 lid 2
en 12
IVRK. Deze vier
artikelen vormen het
besluitvormingskader.
In artikel 6 lid 2
wordt het recht op
ontwikkeling
genoemd. Voor de
ontwikkeling van het
kind is het echter
allereerst van
belang dat het
kind zelf wordt
gevraagd naar zijn
of haar visie op
welk besluit het
meest in diens
ontwikkelingsbelang
is. Als laatste
wordt artikel 2 IVRK
bij het
besluitvormingsproces
betrokken
omdat besluitvormers
elk kind gelijk
dienen te
behandelen.
Uitgaande van het
besluitvormingskader
worden vervolgens
alle veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
langs gelopen. Deze
veertien voorwaarden
worden ieder bekeken
in het licht van
drie situaties: 1.
verwachting
voortzetting huidige
situatie 2.
Verwachting
verblijfplaats X 3.
Verwachting
verblijfplaats Y.
Bij elke situatie
moet worden ingevuld
of de
ontwikkelingsvoorwaarde
goed,
voldoende, matig of
onvoldoende aanwezig
zal zijn. Vervolgens
wordt bekeken welk
artikel uit het
IVRK bij de
desbetreffende
ontwikkelingsvoorwaarde
hoort. Bij elke
ontwikkelingsvoorwaarde
worden daarnaast één
of meerdere vragen
gesteld waarop de
besluitvormer
antwoord dient te
geven.76
Na deze vragenlijst,
die bestaat uit 24
vragen, dient de
besluitvormer tot
een antwoord te
komen op de
vraag welke situatie
het meest het belang
van het kind zal
dienen.
§ 3.4.2 Het belang
van het kind volgens
psychologen en
pedagogen
Vanuit psychologisch
perspectief stellen
Heiner en Bartels
dat een omgeving die
voorziet in de
behoeften van het
kind, waarin het
zich kan ontwikkelen
naar eigen aanleg en
mogelijkheden en die
het kind helpt bij
het verkrijgen van
sociale competentie,
in het belang van
het kind is. Indien
hieraan
tegemoet wordt
gekomen kan men
volgens sociaal
wetenschappelijk
onderzoek spreken
van een
optimale
ontwikkeling en is
de kans op
psychologische-,
psychosociale-,
gedragsproblemen of
delinquentie het
kleinst. Om zich
optimaal te kunnen
ontwikkelen dient
aan een aantal
basisvoorwaarden te
worden voldaan.77
Deze
basisvoorwaarden of
condities voor
optimale
ontwikkeling geven
invulling aan het
belang van het kind.
Op een aantal punten
verschilt het schema
van Kalverboer en
Zijlstra met dat van
Heiner en Bartels.
Ten eerste is er in
het schema van
Kalverboer en
Zijlstra één
ontwikkelingsvoorwaarde
bijgekomen en
twee zijn er
aangepast. De
oorspronkelijke
ontwikkelingsvoorwaarde
“continuïteit en
stabiliteit” is
opsplitst terwijl de
conditie
“geborgenheid, steun
en begrip” is
vertaald tot
“affectief klimaat”.
De
ontwikkelingsvoorwaarde
“sociaal netwerk” is
toegevoegd aan het
schema. De
toevoeging van de
conditie “sociaal
netwerk” heeft als
reden dat het de
afgrenzing van de
voorwaarden moet
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
verbeteren.78 Ten
tweede is het model
met
ontwikkelingsvoorwaarden
opgedeeld in vier
niveaus:
fysiek welzijn,
opvoeding, actuele
situatie en toekomst
en verleden. Ook dit
moet een duidelijke
afbakening
bevorderen.
Kalverboer en
Zijlstra zijn
daarbij van mening
dat bepaalde
ontwikkelingsvoorwaarden
binnen het gezin
verwezenlijkt moeten
worden en anderen
daarbuiten.
Sommige condities
dienen zowel in de
samenleving als in
het gezin aanwezig
te zijn. Welke
punten in
welke situatie
gerealiseerd dienen
te worden komt tot
uiting in het
schema. Ten derde is
het element
tijd een belangrijke
voorwaarde binnen de
ontwikkelingsvoorwaarden.
Het is bepalend voor
de
ontwikkeling van het
kind of de
voorwaarden voor
korte of lange tijd
aanwezig zijn in het
leven van
het kind. Als
laatste is één van
de
ontwikkelingsvoorwaarden
van Heiner en
Bartels verwijderd.
Het
begrip “veiligheid”
is volgens
Kalverboer en
Zijlstra niet één
van de condities
waar rekening mee
dient te worden
gehouden. Volgens
Heiner en Bartels is
veiligheid aanwezig
wanneer aan een
aantal
voorwaarden is
voldaan, Kalverboer
en Zijlstra stellen
echter dat alle
ontwikkelingsvoorwaarden
gerealiseerd dienen
te worden wil er
sprake zijn van
veiligheid.79
In het onderstaande
schema zijn zowel de
uitkomst van het
onderzoek van Heiner
en Bartels als die
van Kalverboer en
Zijlstra opgenomen.
Voor het verdere
verloop van mijn
onderzoek zal ik
uitgaan
van de veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
van Kalverboer en
Zijlstra nu deze het
meest actueel zijn.
Voorwaarden voor
ontwikkeling als
invulling van het
belang van het kind
Heiner & Bartels
Kalverboer &
Zijlstra
Ontwikkelingsvoorwaarden
in het
gezin
Fysiek welbevinden
1. Adequate
verzorging
Zorg voor de
gezondheid en
fysieke aspecten als
het verschaffen van
de benodigde ruimte,
verwarming, kleding,
persoonlijke
eigendom,
voeding, inkomen
etc.
Zorg voor gezondheid
en fysiek
welbevinden, zoals
het bieden van
ruimte,
verwarming, kleding,
persoonlijk
eigendom,
voeding, inkomen
enz. passend bij het
kind.
Daarnaast ervaren de
ouders geen zorgen
met betrekking tot
deze conditie.
2. Veilig, fysieke
directe omgeving
Een ongevaarlijke
woning. Rondom de
woning
bestaan geen te
gevaarlijke
situaties. Het kind
wordt niet bedreigd
door toxische
stoffen.
Een veilige fysieke
directe omgeving
biedt
lichamelijke
bescherming aan het
kind.
Afwezigheid van
gevaar in de woning
en
omgeving,
afwezigheid van
bedreigende
toxische invloeden,
afwezigheid van
mishandeling en
afwezigheid van
geweld in
de directe omgeving
van het kind.
Opvoeding
3. Affectief klimaat
De
ontwikkelingsvoorwaarde
van
Heiner&Bartels was:
geborgenheid, steun
en
begrip. Dit hield in
dat het kind
geborgenheid,
steun en begrip van
tenminste één
volwassene
krijgt, bij voorkeur
de verzorger.
Geborgenheid, steun
en begrip vanuit de
omgeving, passend
bij het kind en tot
uiting
komend in de relatie
die het kind met
zijn
ouder heeft.
4. Een
ondersteunende
Dit houdt o.a. in:
a. Een zekere
regelmaat in het
leven van alledag.
-Voldoende regelmaat
in het leven van
alledag.
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
flexibele
b.
Aanmoediging en
stimulering.
-Aanmoediging,
stimulering, geven
van
opvoedingsstruc
c.
Het stellen van
realistische eisen.
instructie en het
stellen van
realistische
tuur
d. Het stellen
van grenzen en het
geven van
regels.
e. Het geven van
inzicht en
argumenten voor de
gestelde eisen,
grenzen en regels.
f. Het voldoende
ruimte laten aan het
kind voor
eigen wensen, en
voldoende vrijheid
voor eigen
initiatief en
experimenteren;
alsook de
mogelijkheid om over
de structuur te
(leren)
onderhandelen.
g. Het kind krijgt
niet meer
verantwoordelijkheid
te dragen dan het
aankan en ervaart
binnen die
begrenzing de
gevolgen van zijn
gedrag. Op deze
manier leert het
kind die gevolgen
voorzien en
anticiperen, en zijn
gedrag afwegen en
afstemmen op de
situatie en
mogelijkheden.
eisen.
-Stellen van
grenzen, geven van
regels,
geven van inzicht in
en argumenten voor
gestelde grenzen en
regels.
-Uitoefenen van
controle op het
kind.
-Voldoende ruimte
laten aan het kind
voor
eigen wensen en
vrijheid voor eigen
initiatief
en experimenteren,
evenals de vrijheid
om
over de structuur te
onderhandelen.
-Kind krijgt niet
meer
verantwoordelijkheid
dan hij aankan en
ervaart binnen die
begrenzing de
gevolgen van zijn
gedrag,
leert de gevolgen in
te schatten en zijn
gedrag af te wegen.
5. Adequaat Het kind
komt in contact met
andere kinderen en
Het kind neemt
gedrag, optreden,
waarden
voorbeeldgedrag
volwassenen, van wie
het gedrag, optreden
en en normen van
zijn ouders over die
nu en
ouder normen kan
overnemen en zich
eigen kan maken,
die voor hem nu en
waarschijnlijk later
van
belang zijn.
later van belang
zijn.
6. Interesse
Interesse in de
jeugdige, in zijn
leefwereld en
persoon, bij
voorkeur van de
verzorger.
Het tonen van
belangstelling voor
het kind
en zijn leefwereld
door de ouder.
Toekomst en verleden
7. Continuïteit in
a.
Levensomstandigheden:
omgeving verandert
Een ouder verzorgt
het kind en voedt
het op
de opvoeding en niet
onvoorzien en
plotseling en
optredende waardoor
hechting ontstaat.
Het
verzorging,
veranderingen komen
niet onaangekondigd.
Voor basisvertrouwen
dat ontstaat wordt
in stand
toekomstperspectief
het kind is
duidelijk waarom
verandering
geschiedt. Bij
veranderingen
ervaart het kind dat
met zijn wensen
zoveel mogelijk
rekening
gehouden door de
beschikbaarheid van
de
ouder. Het kind
ervaart
toekomstperspectief.
gehouden wordt. Het
kind heeft binnen de
grenzen van het
redelijke de
mogelijkheid zelf
veranderingen in te
voeren.
b. Verzorging: een
verzorger blijft zo
lang voor
het kind zorgen dat
er voldoende
hechting kan
optreden. Bij het
wisselen van
verzorger(s) gaat
de overgang niet
abrupt.
c. Voortzetting van
een gunstige
ontwikkeling:
wanneer dit mogelijk
is worden gunstige
of
potentieel gunstige
voorwaarden voor
ontwikkeling
voortgezet, zoals
het niet afbreken
van een gunstige
relatie met
betekenisvolle
personen uit de
omgeving, van werk
of een
opleiding.
Ontwikkelingsvoorwaarden
in de
samenleving
Actuele situatie
8. Een veilige
Veiligheid is een
basale Een veilige
fysieke wijdere
omgeving biedt
fysieke wijdere
ontwikkelingsvoorwaarde
en levensbehoefte.
Zijn lichamelijke
bescherming aan het
kind. De
omgeving aan de
eerste zeven
voorwaarden voldaan
dan is
volgens
Heiner&Bartels
sprake van
veiligheid.
Veiligheid kan ook
omschreven worden
als: de
behoefte aan een
volwassene die
overzicht en
structuur brengt in
het leven van het
kind,
waardoor angst
verminderd en
continuïteit en
stabiliteit wordt
veroorzaakt en het
kind
voldoende ruimte
geeft voor eigen
wensen.
buurt waarin het
kind opgroeit is
veilig
evenals de
samenleving.
Criminaliteit,
oorlogen,
natuurrampen,
besmettelijke
ziekten enz. zijn er
niet.
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
9. Respect De
behoeften, wensen,
gevoelens en
verlangens
van de jeugdige
worden serieus
genomen. In
ieder geval door de
verzorger(s) maar
wenselijk
is het indien dit
ook door anderen
waarmee de
jeugdige omgaat, dit
tonen.
De behoeften,
wensen, gevoelens en
verlangens van het
kind worden serieus
genomen door de
omgeving waarop hij
een
beroep kan doen.
10. Sociaal netwerk
Het kind (gezin)
heeft diverse
steunbronnen in
zijn omgeving waarop
hij een beroep kan
doen.
11. Educatie
Kinderen en jongeren
dienen scholing en
opleiding te krijgen
evenals de
gelegenheid tot
het ontplooien van
talenten.
Idem als Heiner &
Bartels.
12. Omgang met
Omgang met
leeftijdsgenoten in
gevarieerde Het kind
heeft omgang met
andere kinderen
leeftijdsgenoten
situaties. in
gevarieerde
situaties passend
bij de
belevingswereld en
het
ontwikkelingsniveau
van het kind.
13. Adequaat Het
kind komt in contact
met andere
voorbeeldgedrag
kinderen en
volwassenen van wie
hij gedrag,
samenleving
optreden, waarden en
normen kan
overnemen die voor
hem nu en later van
belang zijn.
Toekomst en
verleden
14. Stabiliteit in
De omgeving
verandert niet
onvoorzien en
levensomstandigh
plotseling.
Optredende
veranderingen komen
eden, aangekondigd
en zijn inzichtelijk
voor het
toekomstperspectief
kind.
Identificatiefiguren
en steunbronnen
blijven bestaan,
evenals de
mogelijkheid tot
het aangaan van
relaties door
eenheid van
taal. De samenleving
biedt het kind een
toekomstperspectief.
§ 3.5 Samenvoeging
pedagogische en
juridische visie
Het belang van het
kind is gediend met
een zo gunstig
mogelijke
ontwikkeling, dit
volgt uit
psychologisch en
pedagogisch
onderzoek. De
rechtsgeleerden
spreken van een
harmonische
ontwikkeling. Deze
harmonische
ontwikkeling komt
ook naar voren als
gekeken wordt naar
het doel
van het IVRK zoals
omschreven in de
preambule. Het nemen
van een maatregel
betreffende het kind
dient gericht te
zijn op de
harmonische
ontwikkeling van het
kind. Deze
omschrijving is
echter
dermate breed dat
deze eveneens
invulling behoeft.
Kalverboer en
Zijlstra geven hier
invulling aan
door te wijzen op
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden.
Op basis van het
juridische
literatuuronderzoek
en de contextuele
interpretatiemethode
dient tot de
conclusie te worden
gekomen dat het IVRK
“het belang van het
kind om zich
harmonisch te kunnen
ontwikkelen” invult.
Het IVRK kan worden
gezien als een
juridisch instrument
dat de ontwikkeling,
de ontwikkelende
vermogens en de
competentie van het
kind promoot. Naast
artikel 3 lid 1 IVRK
is
een tweede algemene
bepaling van het
verdrag artikel 6
lid 2 IVRK. Hierin
is het recht op
ontwikkeling vervat.
Bepaald wordt dat
staten in de ruimst
mogelijke mate de
mogelijkheden tot
overleven en de
ontwikkeling van het
kind moeten
waarborgen. Een
specifiek recht voor
het kind om
zich te kunnen
ontwikkelen wordt
hiermee erkend. Alle
andere rechten uit
het IVRK dienen een
bijdrage te leveren
aan de ontwikkeling
van het kind.
Hoofdstuk 3: Visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
§ 3.6 Conclusie
Het probleem bij het
bepalen van het
belang van het kind
is gelegen in de
onbepaaldheid van
het
begrip. Toch zijn er
argumenten om de
onbepaaldheid van
het begrip van de
hand te wijzen.
Binnen de
verschillende
‘conventies’ wordt
invulling gegeven
aan het belang van
het kind en
precedenten kunnen
als voorbeeld
dienen. Er zijn
daarnaast diverse
methodes waarop
invulling kan worden
gegeven aan
het belang van het
kind. De in deze
scriptie gehanteerde
methode, onderzoek
naar de invullingen
van
rechters, komt
overeen met de visie
van De Ruyter.
Kijkende naar de
verschillende visies
over het belang van
het kind komt men
tot het oordeel dat
het
IVRK invulling geeft
aan het belang van
het kind en dat de
wens van het kind
met name van belang
is
bij het nemen van
maatregelen
betreffende
kinderen.
Psychologen en
pedagogen gaan uit
van een zo gunstig
mogelijke
ontwikkeling bij de
vraag wat het
belang van het kind
is. Op de
ontwikkeling van het
kind dient het IVRK
eveneens gericht te
zijn. Het
IVRK en de veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
van Kalverboer en
Zijlstra zouden op
basis van de
uitkomst van deze
eerste twee
hoofdstukken bij
moeten dragen aan de
ontwikkeling van het
kind en
daardoor in het
belang van het kind
zijn. Om te bepalen
of het IVRK het
belang van het kind
daadwerkelijk invult
en tezamen met de
pedagogische
invulling tot een
concrete
omschrijving van het
rechtsbegrip wordt
gekomen, komt in het
volgende hoofdstuk
het eerste
jurisprudentieonderzoek
aan
de orde. In dit
jurisprudentieonderzoek
staan uitspraken
over artikel 3 lid 1
IVRK centraal.
Bekeken
zal worden in
hoeverre rechters
zich laten leiden
door het IVRK zelf
bij het bepalen van
het belang
van het kind.
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
Hoofdstuk 4: Het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
§ 4.1 Inleiding
Uit de teleologische
interpretatiemethode,
de visie van
rechtsgeleerden,
psychologen en
pedagogen
volgt dat het belang
van het kind een
harmonische of een
zo optimaal
mogelijke
ontwikkeling is. Ook
rechters verwijzen
naar het belang van
ontwikkeling.80 Hoe
het belang om zich
harmonisch of zo
optimaal mogelijk te
kunnen ontwikkelen
moet worden ingevuld
volgt eveneens uit
het
literatuuronderzoek.
Op basis van het
literatuuronderzoek
en kijkende naar de
context van het
rechtsbegrip dient
tot de conclusie te
worden gekomen dat
het IVRK het belang
van het kind in
artikel
3 lid 1 IVRK invult.
Om de werkbaarheid
hiervan te
onderzoeken en de
legitimatie voor
deze
zienswijze te kunnen
bevestigen zal in
dit hoofdstuk worden
gekeken naar
jurisprudentie van
rechters
die invulling geven
aan het belang van
het kind.
In dit hoofdstuk is
onderzoek verricht
naar 207 zaken
waarin artikel 3 lid
1 IVRK wordt
genoemd.
Van deze 207 zaken
zijn er 60 waarin de
rechter in gaat op
de invulling van het
belang van het kind.
In
46 van deze 60 zaken
wordt het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK
gekoppeld aan een
andere
IVRK-bepaling, om zo
tot een invulling
van het belang van
het kind te komen.
In dit hoofdstuk zal
een uiteenzetting
van de verschillende
belangen aan de orde
komen. In de zaken
waarin het belang
van het kind wordt
gekoppeld aan het
IVRK wordt gekeken
op welke manier dit
belang wordt
afgeleid uit het
IVRK. Bij de
invullingen waar
geen verwijzing naar
één van de andere
rechten uit het IVRK
wordt gemaakt zal
worden bekeken of
een koppeling naar
het IVRK eveneens
kan worden gemaakt
of dat de rechter op
een andere manier
invulling geeft aan
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK.
§ 4.2 Het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK in
samenhang met andere
artikelen in het
IVRK
§ 4.2.1 Het belang
om zekerheid te
hebben omtrent de
afstamming en door
de ouders te worden
verzorgd
Uit de wet volgt dat
gezamenlijk gezag na
echtscheiding in
beginsel in het
belang van het kind
is.81 In
een zaak over het
toekennen van gezag
verwees de rechter
naar het belang van
het kind in artikel
(r.o. 2) verwijst de
rechter naar het
belang van het kind
in de desbetreffende
zaak en heeft het
over het recht op
een optimale
persoonsvorming. In
rechtbank Zwolle 26
januari 2005, LJN:
AS5309 bepaalde de
rechter dat uit
artikel 3 lid 1 IVRK
en de andere
bepalingen uit het
Verdrag kan worden
afgeleid dat het
ontwikkelingsbelang
van het kind als
uitgangspunt moet
worden genomen.
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
3 lid 1 IVRK bij de
vraag of het belang
van het kind zich
tegen voortzetting
van gezamenlijk
gezag
verzet. De rechter
betrekt daarbij
artikel 7 lid 1
IVRK. Dit artikel
bepaalt dat het kind
onmiddellijk na
de geboorte wordt
ingeschreven en
vanaf de geboorte
recht heeft op naam,
het recht een
nationaliteit te
verwerven en, voor
zover mogelijk, het
recht heeft zijn of
haar ouders te
kennen en door hen
te
worden verzorgd.82
In deze zaak ging
het om het verzoek
van de moeder om het
gezag over de
kinderen alleen aan
haar toe te kennen.
Vader heeft vier
jaar lang noch met
de kinderen noch met
moeder contact
gehad. Niet alleen
het IVRK werd als
uitgangspunt genomen
maar daarnaast werd
gekeken naar de
heersende
jurisprudentie ten
aanzien van het
bepaalde, in casu
een verzoek van
moeder om haar met
het gezag te
belasten. De
rechtbank adviseerde
de Raad van de
Kinderbescherming om
als advieskader het
IVRK te nemen en
tevens de gangbare
jurisprudentie te
betrekken in haar
beslissing. De
gangbare
jurisprudentie ter
zake waar de
rechtbank in dit
geval naar
verwees betreft de
heersende leer dat
voortzetting van
gezamenlijk gezag na
echtscheiding niet
in het
belang van het kind
is, indien bestaande
communicatieproblemen
tussen de ouders zo
ernstig zijn dat
er een
onaanvaardbaar
risico is dat de
minderjarige klem of
verloren raakt
tussen de ouders die
het
ouderlijk gezag
gezamenlijk
uitoefenen zonder
dat te verwachten is
dat binnen
afzienbare tijd een
voldoende
verbetering in de
onderlinge
verhouding tot stand
komt.83 Hoewel de
rechter van mening
was dat hij
onvoldoende
informatie had om te
kunnen beslissen
over het verzoek van
de vrouw, was
hij vooralsnog van
mening dat, mede in
het licht van
artikel 7 lid 1 IVRK
en de terzake
gangbare
jurisprudentie, tot
het oordeel gekomen
diende te worden dat
het
ontwikkelingsbelang
van de kinderen
meebrengt dat vader
op afstand zijn
vaderrol kan
vervullen. Het gezag
hoort dus mede bij
de man te
liggen nu van
ernstige
communicatieproblemen
die een
onaanvaardbaar
risico voor de
kinderen
zorgen, niet is
gebleken.84
Een andere zaak
waarin artikel 3 lid
1 IVRK in combinatie
met artikel 7 lid 1
IVRK werd behandeld,
betrof een geschil
over de biologische
ouders die hun kind
vijf maanden na de
geboorte terugeisten
van de wensouders.85
Op het moment dat de
beslissing werd
genomen verblijft
het kind reeds 1,5
jaar
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
bij de wensouders.
De vraag die
centraal stond was
of het belang van
het kind zich
verzette tegen de
opvoeding en
verzorging van het
kind door de
biologische
ouders.86 In dat
geval moet een
maatregel
van
kinderbescherming
worden genomen. Een
maatregel van
kinderbescherming,
waarbij het gezag
van de ouders wordt
beperkt, wordt
genomen indien dit
in het belang van
het kind is en het
belang van
het kind zich hier
niet tegen verzet.87
Over de
opvoedingskwaliteiten
van de biologische
ouders ten aanzien
van het kind werd
niet
getwijfeld.88
Volgens de
ingeschakelde
sociaal psycholoog
en pedagoog kon
echter een volledige
en
abrupte verandering
van de verzorging en
opvoeding zorgen
voor risico’s voor
de stabiliteit van
de
ontwikkeling van het
kind.89 Het
gerechtshof erkende
de risico’s die
afgifte van het kind
aan de
biologische ouders
kon veroorzaken,
maar de kans dat het
kind schade in de
ontwikkeling zou
oplopen
was moeilijk in te
schatten. Daarnaast
waren er factoren
die de schade konden
verminderen. Het
kind
had vanaf de
geboorte een goede
opvoeding gehad en
had zich veilig
kunnen hechten aan
de
wensouders. Hierdoor
zou het kind zich
ook weer makkelijker
kunnen hechten aan
de biologische
ouders. Indien het
kind teruggaat zou
gaan naar de
biologische ouders
is het van belang
dat de
levenswijze van het
kind bij de
wensouders wordt
voortgezet bij de
biologische ouders
en dat er een
omgangsregeling is
tussen het kind en
de wensouders.90
De deskundige
psycholoog/pedagoog
stelden dat
continuering van het
verblijf bij de
pleegouders
eveneens zou kunnen
leiden tot schade
aan de ontwikkeling.
Adoptiekinderen
blijken vaak te
worstelen met de
vraag waarom zij
zijn afgestaan en
blijven zoeken naar
hun identiteit.
Dit afgewogen te
hebben kwam het
gerechtshof dan ook
tot de conclusie dat
het kind er recht op
heeft
te worden verzorgd
en opgevoed door
haar biologische
ouders. Gezien de
risico’s voor de
ontwikkeling van het
kind die het later
kan ervaren bij
continuering van het
verblijf bij de
wensouders,
verzette het belang
van het kind zich
niet tegen afgifte
aan de biologische
ouders.91
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
Beide zaken laten
zien hoe met een
verwijzing naar het
IVRK een beslissing
wordt genomen die
volgens de rechter
in het belang van
het kind is. De ene
zaak komt met het
IVRK als
uitgangspunt en
aanvullende
jurisprudentie,
waarin geen
specifieke
verwijzing naar het
IVRK wordt gemaakt,
tot een
invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK. De andere zaak
neemt eveneens
het IVRK als
uitgangspunt maar
laat zich daarbij
voornamelijk leiden
door
pedagogisch/psychologisch
onderzoek.
Hieruit kan de
conclusie worden
getrokken dat naast
het IVRK aanvullende
bronnen zoals
pedagogisch-en
jurisprudentieonderzoek
bij kunnen dragen
aan de invulling van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK.
§ 4.2.2 Het belang
van gezinsleven en
gezinshereniging
Het recht op
gezinshereniging is
neergelegd in
artikel 10 IVRK.
Staten zijn op basis
van dit artikel
verplicht om een
aanvraag van een
kind of van zijn
ouders om een Staat
die partij is, voor
gezinshereniging
binnen te gaan of te
verlaten, met
welwillendheid,
menselijkheid en
spoed te
behandelen.
In de volgende zaak
stond het belang van
gezinshereniging
centraal. Het kind
verblijft in
Suriname bij
haar grootouders,
terwijl de ouders
van het kind in
Nederland woonachtig
zijn en inmiddels de
Nederlandse
nationaliteit
bezitten. Moeder
vraagt ten behoeve
van haar dochter een
verblijfsvergunning
aan. Zij doet een
beroep op artikel 3
lid 1 IVRK en
artikel 10 IVRK. De
minister
is echter van mening
dat de dochter niet
voor
gezinshereniging in
aanmerking komt nu
niet voldaan is
aan de referte-eis
van vijf jaar en
niet is aangetoond
dat de familie in
Suriname niet voor
de dochter
kan zorgen.92 De
rechtbank oordeelt
dat er sprake is van
gezinsleven tussen
kind en ouders, maar
dat
van een inmenging in
het gezinsleven geen
sprake is omdat er
geen
verblijfsvergunning
wordt
ingetrokken. Er rust
echter wel een
positieve
verplichting op de
staat om het kind
toe te laten. Ouders
en kind hebben
regelmatig contact
met elkaar en de
ouders zoeken hun
dochter af en toe in
Suriname
op. Inmiddels is er
in Suriname een
rapport opgesteld
waarin de woon-en
leefomstandigheden
van het
kind beschreven
worden. Hieruit werd
geconcludeerd dat
het kind zich met
haar ouders zou
moeten
kunnen herenigen. De
rechtbank is dan ook
van oordeel dat de
belangen van het
kind bij
gezinshereniging
zwaarder moeten
wegen dan het belang
van de staat bij een
restrictief
toelatingsbeleid.93
Hiermee werd recht
gedaan aan het
belang van het kind
bij
gezinshereniging.
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
Een beroep op het
recht op gezinsleven
wordt vaak gedaan,
meestal met een
verwijzing naar
artikel 8
EVRM.94 Dit recht is
echter ook
neergelegd in
artikel 16 IVRK.
Geen enkel kind mag
worden
onderworpen aan
willekeurige of
onrechtmatige
inmenging in zijn of
haar privé-leven, in
zijn of haar
gezinsleven, zijn of
haar woning of zijn
of haar
correspondentie,
noch aan enige
onrechtmatige
aantasting van zijn
of haar eer en goede
naam. Een verschil
met artikel 8 EVRM
is dat er in artikel
16
IVRK geen gronden
worden genoemd voor
inmenging in het
recht op
gezinsleven.95
Artikel 16 lid 2
IVRK stelt juist dat
het kind recht heeft
op bescherming door
de wet tegen
inmenging in het
recht op
gezinsleven. In de
volgende zaak
verwijst de rechter
naar beide
artikelen.
Een man en vrouw
wonen samen met hun
twee adoptiekinderen
in Engeland. De
kinderen zijn in Sri
Lanka naar Sri
Lankaans recht
geadopteerd. Na een
aantal jaar verhuist
het gezin naar
Spanje waar het
koppel een kind
krijgt. Uiteindelijk
verhuist moeder
zonder vader met de
kinderen naar
Nederland. De
adoptie wordt in
Engeland erkent,
maar niet in
Nederland. Aan één
van de voorwaarden
voor adoptie
in artikel 1:227 lid
2 Bw is niet
voldaan; de man en
vrouw hebben niet
drie jaar
samengewoond
voorafgaand aan het
indienen van het
adoptieverzoek.
Tussen de ouders is
goed overleg
mogelijk en
de contacten tussen
vader en kinderen
worden zo veel
mogelijk behouden.
De rechter is van
oordeel
dat kinderen recht
hebben op een
gezinsleven en
verwijst daarbij
naar artikel 8 EVRM
en 16 IVRK.
Naast artikel 16
IVRK gaat de rechter
ook in op artikel 6
lid 2 IVRK, dat
bepaalt dat staten
in de
ruimst mogelijke
mate de
mogelijkheden tot
overleven en
ontwikkeling van het
kind moeten
waarborgen.
Jurisprudentie over
adoptie wordt geacht
geheel in het belang
van het kind te zijn
geschreven. Zo is de
eis van drie jaar
samenwonen ook met
het oog op dit
belang geschreven.
Adoptiekinderen moet
een zo goed
mogelijke stabiele
opvoedingssituatie
worden gegeven in
een
nieuw gezin waar
vader en moeder
samen voor de
verzorging en
opvoeding zorgen. De
adoptiekinderen
moeten, met het oog
op artikel 6 lid 2
IVRK, de
mogelijkheid hebben
zich te
ontwikkelen tot
volwaardige en
evenwichtige
volwassenen zodat
zij zich in de
maatschappij kunnen
redden. Belangrijk
is dat het kind zich
rustig kan hechten
tijdens zijn
ontwikkeling. De
kinderen
hebben met de man en
vrouw jarenlang in
gezinsverband
samengeleefd en
hebben hechte
familiebanden
opgebouwd. Ondanks
dat aan de
driejaars-eis niet
was voldaan, was wel
voldaan aan de
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
achterliggende
gedachte van deze
eis, namelijk het
doorlopen van het
hechtingsproces,
waardoor
adoptie in het
kennelijk belang van
de minderjarige
was.96
Naast de verwijzing
door de rechter naar
de artikelen 3 lid
1, 6 lid 2 en 16
IVRK zou ook een
verwijzing naar
artikel 21 IVRK in
het laatste arrest
kunnen worden
gemaakt. In dit
artikel staat dat
staten moeten
waarborgen dat het
belang van het kind
de voornaamste
overweging is bij
adoptie.97 In
het tweede hoofdstuk
werd het verschil
tussen voornaamste
en eerste overweging
al geschetst.
Artikel
21 IVRK geeft geen
factoren die bij
kunnen dragen aan de
invulling van het
belang van het kind.
Het
belang van het kind
wordt zelf in dit
artikel genoemd en
daarbij is dus
eveneens het IVRK
nodig om
het belang van het
kind te kunnen
bepalen. Zo kan het
belang van
gezinsleven en het
belang om zich te
kunnen ontwikkelen
als volwaardig
volwassene, door in
alle rust het
hechtingsproces te
doorlopen, als
belangen worden
gezien waarbij in
het kader van
adoptie rekening mee
moet worden
gehouden. Ook
de continuïteit in
de opvoeding, zoals
neergelegd in
artikel 20 lid 3
IVRK, dient in acht
te worden
98
genomen.
Waar het belang van
het kind in het IVRK
elders dan in
artikel 3 lid 1 IVRK
wordt genoemd, dient
eveneens naar de
overige artikelen
uit het IVRK te
worden gekeken om
tot een invulling te
komen van
het belang van het
kind. De invulling
van het belang van
het kind in het IVRK
verschilt niet per
artikel, slechts de
zwaarte die aan dit
belang moet worden
gehecht is
verschillend.
§ 4.2.3 Het belang
van gezamenlijke
verantwoordelijkheid
van de ouders
In § 4.2.1 werd bij
de vraag of het
belang van het kind
zich tegen
gezamenlijk gezag
verzet, verwezen
naar artikelen 3 lid
1 en 7 lid 1 IVRK.
In twee andere zaken
is met het oog op
deze zelfde vraag
verwezen naar
artikel 18 lid 1
IVRK in combinatie
met artikel 3 lid 1
IVRK. Uitgangspunt
is dat
ouders na
echtscheiding
gezamenlijk het
gezag voortzetten,
tenzij het in het
belang van het kind
is om
het gezag aan één
van hen toe te
wijzen.99 Artikel 18
IVRK komt tegemoet
aan dit uitgangspunt
door
te stellen dat
ouders samen de
verantwoordelijkheid
voor de opvoeding en
verzorging van het
kind
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
hebben. Om te
bepalen of het in
het belang van het
kind is dat gezag
aan één van de
ouders toe komt,
kijkt de rechter
niet alleen naar het
Verdrag zelf maar
ook naar de ter zake
gangbare
jurisprudentie.100
In de ene zaak was
constructieve
communicatie tussen
de ouders niet
mogelijk. Er waren
ook geen
redenen om aan te
nemen dat deze
situatie binnen
afzienbare tijd zou
verbeteren. Daarbij
toonde de
handelswijze van de
moeder van weinig
inzicht in het
belang van het kind.
In dat geval was het
dan
ook in het belang
van het kind dat
alleen vader met het
gezag werd
belast.101
In de andere zaak
was het juist de
vader die zich niet
inzette voor het
ouderschap en ook
hier was
verandering ten
aanzien van de
relatie tussen de
ouders binnen
afzienbare tijd niet
aannemelijk. De
kinderen voelden
zich in de steek
gelaten door vader
en dragen zelfs de
achternaam van de
moeder. De
rechter was dan ook
van mening dat
formalisering van de
feitelijke situatie,
door het toekennen
van het
gezag aan de moeder,
in het belang van
het kind was.102
Beide zaken laten
zien dat
jurisprudentie
waarin het IVRK niet
wordt genoemd, maar
het belang van
het kind wel
invulling krijgt,
kan worden toegepast
bij de invulling van
het belang van het
kind in
artikel 3 lid 1
IVRK. Met name laat
het zien dat het
uitgangspunt,
namelijk dat het
belang van het kind
vergt dat ouders
gezamenlijk de
verantwoordelijkheid
dragen, is
neergelegd in het
IVRK zelf en dat de
uitzonderingsgronden
op de heersende leer
vooral te vinden
zijn in de terzake
gangbare
jurisprudentie.
§ 4.2.4 Belang van
continuïteit van en
duidelijkheid over
de
opvoedingssituatie
en een
ongestoord
hechtingsproces
De invulling die het
meest duidelijk naar
voren komt uit de
jurisprudentie is
het belang van
continuïteit van en
duidelijkheid over
de
opvoedingssituatie
en een ongestoord
hechtingsproces.103
Bij het vermelde
belang van
continuïteit en een
ongestoord
hechtingsproces
verwijzen de
rechtbank en
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
het hof naar artikel
3 lid 1 IVRK in
samenhang met
artikel 20 IVRK.104
Hierin wordt de
wenselijkheid
van continuïteit in
de opvoeding
vermeld.
Dit belang heeft
invulling gekregen
in het kader van de
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
van
een kind op jonge
leeftijd waarbij
verzocht werd om
ontheffing van het
ouderlijk gezag.
Ontheffing
vindt plaats wanneer
ouders ongeschikt of
onmachtig zijn hun
kind op te
voeden.105 Van
ontheffing
kan worden afgezien
indien de ouder de
onvoorwaardelijke
plaatsing van het
kind in een
pleeggezin
accepteert en zowel
positief als actief
met het gezag
omgaat. Wanneer het
kind al van jongs af
aan in
een pleeggezin
verblijft, daar goed
wordt opgevoed en de
kans dat het kind
weer terug kan keren
bij de
ouders niet aanwezig
is, dan is het in
het belang van het
kind dat het kind
zich verder kan
ontwikkelen
binnen het
pleeggezin op
harmonieuze wijze.
Dit kan pas worden
bewerkstelligd
wanneer het
opvoedings-en
ontwikkelingsperspectief
duidelijk is voor
het kind. De
maatregel van
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
kan slechts voor één
jaar worden
opgelegd.106 Dit
zorgt elk
jaar voor
onzekerheid bij het
kind omdat het niet
weet of het mag
blijven bij de
pleegouders of weer
terug zal keren bij
de biologische
ouders. Hierdoor
ontstaan problemen
in het
hechtingsproces en
levert dit een
inmenging op het
recht op gezinsleven
tussen kind en
pleegouders op.
Ook bij adoptie
wordt rekening
gehouden met het
belang van
continuïteit in de
opvoedingssituatie
met
een verwijzing naar
artikel 20 lid 3
IVRK. In een zaak
over een
adoptieverzoek in
Nederland ging het
om een meisje dat
door haar peetouders
werd meegenomen uit
Suriname. In
Suriname is de
ontheffing
van de moeder van
het gezag
uitgesproken. Aan de
eisen voor adoptie
in het Burgerlijk
Wetboek is
voldaan, maar niet
aan alles eisen van
de Wet Opneming
Buitenlandse
Pleegkinderen ter
Adoptie
(Wobka). Aan de eis
van
beginseltoestemming
is niet voldaan. De
peetouders hebben
voor de weg van
het
vreemdelingenrecht
gekozen en een
verblijfsvergunning
aangevraagd. Dit
verzoek werd
afgewezen
waarop de peetouders
het kind in
Nederland probeerden
te houden door
indiening van een
adoptieverzoek.
Volgens de rechter
is het van belang om
te kijken hoe lang
de procedure ten
aanzien
van het kind binnen
het
vreemdelingenrecht
heeft geduurd. Dit
is van belang gezien
artikel 20 lid 3
IVRK. De gehele
procedure heeft in
totaal 2,5 jaar
geduurd, zonder dat
de peetouders
daarbij een
verwijt kan worden
gemaakt. Het kind is
hier geworteld en
heeft geen contact
meer met haar
ouders.
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
Daarnaast is ze
nooit meer
teruggekeerd naar
Suriname. Adoptie
werd daarom in het
kennelijk belang
van de minderjarige
geacht.107
Hoewel bijna alle
zaken over
ontheffing (in het
kader van
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing,
dan wel bij
vrijwillig verblijf)
verwijzen naar het
belang van
continuïteit vervat
in artikel 20 lid 3
IVRK, zijn er zaken
in het kader van
ontheffing die niet
zozeer naar het
belang van
continuïteit
verwijzen, maar wel
naar het recht van
het kind op een
duidelijke en
gestructureerde
verzorgingsituatie
en de noodzaak van
zekerheid over deze
situatie.108 In deze
zaken wordt alleen
een verwijzing naar
artikel 3 lid 1 IVRK
gemaakt en niet naar
de andere artikelen
uit het IVRK. De
rechter lijkt zich
in
deze zaken vooral te
laten leiden door
het advies van de
Raad van de
Kinderbescherming
bij het
bepalen van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK. De rechter
wordt door middel
van het
rapport van de Raad
van de
Kinderbescherming
een handvat geboden
bij het bepalen van
het belang
van het kind. De
Raad van de
Kinderbescherming
onderzoekt de
ontwikkeling en
opvoeding van het
kind. Het belang van
het kind dient
uitgangspunt te zijn
bij de
raadsonderzoeker.109
De Raad wordt
geraadpleegd bij
scheiding-en
omgangszaken,
beschermingszaken,
zaken omtrent
afstamming,
adoptie en afstand.
Ook in strafzaken
wordt de Raad van de
Kinderbescherming
geraadpleegd.110 In
een zaak van 26
januari 2006 stelde
de rechter dat bij
het beoordelen van
de vraag over de
ontheffing,
de in de rechtspraak
van de Hoge Raad
ontwikkelde criteria
moeten worden
meegenomen met
inachtneming van
artikel 3 lid 1
IVRK.111
Gezien de
hoeveelheid andere
arresten over
ontheffing, waarin
dezelfde invulling
van het belang van
het kind werd
gegeven en werd
verwezen naar
artikel 20 lid 3
IVRK, kan ook hier
de link met het
IVRK worden
getrokken.
Het belang van
continuïteit staat
centraal in artikel
20 lid 3 IVRK.
Hoewel de rechtbank
en het
gerechtshof dit niet
doen, zou ook een
verwijzing naar
artikel 16 IVRK
kunnen worden
gemaakt. Het
kind verblijft vaak
al jaren bij het
pleeggezin en daarom
dient het recht op
gezinsleven tussen
kind en
pleegouders te
worden
gerespecteerd.
Scheiding van de
biologische ouders
en daarmee inmenging
in
het gezinsleven is
in het kader van de
hiervoor behandelde
arresten in het
belang van het kind
en
daarmee in
overeenstemming met
artikel 9 lid 1 IVRK
dat bepaalt dat het
kind niet gescheiden
moet
worden van zijn
ouders, tenzij
scheiding
noodzakelijk is in
het belang van het
kind.112
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
§ 4.2.5 Belang van
bescherming en
bijzondere zorg
Het IVRK stelt dat
ouders de
verantwoordelijkheid
voor de opvoeding
van hun kinderen
hebben, maar
het legt met name de
verplichting aan de
staat op om de
rechten in het IVRK
te waarborgen. Zo
dient
de staat de
bescherming en zorg
die nodig zijn voor
het welzijn van het
kind te verzekeren,
rekening
houdend met de
rechten en plichten
van zijn of haar
ouders, wettige
voogden of anderen
die wettelijk
verantwoordelijk
voor het kind zijn,
en hiertoe alle
passende wettelijke
en bestuurlijke
maatregelen te
nemen. Dit volgt uit
artikel 3 lid 2
IVRK.113 Bijzondere
zorg moet worden
verleend aan
verstandelijk
gehandicapten.
Artikel 23 lid 2
IVRK bepaalt dat
gehandicapte
kinderen het recht
op bijzondere zorg
hebben en staten
moeten stimuleren en
waarborgen dat het
kind bijstand wordt
verleend die is
aangevraagd en
passend gezien de
gesteldheid van het
kind en de
omstandigheden van
de ouders of
anderen die voor het
kind zorgen. Beide
rechten, in
combinatie met
artikel 3 lid 1
IVRK, werden in
een zaak van een
licht verstandelijk
gehandicapte jongen
van Surinaamse
afkomst ingeroepen,
met als
het doel verkrijging
van een
verblijfsvergunning.
De aanvraag voor de
verblijfsvergunning
is steeds
geweigerd en de
jongen dreigt nu te
worden uitgezet. In
Nederland krijgt de
jongen
specialistische
opvang in
overeenstemming met
artikel 23 IVRK.
Indien de jongen
wordt uitgezet zal
hij terugmoeten
naar Suriname,
terwijl onduidelijk
is of speciale
opvang daar aanwezig
is. Aanwezige
familie in
Suriname kan niet
voor speciale
begeleiding zorgen.
Nu de jongen
bijzondere zorg en
bescherming nodig
heeft is het in het
belang van het kind
dat het in
Nederland blijft en
verblijf wordt
gelegaliseerd.114
§ 4.2.6 Het belang
van opvang en
bijstand
Alle hiervoor
genoemde belangen
zijn echte
basisbelangen waar
het kind niet zonder
kan. Zonder een
dak boven je hoofd
komen veel andere
belangen echter op
een tweede plaats.
Het belang van
huisvesting is
neergelegd in
artikel 27 IVRK. In
het eerste lid is
weergegeven dat
staten het recht van
ieder kind op een
levensstandaard die
toereikend is voor
de lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke en
maatschappelijke
ontwikkeling van het
kind moeten
erkennen. Dit
artikel moet in
samenhang met
artikel 6 lid 2 IVRK
worden gezien.
Zonder het recht op
leven en
ontwikkeling zijn de
andere rechten
zonder effect.115
In jurisprudentie
over ontruiming komt
het belang van
opvang, wat valt
onder het recht op
een
toereikende
levensstandaard, aan
de orde. In het
tweede lid van
artikel 27 IVRK is
bepaald dat ouders
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
de eerste
verantwoordelijkheid
hebben om te zorgen
dat het kind in de
levensomstandigheden
verkeert
die het nodig heeft
voor zijn of haar
ontwikkeling. Op de
staat rust een
secundaire plicht om
de ouders
te helpen met deze
verantwoordelijkheid.
De staat kan
voorzien in
programma’s voor
materiële
bijstand en
ondersteuning, met
name wat betreft
voeding, kleding en
huisvesting.116
Het gerechtshof is
van mening dat onder
‘maatregelen
betreffende
kinderen’ in artikel
3 lid 1 IVRK
ook huisvesting
valt.117 Volgens het
gerechtshof kunnen
de belangen van het
kind in de weg staan
aan
ontruiming. Van
belang is dat er dan
sprake is van een
acute noodtoestand
en dat ouders zich,
zonder
resultaat, hebben
ingespannen.118 Van
zo’n acute
noodtoestand was
sprake in het geval
dat de aanvraag
van een gezin om
toelating als
vluchteling
definitief werd
afgewezen en het
gezin uit de woning
werd
gezet omdat zij niet
meewerkten aan de
terugkeer naar het
land van herkomst.
Het gezin moest
vervolgens wachten
op het verkrijgen
van hun
reisdocumenten
waarmee zij terug
konden keren naar
Angola. Voor
vervangende opvang
voor het gezin was
niet gezorgd. Het
gezin kon niet naar
familie of
vrienden toe en had
daardoor geen
opvang. Er heerste
een situatie waarbij
er grote kans was
dat er
onaanvaardbare
ontwrichting in het
gezin zou
plaatsvinden en de
kinderen geen
minimale zorg en
voorzieningen zouden
krijgen. Het
Centraal Opvang
Asielzoekers (COA)
had de plicht om de
ouders
te helpen bij het
bieden van
voorzieningen voor
de kinderen. Het
eindoordeel was dan
ook dat
gedurende een
bepaalde periode het
belang van het gezin
bij voortzetting van
de opvang in hun
woning zwaarder woog
dan het belang van
het COA bij
ontruiming.119
Naast de secundaire
plicht van de staat
om ondersteuning te
bieden bij het
verkrijgen en
behouden van
opvang zijn er ook
voorbeelden waarin
op de staat de
verplichting rust om
kinderen en ouders
financiële bijstand
te verlenen. Dit
valt eveneens onder
artikel 27 lid 3
IVRK.
In dit hoofdstuk is
tot nu toe alleen
jurisprudentie van
de rechtbank en het
gerechtshof
besproken. Dit
komt, zoals
aangegeven in de
inleiding, doordat
de hogere rechters
zich niet uitlaten
over de invulling
van het belang van
het kind. Hierop
geldt één
uitzondering: de
Centrale Raad van
Beroep geeft wel
invulling aan het
belang van het kind
en gaat in een
aantal zaken over
bijstand voor
minderjarigen in
op dit rechtsbegrip.
Volgens artikel 9
lid 1 onder e van de
Algemene
Bijstandswet (ABW)
heeft niemand onder
de 18 jaar
recht op bijstand.
Een uitzondering
geldt indien er
sprake is van een
zeer dringende
reden.120
Of er sprake is van
een dringende reden
moet volgens de
Centrale Raad van
Beroep worden
bepaald
met inachtneming van
artikel 3 lid 1 en 2
en artikel 27 lid 3
IVRK. Van een zeer
dringende reden om
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
bijstand aan een
minderjarige te
verlenen is sprake
wanneer niet
voorzien is in een
onderhoudsbijdrage
en ouders niet
kunnen voldoen aan
de primaire kosten
van voeding, kleding
en andere
noodzakelijke
kosten. Daarnaast
moeten de eigen
middelen van de
minderjarige
eveneens
ontoereikend zijn en
kan
de minderjarige over
deze middelen
redelijkerwijs niet
beschikken. Op de
staat ligt dan de
verplichting
om de ouders en het
kind te helpen en
dient bijstand te
worden verleend.121
Het bovenstaande
overziend brengt het
belang van het kind
mee dat het een dak
boven zijn hoofd,
eten
en kleding heeft. De
ouders dienen
hiervoor te zorgen.
Wanneer het ouders
niet lukt om deze
levensstandaard voor
de kinderen te
bieden moet de staat
te hulp schieten.
Het is in het belang
van het
kind dat de staat de
bescherming en zorg
biedt die het kind
nodig heeft voor
zijn of haar
welzijn,
terwijl daarnaast
rekening wordt
gehouden met de
rechten en plichten
van de ouders.122
Als het gaat om het
bieden van bijstand
lijkt het belang van
het kind goed te
worden gewaarborgd.
Allereerst dienen
ouders te zorgen
voor de
levensomstandigheden
die nodig zijn voor
het kind en lukt
dit niet dan moet de
staat zorgen voor
bijstand. Het belang
van het kind lijkt
echter niet tot zijn
recht te
komen als het gaat
om huisvesting.
Slechts wanneer er
een noodtoestand is
kan het belang van
het
kind leiden tot
continuering in de
woning wanneer
eigenlijk ontruiming
dient plaats te
vinden. Mijns
inziens klopt het
vereiste van een
noodtoestand niet
met de
verplichtingen op
grond van artikel 27
lid
2 en 3 IVRK. Dit
artikel stelt niet
dat er sprake dient
te zijn van een
noodtoestand voordat
op de staat
de verplichting rust
om ondersteuning te
bieden. De eis zou
dus enkel moeten
zijn dat ouders zich
hebben ingespannen,
maar dat ondanks
deze inspanningen
huisvesting voor de
kinderen niet
geregeld
is. De extra eis van
de aanwezigheid van
een noodtoestand
levert dus strijd
met artikel 27 lid 2
en 3
IVRK op.
§ 4.2.7 Het belang
van onderwijs
In een zaak over
gezinnen die
verbleven in
aanvullende
opvanglocaties, ging
het om een besluit
tot
overplaatsing naar
een AZC dat op het
punt stond gesloten
te worden. De
overplaatsing houdt
in dat de
kinderen in korte
tijd meerdere keren
van school zullen
moeten wisselen. Het
belang van het
volgen
van onderwijs is
neergelegd in
artikel 28 IVRK.
Volgens de rechter
volgt uit dit
artikel niet het
recht
om aan één bepaalde
school onderwijs te
volgen. In dit geval
is het echter wel zo
dat de kinderen in
korte tijd meerdere
malen van school
zijn gewisseld. De
rechter is van
mening dat meerdere
keren van
school wisselen
binnen korte tijd
een ongunstige
invloed op de
kinderen heeft en
alleen in bijzondere
omstandigheden is
gerechtvaardigd. Een
bijzondere
omstandigheid is
bijvoorbeeld het
belang van
financiële en
organisatorische/logistieke
aard aan de kant van
het COA. De rechter
stelt dat niet
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
voldoende duidelijk
is gemaakt dat een
dergelijk belang aan
de kant van het COA
aanwezig is en de
overplaatsing van
het gezin naar een
ander AZC
noodzakelijk is.123
Uit dit arrest kan
de conclusie worden
getrokken dat
kinderen recht op
onderwijs hebben,
dit recht is
echter niet
verbonden aan één
bepaalde school. Het
belang van de
kinderen komt echter
wel in het
gedrang bij
veelvuldig
verhuizen, waardoor
het volgen van het
onderwijs vaak wordt
onderbroken
zonder dat er een
ander zwaarwegend
belang aanwezig is
die dit
rechtvaardigt.
§ 4.2.8 Het belang
dat
vrijheidsontneming
een uiterste
maatregel is voor de
kortst mogelijke
passende duur
Een maatregel waar
vreemdelingenkinderen
binnen het
vreemdelingenrecht
soms mee te maken
krijgen is de
maatregel van
vreemdelingbewaring.
Deze maatregel, die
aan de ouders wordt
opgelegd,
treft ook eventuele
aanwezige kinderen.
Wordt uitdrukkelijk
om een minder
ingrijpend middel
dan de
maatregel van
vrijheidsbeneming
gevraagd, dan moet
de Immigratie-en
Naturalisatiedienst
(IND)
aangeven op welke
wijze met de
belangen van de
kinderen rekening is
gehouden en voldaan
is aan de
verplichtingen op
grond van artikel 3
lid 1 en artikel 37
aanhef en onder b
IVRK.124 Artikel 37
aanhef
en onder b IVRK
bepaalt dat staten
moeten waarborgen
dat aanhouding,
inhechtenisneming of
gevangenneming van
een kind slechts
gehanteerd wordt als
uiterste maatregel
en voor de kortst
mogelijke passende
duur.
Het is volgens de
rechter in het
belang van het kind
en dat van de ouders
dat zij niet van
elkaar
gescheiden worden.
De belangen van de
kinderen en dat van
de ouders moet
daardoor samen
worden
genomen en als
eenheid worden
gezien.125 Wanneer
na afronding van de
AC-procedure126 een
gezin
toch nog moet
blijven in het
aanmeldcentrum dan
is onvoldoende
rekening gehouden
met de belangen
van de kinderen die
door het IVRK worden
beschermd. Er moet
een zwaarwegend
belang zijn om “het
belang van het kind”
te laten wijken.127
Oplegging van de
vrijheidsontnemende
maatregel in een
aanmeldcentrum
waarbij de
asielaanvraag
uiterlijk binnen 48
proces-uren eindigt,
is wel in
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
overeenstemming met
de verplichting van
artikel 37 aanhef en
onder b IVRK. De
maatregel is dan
opgelegd voor de
kortst mogelijke
duur.128
Ook de plek waar de
ouders met kinderen
in bewaring worden
gehouden dient aan
‘kindvriendelijke’
eisen te voldoen.129
In veel gevallen
geeft de IND niet
aan hoe tegemoet is
gekomen aan het
belang van het kind.
De
rechtbank vult niet
in wat dit belang
is, maar indirect
wordt tot een
invulling gekomen
door te stellen
dat de IND had
moeten aangeven hoe
invulling is gegeven
aan de
verplichtingen op
grond van artikel
3 lid 1 en 37 aanhef
en onder b IVRK. Dit
houdt in dat het in
“het belang van het
kind in
vreemdelingenbewaring”
is dat zijn of haar
bewaring voor de
kortst mogelijke
passende duur is en
slechts als uiterste
maatregel wordt
gehanteerd. Er moet
gekeken worden of er
dus alternatieven
zijn.
Wat een kortst
mogelijke passende
duur is moet uit de
jurisprudentie
worden afgeleid. De
grens lijkt
bij het einde van de
AC-procedure te
liggen, welke niet
langer dan 48 uur
mag duren.
De rechter wijst
verder op het belang
van het kind om niet
gescheiden te worden
van de ouders.
Hiermee wordt
artikel 9 lid 1 IVRK
indirect aangehaald.
§ 4.3 Samenvoeging
van de juridische en
de pedagogische
visie
Uit het
jurisprudentieonderzoek
van dit hoofdstuk
volgt dat rechters
het IVRK wel
degelijk als
uitgangspunt nemen
bij de invulling van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK. Hierin
is de
legitimatie voor de
zienswijze van
diverse
rechtsgeleerden en
het VN
Kinderrechtencomité
gevonden.
Kalverboer en
Zijlstra behandelen
de veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
niet los van het
IVRK. Zij
stellen dat de
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
aan IVRK artikelen
te koppelen zijn.
Hoewel de
vragenlijst een
praktisch hulpmiddel
is, vind ik de
vragenlijst, die
bestaat uit 24
vragen, te
omvangrijk om het
belang van het kind
een voldoende
duidelijk en
onvoorwaardelijk
karakter te
geven. Een
kwalificatie goed,
voldoende, matig of
onvoldoende zal
meestal moeilijk te
voorspellen
zijn. Daarbij wordt
teveel uitgegaan van
de pedagogische
invulling. Uit het
jurisprudentieonderzoek
van artikel 3 lid 1
IVRK volgt dat
rechters het IVRK
als uitgangspunt
nemen en pedagogisch
onderzoek aanvullend
toepassen. Ik ben
voorstander van deze
methode, doordat het
belang van het
kind eerst wordt
ingevuld door het
IVRK zelf en daarna
pas naar
“aanvullende
bronnen” zoals
pedagogisch
onderzoek moet
worden gekeken.
Kalverboer en
Zijlstra trachten
met de veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
advocaten een
handreiking te
bieden om een
onderbouwd beroep te
doen
op het IVRK. Zij
lijken het IVRK
echter een minder
prominente plek te
geven door uit te
gaan van de
ontwikkelingsvoorwaarden
om er volgens het
desbetreffende IVRK
artikel aan te
koppelen. Ik zie
meer in de
omgekeerde methode.
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
Daarnaast behandelen
zij de toepassing
van het belang van
het kind vanuit de
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
en het IVRK op een
positieve wijze. Een
maatregel
betreffende het kind
dient genomen te
worden met
inachtneming van het
IVRK en de veertien
condities voor een
optimale
ontwikkeling. Dit is
overeenstemming met
de positieve
formulering van het
belang van het kind
in
artikel 3 lid 1
IVRK. Voor
besluitvormers is
dit een manier om
een besluit in het
belang van het kind
te nemen. Voor
kinderrechtenorganisaties,
advocaten en andere
personen dan wel
instellingen die te
maken krijgen met
een al genomen
maatregel
betreffende een
kind, zie ik meer in
de toepassing van
het rechtsbegrip als
negatief criterium.
Is een maatregel
genomen waarbij het
IVRK is geschonden,
dan hoeft niet
beargumenteerd te
worden dat andere
artikelen niet zijn
geschonden. Het feit
dat het
IVRK al is
geschonden en dat
daarmee aan één of
meerdere
ontwikkelingsvoorwaarden
niet is
voldaan, levert al
voldoende bewijs op
dat de genomen
maatregel niet in
het belang van het
kind is.
Het geschonden
artikel geeft aan
wat in het
desbetreffende geval
in het belang van
het kind zou zijn
geweest. Een
voorbeeld kan dit
verhelderen. Een
kind groeit op in
Nederland, maar
heeft geen
verblijfsvergunning.
Het meisje gaat hier
naar school, heeft
een sociaal netwerk
en haar ouders
zorgen
goed voor haar.
Wegens het ontbreken
van een
verblijfsvergunning
wordt het kind
uitgezet naar een
land waar geen
onderwijsmogelijkheden
zijn. Uitzetting van
het kind levert een
schending van
artikel
28 IVRK (recht op
onderwijs) op.
Daarmee wordt niet
aan de
ontwikkelingsvoorwaarde
‘educatie’
voldaan. Uitzetting
is derhalve niet in
het belang van het
kind. Overbodig is
het om te stellen
dat het
kind ook een recht
op naam heeft of
adequate verzorging
nodig heeft nu
verondersteld dient
te worden
dat aan deze
‘belangen’ reeds
tegemoet is of wordt
gekomen. Wel kan
worden toegevoegd
dat bij
verblijf in
Nederland artikel 28
IVRK niet zal worden
geschonden en het
genieten van
onderwijs in het
belang van het kind
is. Bij aantoning
van schending van
het IVRK en het
ontbreken van de
vervulling
van een
ontwikkelingsvoorwaarde
wordt mijns inziens
doeltreffender en
sneller tot een
invulling van
het belang van het
kind gekomen in
juridische
procedures.
§ 4.4 Conclusie
Jurisprudentieonderzoek
wijst uit dat het
IVRK het belang van
het kind kan
invullen. In zo’n
75% van
alle zaken maakt de
rechter een directe
verwijzing naar een
ander recht uit het
IVRK en leidt het
belang van het kind
uit dit recht af..
In die gevallen
waarin geen directe
verwijzing naar het
IVRK
wordt gemaakt zijn
de invullingen wel
te herleiden tot
rechten uit het
IVRK, ondanks dat
dit door de
rechters niet
expliciet wordt
gedaan. Het IVRK
komt dus overeen met
rechterlijke
intuïties.
Er kan echter niet
worden volstaan met
de enkele verwijzing
dat het belang van
het kind in artikel
3 lid
1 IVRK wordt
ingevuld door het
IVRK zelf. Naast
artikel 3 lid 1 IVRK
zijn er meerdere
bepalingen in
het IVRK waaraan
rechtstreekse
werking onthouden
wordt. Door deze
rechten als
uitgangspunt te
nemen bij de
invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK wordt een
concrete,
duidelijke en
onvoorwaardelijke
invulling niet
bereikt. Rechters
blijken zich echter
naast het IVRK
ook door pedagogisch
onderzoek en de ter
zake gangbare
jurisprudentie te
laten leiden. Het
IVRK
Hoofdstuk 4: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(1)
geeft de basisnorm
op internationaal
niveau,
pedagogisch-en
jurisprudentieonderzoek
kan aanvullend
worden toegepast om
tot een
onvoorwaardelijke,
concrete en
duidelijke invulling
van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK te komen.
De pedagogische
invulling van het
belang
van het kind is in
het vorige hoofdstuk
gegeven. Het
volgende hoofdstuk
zal het aanvullende
jurisprudentieonderzoek
bevatten. In dit
hoofdstuk zal worden
onderzocht hoe het
belang van het kind
wordt ingevuld
zonder dat een
specifieke directe
verwijzing naar het
IVRK wordt gemaakt.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
Hoofdstuk 5: Het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
§ 5.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zal
het tweede onderdeel
van het
jurisprudentieonderzoek
aan de orde komen.
In hoofdstuk 2 over
de visie van
rechtsgeleerden heb
ik een tijdsgrens
gehanteerd, omdat ik
in wilde
gaan op de visies
over het belang van
het kind binnen
artikel 3 lid 1 IVRK
en met name de visie
zoals
deze vandaag de dag
tot uiting komt.
Deze tijdsgrens heb
ik in dit hoofdstuk
niet gehanteerd nu
het
niet zozeer draait
om de invulling van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK, maar om
het
belang van het kind
buiten de context
van het IVRK. Ten
tweede tracht ik in
dit hoofdstuk de
juridische invulling
van het belang van
het kind te
actualiseren net
zoals Kalverboer en
Zijlstra de
pedagogische
invullingen hebben
geactualiseerd.
Bepaalde invullingen
kunnen nog steeds
relevant
zijn, wat onderzoek
naar veranderingen
in wetgeving en
jurisprudentie
noodzakelijk maakt.
De actuele
invullingen zullen
uiteindelijk
besproken worden.
Het begrip het
belang van het kind
kwam men al ruim
voor de
totstandkoming van
het IVRK tegen in
wetteksten. Veel
nationale
rechtssystemen zijn
met dit principe
bekend. In het
Nederlandse wetboek
wordt het begrip
veelvuldig genoemd,
met name in het
Burgerlijk Wetboek
(BW), maar ook in
andere
wetten en
regelgeving zoals
Rechtsvordering (Rv)
en de
Vreemdelingencirculaire
(Vc).
Het Burgerlijk
Wetboek geeft,
evenals het IVRK,
geen definitie van
het belang van het
kind.130
Toch blijkt, in
tegenstelling tot
veel jurisprudentie
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1
IVRK, dat er geen
twijfel bestaat over
wat in een gegeven
omstandigheid in het
belang van het kind
is.
De invullingen
kunnen daarom een
belangrijke bijdrage
leveren aan de
interpretatie van
het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK.
Het verschil tussen
het begrip het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK en het belang
van het
kind in bijvoorbeeld
het Burgerlijk
Wetboek, heeft
betrekking op het
feit dat het begrip
binnen het
IVRK slaat op alle
maatregelen waarbij
kinderen zijn
betrokken. De
invullingen die het
begrip in het
Burgerlijk Wetboek
binnen de
jurisprudentie
krijgt gelden niet
voor alle
maatregelen waarbij
kinderen
zijn betrokken, maar
zijn
situatiegebonden.
Met situatiegebonden
bedoel ik dat het
belang van het kind
gekoppeld is aan een
bepaalde situatie,
bijvoorbeeld in
omgangszaken. Zo
stelt artikel 1:377a
Bw dat
de niet met het
gezag belaste ouder
recht op omgang
heeft met het kind,
tenzij dit niet in
het belang
van het kind is. De
invulling van het
belang van het kind
is dus verbonden aan
de situatie die
betrekking heeft op
omgang tussen kind
en ouder.
Om de
situatiegebonden
invullingen toch mee
te nemen bij de
interpretatie van
het belang van het
kind
in artikel 3 lid 1
IVRK hanteer ik het
volgende
kwalificatiesysteem:
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
•
Kwalificatie 1 ‘Niet
situatiegebonden’:
Invullingen van het
begrip die niet
situatiegebonden
zijn en gelden voor
alle maatregelen
waarbij kinderen
zijn betrokken en
daardoor direct
toepasbaar bij de
interpretatie van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK.
•
Kwalificatie 2
‘Situatiegebonden’:
Invullingen die
situatiegebonden
zijn en niet gelden
voor
alle maatregelen
waarbij kinderen
zijn betrokken en
daardoor niet
rechtstreeks
toepasbaar bij
de interpretatie van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK.
Naast deze
verschillende
soorten invullingen,
blijkt dat de
invullingen op een
positieve dan wel op
een
negatieve manier
zijn ingevuld door
de rechters. Zo
wordt in bepaalde
jurisprudentie
geoordeeld dat
spanningen en onrust
niet in het belang
van het kind zijn,
terwijl in een
andere zaak wordt
gesteld dat
veiligheid en
stabiliteit wel in
het belang van het
kind worden geacht.
Dit hoofdstuk bevat
naast de inleiding
en de conclusie twee
onderdelen. Het
eerste onderdeel
gaat over
jurisprudentie
binnen het
familierecht,
vreemdelingenrecht
en strafrecht. Na
behandeling van de
jurisprudentie komt
in het tweede
onderdeel de
kwalificatie van de
invullingen aan de
orde. De diverse
invullingen die
direct toepasbaar
zijn op de
interpretatie van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1
IVRK zullen uiteen
worden gezet. De
invullingen die
onder de tweede
kwalificatie vallen
moeten
worden omgezet van
een situatiegebonden
invulling naar een
niet
situatiegebonden
invulling zodat
deze eveneens bij
kunnen dragen aan de
interpretatie van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1
IVRK.
Gekozen is voor een
behandeling van de
jurisprudentie van
de Hoge Raad, Raad
van State en het
EHRM, nu deze
rechtscolleges het
meest gezaghebbend
zijn. Terzijde dient
opgemerkt te worden
dat
het hier, met
uitzondering van het
EHRM, niet altijd
gaat om de invulling
van de
rechtscolleges zelf.
De Hoge Raad en de
Raad van State
verwijzen
grotendeels naar de
invullingen van
lagere
rechtscolleges en
oordelen dat deze
invulling niet blijk
geeft van een
onjuiste
rechtsopvatting
en/of
niet onbegrijpelijk
is.
§ 5.2 Het belang van
het kind in
jurisprudentie
binnen het
familierecht
Het belang van het
kind wordt binnen
het familierecht als
positief en negatief
criterium
genoemd.131
Het belang van het
kind als positief
criterium komt
bijvoorbeeld tot
uiting in artikel
1:261 Bw over
uithuisplaatsing.
Indien het in het
belang van het kind
is, wordt tot
uithuisplaatsing
overgegaan. Een
voorbeeld waar het
belang van het kind
als negatief
criterium wordt
gehanteerd is
artikel 1:251 lid 2
Bw over gezamenlijk
gezag na
echtscheiding.
Gezamenlijk gezag na
echtscheiding is het
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
uitgangspunt, tenzij
in het belang van
het kind het gezag
aan één ouder moet
worden toebedeeld.
Hier
wordt het belang van
het kind als
benedengrens
gehanteerd.
De behandeling van
de jurisprudentie
gaat over
invullingen die door
de rechter aan het
belang van het
kind worden gegeven
ongeacht of het over
wetgeving gaat
waarin het belang
van het kind als
negatief
dan wel als positief
criterium is
neergelegd.
§ 5.2.1. Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
omgang
De regels inzake
omgang zijn
neergelegd in de
artikel 1:377a-h Bw.
Voor 1995 golden de
wetten
1:161a en 1:162a Bw.
De regeling over het
recht op omgang is
hetzelfde gebleven.
Uitgangspunt
binnen het
omgangrecht is dat
het kind en de niet
met het gezag
belaste ouder recht
op omgang hebben
met elkaar. Het is
in het algemeen
regel dat omgang met
de niet met het
gezag belaste ouder
in het
belang van het kind
is.132 De wetgever
heeft dit
vastgelegd. De
rechter moet
oordelen of omgang
niet
in het belang van
het kind is. Het
belang van het kind
wordt als negatief
vereiste toegepast.
Slechts
indien één van de
vier
ontzegginggronden
van artikel 1:377a
lid 3 Bw zich
voordoen zal omgang
tussen het kind en
de niet met het
gezag belaste ouder
worden ontzegd.
De rechter ontzegt
het recht op omgang
slechts, indien:
a.
Omgang ernstig
nadeel zal opleveren
voor de geestelijke
of lichamelijke
ontwikkeling van het
kind, of
b.
De ouder kennelijk
ongeschikt of
kennelijk niet in
staat moet worden
geacht tot omgang,
of
c.
Het kind dat twaalf
jaren of ouder is,
bij zijn verhoor van
ernstige bezwaren
tegen omgang met
zijn ouder heeft
doen blijken, of
d. Omgang anderszins
in strijd is met
zwaarwegende
belangen van het
kind.
Deze vier
ontzeggingsgronden
komen voort uit de
jurisprudentie van
het EHRM.133
Een belangrijke
reden voor de Hoge
Raad om een
omgangsregeling af
te wijzen is de
aanwezigheid
van spanningen die
haar weerslag hebben
op het kind en
daardoor in strijd
zijn met het belang
van het
kind.134 In de zaak
Sahin oordeelde ook
het EHRM dat de
spanningen tussen de
ouders en het risico
dat deze spanningen
van invloed zouden
zijn op de
ongestoorde
ontwikkeling van het
kind, niet in het
belang van het kind
werden geacht. De
omgangsregeling
moest worden
afgewezen.135
Dat spanningen niet
in het belang van
het kind zijn is een
negatieve invulling
van het begrip. Een
positieve
formulering van het
belang van het kind
is het hebben van
een veilige en
ongestoorde
leefsituatie. De
Hoge Raad moest in
een zaak, waarin
moeder volgens vader
de omgangsregeling
niet
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
naleefde, oordelen
of hij gezag
volledig aan de
vader of aan de
moeder zou
toebedelen. Na de
echtscheiding is het
kind bij de moeder
komen wonen, terwijl
vader nog contact
heeft met het kind.
Na
enige tijd wordt dit
contact door vader
gestaakt. De Hoge
Raad oordeelde dat
het in het belang
van rust
voor het kind nodig
is om tijdelijk geen
omgang tussen vader
en kind te laten
plaatsvinden. Het
recht
van het kind op een
veilige en
ongestoorde
leefsituatie woog
zwaarder dan het
recht op omgang
tussen
het kind en de
vader. Wel dienden
er stappen te worden
genomen om
uiteindelijk weer
tot een
omgangsregeling te
komen.136
Toch kunnen
spanningen niet
altijd tot
ontzegging van
omgang leiden.
Opvallend is een
zaak waarin
de Hoge Raad een
omgangsregeling met
een kind jonger dan
één jaar nog
bedreigend voor haar
emotionele
ontwikkeling vond,
terwijl na
gewijzigde
omstandigheden en
ondanks de bestaande
problematiek tussen
de ouders, vier jaar
later een
omgangsregeling wel
in het belang van
het kind
werd geacht.137
Belangrijk is dat de
Hoge Raad verder in
dezelfde
rechtsoverweging
zegt dat de
omgangsregeling vier
jaar later geen
ernstig nadeel voor
de ontwikkeling
oplevert. Het
betreft hier de
a-grond: het recht
op omgang kan worden
ontzegd indien
omgang ernstig
nadeel zou opleveren
voor
de geestelijke of
lichamelijke
ontwikkeling van het
kind. Het verschil
tussen sub a en sub
d is gelegen
in het feit dat
ondanks de
afwezigheid van
ernstig nadeel voor
de geestelijke of
lichamelijke
ontwikkeling er wel
sprake kan zijn van
strijd met
zwaarwegende
belangen van het
kind indien
omgang wordt
toegestaan. Indien
sub a niet bewezen
kan worden, is er
dus nog de
mogelijkheid om
omgang te ontzeggen
op de minder strenge
grond welke in sub d
is vervat.138 De
vraag is dan ook of
de spanningen tussen
de ouders niet
moeten leiden tot
ontzegging van
omgang op de
d-grond: strijd
met de zwaarwegende
belangen van het
kind. Wanneer zijn
spanningen van dien
aard dat zij in
strijd
zijn met de
zwaarwegende
belangen van het
kind? De
Advocaat-Generaal
stelt in zijn
conclusie bij de
uitspraak van de
Hoge Raad dat in het
verleden
omgangsregelingen
vaak werden
afgewezen vanwege
de slechte
verstandhouding van
de ouders.139 Door
te zorgen voor
spanningen kan de
met het gezag
belaste ouder
voorkomen dat de
andere ouder het
recht toekomt op
omgang met het kind.
In die zin is
het terecht dat niet
elke problematiek
tussen ouders moet
leiden tot
ontzegging van
omgang. Wel dient
de rechter duidelijk
inzicht te hebben in
hoeverre deze
spanningen
ondergeschikt kunnen
worden
bevonden aan omgang
tussen het kind en
de niet met het
gezag belaste ouder.
Uit de derde
ontzeggingsgrond van
artikel 1:377a lid 3
Bw blijkt dat de
mening van het kind
van
invloed is bij het
bepalen of omgang
met de niet met het
gezag belaste ouder
in strijd met het
belang
van het kind is. De
jurisprudentie toont
aan dat de rechters
waarde hechten aan
de wens van het kind
bij het al dan niet
toewijzen van een
omgangsregeling,
maar dat deze niet
op zichzelf staand
het belang
van het kind kan
bepalen. In een zaak
uit 1982, waarin het
ging om de
beslissing ten
aanzien van een
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
omgangsregeling, gaf
het feit dat het
kind zestien jaar
oud was, in de
vijfde klas van het
Atheneum zat
en voor haar
leeftijd volwassen
en evenwichtig was,
de doorslag bij het
afwijzen van een
omgangsregeling. Het
meisje had zelf
bezwaren tegen
omgang met de vader
en nu zij
gemotiveerd
aangaf welke
bezwaren zij had en
deze bezwaren niet
zonder grond waren,
kon tot de conclusie
worden gekomen dat
omgang niet in het
belang van het kind
was.140
Het feit dat een
kind van twaalf jaar
en ouder bezwaar
heeft tegen omgang
is niet voldoende om
te
besluiten tot
afwijzing van een
omgangsregeling. Er
worden meer eisen
gesteld aan het
meewegen van
de wens van het
kind, dan artikel
1:377a lid 3 sub c
Bw doet. De bezwaren
van het kind moeten
door
overige
omstandigheden
worden bevestigd om
vervolgens te kunnen
concluderen dat het
belang van
het kind om geen
omgang met de niet
met het gezag
belaste ouder te
hebben zwaarder
weegt dan het
recht op omgang van
de ouder. Alleen dan
wordt een
omgangsregeling
afgewezen.141 Zo
werd een
verzoek door vader
om
informatieverstrekking
van zijn kinderen
die onder
behandeling zijn bij
het
RIAGG afgewezen,
omdat de kinderen
bezwaar hadden tegen
deze
informatieverstrekking
én de
informatieverstrekking
voor grote
spanningen en onrust
bij de kinderen zou
zorgen.142
Volgens het EHRM
dient er zorgvuldig
aandacht te worden
besteedt aan wat “in
het belang van het
kind” is, na direct
contact te hebben
gehad met het
kind.143 Het is niet
vereist dat de
nationale rechters
het kind altijd
horen, dit hangt af
van de specifieke
omstandigheden in
elke zaak mede in
het licht van
de leeftijd en
rijpheid van het
kind.144
Kort samenvattend
kan worden
geconcludeerd dat:
•
Een veilige en
ongestoorde
leeftijdsituatie in
het belang van het
kind is.
•
Omgang tussen het
kind en de niet met
het gezag belaste
ouder in het belang
van het kind is,
tenzij er sprake is
van een
ontzeggingsgrond.
•
Spanningen tussen
het kind en de
ouders of tussen de
ouders onderling de
omgang kunnen
bemoeilijken, maar
niet altijd leiden
tot ontzegging van
omgang.
•
Bij het bepalen wat
het belang van het
kind de wens van het
kind moet worden
meegewogen,
waarbij de leeftijd
en rijpheid een
grote rol spelen. De
wens of de bezwaren
van het kind
hebben met name
invloed wanneer
andere
omstandigheden in
dezelfde richting
wijzen.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
§ 5.2.2 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
gezag
De wetgeving ten
aanzien van
gezamenlijk gezag is
de laatste decennia
aan verandering
onderhevig.145
De huidige regeling
ten aanzien van
gezamenlijk gezag na
echtscheiding is
artikel 1:251 lid 2
Bw en
geldt sinds 1
januari 1998.
Volgens dit artikel
hebben ouders na
scheiding
gezamenlijk het
gezag en
oefenen zij dit
samen uit, tenzij de
rechter op verzoek
van de ouders, of
één van hen, in het
belang van
het kind bepaalt dat
het gezag over een
kind of de kinderen
aan één van hen
alleen toekomt.
Opnieuw wordt het
belang van het kind
als negatief
criterium toegepast.
Ook in de
rechtspraak over
gezamenlijk gezag
zien we hoe de
problematiek van de
ouders zijn
weerslag heeft op de
kinderen. Uit de
rechtspraak omtrent
het omgangsrecht
blijkt niet
duidelijk
wanneer spanningen
tussen de ouders
ondergeschikt kunnen
worden bevonden aan
het omgangsrecht.
De meerderheid van
de arresten stelt
dat enkel spanningen
tussen de ouders
voldoende is voor
het
ontzeggen van
omgang. Terugkomend
op de vraag wanneer
er sprake is van
strijd met het
zwaarwegend belang
van het kind, zou
het arrest van de
Hoge Raad van 10
september 1999 over
gezamenlijk gezag
uitkomst kunnen
bieden. Het
criterium “strijd
met het zwaarwegend
belang van het
kind” zou met de
invulling van de
Hoge Raad in dit
arrest nader kunnen
worden
geconcretiseerd. Het
ouderlijk gezag werd
in deze zaak aan één
ouder toegekend nu
de
communicatieproblemen
van de
ouders zo ernstig
waren dat gevreesd
werd voor een
onaanvaardbaar
risico dat de
kinderen verloren
zouden raken tussen
de ouders. Daarbij
was er geen uitzicht
op verbetering
binnen afzienbare
tijd.146
Het ontzeggen van
omgang gaat veel
verder dan het niet
toewijzen van het
gezag aan één ouder.
De
niet met het gezag
belaste ouder mag
zijn kind niet meer
zien wanneer er
sprake is van het
ontzeggen
van omgang, terwijl
het niet toewijzen
van gezag niet per
definitie leidt tot
het verbieden van
contact
tussen ouder en
kind. Naar mijn idee
kan de rechter dan
ook niet besluiten
tot het ontzeggen
van
omgang wegens strijd
met het zwaarwegend
belang van het kind
op de enkele grond
dat er spanningen
zijn tussen de
ouders. De verdere
invulling van de
Hoge Raad terzake
van het afwijzen van
het
gezamenlijk gezag in
het hiervoor
genoemde arrest zou
dan ook als
aanvullende eis
kunnen worden
gezien bij het
ontzeggen van omgang
op grond van artikel
1:377a lid 3 sub d
Bw vanwege enkel
spanningen tussen de
ouders. Dit betekent
dat er twee
vereisten bijkomen.
De spanningen tussen
de
ouders leiden tot 1.
een onaanvaardbaar
risico dat de
kinderen verloren
raken tussen de
ouders en/of 2.
er is geen uitzicht
op verbetering
binnen afzienbare
tijd. Wanneer
spanningen tussen de
ouders van
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
ogenschijnlijk
tijdelijke aard
lijken te zijn of de
spanningen geen
onaanvaardbaar
risico voor het kind
opleveren, dan zal
de rechter niet te
snel moeten
concluderen dat
gezamenlijk gezag na
echtscheiding
niet moet worden
voortgezet of dat
een omgangsregeling
moet worden
afgewezen. Het
ouderlijk gezag
is een recht dat aan
ouders toekomt, maar
dit recht is hen
gegeven om het
belang van het kind
te
dienen.147 Om deze
reden mag niet te
snel aan het
algemene
uitgangspunt dat
omgang tussen het
kind
en de niet met het
gezag belaste ouder
in het belang van
het kind is, voorbij
worden gegaan.
Het afwijzen van het
voortzetten van
gezamenlijk gezag na
echtscheiding kent
geen
ontzeggingsgronden
zoals bij omgang. De
enkele grond die de
rechter wordt
gegeven is dat
gezamenlijk gezag
niet in het belang
van het kind is. Het
volgende arrest
geeft duidelijk
invulling aan
het belang van het
kind. Tussen een man
en vrouw werd
echtscheiding
uitgesproken.
Gekeken werd of
het gezag aan vader
of moeder moest
worden toegewezen en
alle relevante
factoren werden
afgewogen. Het kind
dat zij samen hebben
wordt bij voorlopige
voorziening aan de
moeder
toevertrouwd. Op een
gegeven moment wil
moeder samen met het
kind naar Canada
vertrekken
waarop vader
wijziging van de
beschikking vraagt
en de rechtbank
verzoekt het kind
aan hem toe te
vertrouwen. Via de
voorlopige
voorziening krijgt
vader het kind
toevertrouwd. Beide
ouders willen nu
het gezag hebben.
Uit onderzoek blijkt
dat beide ouders in
staat zijn het kind
op te voeden, maar
dat
het kind toch het
meest gebaat zou
zijn bij toewijzen
van het gezag aan de
vader. Vader zou
meer in
staat zijn het kind
veiligheid,
stabiliteit en
continuïteit te
bieden dan moeder.
Het hof heeft dit
belang
zwaarder laten wegen
dan de grotere
praktische en
emotionele
beschikbaarheid van
de moeder.
Continuering van de
bestaande situatie
was daarom in het
belang van het
kind.148
In deze laatste zaak
werd ook gekeken
naar de mening van
het 10-jarige
zoontje. Hij wilde
eigenlijk
geen keuze maken
tussen de beide
ouders maar had toch
een lichte voorkeur
om bij de moeder te
wonen. Aan deze wens
werd echter weinig
belang gehecht nu de
jongen in een
ernstig
loyaliteitsconflict
verkeerde. De jongen
wil zich zo veel
mogelijk aanpassen
aan de ouders. De
lichte
voorkeur voor het
wonen bij zijn
moeder komt voort
uit de wens om zijn
moeder minder
eenzaam te
laten zijn en haar
gezelligheid te
bieden. Vader heeft
al een vriendin
waardoor de jongen
dus moeder
meer tegemoet wil
komen.149 Wanneer
het gaat om
omgangszaken en
zaken betreffende
gezagstoewijzing
verkeerd het kind
vaak in een
loyaliteitsconflict.
Dit betekent niet
per definitie dat
met de mening van
het kind geen
rekening moet worden
gehouden. De rechter
zal er wel alert op
moeten zijn waarom
het kind voor
verblijf bij vader
of moeder kiest.
Uit de volgende zaak
bleek, in
tegenstelling tot de
vorige zaak,
duidelijk met de
wens van het kind
rekening te zijn
gehouden. Nadat de
echtscheiding was
uitgesproken kreeg
moeder het gezag
over haar
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
drie minderjarige
kinderen. De twee
jongste kinderen
gingen bij de moeder
wonen en de oudste
bij de
vader. Na een tijdje
werden de kinderen
ondertoezicht
gesteld en werd een
stichting tot
gezinsvoogdes
benoemd. Tussen de
man en vrouw
heersten spanningen.
De kinderen werden
het slachtoffer van
deze
spanningen waardoor
het in “het belang
van de kinderen” was
dat er rust kwam.
Het gaat goed met de
kinderen die bij de
moeder verblijven
ondanks dat er
sprake is van
spanningen.150 De
rechter meent
wel dat het
belangrijk is dat de
drie kinderen
gezamenlijk
opgroeien, echter,
het oudste kind wil
bij
vader blijven. De
wens van het oudste
kind, dat op het
moment van de
uitspraak twaalf
jaar was, was
niet doorslaggevend
in deze zaak. Het
gezag werd niet aan
vader toebedeeld. De
wens van het kind
werd wel
gerespecteerd; het
kind werd niet met
harde hand gedwongen
om bij moeder te
wonen. Het
voorstel van de
rechter was slechts
een aanbeveling.151
Uit de
jurisprudentie die
ik heb onderzocht
waarin het belang
van het kind werd
ingevuld, blijkt de
wens van het kind
een grote rol te
spelen bij het
bepalen van het
belang van het kind.
Deze laatste zaak
geeft echter een
duidelijk voorbeeld
dat kinderen soms
wensen hebben die
anderen, in casu de
rechter,
niet in het belang
van het kind achten.
De leeftijd en
rijpheid van het
kind is daarom
altijd een
belangrijk aspect om
mee te nemen nu
kinderen niet altijd
inzicht hebben in
hun belang.
Belangrijk is
dat het kind wel
steeds meer als een
rechtsubject wordt
gezien door juist de
wens van het kind
zelf te
respecteren. Door
het kind niet te
dwingen te handelen
zoals de rechter
meent dat het belang
van het
kind dat vergt, maar
slechts zijn visie
op het belang van
het kind geeft,
wordt juist het
belang van het
kind gediend. Ook al
meent de rechter dat
het belang van het
kind wordt gediend
wanneer de kinderen
gezamenlijk
opgroeien, dit zou
toch niet in het
belang van het kind
zijn wanneer dit met
harde hand
moet worden
bewerkstelligd en
het kind dit zelf
niet wenst. De
rechter heeft door
het doen van
aanbevelingen
gehandeld zoals dat
in casu in het
belang van het kind
gewenst is.
De invulling van het
belang van het kind
binnen de
jurisprudentie over
gezamenlijk gezag
toont grote
overeenkomsten met
de jurisprudentie
ten aanzien van
omgang. Kort
samenvattend kan
worden
geconcludeerd dat:
•
Veiligheid,
stabiliteit en
continuïteit in het
belang van het kind
zijn.
•
Uit de
jurisprudentie naar
voren komt dat
gezamenlijk gezag na
echtscheiding
uitgangspunt is,
tenzij de
communicatieproblemen
zo ernstig zijn dat
er een
onaanvaardbaar
risico is dat de
kinderen verloren
zullen raken tussen
de ouders en dat
niet te verwachten
is dat deze binnen
afzienbare tijd
zullen verminderen.
•
De wens van het kind
te allen tijde
gehoord moet worden.
Leeftijd en rijpheid
spelen een rol
bij het laten
meewegen van de wens
of de bezwaren van
het kind.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
§ 5.2.3 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
erkenning
Uit de
jurisprudentie over
erkenning, waarin
het belang van het
kind wordt genoemd,
blijkt allereerst
duidelijk te volgen
dat het kind
zekerheid dient te
hebben omtrent de
afstamming. Een
belangrijk
arrest waar in de
jurisprudentie naar
verwezen wordt is de
zaak Rasmussen van
het Europese Hof van
de Rechten van de
Mens. In deze zaak
ging het om het
instellen van een
actie tot ontkenning
van het
vaderschap. Volgens
Deense wetgeving kan
een man tot vijf
jaar na de geboorte
een actie tot
ontkenning van het
vaderschap
instellen. Deze
tijdslimiet gold
alleen voor mannen
en niet voor
vrouwen. Het EHRM
oordeelde dat deze
tijdslimiet, ondanks
inmenging in het
recht op
gezinsleven,
gerechtvaardigd was
met het oog op de
rechtszekerheid en
ter bescherming van
“de belangen van het
kind”.152 Wat deze
“belangen van het
kind” zijn wordt
niet uiteengezet,
maar men zou hieruit
kunnen
concluderen dat het
kind er belang bij
heeft dat de
onzekerheid met
betrekking tot zijn
identiteit niet
onnodig
voortduurt.153
In een aantal zaken
is concreet
aangegeven dat het
in het belang van
het kind is om
zekerheid te
hebben omtrent de
afstamming van de
wettelijke ouders.
Dit uitgangspunt
blijkt ten grondslag
te
liggen aan de
regelgeving over
ontkenning van het
vaderschap.154 Ook
de Nederlandse
wetgeving kent
een termijn voor het
instellen van een
vordering tot
ontkenning van het
vaderschap. De
wetgever gaat
uit van een
belangenafweging:
aan de ene kant
staat het belang van
het kind dat omtrent
zijn
afstamming niet lang
onzekerheid bestaat,
aan de andere kant
staat het belang van
de wettige vader om
zich voor te
bereiden en een
rechtsvordering tot
ontkenning van het
vaderschap in te
stellen. Deze
afweging wordt
overgelaten aan de
wetgever, de rechter
kan zich er slechts
over uitlaten in
relatie tot
artikel 8 EVRM.155
De rechter heeft dit
gedaan in een zaak
waarin het belang
van het kind om te
weten
van wie men afstamt
tegenover het recht
van de moeder stond
om gegevens van de
vermoedelijke
vader verborgen te
houden. Het kind
werd geboren in een
rooms-katholieke
inrichting. De vraag
was
of de inrichting
verplicht was de
gegevens over de
vader van het kind
aan het kind te
verstrekken die
door de moeder aan
de inrichting waren
gegeven. De
inrichting wilde de
gegevens niet
afstaan en
beriep zich op haar
geheimhoudingsplicht.
Daarnaast gold er
binnen de inrichting
een beleid dat
gegevens over de
vermoedelijke vader
niet worden
verstrekt aan het
kind zolang de
moeder nog leeft
en haar toestemming
ontbreekt. De Hoge
Raad oordeelde
uiteindelijk dat het
recht van het kind
om te
weten door wie het
is verwekt zwaarder
weegt in dit geval
dan het recht van de
moeder om dit
verborgen te houden
voor haar kind.156
Een tweede invulling
die aan het belang
van het kind wordt
gegeven in de
jurisprudentie over
erkenning heeft
betrekking op de
relatie kind en
wettige vader
tegenover de relatie
kind en biologische
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
vader. De relatie
wettige/niet-wettige
kinderen en het
belang van het kind
is de laatste jaren
veranderd.157 Het
belang van het kind
om de
familierechtelijke
relatie en
biologische relatie
tussen
vader en kind te
laten samenvallen
weegt nu zwaarder
dan het behouden van
de status van wettig
kind.158 Soms kan
het volgens de Hoge
Raad wel in het
belang van het kind
zijn om de
juridische band
met de voormalige
echtgenoot van de
moeder voort te
laten duren, totdat
het kind daar zelf
een oordeel
over kan vormen.159
In deze zaak werd
het kind vanaf haar
geboorte door de
biologische vader
verzorgd, wilde hij
zijn kind erkennen
en verzette de
juridische vader
zich niet tegen
erkenning. De
bijzondere curator
was van mening dat
het belang van het
kind zich verzet
tegen het laten
voortduren
van de juridische
band tussen de
voormalige
echtgenoot van de
moeder en het kind
totdat het kind
daar zelf over kan
worden gehoord. In
deze omstandigheid
was het dan ook in
het belang van het
kind
om de juridische
status van het kind
in overeenstemming
te brengen met de
fysieke, sociale en
maatschappelijke
werkelijkheid zoals
deze volgens alle
betrokkenen was en
niet de juridische
relatie
met de voormalige
echtgenoot van de
moeder te laten
voortduren. De
mogelijkheid voor
het kind om
later zelf te
beslissen om deze
juridische status in
overeenstemming te
brengen met de
biologische
werkelijkheid was in
dit geval van
ondergeschikt
belang.160
Wanneer een moeder
niet toestaat dat de
vader zijn kind
erkent, kan de vader
de rechtbank om
vervangende
toestemming vragen.
Bij een verzoek van
de vader om
vervangende
toestemming draait
het opnieuw om een
belangenafweging
waarbij het belang
van de verwekker bij
vervangende
toestemming dient te
worden afgewogen
tegen het belang van
de moeder en het
kind bij
nieterkenning.
161 Artikel 204 lid
3 Bw bepaald dat
vervangende
toestemming voor
erkenning wordt
verleend indien de
erkenning de
belangen van de
moeder bij een
ongestoorde
verhouding met het
kind
of de belangen van
het kind niet zou
schaden en de man de
verwekker is van het
kind.
Schade aan de
belangen van het
kind kan het
verlenen van
vervangende
toestemming
dwarsbomen
wanneer moeder in
een situatie geraakt
waarin zij het kind
geen stabiel
opvoedingsklimaat
kan
bieden.162 Bij
vervangende
toestemming tot
erkenning dient het
belang van het kind
bij het hebben van
perspectief op een
stabiel
opvoedingsklimaat
dus meegenomen te
worden.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
Kort samenvattend
kan worden
geconcludeerd dat:
•
Het in het belang
van het kind is om
zekerheid te hebben
over zijn wettige
ouders. Het kind
staat niet altijd in
een
familierechtelijke
relatie tot de
biologische vader,
de wettige vader is
ook niet altijd de
biologische vader.
Het is echter in het
belang van het kind
dat de juridische
status overeenkomt
met de biologische
werkelijkheid.
•
Rekening moet worden
gehouden met de wens
van het kind zelf.
•
Bij een beslissing
omtrent het verzoek
tot vervangende
toestemming voor
erkenning moet het
belang van het kind
bij het hebben van
een stabiel
opvoedingsklimaat
meewegen.
§ 5.2.4 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
geslachtsnaamwijziging
De geslachtsnaam van
een persoon kan
volgens artikel 7
van boek 1 Bw worden
gewijzigd bij
Koninklijk Besluit.
Op een verzoek tot
geslachtsnaamwijziging
is sinds 1 januari
1998 het Besluit
naamswijziging van
toepassing.
Besluiten die voor
die tijd zijn
ingediend vallen
onder de richtlijn
geslachtsnaamwijziging
1989. Artikel 3 lid
4 Besluit
naamswijziging noemt
gronden waarop
naamswijziging wordt
afgewezen. Deze
gronden zijn
dezelfde als onder
de richtlijn
geslachtsnaamswijziging
1989.
Geslachtsnaamswijziging
wordt afgewezen
indien het belang
van het
kind zich hiertegen
verzet. Indien
afwijzing van het
verzoek de
lichamelijke of
geestelijke
gezondheid
van de minderjarige
in ernstige mate zou
schaden dient
geslachtsnaamswijziging
juist te worden
toegewezen volgens
artikel 3 lid 5 van
het Besluit. De
afwijzingsgrond: het
belang van het kind
verzet
zich tegen
geslachtsnaamswijziging,
is dus minder zwaar
dan de
toewijzingsgrond:
“ernstige schade aan
de lichamelijk of
geestelijke
gezondheid van de
minderjarige”.
Hieruit kan
geconcludeerd worden
dat niet snel wordt
overgegaan tot
geslachtsnaamswijziging.
In de richtlijnen en
het Besluit
geslachtsnaamwijziging
worden in de
toelichting een
aantal factoren
genoemd die het
belang van het kind
moeten bepalen bij
geslachtsnaamswijziging.
Bij de boordeling
van het belang van
het kind worden
naast de
bestendigheid van de
gezinssituatie en de
mening van het
kind de volgende
punten overwogen:
1.
Statusvoorlichting:
wanneer het kind
niet is voorgelicht
omtrent zijn afkomst
kan naamswijziging
tot verduistering
leiden.
Statusverduistering
is volgens de
toelichting niet in
het belang van het
kind.
2. Eenheid van naam
in het gezin.
3. Voert het kind de
nieuwe geslachtsnaam
in de praktijk en zo
ja hoelang?
4. De rol die de
ouders hebben in het
leven van het kind
en het contact
tussen het kind en
beide ouders
is een belangrijk
aspect dat
meegewogen dient te
worden.
5. Door de
geslachtsnaamsverandering
wordt een bestaande
gezinssituatie
bevestigd.
Belangrijk is de
vraag in hoeverre
het kind deze
situatie accepteert
en welke effecten de
geslachtsnaamsverandering
op
het gezin heeft.163
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
De punten die de
wetgever heeft
opgesteld dienen het
belang van het kind
en al deze factoren
zijn
daardoor ook in het
belang van het kind.
Waar het namenrecht
volgens de Afdeling
Rechtspraak Raad
van State naar
streeft is
stabiliteit en
continuïteit.164
Bij onderzoek naar
het belang van het
kind in het
namenrecht, is
statusvoorlichting
een punt dat
meegewogen dient te
worden.165 In de
artikelsgewijze
toelichting wordt
gesteld dat dit in
het belang
van het kind is. Een
praktijkvoorbeeld
kan het belang van
statusvoorlichting
verhelderen. Moeder
vraagt om
geslachtsnaamswijziging
van haar kinderen.
De vader betaalt
geen alimentatie en
het oudste
kind draagt al jaren
de achternaam van
zijn moeder. Moeder
wil dat beide
kinderen haar
geslachtsnaam
krijgen. Het oudste
kind is op de hoogte
van zijn afkomst.
Het jongste kind
heeft zijn
vader nog nooit
gezien en draagt al
sinds zijn geboorte
de achternaam van
zijn moeder. Moeder
wil
haar jongste zoon
over zijn vader
inlichten wanneer
volgens haar een
goed moment zich
voordoet.
Statusvoorlichting
strekt volgens de
Afdeling
rechtstreeks tot het
belang van het kind.
De wens om
statusvoorlichting
moet echter wel
betrokken worden in
de situatie waarin
het kind zich
bevindt. In dit
geval was er geen
angst voor
statusverduistering
en werd
geslachtsnaamwijziging
toegestaan.166 Het
belang van het kind
bij
statusvoorlichting
kan bij
geslachtsnaamswijziging
in de weg staan.
Naast
statusvoorlichting
lijkt eenheid van
naam binnen een
gezin een
belangrijke
invulling van het
belang van het kind.
Het Besluit
geslachtsnaamwijzing,
maar ook de eerdere
richtlijnen, streven
zoveel
mogelijk naar
eenheid van naam,
omdat dit in “het
belang van de
minderjarige” is. In
een arrest uit
1987 blijkt aan dit
belang tegemoet te
worden gekomen door
geslachtsnaamswijziging
van de
kinderen in die van
de moeder, omdat er
nu drie
geslachtsnamen
bestaan binnen één
gezin. Daarbij
dient de
omstandigheid te
worden betrokken dat
de moeder niet
opnieuw zal gaan
trouwen, waardoor
verandering van de
geslachtsnaam van de
kinderen in die van
de stiefvader geen
oplossing zal zijn.
Verder wensen de
kinderen zelf de
naam van de moeder
te krijgen en hebben
zij weinig contact
met
hun biologische
vader. Door
geslachtsnaamwijziging
zal het belang van
het kind bij eenheid
van naam
worden gediend
volgens de
Afdeling.167 Uit
zowel de factoren
die uit de
toelichting op de
richtlijnen,
het Besluit
geslachtsnaamwijziging
en uit dit arrest
volgen, blijkt de
mening van het kind
opnieuw
mee te spelen bij
het bepalen van het
belang van het kind.
Ook de Hoge Raad is
in een zaak over
erkenning van mening
dat het toestaan van
erkenning in het
belang van het kind
is, omdat het kind
daardoor een andere
geslachtsnaam zou
krijgen en het niet
langer in een
uitzonderingspositie
zou staan
ten opzichte van de
andere kinderen
binnen het gezin die
al de geslachtsnaam
van de erkennende
vader
droegen.168
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
Wanneer eenheid van
naam niet geheel
wordt gerealiseerd
door
geslachtsnaamwijziging,
omdat het
ene deel van het
gezin daarna nog
steeds een andere
achternaam heeft en
het belang van het
kind zich
niet tegen
geslachtsnaamwijziging
verzet, kan niet tot
de conclusie worden
gekomen dat
geslachtsnaamwijziging
moet worden
toegewezen.169
Duidelijk moet
blijken dat
geslachtsnaamwijziging
het belang van het
kind dient, zoals
bijvoorbeeld bij de
eenheid van naam in
het gezin. De
Afdeling hecht
waarde aan het feit
dat kinderen zich
geen buitenstaander
voelen in het
gezin waarin zij
opgroeien, doordat
hun achternaam niet
afwijkt van die van
andere leden binnen
het
gezin.170
Geslachtsnaamwijziging
kan onder
omstandigheden dit
doel dienen. Dit
doel werd volgens de
Hoge Raad niet
gediend in de
volgende zaak. Een
huwelijk tussen een
man en vrouw is
ontbonden.
Tijdens dat huwelijk
zijn twee kinderen
geboren die de
geslachtsnaam van de
vader dragen. Als de
moeder hertrouwt wil
zij dat de kinderen
de naam van hun
stiefvader gaan
dragen die zelf ook
een
kind heeft uit een
ander huwelijk. Uit
de relatie tussen de
moeder en de
stiefvader is ook
een kind
geboren waardoor het
gezin nu uit vier
kinderen bestaat. De
kinderen zijn niet
gehoord en de
rechter
besluit uiteindelijk
om de
geslachtsnaamswijziging
niet toe te wijzen
omdat “het belang
van de
kinderen” om zich te
kunnen identificeren
met de biologische
vader van groter
belang werd geacht
dan
de gezinseenheid.171
Bij
geslachtsnaamswijziging
geeft de
artikelsgewijze
toelichting van het
Besluit
naamswijziging al
een
aantal factoren die
het belang van het
kind bepalen. Uit
deze factoren en de
jurisprudentie kan
worden
geconcludeerd dat:
•
Het in het belang
van het kind is dat
het wordt
voorgelicht omtrent
zijn of haar status.
•
Eenheid van naam
niet altijd in het
belang van het kind
is. Niet altijd kan
eenheid van naam
worden bereikt door
gemengde
gezinssamenstelling.
Soms dient het
belang van eenheid
van
naam dan ook
ondergeschikt te
worden gemaakt aan
het belang van het
kind om zich te
kunnen identificeren
met de biologische
vader.
•
Rekening dient te
worden gehouden met
de wens van het kind
zelf.
§ 5.2.5 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
Wanneer de zedelijke
of geestelijke
belangen of de
gezondheid van het
kind worden bedreigd
kan de
kinderrechter het
kind onder toezicht
stellen, zo volgt
uit de wet.172 Soms
gaat
ondertoezichtstelling
gepaard met
uithuisplaatsing.173
Uithuisplaatsing
geschiedt pas indien
dit noodzakelijk is
in het belang
van de verzorging en
opvoeding van het
kind. Uit de wet
volgt dat pas tot
ondertoezichtstelling
en
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
uitplaatsing wordt
overgegaan wanneer
dit in het belang
van het kind is. Het
kind wordt uit huis
geplaatst in een
kindertehuis,
residentiële woning
of bij pleegouders.
Uit de
jurisprudentie over
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
blijkt heel
duidelijk wat
volgens de
rechter in het
belang van het kind
is: namelijk een
rustige, veilige en
stabiele
opvoedingssituatie.174
Bij de keuze of het
kind in het
pleeggezin,
kindertehuis of
residentiële woning
moet blijven of
terug
dient te keren naar
de eigen ouders
wordt gekeken of de
‘zedelijke en
geestelijke
belangen’ nog
ernstig
worden bedreigd. Dit
gaat dus verder dan
het algemene “belang
van het kind”. De
rechter maakt een
belangenafweging
tussen het belang
van het kind om
onder overheidszorg
te blijven en het
belang van
de ouder om met zijn
kind te worden
herenigd.175 Een
duidelijke
belangenafweging
blijkt uit de
volgende zaak van
het EHRM. Een
17-jarig meisje
bevalt van een zoon.
Drie jaar leefde zij
samen met
een man die haar en
haar kind
mishandelde.
Uiteindelijk wordt
de man veroordeeld
en komt in de
gevangenis terecht.
Sociale
welzijnsautoriteiten
helpen het meisje
met de opvoeding
totdat er
problemen tussen
haar en deze
welzijnsautoriteiten
ontstaan. Wanneer de
zoon twaalf jaar oud
is wordt
hij onder toezicht
gesteld. Later komt
de jongen in een
kindertehuis
terecht. Moeder
bevalt opnieuw en
krijgt een dochter.
De Raad van de
Kinderbescherming
wordt ingeschakeld,
omdat moeder
problemen
heeft met de
opvoeding van haar
kinderen.
Uiteindelijk wordt
ook de dochter onder
toezicht gesteld en
uit huis geplaatst.
Volgens moeder is
haar recht op
gezinsleven
geschonden door de
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
van haar dochter, de
ontneming van de
ouderlijke macht en
de beëindiging van
de omgang met haar
dochter. Het EHRM
diende te beoordelen
of inmenging in het
recht op gezinsleven
in dit geval
gerechtvaardigd
was.176 Volgens het
Hof was relevant dat
het in het
belang van het kind
was om de hechting
met de pleegouders
niet te verstoren.
De dochter werd vlak
na
haar geboorte
opgevangen in een
pleeggezin en had al
een half jaar
doorgebracht in een
tijdelijk
pleeggezin voordat
zij in een langdurig
pleeggezin werd
geplaatst. Het was
cruciaal dat het
meisje
onder veilige en
stabiele condities
verkeerde.177 Het
opnemen van het kind
in een pleeggezin
was
volgens het Hof geen
schending van
artikel 8 EVRM.
Binnen het kader
uithuisplaatsing en
pleegzorg blijkt
naast het belang van
het kind om een
rustige,
veilige en stabiele
opvoedingssituatie
te hebben ook het
belang van een
ongestoorde
voortgezette
hechting een
belangrijke rol te
spelen.178 Dit
belang werd eveneens
genoemd in het
hiervoor besproken
arrest van het EHRM.
Hoewel uit de
preambule van het
IVRK blijkt dat het
gezin centraal zou
moeten
staan in de
samenleving, is het
soms toch
noodzakelijk om in
het belang van het
kind het kind buiten
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
zijn gezin te laten
opgroeien. Zo kwam
dat ook tot uiting
in het geval dat
moeder wegens
minderjarigheid niet
bevoegd was tot het
uitoefenen van het
gezag en het kind
bij pleegouders ging
wonen. Moeder wil nu
met het gezag worden
belast en dat het
kind tevens
ondertoezicht wordt
gesteld
en uit huis wordt
geplaatst. Volgens
het hof is
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
in strijd met
het belang van de
continuïteit van de
huidige
opvoedingssituatie
en een ongestoord
hechtingsproces
kind-pleegouder.179
Het woord “gezin” in
de preambule dient
aldus niet
geïnterpreteerd te
worden als
biologisch gezin.
Ook verblijf in een
pleegoudergezin kan
voor korte of lange
duur in het belang
van
het kind zijn.
De jurisprudentie
over
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
die in dit hoofdstuk
worden
behandeld, betreft
met name
jurisprudentie over
uithuisplaatsing in
een pleeggezin. Kort
samenvattend
kan worden
geconcludeerd dat:
•
In het kader van
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
het belang van het
kind zo wordt
ingevuld dat er
sprake dient te zijn
van veiligheid,
stabiliteit en
continuïteit.
•
Het belang van het
kind binnen de
pleegzorg met name
draait om het belang
van een
ongestoord
hechtingsproces
tussen pleegouder en
kind.
§ 5.3 Het belang van
het kind in
jurisprudentie
binnen het
vreemdelingenrecht
Hoewel het onderzoek
naar het belang van
het kind binnen de
jurisprudentie van
het
vreemdelingenrecht
minder omvangrijk
is, levert het wel
een belangrijke
bijdrage aan de
zoektocht
naar de invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK. Nu het
gaat, zoals eerder
aangegeven, om het
belang van het kind
ten aanzien van alle
maatregelen die
kinderen betreffen
dient
niet alleen de
familierechtelijke
interpretatie
meegenomen te
worden, maar
eveneens de
vreemdelingenrechtelijke
en strafrechtelijke
interpretatie. Op
deze manier wordt de
invulling van het
belang van het kind
zo breed mogelijk
toepasbaar.
Het begrip het
belang van het kind
wordt nergens in de
Vreemdelingenwet
2000 noch in het
Vreemdelingenbesluit
wordt genoemd. Dit
betekent echter niet
dat er geen rekening
moet worden
gehouden met het
belang van het kind.
Het belang van het
kind is uitgangspunt
van het beleid
waardoor de rechters
en ook de regering
dit belang moeten
meewegen. In de
Vreemdelingencirculaire
(Vc), waarin de
nadere uitwerking
van de
Vreemdelingwet (Vw)
is neergelegd, wordt
wel op
verschillende
plekken gewezen op
de kwetsbare positie
van
kinderen/jeugdigen
en ook op het belang
van het kind. Waar
en op welke wijze de
belangen van
kinderen worden
genoemd zal binnen
de twee
specifieke
onderwerpen in deze
paragraaf nader aan
de orde komen. Bij
de invullingen van
het belang
van het kind binnen
het
vreemdelingenrecht
heb ik mij
geconcentreerd op
twee onderwerpen:
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
alleenstaande
minderjarige
vreemdelingen
(amv-ers) 180 en het
recht op
gezinsleven. Voor
deze
specifieke
onderwerpen heb ik
gekozen omdat de
verwijzing naar het
belang van het kind
in de
regelgeving ten
aanzien van amv-ers
invulling krijgt in
de
Vreemdelingencirculaire.
Bij gezinsleven
komt het belang van
het kind aan de orde
binnen de
jurisprudentie.
Zowel de regelgeving
als de
jurisprudentie
zullen besproken
worden om het belang
van het kind in het
vreemdelingenrecht
invulling te geven.
Volgens jurist Goos
Cardol zijn de
volgende factoren
mogelijk van invloed
op de invulling van
het
belang van het kind
in het
vreemdelingenrecht:
•
De verblijfsduur in
Nederland
•
De mogelijk
ingezette
rechtsmiddelen
•
De aanwezigheid van
familieleden
•
De hechting van de
minderjarige aan de
opvoeder(s)
•
De geworteldheid van
de minderjarige in
de Nederlandse
samenleving
•
De eventuele
noodzakelijkheid van
de behandeling/hulp
•
De aanwezigheid van
voorzieningen in het
land van herkomst
•
De toegankelijkheid
van de
hulpvoorzieningen
voor de betrokken
minderjarige in het
land van
herkomst
Deze factoren moeten
worden afgewogen
tegen de bevoegdheid
van de Nederlandse
overheid om
iemand toe te laten,
het restrictieve
toelatingsbeleid en
de beslissing in de
asielprocedure. 181
§ 5.3.1 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
alleenstaande
minderjarige
vreemdelingen
Een amv-er is een
persoon die
minderjarig is182 en
zonder zijn of haar
meerderjarige
ouder(s) of voogd
naar Nederland
komt.183 De
minderjarige dient
aan te tonen dat hij
of zij minderjarig
is.
Een amv-vergunning
wordt niet verleend
wanneer blijkt dat:
1.
De minderjarige
gelogen heeft over
zijn/haar
minderjarigheid;
2.
De vreemdeling in
het land van
herkomst zich
zelfstandig kan
redden;
3.
In het land van
herkomst of in een
ander land waar de
vreemdeling
redelijkerwijs naar
toe kan
adequate opvang is;
4.
De vreemdeling het
onderzoek naar de
adequate opvang
frustreert.184
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
Bij de inrichting
van het beleid ten
aanzien van amv-ers
dienen de belangen
van het kind de
eerste
overweging te
zijn.185 In de
vreemdelingencirculaire
worden “de belangen
van het kind” een
aantal
keer genoemd. Met
het oog op de
ontwikkeling van het
kind186 en op het
belang van het
kind187 dient
een amv-er zo
spoedig mogelijk
duidelijkheid te
verkrijgen over een
asielaanvraag.
Wanneer de door
de amv-er ingediende
asielaanvraag is
afgewezen, moet de
minderjarige
terugkeren naar het
land van
herkomst of een
ander land waar zij
redelijkerwijs naar
toe kan gaan.
Volgens de
circulaire is dit
ook
in het belang van
het kind zelf. Niet
veel kinderen die
ontworteld of
ontheemd raken, zijn
uiteindelijk
gebaat bij de
scheiding van ouder
en hun omgeving. Het
belang van het kind
vraagt in beginsel
om
herstel van de
relatie met ouders,
familie en/of
sociale omgeving.188
Bij het beoordelen
van een
asielrelaas moet
volgens de
circulaire rekening
worden gehouden met
de geestelijke
ontwikkeling en
de leeftijd van de
betrokkene nu een
minderjarige niet zo
gedetailleerd en
volledig kan
vertellen als
een volwassene.189
Bij het indienen van
een asielaanvraag
wordt de
minderjarige van
twaalf jaar en
ouder geacht tot een
redelijke waardering
van zijn of haar
belangen. Een
asielaanvraag kunnen
zij zelf
ondertekenen. Anders
is dit als het gaat
om een minderjarige
beneden de twaalf
jaar. De
ondertekening
van een aanvraag
dient dan te
geschieden door een
voogd dan wel een
zaakwaarnemer.190
Hoewel de
Vreemdelingencirculaire
aangeeft wat in het
belang van het kind
is, is het ook van
belang
hoe de rechter om
gaat met deze
invulling terzake
het amv-beleid. De
jurisprudentie
omschrijft nader
hoe de rechter met
deze belangen om
gaat.
Kijkende naar de
jurisprudentie over
adequate opvang
wordt in veel
gevallen geoordeeld
dat de
minderjarige dient
terug te keren naar
het land van
herkomst, omdat er
sprake is van
adequate
opvang.191 Hiermee
erkent de Afdeling
het gestelde dat bij
afwijzing van een
asielaanvraag
terugkeer
in het belang van
het kind is. Daarbij
moet van te voren
niet onmogelijk zijn
dat de opvang in het
land
van herkomst
aanwezig is tot aan
de meerderjarigheid
van de
vreemdeling.192
Dit lijkt echter in
sommige gevallen op
gespannen voet te
staan met de derde
grond die de
Vreemdelingencirculaire
in het belang van
het kind acht,
namelijk het herstel
van de relatie met
ouders, familie
en/of sociale
omgeving. De
regering ziet dit
aspect dusdanig dat
hieraan voldaan
wordt
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
wanneer het kind
terugkeert naar het
land van herkomst en
daar herenigd wordt
met de familie.193
Hoe
zit dit echter
wanneer het kind in
Nederland
(inmiddels) familie
heeft en niet in het
land van
herkomst? Zo wordt
in Angolese zaken
standaard gesteld
dat er adequate
opvang is omdat de
Nederlandse overheid
daar zelf een
weeshuis steunt in
Mulemba. In een zaak
met een Angolees
meisje
gebeurde dat ook.194
Zij heeft in
Nederland familie en
een pleeggezin. Het
meisje zal van deze
familie
gescheiden worden
wanneer zij zal
moeten terugkeren
naar het land van
herkomst. Het meisje
gaat
hier naar school en
heeft vrienden,
terwijl in het land
van herkomst geen
familie is. De
Afdeling
oordeelt echter dat
de minister deze
omstandigheden
terecht niet bij de
vaststelling van het
beleid had
betrokken. De
verblijfsvergunning
werd niet verleend
en het beroep werd
ongegrond
verklaard.195
Mijn vraag is
wanneer terugkeer
naar het land van
herkomst
daadwerkelijk in het
belang van het kind
is. Zodra de
vreemdeling hier een
gezinsleven heeft
opgebouwd zou dit
belang toch ook een
rol
moeten spelen bij
het bepalen of een
verblijfsvergunning
moet worden
verleend. Niet
alleen herstel
van de relatie met
de ouders, maar ook
ander feitelijk
gezinsleven is in
het belang van het
kind.196 Dit
is blijkbaar geen
grond die de
minister meeneemt.
Mijns inziens ten
onrechte. Het zou
alleen dan in
het belang van het
kind moeten zijn om
terug te keren naar
het land van
herkomst wanneer dit
spoedig
gebeurt en het kind
hier nog niet
geworteld is en een
gezinsleven heeft
opgebouwd.
Concluderend biedt
de jurisprudentie
weinig houvast bij
de invulling van het
belang van het kind
als
het gaat om
alleenstaande
minderjarige
vreemdelingen. Als
gekeken wordt naar
de invullingen van
het
belang van het kind
die Cardol noemt,
dan blijkt de
aanwezigheid van
voorzieningen en de
toegankelijkheid van
de hulpvoorzieningen
voor de betrokken
minderjarige in het
land van herkomst
een belangrijke rol
te spelen. Deze
invullingen bepalen
namelijk of het in
het belang van het
kind is
dat de minderjarige
moet terugkeren naar
het land van
herkomst dan wel een
amv-vergunning hoort
te
krijgen.
Kort samengevat kan
worden gesteld dat
uit de
vreemdelingencirculaire
volgt dat:
-Met spoed moet
worden beslist
omtrent een
asielaanvraag.
-Adequate opvang in
het belang van het
kind is. Is deze
adequate opvang in
het land van
herkomst
dan dient de
minderjarig terug te
gaan. Bij gebrek aan
adequate opvang moet
een
verblijfsvergunning
worden verleend.
-Het belang van het
kind in beginsel
vraagt om herstel
van de relatie met
ouders, familie
en/of sociale
omgeving.
-Met de geestelijke
ontwikkeling en de
leeftijd van de
minderjarige
rekening dient te
worden
gehouden.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
§ 5.3.2 Het belang
van het kind en
jurisprudentie over
gezinsleven
Als tweede onderdeel
is het thema
‘gezinsleven’ een
onderdeel waar de
belangen van
kinderen ruim
aan bod komen.197
Belangrijk is
daarbij artikel 8
EVRM waarin het
recht op gezinsleven
is neergelegd
en dat ook
veelvuldig binnen
het familierecht
wordt ingeroepen. Op
basis van artikel 8
EVRM dient
de rechter een
belangenafweging te
maken. Het belang
van de vreemdeling
bij het recht op
gezinsleven dient
afgewogen te worden
tegen het belang van
de nationale
veiligheid, de
openbare
veiligheid of het
economisch welzijn
van het land, het
voorkomen van
wanordelijkheden en
strafbare
feiten, de
bescherming van de
gezondheid of de
goede zeden of voor
de bescherming van
de rechten
en vrijheden van
anderen. Wanneer
kinderen in het spel
zijn dienen hun
belangen dus
eveneens te
worden afgewogen.
Een van de
belangrijke zaken
waarin het belang
van het kind in het
kader van
gezinsleven tot nu
toe
aan de orde is
geweest en concreet
invulling heeft
gekregen is de zaak
Rodriquez da Silva.
In deze
zaak werd het belang
van het kind
expliciet genoemd.
De feiten zijn als
volgt. Een
Braziliaans vrouw,
moeder van twee
kinderen, komt
alleen naar
Nederland toe. In
Nederland krijgt ze
een vriend en gaat
samenwonen. De vrouw
en haar Nederlandse
partner krijgen een
dochter. Door
erkenning van de
vader krijgt de
dochter de
Nederlandse
nationaliteit.
Gedurende haar
verblijf is de
moeder illegaal in
Nederland. Nadat het
huwelijk in een
echtscheiding
uitmondt, vraagt
moeder aan de
rechtbank haar
met het gezag over
haar dochter te
belasten. De Raad
van de
Kinderbescherming
oordeelt dat het in
het belang van het
kind is om het gezag
aan vader toe te
kennen. De rechtbank
kent echter het
gezag
aan moeder toe,
terwijl de
verblijfvergunning
voor moeder wordt
geweigerd. Zowel het
hof als de
Hoge Raad kent het
gezag aan vader toe.
Het feit dat de
dochter of van vader
of moeder zal worden
gescheiden is het
gevolg van het feit
dat de ouders een
relatie zijn
aangegaan tijdens
illegaal verblijf
van moeder volgens
de Hoge Raad. Nu de
verblijfsvergunning
aan moeder wordt
geweigerd is er
volgens haar sprake
van een schending
van gezinsleven. Het
EHRM stemt in met
deze zienswijze. De
dochter is op jonge
leeftijd opgegroeid
bij haar grootouders
en haar moeder. De
vader speelde een
minder grote rol.
Zij verbleef
daarnaast drie tot
vier dagen bij haar
moeder en heeft een
sterke band
met haar. De
weigering van een
verblijfsvergunning
zal deze band
verbreken en het zal
moeilijk
worden om regelmatig
contact te
onderhouden.198 Dit
was met name van
belang nu de dochter
pas drie
jaar oud was op het
moment dat de
weigering van de
verblijfsvergunning
van moeder
definitief werd.
Het EHRM oordeelde
uiteindelijk dat het
belang van
economisch welzijn
van de Staat niet
opwoog
tegen het belang van
de dochter om moeder
in Nederland te
laten blijven.199
Het is dus in het
belang
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
van het kind dat het
met de ouder(s) in
Nederland blijft en
regelmatig contact
met hen kan
onderhouden, met
name wanneer het
kind erg jong is.200
In het kader van de
ongewenstverklaring
van een vreemdeling
heeft het belang van
het kind als
criterium zijn
intrede gedaan met
het arrest Üner van
het EHRM. De zaak
gaat over een Turkse
man,
in het bezit van een
permanente
verblijfsvergunning,
die voor tien jaar
ongewenst wordt
verklaard
vanwege een
veroordeling voor
doodslag en zware
mishandeling. De man
heeft een vrouw en
twee
kinderen en doet een
beroep op artikel 8
EVRM, omdat
uitzetting volgens
hem een schending
van het
gezinsleven
oplevert. In een
eerdere zaak, het
Boultif arrest, had
het EHRM acht
criteria gesteld
waaraan getoetst
moet worden om te
bepalen of
uitzetting
noodzakelijk is in
een democratische
samenleving.201 In
het Üner-arrest
voegt het Hof daar
twee criteria aan
toe:
1. De belangen en
het welzijn van
eventuele aanwezige
kinderen;
2. De sociale,
culturele en
familiebanden die de
vreemdeling heeft
opgebouwd in het
gastland en
in het land van
bestemming.202
Het Hof zegt dat
deze twee criteria
mogelijk ook vervat
zijn in de acht
Boultif-criteria.
In de zaak Üner
hebben moeder en de
kinderen de
Nederlandse
nationaliteit,
spreken geen Turks
en
hebben nooit in
Turkije gewoond.
Toen de
ongewenstverklaring
definitief werd
waren de kinderen
echter nog zo jong
(zes jaar en
anderhalf jaar), dat
zij zich in Turkije
hadden kunnen
aanpassen. De
kinderen hadden
daarbij de
mogelijkheid om
regelmatig een
bezoek te brengen
aan Nederland. Het
Hof oordeelde daarom
dat er geen sprake
was van een
schending van het
gezinsleven nu de
belangen
van de man en zijn
gezin niet opwogen
tegen het openbare
belang dat is
gediend met
uitzetting.203 De
Turkse man heeft
sterke banden met
Nederland, maar aan
de inmenging van het
gezinsleven werd
weinig belang
gehecht nu de man
maar kort met de
oudste zoon had
samengewoond en
nooit met de
jongste.204
De rechters die hun
dissenting opinion
hebben uitgebracht
stellen dat,
kijkende naar de
tien criteria,
juist wel sprake
dient te zijn van
een inmenging in het
recht op
gezinsleven. De
meerderheid heeft
volgens de
dissenters
waarschijnlijk een
groter belang
gehecht aan de ernst
van het feit dan de
belangen van de
familieleden.205 Als
ik kijk naar het,
voor dit onderzoek,
belangrijkste
criterium het
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
belang van het kind
dan moet ik ook tot
de conclusie komen
dat het in “het
belang van de
kinderen” is
als zij met hun
vader in Nederland
blijven. De kinderen
hebben de
Nederlandse
nationaliteit,
spreken
geen Turks, zijn nog
nooit in Turkije
geweest en het
oudste kind woont al
weer zes jaar in
Nederland
op het moment dat de
ongewenstverklaring
definitief werd.
De nieuw toegevoegde
criteria van het
Üner-arrest zijn
nadien voor het
eerst toegepast in
het arrest
Maslov. Hier ging
het om een uit
Bulgarije afkomstige
minderjarige jongen
die zelf ongewenst
verklaard wordt in
Oostenrijk wegens
het plegen van
misdrijven. Het Hof
oordeelde dat
uitzetting wel
een schending van
artikel 8 EVRM
opleverde. Een
specifieke
referentie naar het
belang van het kind
werd niet gemaakt,
maar het belang van
Maslov bij het recht
op gezinsleven werd
afgewogen tegen het
belang van het
voorkomen van
wanordelijkheden en
strafbare feiten. De
jongen woonde al
twaalf jaar
in Oostenrijk op het
moment dat de
ongewenstverklaring
definitief werd. Hij
spreekt Duits,
terwijl hij
de Bulgaarse taal
niet kan lezen en
schrijven, omdat hij
daar nooit naar
school is gegaan.
Daarnaast
zijn de misdrijven
gepleegd toen de
jongen veertien en
vijftien jaar oud
was. Het Hof
bestempelt dit
als
jeugdcriminaliteit.
Met uitzondering van
één geval is er geen
sprake geweest van
geweld. De
jongen heeft zich na
zijn laatste
invrijheidstelling
goed gedragen en
geen crimineel
gedrag meer
vertoond. Het
grootste gedeelte
van zijn kindertijd
heeft Maslov in
Oostenrijk gewoond
en daarbij
wonen ook al zijn
naaste familieleden
in Oostenrijk. De
ongewenstverklaring
was volgens het Hof
disproportioneel en
in strijd met
artikel 8 EVRM.206
Dat het Hof hier wel
een schending van
artikel 8 EVRM
aanneemt is
waarschijnlijk te
wijten aan het
feit dat de
minderjarige hier
zelf ongewenst
verklaard wordt. Hij
kan zich, nu hij nog
jong is,
aanpassen en heeft
dit ook uiteindelijk
laten zien door goed
gedrag te vertonen.
Üner daarentegen was
zelf al vader en had
twee kinderen die
veel korter in
Nederland verbleven
dan Maslov in
Oostenrijk.
Deze kinderen waren
blijkbaar niet zo
geworteld in de
Nederlandse
samenleving als
Maslov in de
Oostenrijkse en
daarbij zorgde Üner
zelf voor een te
groot gevaar voor de
Nederlandse
samenleving.
Het belang van
worteling blijkt ook
een grote rol te
spelen in de zaak
Sezen waarin een
Koerdische
man ongewenst
verklaard werd. Het
EHRM stelde hier
eveneens dat het
recht op gezinsleven
was
geschonden. De
Nederlandse
autoriteiten hadden
volgens het EHRM
niet goed gekeken
naar de
gevolgen van de
ongewenstverklaring
voor de rest van het
gezin. Van belang
was dat de kinderen
van
de man in Nederland
waren geboren en
geen Turks
spraken.207
In de behandelde
jurisprudentie over
gezinshereniging
zien we de criteria
die Cardol noemt, om
de
invulling van het
belang van het kind
te bepalen, opnieuw
terugkomen.
Belangrijk zijn de
verblijfsduur in het
land, de
aanwezigheid van
familieleden, de
geworteldheid van de
minderjarige en
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
de hechting van de
minderjarige aan de
opvoeder. Deze
criteria uit de
jurisprudentie
bepalen
gezamenlijk wat in
een gegeven
omstandigheid in het
belang van het kind
moet worden geacht.
In het
kader van
gezinsleven zijn
dat:
-Het uitoefenen van
het gezinsleven.
-Regelmatig contact
tussen ouder en
kind, met name
wanneer het kind erg
jong is.
§ 5.4 Het belang van
het kind in het
jeugdstrafrecht
Het belang van het
kind blijkt vele
malen terug te
vinden in de
wetgeving in het
familierecht, des te
minder is dit het
geval in het
vreemdelingenrecht
en het
jeugdstrafrecht. Er
is binnen het
strafrecht
slechts één
wetsartikel dat een
verwijzing maakt
naar het belang van
het kind, namelijk
artikel 77 s lid
1 Wetboek van
Strafrecht. Dit lid
geeft drie vereisten
waaraan voldaan
dient te worden bij
plaatsing in
een inrichting voor
jeugdigen (PIJ). Het
derde vereiste stelt
dat het opleggen van
de maatregel in het
belang van een zo
gunstig mogelijke
ontwikkeling van de
verdachte dient te
zijn. Nu het gaat om
plaatsing in een
inrichting voor
jeugdigen draait het
dus om het belang
van een zo gunstig
mogelijke
ontwikkeling van de
jeugdige. De grond
voor oplegging van
een PIJ-maatregel
kan uit de
wetsgeschiedenis
worden gehaald. De
maatregel moet
worden opgelegd
indien dit
heropvoeding of
behandeling voor de
veiligheid van de
maatschappij en
bescherming van de
jeugdige ten doel
heeft.208
Ondanks dat het
belang van het kind
slechts eenmaal
wordt genoemd,
speelt het belang
van het kind
wel een grote rol in
het jeugdstrafrecht.
Dat aan het belang
van het kind binnen
het strafrecht
aandacht
is besteed blijkt
met name uit de
speciale
wetsartikelen voor
minderjarigen.209
Verder wordt, zoals
eerder aangegeven,
de Raad van de
Kinderbescherming
geraadpleegd in
jeugdstrafzaken en
is het
belang van het kind
uitgangspunt bij het
werk van de Raad. In
strafzaken zal de
rechter zich dan ook
veelal laten leiden
door het advies van
de Raad. Echter, in
de uitspraken van de
Hoge Raad is niet
letterlijk terug te
vinden wat volgens
de rechter in het
belang van het kind
is. Dit maakt een
jurisprudentieonderzoek
naar de invulling
van het belang van
het kind in het
jeugdstrafrecht
moeilijk.
Deze paragraaf zal
daarom voornamelijk
ingaan op wat in de
literatuur is
geschreven over het
belang
van het kind in het
jeugdstrafrecht.
Afsluitend zullen
twee zaken
betreffende de
PIJ-maatregel
besproken worden.
§ 5.4.1 Het belang
van het kind in de
literatuur over het
jeugdstrafrecht
In het boek ‘Het
kind: bijzonder
belangrijk’ gaat
rechtsgeleerde Ido
Weijers in op de
interpretatie van
het belang van het
kind in het
jeugdstrafrecht. Hij
geeft zijn reactie
op de invulling van
Heiner en
Bartels en
Kalverboer en
Zijlstra. Weijers
ziet weinig in de
invulling van “het
belang van het kind
in
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
termen van ‘een zo
gunstig mogelijke
ontwikkeling’.210
Zoals omschreven in
hoofdstuk 3 is de
invulling van Heiner
en Bartels vanuit
het strafrechtelijke
kader opgezet.
Weijers is van
mening dat
het belang van het
kind met deze
interpretatie wordt
gebruikt om een
bepaalde levenswijze
of
opvoedingsstijl te
beoordelen. Hij ziet
meer in de visie van
Doret de Ruyter. Zij
ziet het belang van
het
kind niet als ‘een
zo gunstig mogelijk
ontwikkeling’, maar
als het beschermen
tegen schade. Er
moet
van minimale eisen
worden uitgegaan bij
de invulling van het
belang van het kind
en niet van hoge
doelen die de
pedagogen
omschrijven. De
Ruyter bespreekt het
belang van het kind
binnen de
opvoedingssituatie,
waarbij zij uitgaat
van drie vormen van
schade die aan het
kind kunnen worden
toegebracht: ouders
voeden niet op,
voeden aantoonbaar
inadequaat op of ze
misbruiken het
kind.211
De condities waar
Kalverboer en
Zijlstra van uitgaan
zijn voorwaarden die
volgens hen in de
leefomgeving van het
kind behoren te
zijn, omdat juist
bij het ontbreken
daarvan het kind
grote kans
loopt om psychische
of psychologische
schade op te
lopen.212 Zowel de
pedagogen als de
rechtsgeleerden gaan
uit van het
opvoedings-of
ontwikkelingsbelang
en de visie dat dit
belang
gediend wordt door
het kind bescherming
te bieden tegen
schadelijke
invloeden. Verschil
is echter dat
de pedagogen een
handvat geven om het
kind tegen deze
schade te
beschermen.
Rechter J.A.C.
Bartels omschrijft
het belang van het
kind in het
jeugdstrafrecht als
het
opvoedingsbelang.
Bartels stelt dat er
invloed op het kind
moet worden
uitgeoefend elke
keer dat er
een maatregel
betreffende een kind
genomen wordt. Op
deze manier dient
het gedrag van het
kind
gestuurd te worden
zodat het kind zich
weer sociaal
adequaat gaat
gedragen.213 De
rechter dient een
beslissing in het
belang van het kind
te nemen door het
opvoedingsbelang als
uitgangspunt te
nemen.214 Wel stelt
Bartels dat het
onmiddellijke belang
van de jeugdige niet
gelijkgesteld kan
worden
met het
opvoedingsbelang.
Dit is subjectief
gezien waar. Door
het opleggen van een
boete lijdt de
jeugdige financieel
nadeel, dit is in de
ogen van de jeugdige
niet in zijn of haar
belang. Objectief
gezien is het wel in
het belang van de
jeugdige, in zijn of
haar
opvoedingsbelang,
omdat het de
consequenties leert
van zijn gedrag en
weet welk gedrag is
toegestaan en welk
gedrag niet. Door
het
opleggen van een
straf wordt het
gedrag van het kind
beïnvloed op
pedagogische
wijze.215
De mening van het
kind blijkt in het
familierecht een
grote rol te spelen.
In het
jeugdstrafrecht is
daar,
doch in mindere
mate, ook aandacht
voor. In de visies
over het belang van
het kind in artikel
3 lid 1
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
IVRK werd het
objectieve en het
subjectieve model
van John Eekelaar
besproken. Ten
aanzien van het
jeugdstrafrecht is
Weijers van mening
dat hier eveneens
naar gekeken dient
te worden. Het
subjectieve
model, dat betekent
dat naar de mening
van het kind wordt
gevraagd indien er
een beslissing wordt
genomen, is van
belang om een
beslissing in het
belang van het kind
te kunnen nemen.
Daarnaast
dient objectief
gezien bekeken te
worden of het kind
zelf voldoende wordt
gerespecteerd.216
Uit de literatuur
over het belang van
het kind in het
jeugdstrafrecht kan
worden afgeleid dat
het hier
gaat om het
opvoedings-of
ontwikkelingsbelang
van het kind. Het
kind moet beïnvloed
worden om op
deze wijze gewenst
gedrag te stimuleren
en het
ontwikkelingsbelang
te dienen. Met welke
specifieke
elementen rekening
dient te worden
gehouden, wordt
alleen duidelijk
weergegeven door het
uit
strafrechtelijke
kader opgezette
model van Heiner en
Bartels. Weijers en
De Ruyter zijn
echter geen
voorstanders van dit
model, in mijn ogen
ten onrechte.
Volgens Weijers en
De Ruyter moet het
belang
van het kind in het
jeugdstrafrecht niet
worden uitgelegd als
een zo gunstig
mogelijk
ontwikkeling,
met name omdat niet
naar hoge doelen
moet worden
gestreefd.
Allereerst kan ik
niet meegaan in deze
zienswijze juist
omdat het enige
wetsartikel dat
binnen het
jeugdstrafrecht
ingaat op het belang
van het
kind (artikel 77s
Sr) spreekt over een
zo gunstig mogelijk
ontwikkeling.
Daarnaast zijn de
condities
die Heiner en
Bartels en ook
Kalverboer en
Zijlstra omschrijven
geen hoge doelen,
maar
basisvoorwaarden om
het belang van het
kind te dienen. In
het vorige hoofdstuk
werd duidelijk
gemaakt dat het IVRK
aan de
ontwikkelingsvoorwaarden
kunnen worden
gekoppeld. Het IVRK
geeft
echter basisnormen
weer en geen hogere
doelen, dit geld
visa versa voor de
ontwikkelingsvoorwaarden.
Verder laat de
invulling van De
Ruyter ook de nodige
interpretatie over.
Zo moet het kind
o.a. beschermd
worden tegen
aantoonbaar
inadequate opvoeding
van de ouders.
Wanneer daar sprake
van is, wordt door
haar niet
omschreven. Juist
door verschillende
condities te
omschrijven wordt
duidelijk wanneer
ouders adequaat
opvoeden.
§ 5.4.2 Het belang
van het kind in
jurisprudentie over
de PIJ-maatregel
Wat het belang van
het kind is wordt
binnen het
strafrecht in
artikel 77s Wetboek
van Strafrecht deels
bepaald door de
wetgever. Een
PIJ-maatregel dient
het belang van een
zo gunstig mogelijke
ontwikkeling van de
verdachte te dienen.
Hoe dit belang wordt
gediend blijkt uit
de volgende twee
arresten.
Het eerste arrest
betreft het
criterium
“veiligheid”. De
zaak gaat over een
jongen die ontucht
heeft
gepleegd met jonge
kinderen. De jongen
is vroeger zelf
seksueel misbruikt
door zijn halfbroer
en
buurjongen.
Daarnaast loopt hij
achter in zijn
sociale emotionele
ontwikkeling. De
omgang met
leeftijdsgenootjes
is moeilijk door de
angstgevoelens die
zijn leven
beheersen. Er is een
indicatie voor
een PIJ-maatregel,
dit heeft echter tot
consequentie dat hij
binnen de gevonden
instelling niet een
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
opleiding kan volgen
die past bij zijn
intelligentieniveau.
Volgens het hof was
oplegging van een
PIJ-
maatregel
noodzakelijk gezien
zijn beperkte
sociale emotionele
ontwikkeling en zijn
gevoeligheid
voor seksuele
prikkels. Bovendien
was er kans op
herhaling. Om
redenen van
veiligheid van
anderen
en de algemene
veiligheid van
personen, was het in
het belang van een
zo gunstig mogelijke
verdere
ontwikkeling van de
verdachte
noodzakelijk dat een
PIJ-maatregel werd
opgelegd.217 Het
begrip
veiligheid krijgt
hier een andere
definitie dan binnen
het familierecht.
Binnen het
familierecht sloeg
de
term “veiligheid” op
het kind zelf,
terwijl het hier
gaat om de
veiligheid van
anderen waarmee het
belang van de
jeugdige eveneens
wordt gediend.
Veiligheid voor het
kind zelf én zijn
omgeving is dus
in “het belang van
het kind/jeugdige”.
In de tweede zaak
betreft het een
jeugdige die enkele
diefstallen en
geweldsmisdrijven
heeft gepleegd.
De jeugdige is
veroordeeld tot
jeugddetentie en
kreeg voorwaardelijk
een PIJ-maatregel
opgelegd. Aan
de PIJ-maatregel
werd een proeftijd
verbonden en
bijzondere
voorwaarden. Het hof
heeft bij het
bepalen van de
PIJ-maatregel de
rapporten van
gedragsdeskundigen
meegewogen. Uit deze
rapporten
concludeert het hof
dat een duidelijke
structuur voor de
verdachte niet in de
thuissituatie kan
worden
bewerkstelligd en
het in het belang
van een zo gunstig
mogelijke verdere
ontwikkeling van de
verdachte is wanneer
deze structuur op
een andere manier
wordt
bewerkstelligd218 De
Hoge Raad stelt
in deze zaak, niet
zoals in de eerst
genoemde zaak, dat
het hof het opleggen
van een
PIJ-maatregel
naar de eisen van de
wet met redenen
heeft omkleed. De
Hoge Raad vernietigt
hier de beschikking
van
het hof, omdat het
hof geen termijn
heeft bepaald bij
het laten opnemen in
de inrichting. Nu de
Hoge
Raad de invulling
van het hof ook niet
afwijst wil ik deze
wel meenemen bij het
bepalen van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK gezien de
weinige
jurisprudentie die
er bestaat over het
belang van het kind
binnen het
jeugdstrafrecht.
Uit de
jurisprudentie over
het belang van het
kind binnen het
jeugdstrafrecht kan
worden afgeleid dat:
•
Veiligheid in de
breedste zin van het
woord in het belang
van het kind is.
•
Een duidelijke
structuur waarmee
een zo gunstig
mogelijk
ontwikkeling wordt
gediend, in het
belang van de
jeugdige is.
§ 5.5 Kwalificatie
van de
jurisprudentie over
het belang van het
kind
§ 5.5.1 Kwalificatie
1: ‘niet
situatiegebonden’
De criteria
“stabiliteit,
continuïteit en
veiligheid en het
inachtnemen van de
wens van het kind”
als
invullingen van het
belang van het kind
komen terug in de
behandeling van de
jurisprudentie over
de
verschillende
onderwerpen binnen
het familierecht.
Ook in het
vreemdelingenrecht
worden deze
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
criteria toegepast
en ondanks dat het
strafrecht niet
duidelijk aangeeft
wat in het belang
van het kind
is, zouden deze
criteria uitkomst
kunnen bieden bij
het bepalen van het
belang van het kind
in het
jeugdstrafrecht.
Hieruit blijkt dat
deze invullingen
niet
situatiegebonden
zijn. In diverse
situaties, of
men nu te maken
heeft met de vraag
of vader recht heeft
op omgang met zijn
kind of dat het in
het
belang van het kind
is dat het wordt
geadopteerd, dient
met het belang van
het kind bij het
verkrijgen
van stabiliteit,
veiligheid en
continuïteit in het
opvoedingsklimaat
rekening te worden
gehouden. Het
is een algemene
invulling, niet
situatiegebonden en
daardoor kan het
direct worden
toegepast bij de
invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK.
Naast dat de
niet-situatiegebonden
invullingen het
belang van
veiligheid,
stabiliteit,
continuïteit en het
inachtnemen van de
wens van het kind
inhouden, zijn zij
ook te herleiden tot
bepaalde rechten in
het
IVRK.
Zowel in het
vreemdelingenrecht
als in het
familierecht is de
nadruk gelegd op het
belang van omgang
tussen ouders en
kind en het belang
van gezinsleven. Het
belang van contact
tussen ouders en
kind is
neergelegd in
artikel 9 lid 3
IVRK. Dit lid
bepaalt dat het kind
dat van een of beide
ouders is
gescheiden, recht
heeft op regelmatige
basis persoonlijke
betrekkingen en
rechtstreeks contact
met
beide ouders te
onderhouden, tenzij
dit in strijd is met
het belang van het
kind. Lid 1 gaat uit
van het
belang om niet
gescheiden te worden
van de ouders. In
beide bepalingen is
een uitzondering
opgenomen. Het
belang van contact
tussen ouder en kind
en het belang om
niet van de ouders
gescheiden te worden
kan opzij worden
gezet indien dit
niet in het belang
van het kind is. Dit
zal met
name het geval zijn
indien de vereisten
van stabiliteit,
veiligheid,
continuïteit niet
aanwezig zijn en het
kind anders wenst.
· Veiligheid
Wanneer nader
onderzoek wordt
gedaan naar het IVRK
kan het criterium
veiligheid in het
IVRK zelf
worden gelezen. Zo
is het begrip
veiligheid nauw
verbonden met
artikel 19 IVRK
(maatregelen tegen
geweld,
verwaarlozing en
misbruik) en
indirect ook met de
artikelen 32 IVRK
(bescherming tegen
exploitatie),
artikel 33 IVRK
(bescherming tegen
drugs), artikel 34
(bescherming tegen
seksueel
misbruik), artikel
35 IVRK (voorkoming
kinderhandel) en
artikel 36
(bescherming tegen
overige
exploitatie). Deze
artikelen geven aan
wat niet in het
belang van het kind
is. Een veilige
situatie
bestaat dus in ieder
geval uit de
afwezigheid van deze
vormen van geweld,
verwaarlozing en
misbruik.
Uit de
jurisprudentie
binnen het
strafrecht blijkt
dat ook veiligheid
buiten de
gezinssituatie in
het
belang van het kind
is. Ondanks dat het
begrip veiligheid
niet specifiek werd
genoemd in het
vreemdelingenrecht
is het een
belangrijk element
waar rekening mee
dient te worden
gehouden. Zo
kan het nooit in het
belang van het kind
zijn om uitgezet te
worden naar een land
waar oorlog heerst.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
· Continuïteit
Ook het begrip
“continuïteit” komen
we tegen in het
IVRK. In artikel 20
lid 3 IVRK, waarin
het gaat
om gezinsvervangende
zorg, wordt bepaald
dat op passende
wijze rekening
gehouden moet worden
met de wenselijkheid
van continuïteit in
de opvoeding.
Hieraan dient wel
toe te worden
gevoegd dat
alleen dan belang
moet worden gehecht
aan deze
continuïteit wanneer
aan de andere
invullingen van
het belang van het
kind is voldaan.
Bevindt het kind
zich in een
onstabiele en
onveilige situatie
dan
kan niet worden
gesteld dat
continuïteit in het
belang van het kind
is. Het gaat dus om
continuïteit van
een voor het kind
bestendige situatie.
Het begrip
continuïteit is
naast het
familierecht ook van
belang in het
vreemdelingenrecht.
De eerder
aangehaalde Goos
Cardol wijst op het
belang van
worteling, de
hechting aan de
opvoeder en de
verblijfsduur in het
land, bij de
invulling van het
belang van het kind.
Deze aspecten zijn
in de
jurisprudentie terug
te vinden. Zij
kunnen onder het
kopje ‘continuïteit’
worden gebracht. Zo
dient
verblijf in
Nederland
gecontinueerd te
worden indien een
kind hier geworteld
is, gehecht is aan
de
ouders en lange tijd
in Nederland
verblijft. In de
praktijk is dit vaak
echter niet het
geval.
Ook in het
strafrecht kan het
begrip continuïteit
een belangrijke rol
spelen. Heiner en
Bartels noemen
dit element als een
belang waar ook
binnen het
strafrechtelijke
kader rekening mee
dient te worden
gehouden. Een kind
heeft baat bij een
bepaalde structuur,
een bepaalde
continuïteit. Indien
de
omgeving opeens
veranderd en niet
inzichtelijk is voor
het kind kan het
belang van het kind
in het
gedrang komen.
· Stabiliteit
Het begrip
stabiliteit is
eveneens van belang
voor het kind binnen
het familierecht,
jeugdstrafrecht als
het
vreemdelingenrecht.
Een vader die geen
stabiliteit aan zijn
kind kan bieden,
krijgt meestal niet
het
gezag na
echtscheiding.
Stabiliteit moet het
kind in andere
situaties ook worden
geboden. Zo wordt
bij
alleenstaande
minderjarige
kinderen die in
Nederland een
verblijfsvergunning
aanvragen, bekeken
of
er voorzieningen
zijn in het land van
herkomst en hoe het
staat met de
toegankelijkheid van
de
hulpvoorzieningen
voor de betrokken
minderjarige in het
land van herkomst.
Het kind heeft baat
bij
een stabiele
situatie waarbij de
aanwezigheid van
familieleden
eveneens van belang
is. Heiner en
Bartels behandelden
het criterium
‘stabiliteit’
tezamen met het
criterium
‘continuïteit’.
Veelal zal een
kind binnen het
jeugdstrafrechtelijke
kader uit een
onstabiele situatie
worden gehaald om
stabiliteit te
krijgen op de korte
termijn.
· Inachtneming van
de wens van het kind
Wat uit het
merendeel van de
arresten in het
familierecht volgt,
is dat de mening van
het kind een
belangrijke rol
speelt bij het
bepalen van het
belang van het kind.
De mening van het
kind als losse
factor bepaalt niet
wat het belang van
het kind is, het
moet worden gedragen
door de
omstandigheden
van het geval en met
inachtneming van de
leeftijd en rijpheid
van het kind om
daadwerkelijk tot de
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
conclusie te komen
dat de wens van het
kind ook echt in het
belang van het kind
is. In het algemeen
moet, ongeacht de
situatie, het kind
daarom worden
gehoord en dient op
gepaste wijze
aandacht te
worden besteed aan
de mening van het
kind. Als gekeken
wordt naar de
uitwerking van de
wens van
het kind kan tot de
conclusie worden
gekomen dat deze
grote overeenkomsten
vertoond met artikel
12
lid 1 IVRK. Dit
artikel luidt als
volgt: ‘De Staten
die partij zijn,
verzekeren het kind
dat in staat is zijn
of haar eigen mening
te vormen, het recht
die mening vrijelijk
te uiten in alle
aangelegenheden die
het
kind betreffen,
waarbij aan de
mening van het kind
passend belang wordt
gehecht in
overeenstemming
met zijn of haar
leeftijd en
rijpheid’. Ook hier
komt het belang van
het meewegen van de
wens van het
kind tot uiting en
het inachtnemen van
de leeftijd en
rijpheid van het
kind. De verwijzing
naar dit
specifieke
wetsartikel in het
IVRK geeft ook aan
dat het rekening
houden met de wens
van het kind in
elke situatie
relevant is.
In het
vreemdelingenrecht
volgt ook uit de
vreemdelingencirculaire
dat met de
geestelijke
ontwikkeling en de
leeftijd van de
minderjarige
rekening dient te
worden gehouden. In
veel gevallen
wordt het kind toch
niet gehoord binnen
het
vreemdelingenrecht,
wat echter wel
noodzakelijk blijkt
om het belang van
het kind te bepalen.
Ook in het
jeugdstrafrecht
dient men respect te
hebben voor het
kind. In alle
gevallen dient het
kind dus te worden
gehoord, de mening
van het kind kan
echter nooit
een doorslaggevende
betekenis hebben.
§ 5.5.2 Kwalificatie
2: ‘algemeen
situatiegebonden’
Kennis over de
afkomst van de
wettige ouders is in
het belang van het
kind. Ondanks het
feit dat deze
invulling
situatiegebonden is
en niet algemeen, is
dit criterium wel in
het belang van het
kind, maar
kan het op de wijze
zoals het nu is
verwoord niet direct
worden toegepast bij
de invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK. Zo wordt het
moeilijk met dit
criterium rekening
te
houden indien het
gaat om de vraag of
uitzetting van de
moeder in het belang
van het kind is.
Gekeken
dient te worden naar
de achterliggende
gedachte van het
hebben van zekerheid
omtrent de afkomst
van
de wettige ouders.
Opnieuw kan een link
worden getrokken met
het IVRK. Artikel 7
lid 1 IVRK
bepaalt dat het kind
van de geboorte af
recht heeft, voor
zover mogelijk, zijn
of haar ouders te
kennen.
Uit de
wetgevingsgeschiedenis
van dit artikel
blijkt dat het recht
om te weten van wie
men afstamt niet
absoluut is omdat
veel landen ‘geheime
adoptie’ kennen. Om
deze reden is
gekozen om de
zinsnede
‘voor zover
mogelijk’ toe te
voegen. Er was zelfs
het voorstel om het
belang van het kind
toe te
voegen in plaats van
‘voor zover
mogelijk’, maar
uiteindelijk is dit
niet opgenomen in
het definitieve
artikel. Volgens de
verdragsopstellers
was het doel van het
verdragsartikel het
verzekeren van de
psychologische
stabiliteit van het
kind.219 De
wetenschap van wie
men afstamt draagt
dus bij aan een
stabiel
opvoedingsklimaat
dat in het algemeen
in het belang van
het kind is.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
Het belang van het
kind om zijn
juridische status in
overeenstemming te
brengen met de
biologische
werkelijkheid is een
invulling van het
rechtsbegrip welke
niet algemeen is en
situatiegebonden.
Van
belang is hoe de
relatie tussen het
kind en de
biologische vader
is. Is deze relatie
goed dan dient de
feitelijke, fysieke
en sociale
werkelijkheid in het
belang van het kind
in overeenstemming
te worden
gebracht met de
biologische
werkelijkheid. Ook
dit kan bijdragen
aan het belang van
stabiliteit binnen
het
opvoedingsklimaat.
Een kind dat niks
hoeft te verwachten
van zijn wettelijke
vader en des te meer
van zijn biologische
vader die ook zijn
kind wil erkennen,
is gebaat bij het
laten samenvallen
van de
wettelijke status
met de biologische
status om hem of
haar de stabiliteit
te geven die het
nodig heeft.
In het kader van
geslachtsnaamswijziging
worden twee
invulling
aangetroffen die
situatiegebonden
zijn: eenheid van
naam en
identificatie met de
biologische vader.
Deze invullingen
werden gedaan in
het kader van
geslachtsnaamswijziging.
Uit de
jurisprudentie werd
duidelijk dat deze
invullingen niet
altijd in het belang
van het kind zijn.
Het achterliggende
doel van het
namenrecht is het
streven naar
stabiliteit en
continuïteit. Zo
wordt opnieuw recht
gedaan aan het
algemene belang van
het kind bij het
hebben van
stabiliteit en
continuïteit.
§ 5.6 Samenvoeging
van de juridische en
de pedagogische
visie
Verwijzing naar het
IVRK zou afdoende
moeten zijn om het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK in te vullen.
Meerdere rechters
zijn echter van
mening dat niet
alleen artikel 3 lid
1 IVRK niet
rechtstreeks werkend
is, maar dat dit
voor meerdere
artikelen uit het
IVRK geldt. Om deze
rechters
tegemoet te komen
zijn er twee
aanvullende bronnen
waar de rechter naar
kan kijken bij het
bepalen
van het belang van
het kind. Naast het
IVRK kan de rechter
bij de invulling van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK ook
kijken naar
pedagogisch
onderzoek en de ter
zake gangbare
jurisprudentie. Dit
wil niet zeggen dat
de invullingen van
rechters, in
uitspraken waarin
geen
verwijzing naar het
IVRK of naar
pedagogisch
onderzoek is
gemaakt, het IVRK
dan wel pedagogisch
onderzoek geen rol
(direct dan wel
indirect) hebben
gespeeld. Het feit
is echter dat
rechters zonder
aantoonbare
onderbouwing op
grond van het IVRK
dan wel pedagogisch
onderzoek tot een
invulling
kunnen komen van het
belang van het kind.
In sommige gevallen
is aantoonbaar
gebruik gemaakt van
precedenten, in
andere gevallen is
het misschien de
eigen invulling van
de rechter geweest.
In die zin
heeft de uitkomst
van het tweede
jurisprudentieonderzoek
aanvullende waarde.
Door hantering van
een
kwalificatiesysteem
is in dit
jurisprudentieonderzoek
een onderscheid
gemaakt
tussen
situatiegebonden en
niet
situatiegebonden
invullingen. De niet
situatiegebonden
invullingen
zijn stabiliteit,
continuïteit,
veiligheid en het in
acht nemen van de
wens van het kind.
De
situatiegebonden
invullingen bleken
allen overeen te
stemmen met rechten
uit het IVRK, maar
wanneer zij algemeen
werden gemaakt
kunnen zij worden
herleid tot dezelfde
criteria als de niet
situatiegebonden
invullingen.
Hoofdstuk 5: het
belang van het kind
in de jurisprudentie
(2)
Wanneer deze
rechterlijke
invullingen nader
worden bekeken zijn
zij geheel in
overeenstemming met
de invulling van
pedagogen. Ook
Kalverboer en
Zijlstra omschrijven
de criteria
veiligheid,
stabiliteit,
continuïteit en de
wens van het kind
als condities voor
een optimale
ontwikkeling. Los
van het IVRK
kan pedagogisch
onderzoek hierin
opnieuw aanvullend
werken. Zo wijzen
rechters op het
belang van
het kind bij het
hebben van
stabiliteit en
continuïteit in het
opvoedingsklimaat
indien een kind al
meerdere jaren in
een pleeggezin
verblijft. Een
omschrijving van wat
deze stabiliteit en
continuïteit
inhoud blijft vaak
achterwege. De
omschrijving van
Kalverboer en
Zijlstra kan
kinderrechtenorganisaties,
advocaten en andere
personen en
instellingen die
opkomen voor de
belangen van
kinderen helpen het
pedagogische element
verder uit te diepen
en aantonen of aan
deze
vier criteria al dan
niet is voldaan.
§ 5.7 Conclusie
Onderzoek naar de
verschillende
invullingen van het
belang van het kind
buiten het IVRK
brengt ons
een goed stuk op weg
naar de invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK. Kern
is
daarbij dat
stabiliteit,
continuïteit en
veiligheid in het
belang van het kind
zijn en dat de wens
van het
kind met
inachtneming van de
leeftijd, rijpheid
en overige
omstandigheden van
het geval, dient te
worden meegewogen.
Het familierecht
biedt de meeste
legitimatie voor
deze constatering.
Het belang
van het kind is niet
altijd even
duidelijk te
achterhalen in het
vreemdelingenrecht
en het strafrecht.
Wel
kunnen deze algemene
formuleringen, die
hoofdzakelijk een
familierechtelijke
basis hebben,
behulpzaam zijn bij
het interpreteren
van het belang van
het kind in het
vreemdelingenrecht
en het
jeugdstrafrecht. Dat
dit mogelijk is
blijkt wel uit het
pedagogisch
onderzoek van zowel
Heiner&Bartels als
Kalverboer en
Zijlstra die niet
tot een invulling
van het belang van
het kind binnen
het
familierechtelijke
kader zijn gekomen,
maar juist de
toepassing binnen
het
vreemdelingenrecht
en
strafrecht mogelijk
achten.
Opvallend is dat de
diverse invullingen
van het belang van
het kind kunnen
worden herleidt tot
verschillende
artikelen binnen het
IVRK. Dit zou
betekenen dat het
belang van het kind
dat voorheen
‘slechts’ een belang
was nu een recht is
geworden.
Concluderend kan de
rechter naast
verwijzing naar het
IVRK, een genomen
maatregel in het
belang
van het kind
onderbouwen door te
wijzen op de
stabiliteit,
veiligheid,
continuïteit en het
inachtnemen
van de wens van het
kind. De
pedagogische
invullingen van deze
begrippen kan
aanvullend worden
toegepast bij de
uitwerking van deze
criteria in een
specifieke situatie.
Het laatste
hoofdstuk zal laten
zien hoe de
praktische
toepassing hiervan
eruit kan komen te
zien.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
§ 6.1 Inleiding
De zoektocht naar
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 1 IVRK was niet
makkelijk. Toch
blijkt er
wel degelijk
invulling aan dit
begrip te kunnen
worden gegeven.
Stapsgewijs ben ik
door elk
hoofdstuk dichter
bij de invulling van
dit begrip gekomen.
Ik heb daarbij
gebruik gemaakt van
diverse
rechtsbronnen:
doctrine, wetten,
verdragen en
rechtspraak. Het
Verdrag, het IVRK
zelf, bleek
essentieel voor de
invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK. De doctrine
heeft mij
daarbij op weg
geholpen. De
rechtspraak stond
echter centraal in
deze scriptie. Doel
was om het
begrip een concrete
invulling te geven,
met als gevolg
betere
rechtsbescherming
voor het kind. Door
het begrip een
concrete heldere
invulling te geven
en te verwijzen naar
rechtspraak waarin
dit
eveneens is gedaan,
kunnen rechters niet
meer ontkomen aan
het voorrang geven
aan het belang van
het kind. Afwijzing
van een beroep op
artikel 3 lid 1 IVRK
lijkt na
concretisering van
dit begrip niet
meer mogelijk, juist
nu veel rechters wel
met de invulling van
dit begrip weten om
te gaan. In die
gevallen is niet
altijd rechtstreekse
werking toegekend,
maar verdragsconform
gehandeld. De weg
lijkt
echter open voor het
toekennen van
rechtstreekse
werking door alle
rechtscolleges nu
het probleem
van het niet
toekennen van
rechtstreekse
werking, welke te
wijten was aan de
niet-concreetheid
van
het begrip, is
weggenomen. De
juridische uitkomst,
in combinatie met de
pedagogische
invulling,
hebben in deze
scriptie geleid tot
een concreet
antwoord op de
probleemstelling die
centraal stond in
deze scriptie:“Wat
is “het belang van
het kind” in artikel
3 lid 1 IVRK?.
In dit hoofdstuk zal
ik de
probleemstelling
gaan beantwoorden
door de uitkomst van
de subvragen, die
in de hoofdstukken 2
t/m 5 centraal
stonden, kort samen
te vatten. Daarna
volgt een praktische
toepassing van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK. Deze
praktische
toepassing laat zien
hoe
kinderrechtenorganisaties,
advocaten en andere
personen die opkomen
voor de belangen van
kinderen, kunnen
aantonen wat het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK is in een
gegeven zaak.

§ 6.2 Beantwoording
probleemstelling en
subvragen
Elk hoofdstuk in
deze scriptie heeft
één of meerdere
subvragen behandeld.
In het tweede
hoofdstuk k
werden de
verschillende
interpretatiemethoden
besproken die de
rechter worden
geboden op grond van
het WVV. Op basis
van de contextuele
interpretatiemethode
kan geconcludeerd
worden dat het IVRK
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK invult.
Het doel van het
Verdrag volgt uit de
preambule
en wordt door middel
van de teleologische
interpretatiemethode
omschreven als ‘het
zich als kind
harmonisch kunnen
ontwikkelen’. Het
IVRK moet
beantwoorden aan dit
doel en vult dus het
belang
om zich te kunnen
ontwikkelen in.
Daarbij dient ook
rekening te worden
gehouden met de
mening van
het kind.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
Hoofdstuk 3 ging in
op verschillende
visies over het
belang van het kind.
De visies van
rechtsgeleerden en
het VN
Kinderrechtencomité
onderschreven de
uitkomst van de
verschillende
interpretatiemethoden.
Kern is dat het
draait om de
ontwikkeling van het
kind en dat het IVKR
daarbij
als uitgangspunt
moet dienen.
In het veld van de
psychologie en
pedagogiek heeft het
belang van het kind
invulling gekregen
door
grondig onderzoek
van psychologen
Heiner en Bartels en
pedagogen Kalverboer
en Zijlstra. Allen
gaan uit van de
ontwikkeling van het
kind. Zowel uit puur
juridisch als
pedagogisch oogpunt
staat de
ontwikkeling van het
kind dus centraal.
Een expliciet recht
op ontwikkeling is
neergelegd in het
IVRK
zelf. Eén van de
andere algemene
beginselen van het
IVRK, artikel 6 lid
2 IVRK, bepaalt dat
de staten
die partij zijn in
de ruimst mogelijke
mate de
mogelijkheden tot
overleven en de
ontwikkeling van het
kind moeten
waarborgen. Door
invulling van het
recht op
ontwikkeling in
artikel 6 lid 2 IVRK
wordt
duidelijk wat het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK is. Kalverboer
en Zijlstra geven
invulling
aan het
ontwikkelingsbelang
door gebruik te
maken van veertien
ontwikkelingsvoorwaarden.
Elke
ontwikkelingsvoorwaarde
wordt door hen
gekoppeld aan een
artikel uit het
IVRK. Zij zijn tot
een
praktische
toepassing van het
belang van het kind
gekomen door het
opstellen van een
vragenlijst. Bij
elke
ontwikkelingsvoorwaarde
stellen zij één of
meerdere vragen en
bekijken of deze
voorwaarde
goed, voldoende,
matig of onvoldoende
aanwezig is in de
huidige situatie,
situatie X en
situatie Y.
Daarbij dient
bekeken te worden
welke mogelijke
schending van het
IVRK zich bij elke
ontwikkelingsvoorwaarde
in de gegeven
situatie zal
voordoen. De
complete vragenlijst
bestaat uit 24
vragen. Naar mijn
mening bevordert dit
geen praktische
toepassing en leidt
dit niet tot de
meest
eenvoudige manier om
tot een heldere,
concrete invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid 1
IVRK te komen.
Daarnaast is het
moeilijk aan te
tonen of een
ontwikkelingsvoorwaarde
goed,
voldoende, matig of
onvoldoende aanwezig
zal zijn in een
bepaalde situatie.
Door het
jurisprudentieonderzoek
in hoofdstuk 4 werd
de legitimatie
gevonden voor de
visie dat het
IVRK het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK invult.
In 75% van de zaken
waarin invulling
werd gegeven aan het
belang van het kind,
koppelt de rechter
artikel 3 lid 1 IVRK
aan een andere
bepaling van het
IVRK. Vervolgens
wordt uit dit
artikel het belang
van het kind
afgeleid. Duidelijk
werd dat de rechter
het IVRK als
uitgangspunt neemt
bij het bepalen van
het belang van het
kind, maar
daarnaast ook
gebruik maakt van
twee aanvullende
bronnen:
·
Psychologisch/pedagogisch/psychiatrisch
onderzoek
· De terzake
gangbare
jurisprudentie
Net als artikel 3
lid 1 IVRK, wordt
aan meerdere
artikelen uit het
IVRK geen
rechtstreekse
werking
toegekend door de
hoogste
rechtscolleges. De
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
van de pedagogen
en de ter zake
gangbare
jurisprudentie
kunnen helpen bij
het nader
concretiseren van
deze artikelen.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
Bij het omschrijven
van het belang van
het kind in een
gegeven zaak is het
voor
kinderrechtenorganisaties,
advocaten en andere
personen die opkomen
voor de belangen van
kinderen
niet nodig dat alle
ontwikkelingsvoorwaarden
worden langs
gelopen. Dit is
echter wel de aanpak
van
Kalverboer en
Zijlstra. Ik ben van
mening dat het
voldoende is om aan
te tonen welk(e)
artikel(en) uit
het IVRK is/zijn
geschonden vanwege
de genomen
maatregel. Uit deze
rechten kan worden
afgeleid
wat het belang van
het kind is in de
gegeven zaak. Eén of
meerdere
ontwikkelingsvoorwaarden
die aan
dit/deze artikel(en)
kan/kunnen worden
gekoppeld, kunnen
het belang van het
kind nader
concretiseren. Het
IVRK is dus
uitgangspunt en niet
de veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
zoals dat
bij Kalverboer en
Zijlstra het geval
is.
In hoofdstuk 5 is
het tweede
jurisprudentieonderzoek
behandeld. Het ging
hier om de
jurisprudentie
waarin een directe
verwijzing naar het
IVRK ontbreekt en
het begrip nader is
ingevuld binnen het
familierecht,
vreemdelingenrecht
en strafrecht. Een
onderverdeling werd
gemaakt in
situatiegebonden
invullingen en
niet-situatiegebonden
invullingen. De
niet-situatiegebonden
invullingen kwamen
neer
op: veiligheid,
stabiliteit,
continuïteit en
inachtneming van de
mening van het kind.
De
situatiegebonden
moesten algemeen
worden gemaakt om
deze mee te kunnen
nemen bij de
invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 IVRK. Dit
artikel ziet op alle
maatregelen
betreffende
kinderen en is
daarmee niet
gebonden aan een
specifieke situatie.
Het algemeen maken
van deze
invullingen leidde
ertoe dat deze
eveneens neer kwamen
op de criteria:
veiligheid,
stabiliteit,
continuïteit en
inachtneming van de
mening van het kind.
Daarnaast konden
zowel de
situatiegebonden
invullingen als de
niet-situatiegebonden
invullingen worden
herleid tot
verschillende
artikelen uit het
IVRK. Conclusie van
dit tweede
jurisprudentieonderzoek
is dat de rechter
ook zonder
het IVRK of
pedagogisch/psychiatrisch/psychologisch
onderzoek direct als
uitgangspunt te
nemen tot
een invulling kan
komen van het belang
van het kind. De
criteria die het
belang van het kind
invullen
op basis van dit
onderzoek zijn
daarnaast in
overeenstemming met
de pedagogische
invulling van
Kalverboer &
Zijlstra nu zij deze
criteria hebben
opgenomen in hun
schema met
ontwikkelingsvoorwaarden.
Na beantwoording van
de verschillende
subvragen kan nu de
probleemstelling
worden beantwoord.
Op basis van mijn
onderzoek is het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK:
‘Veiligheid,
stabiliteit met
inachtneming van de
continuïteit en de
mening van het kind,
waarbij de
ontwikkeling van het
kind centraal staat
en het IVRK
uitgangspunt is.’
Om de werkbaarheid
van deze definitie
in de praktijk aan
te tonen zal ik de
definitie toepassen
op drie
verschillende zaken.
De aanpak die
daarbij wordt
gevolgd is dat de
verschillende
elementen uit de
definitie zullen
worden langsgelopen
om te kijken of de
genomen maatregel in
het belang van het
kind
is genomen.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
§ 6.3 Toepassing van
het belang van het
kind
§ 6.3.1 Toepassing
van het belang van
het kind in een
familierechtelijke
casus
Zaken waarin een
beroep op artikel 3
lid 1 1 IVRK is gedaan
hebben het tot nu
maar vier keer
gehaald
tot aan de Hoge
Raad. Zoals gesteld
in de inleiding gaat
de Hoge Raad niet op
de inhoud van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK in noch kent
het rechtstreekse
werking aan het
artikel toe.
Eén zaak waarin de
Hoge Raad stelde dat
er in ieder geval
geen sprake was van
een schending van
artikel 3 lid 1 IVRK
zal nu aan de orde
komen. Het betreft
een zaak van de Hoge
Raad van 15
november 2002. De
zaak gaat over de
ontkenning van het
vaderschap. Een man
en vrouw hebben twee
kinderen van zes en
acht jaar oud.
Tussen de man en
vrouw wordt de
echtscheiding
uitgesproken. In
2000 dient de man
een verzoek om
ontkenning van zijn
vaderschap van de
twee kinderen in. De
moeder van de
kinderen gaat
akkoord met de
ontkenning van het
vaderschap, de
bijzonder curator
van
de twee kinderen
heeft een
verweerschrift
ingediend.
Uiteindelijk is het
verzoek tot
ontkenning ten
aanzien van het
tweede kind door de
rechter gegrond
bevonden en ten
aanzien van het
eerste kind is de
vader
niet-ontvankelijk.
Het Hof bekrachtigd
de beschikking van
de rechtbank.
De conclusie van de
Hoge Raad ten
aanzien van artikel
3 lid 1 IVRK is als
volgt:
‘Het Hof heeft in
rov. 4 geoordeeld
dat in het
onderhavige geval
bij het vasthouden
aan het wettelijk
vermoeden van
vaderschap geen
sprake is van een
inmenging in het
‘family life’ in de
zin van artikel 8
EVRM, omdat er geen
biologische vader is
die het eerste kind
wil erkennen en dat,
zelfs als er wel
sprake zou zijn van
een inmenging in het
‘family life’ van de
betrokkenen, (…) dit
geen
ongerechtvaardigde
inmenging (zou) zijn
nu de in de wet
gegeven termijnen
noodzakelijk zijn in
een
democratische
samenleving teneinde
de rechtszekerheid
te waarborgen en ter
bescherming van de
belangen van het
kind, in de zin van
artikel 8 lid 2
EVRM. Deze oordelen
geven niet blijk van
een
onjuiste
rechtsopvatting. Van
strijd met het
bepaalde in de
overige door het
middel genoemde
verdragsbepalingen
(artikel 3, 7 en 8
IVRK en 14 EVRM) is
evenmin sprake.’220
1. IVRK als
uitgangspunt
Ten eerste zal
ontkenning van het
vaderschap van het
kind een schending
van artikel 7 lid 1
IVRK
opleveren. Artikel 7
lid 1 IVRK bepaalt
dat het kind
onmiddellijk na de
geboorte wordt
ingeschreven
en vanaf de geboorte
recht heeft op een
naam, het recht een
nationaliteit te
verwerven en, voor
zover
mogelijk, het recht
zijn of haar ouders
te kennen en door
hen te worden
verzorgd. Het is dus
in het
belang van het kind
om te weten van wie
het afstamt. Zodra
de ontkenning
definitief wordt zal
het
kind niet weten van
wie het afstamt en
in onzekerheid
blijven totdat de
biologische vader
achterhaald
wordt.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
In directe relatie
met artikel 7 staat
artikel 8 lid 1
IVRK. Dit lid
bepaalt dat de
Staten die partij
zijn,
zich verbinden tot
eerbiediging van het
recht van het kind
zijn of haar
identiteit te
behouden, met
inbegrip van
nationaliteit, naam
en
familiebetrekkingen
zoals wettelijk
erkend, zonder
onrechtmatige
inmenging. Juist
door de bestaande
wettelijk erkende
familiebetrekking in
stand te laten zo
lang er
geen biologische
vader is die het
kind wil erkennen
wordt het belang van
het kind gediend.221
Het toewijzen van de
ontkenning zou
daarom strijd
opleveren met
artikel 8 lid 1
IVRK.
Tenslotte stelt
artikel 16 IVRK dat
geen enkel kind mag
worden onderworpen
aan willekeurige of
onrechtmatige
inmenging in zijn of
haar gezinsleven en
recht heeft op
bescherming door de
wet tegen
zodanige inmenging
of aantasting. In
deze zaak werd geen
beroep op artikel 16
IVRK gedaan, maar op
artikel 8 EVRM. Op
grond van dit
artikel kan
inmenging in het
recht op gezinsleven
worden
gerechtvaardigd
indien één van de
rechtvaardigingsgronden
zich voordoet. In
casu is er geen
sprake
van een inmenging in
het recht op
gezinsleven, omdat
er geen biologische
vader is die het
kind wil
erkennen en de
termijnen die voor
ontkenning gelden in
het belang van het
kind zijn
geschreven.222
2. Ontwikkeling van
het kind staat
centraal
Het doel van het
IVRK is dat het kind
zich harmonisch kan
ontwikkelen. Het
IVRK vult dit belang
om
zich te kunnen
ontwikkelen in. Een
expliciet recht om
zich te kunnen
ontwikkelen is
neergelegd in
artikel 6 lid 2
IVRK. Artikel 6 lid
2 IVRK bepaalt dat
de staten die partij
zijn in de ruimst
mogelijke
mate de
mogelijkheden tot
overleven en de
ontwikkeling van het
kind waarborgen.
Niet alleen de
rechten uit het IVRK
dragen bij aan deze
ontwikkeling, maar
ook zuiver
pedagogische
elementen.
Pedagogen Kalverboer
en Zijlstra hebben
een schema met
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
opgesteld die samen
een optimale
ontwikkeling moeten
garanderen.
Voor de ontwikkeling
van het kind in deze
zaak is het
noodzakelijk dat het
weet van wie het
afstamt
(artikel 7 lid 1
IVRK), de
familierechtelijke
betrekking zoals
wettelijk erkent
worden geëerbiedigd
(artikel 8 lid 1
IVRK) en het recht
op gezinsleven wordt
gerespecteerd
(artikel 16 IVRK).
Daarnaast volgt uit
pedagogisch
onderzoek dat het
kind een affectief
klimaat nodig heeft.
Het kind
heeft geborgenheid,
steun en begrip
vanuit de omgeving
nodig dat passend is
bij het kind en tot
uiting
komt in de relatie
die het met zijn
ouder heeft. Deze
geborgenheid, steun
en begrip geeft de
vader niet
door na acht jaar te
stellen niet de
vader van het kind
te zijn.
Omdat de artikelen
7, 8 en 16 IVRK zijn
geschonden, is ook
het recht op
ontwikkeling in
artikel 6 lid
2 IVRK geschonden.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
3. Veiligheid
Het gevoel van
mentale veiligheid
wordt aangetast
indien vader opeens
na acht jaar afstand
doet van
zijn vaderschap.
Ontkenning van het
vaderschap draagt
daarom niet bij aan
het gevoel van
veiligheid
dat het kind nodig
heeft.
4. Stabiliteit
Volgens de
verdragsopstellers
was het doel van
artikel 7 lid 1 IVRK
het verzekeren van
de
psychologische
stabiliteit van het
kind. De wetenschap
van wie men afstamt
draagt dus bij aan
de
stabiliteit van het
kind.223 Deze
stabiliteit is in
het gedrang door de
ontkenning van het
vaderschap,
omdat de biologische
vader onbekend is.
In het belang van
het kind is
daarnaast dat
identificatiefiguren
en steunbronnen
blijven bestaan. De
identificatiefiguur,
de vader van het
kind, zal opeens
wegvallen door
ontkenning van het
vaderschap
en maakt
identificatie van
het kind met de
vader onmogelijk.
5. Continuïteit
Zolang er geen
biologische vader is
die het kind wil
erkennen, ontkenning
van het vaderschap
strijd
met het IVRK
oplevert en de
veiligheid en
stabiliteit van het
kind in het gedrang
komen is
continuïteit
van de situatie in
het belang van het
kind.
Het basisvertrouwen
dat de vader heeft
geschapen dient in
stand te worden
gehouden waardoor
het
kind
toekomstperspectief
ervaart.
6. De mening van het
kind
Het IVRK bepaalt in
artikel 12 lid 1
IVRK dat het kind
het recht heeft zijn
of haar mening
vrijelijk te
uiten in alle
aangelegenheden die
het kind betreffen,
waarbij aan de
mening van het kind
passend
belang wordt gehecht
in overeenstemming
met zijn of haar
leeftijd en
rijpheid.
De behoeften,
wensen, gevoelens en
verlangens van het
kind moeten serieus
worden genomen door
de
omgeving van het
kind. In casu is
niet bekend of het
kind over de
ontkenning is
gehoord.
7. Beschikbaarheid
van overig
pedagogisch/psychologisch
onderzoek
Niet beschikbaar.
8. De ter zake
gangbare
jurisprudentie
In deze zaak is met
name de zaak De
Kroon224 van het
EHRM van belang.
Deze zaak betrof de
wens
van de biologische
vader om het
vaderschap te
erkennen. De moeder
kon echter het
vaderschap van de
juridische vader
niet ontkennen. De
termijn voor de
juridische vader om
zijn vaderschap te
ontkennen
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
was voorbij. Zowel
de moeder, de
biologische vader
als de juridische
vader wilden dat de
juridische
situatie in
overeenstemming werd
gebracht met de
biologische
werkelijkheid.
Niemand had belang
bij
het vasthouden aan
het wettelijk
vermoeden van
vaderschap waardoor
er sprake was van
een
inmenging in het
recht op gezinsleven
tussen de
biologische vader en
het kind. Als er
geen sprake is
van een biologische
vader die het kind
wil erkennen, zoals
in deze zaak, kan er
geen sprake zijn van
inmenging in het
recht op
gezinsleven.
Het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK is
veiligheid,
stabiliteit met
inachtneming van de
continuïteit en de
mening van het kind,
waarbij de
ontwikkeling
centraal staat en
het IVRK
uitgangspunt is. Na
toepassing van het
belang van het kind
in deze zaak dient
tot de conclusie
gekomen te worden
dat:
1.
Het IVRK niet als
uitgangspunt is
genomen. Door
ontkenning van het
vaderschap worden de
artikel 6 lid 2, 7
lid 1, 8 lid 1, 12
en 16 IVRK
geschonden. Het
belang van het kind
in artikel 3
lid 1 IVRK is
daardoor ook
geschonden.
2.
De veiligheid en
stabiliteit in het
gedrang komen indien
het kind niet weet
van wie het afstamt
en vader opeens de
ontkenning van zijn
vaderschap zal
uitspreken.
3.
Continuïteit van de
veilige en stabiele
situatie in het
belang van het kind
is. In casu is dat
het
geval indien vader
zijn vaderschap niet
na 8 jaar zal
ontkennen.
4. Het kind niet
zijn of haar mening
heeft kunnen geven.
Toepassing van het
belang van het kind
leidt tot het
eindoordeel dat
ontkenning van het
vaderschap
niet in het belang
van het kind is.
§ 6.3.2 Toepassing
van het belang van
het kind in een
vreemdelingrechtelijke
casus
De zaak waar ik het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK op heb
toegepast is die van
de Raad
van State 15
februari 2007. In
deze zaak gaat het
om asielzoekers van
wie de
verstrekkingen op
grond
van de Regeling
Verstrekkingen
Asielzoekers
beëindigd zijn door
het COA, omdat de
vreemdelingen
niet voldaan hebben
aan de gestelde
inspanningsverplichting
om hun terugkeer
naar het land van
herkomst te
realiseren. Op grond
van artikel 3 lid 1
Wet COA is het COA
belast met de
materiële en
immateriële opvang
van asielzoekers. De
asielzoekers doen
een beroep op de
artikel 2, 3 en 27
IVRK.
De conclusie van de
Raad van State ten
aanzien van artikel
3 lid 1 IVRK is als
volgt:
‘De Afdeling
verstaat de woorden
“de eerste
overweging” in
artikel 3 lid 1
IVRK, mede in
aanmerking
genomen de
bewoordingen in de
Engelstalige versie
– “a primary
consideration” – zo
dat het belang
van het kind een
eerste overweging
is, maar ruimte
geeft voor het
zwaarder laten wegen
van andere
belangen. Zoals zij
eerder heeft
overwogen (uitspraak
van 13 september
2005 AB 2005, 429)
bevat
deze
verdragsbepaling,
gelet op haar
formulering, geen
norm die vatbaar is
voor rechtstreekse
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
toepassing door de
rechter, aangezien
zij niet voldoende
concreet is voor
zodanige toepassing
en
derhalve nadere
uitwerking behoeft
in nationale wet-en
regelgeving.’.225
1. Het IVRK als
uitgangspunt
Allereerst leidt het
onthouden van de
verstrekkingen tot
een schending van
artikel 2 IVRK. Dit
artikel
stelt dat Staten die
partij zijn bij het
IVRK de in het
Verdrag beschreven
rechten voor ieder
kind
eerbiedigen en
waarborgen onder hun
rechtsbevoegdheid
zonder discriminatie
van welke aard ook,
ongeacht ras,
huidskleur,
geslacht, taal,
godsdienst,
politieke of andere
overtuiging,
nationale, etnische
of maatschappelijke
afkomst, welstand,
handicap, geboorte
of ander
omstandigheid van
het kind of
van zijn of haar
ouder of wettige
voogd.
Volgens het gezin
hebben zij
gereageerd op de
oproep voor een
terugkeergesprek bij
de IND. Er wordt
echter een
onderscheid gemaakt
tussen kinderen van
vreemdelingen die
zich houden aan de
inspanningsverplichting
en kinderen van
vreemdelingen die
dat niet doen. In
dit geval heeft het
gezin
zich aan deze
inspanningsverplichting
gehouden, maar
worden de
verstrekkingen hun
toch
onthouden.226 Het is
in het belang van
het kind dat er geen
onderscheid wordt
gemaakt, in casu is
dat
wel gebeurd. Dit
levert een schending
op van artikel 2
IVRK.
Ten tweede is er
sprake van een
schending van
artikel 27 IVRK.
Volgens artikel 27
IVRK erkennen de
staten die partij
zijn het recht van
ieder kind op een
levensstandaard die
toereikend is voor
de lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke en
maatschappelijke
ontwikkeling van het
kind (lid 1).
De ouder(s) of
anderen die
verantwoordelijk
zijn voor het kind,
hebben de primaire
verantwoordelijkheid
voor het waarborgen,
naar vermogen en
binnen de grenzen
van hun financiële
mogelijkheden, van
de
levensomstandigheden
die nodig zijn voor
de ontwikkeling van
het kind (lid 2).
De staten die partij
zijn, nemen, in
overeenstemming met
de nationale
omstandigheden en
met de
middelen die hun ten
dienste staan,
passende maatregelen
om ouders en anderen
die verantwoordelijk
zijn voor het kind
te helpen dit recht
te verwezenlijken,
en voorzien, indien
de behoefte daaraan
bestaat, in
programma’s voor
materiële bijstand
en ondersteuning,
met name wat betreft
voeding,
kleding en
huisvesting (lid 3).
De verstrekking van
het COA vallen onder
het programma voor
materiële
bijstand.227 Het is
het belang
van het kind dat de
Staat zijn
secundaire
verplichting vervuld
om het kind de
nodige
levensomstandigheden
te bieden die het
nodig heeft voor
zijn of haar
ontwikkeling nu de
ouders
hieraan niet kunnen
voldoen. In casu
komt de Staat zijn
verplichting niet na
doordat de
verstrekkingen
worden stopgezet.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
De verplichting die
op de staat rust op
grond van artikel 27
IVRK wordt
geschonden door het
onthouden van de
verstrekkingen.
2. Ontwikkeling van
het kind staat
centraal
Het doel van het
IVRK is dat het kind
zich harmonisch kan
ontwikkelen. Het
IVRK vult dit belang
om
zich te kunnen
ontwikkelen in. Een
expliciet recht om
zich te kunnen
ontwikkelen is
neergelegd in
artikel 6 lid 2
IVRK. Artikel 6 lid
2 IVRK bepaalt dat
de staten die partij
zijn in de ruimst
mogelijke
mate de
mogelijkheden tot
overleven en de
ontwikkeling van het
kind waarborgen.
Niet alleen de
rechten uit het IVRK
dragen bij aan deze
ontwikkeling, maar
ook zuiver
pedagogische
elementen.
Pedagogen Kalverboer
en Zijlstra hebben
een schema met
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
opgesteld die samen
een optimale
ontwikkeling moeten
garanderen.
Voor de ontwikkeling
van de kinderen in
deze zaak is het
noodzakelijk dat zij
net als alle
kinderen
gelijk worden
behandeld (artikel 2
IVRK), maar ook dat
de staat zijn
secundaire
verplichting, om het
recht op een
levensstandaard die
toereikend is voor
de lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke
en maatschappelijke
ontwikkeling van het
kind, nakomt
(artikel 27 IVRK).
Ook volgens
pedagogisch
onderzoek is het
voor de ontwikkeling
van het kind nodig
dat het een
adequate verzorging
krijgt. Zorg voor
gezondheid en fysiek
welbevinden, zoals
het bieden van
ruimte,
verwarming, kleding,
persoonlijk
eigendom, voeding,
inkomen enz. passend
bij het kind.
Daarnaast
ervaren de ouders
geen zorgen met
betrekking tot deze
conditie.
Omdat de artikelen 2
en 27 IVRK zijn
geschonden, is ook
het recht op
ontwikkeling in
artikel 6 lid 2
IVRK geschonden.
3. Veiligheid
De veiligheid van de
kinderen wordt
aangetast indien de
verstrekkingen stop
worden gezet en geen
vervangende opvang
is geregeld. Er
bestaat dan de
mogelijkheid dat de
kinderen op straat
komen te
staan.
4. Stabiliteit
De stabiliteit in de
levensomstandigheden
is aan de kinderen
ontnomen. Zonder de
verstrekkingen
heeft het gezin geen
geld voor de woning
en de noodzakelijke
kosten voor kleding
etc.
Er is sprake van
stabiliteit indien
de omgeving niet
onvoorzien en
plotseling
verandert.
Optredende
veranderingen horen
aangekondigd te
komen en zijn
inzichtelijk voor
het kind. De
samenleving biedt
het kind
toekomstperspectief.
Het onthouden van de
verstrekkingen
waardoor het gezin
geen opvang
meer krijgt, zal
weinig inzichtelijk
zijn voor de
kinderen. Daarbij
wordt de kinderen
elk
toekomstperspectief
ontnomen, doordat
zij niet alleen het
land worden uitgezet
maar nu ook hun
huis.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
5. Continuïteit
Het toekennen van de
verstrekkingen aan
de asielzoekers was
niet alleen in
overeenstemming met
het
IVRK, de stabiliteit
en veiligheid van
het kind waren
daarbij ook
gegarandeerd.
Continuïteit van de
situatie waarin
verstrekkingen aan
het gezin worden
toegekend is daarom
gewenst.
6. Mening van het
kind
De kinderen zijn
nooit gehoord in de
procedure als het
gaat om het
beëindigen van de
verstrekking
door het COA. Het
IVRK bepaalt echter
in artikel 12 lid 1
IVRK dat het kind
het recht heeft zijn
of
haar mening
vrijelijk te uiten
in alle
aangelegenheden die
het kind betreffen,
waarbij aan de
mening
van het kind passend
belang wordt gehecht
in overeenstemming
met zijn of haar
leeftijd en
rijpheid.
Het niet toekennen
van verstrekking is
een aangelegenheid
die ook de kinderen
treft en daarom had
naar hun mening
moeten worden
gevraagd.
De behoeften,
wensen, gevoelens en
verlangens van het
kind moeten serieus
worden genomen door
de
omgeving van het
kind, dus ook door
het COA. In casu is
dit niet gebeurd.
7. Beschikbaarheid
van overig
pedagogisch/psychologisch
onderzoek
8. De terzake
gangbare
jurisprudentie
Een belangrijk
arrest in deze zaak
is de uitspraak van
de Centrale Raad van
Beroep van 24
januari
2006. 228Deze zaak
gaat over een gezin
van Ghanese afkomst.
De ouders van de
twee kinderen
verbleven lange tijd
illegaal in
Nederland.
Uiteindelijk hebben
zij een
verblijfsvergunning
aangevraagd. De
procedure draait om
de aanvraag van de
ouders om algemene
bijstand ingevolg de
Wet werk en bijstand
voor hen en de
kinderen. Deze
aanvraag werd
afgewezen omdat de
Koppelingswet
volgens het College
van burgemeester en
wethouders een
ongelijke
behandeling van
personen die nog
niet tot Nederland
zijn toegelaten,
rechtvaardigt. In
deze zaak werd
eveneens een
beroep gedaan op de
artikelen 2, 3 en 27
IVRK. Volgens de
Centrale Raad van
Beroep is artikel 2
lid 1
IVRK wel een ieder
verbindende
verdragsbepaling in
de zin van artikel
94 Grondwet.
Het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK is
veiligheid,
stabiliteit met
inachtneming van de
continuïteit en de
mening van het kind,
waarbij de
ontwikkeling
centraal staat en
het IVRK
uitgangspunt is. Na
toepassing van het
belang van het kind
in deze zaak dient
tot de conclusie
gekomen te worden
dat:
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
1.
Het IVRK niet als
uitgangspunt is
genomen. Het niet
meer toekennen van
de verstrekkingen
levert een schending
van de artikelen 2,
6 lid 2, 12 en 27
IVRK op. Het belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
is daardoor ook
geschonden.
2.
De stabiliteit en
veiligheid in het
geding komen door
het onthouden van de
verstrekkingen,
terwijl het
toekennen van de
verstrekkingen een
veilige en stabiele
situatie van het
kind
waarborgt.
3.
Continuïteit van de
veilige en stabiele
situatie in het
belang van het kind
is. In casu is dat
het
geval indien de
verstrekkingen
verleend worden en
niet bij het
stopzetten daarvan.
4. Het kind niet
naar zijn of haar
mening is gevraag..
Toepassing van het
belang van het kind
leidt tot het
eindoordeel dat het
onthouden van de
verstrekkingen aan
de asielzoekers niet
in het belang van
het kind is geweest.
§ 6.3.3 Toepassing
van het belang van
het kind in een
strafrechtelijke
casus
Vrijwel alle zaken
waarin een beroep is
gedaan op artikel 3
lid 1 IVRK binnen
het strafrechtelijke
kader betreffen de
afname van DNA bij
minderjarigen. De
beslissing om DNA af
te nemen bij
minderjarigen vindt
plaats na
veroordeling en is
daardoor een aparte
procedure. De
toepassing van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK zal zich
toespitsen op de
afname van
DNA-materiaal. De
zaak die centraal
staat is die van de
rechtbank Groningen
25 januari 2006. In
deze zaak gaat het
om
een meisje dat 16
jaar oud was op het
moment dat het
misdrijf werd
gepleegd. Zij is
veroordeeld voor
het medeplegen van
een poging tot zware
mishandeling
waarvoor een
taakstraf is
opgelegd. Het meisje
heeft één schop
tegen het been van
het slachtoffer
gegeven. In de
gegeven zaak past de
rechter artikel
3 lid 1 en 40 lid 1
IVRK ambtshalve toe.
De conclusie van de
rechtbank ten
aanzien van artikel
3 lid 1 IVRK is als
volgt: ‘Gelet op het
gestelde
in artikel 8 EVRM en
artikel 40 IVRK is
bij de afweging over
de toepasbaarheid
van de Wet DNA-
onderzoek op een
minderjarige de
persoonlijke
belangen van de
minderjarige
afgewogen dienen te
worden tegen het
algemeen
maatschappelijk
belang en dat
daarbij gelet op
artikel 3 IVRK het
belang
van de minderjarige
de eerste overweging
dient te vormen.
Daarbij dient
gekeken te worden
naar de
leeftijd van de
veroordeelde ten
tijde van het begaan
van het misdrijf, de
reële ernst van het
feit, de
omstandigheden
waaronder deze is
begaan, de mate van
eventuele recidive
en de overige
persoonlijke
omstandigheden van
de veroordeelde.’229
1. . IVRK als
uitgangspunt
In het kader van de
afname van
DNA-materiaal bij
minderjarigen is
artikel 40 lid 1
IVRK van belang.
Volgens dit lid
moeten Staten die
partij zijn, het
recht van ieder kind
dat wordt verdacht
van, vervolgd
wegens of
veroordeeld terzake
van het begaan van
een strafbaar feit
erkennen, op een
wijze van
229 Rechtbank
Groningen 25 januari
2006, LJN: AV0355.
Zie bijlage 3, nr.
3.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
behandeling die geen
afbreuk doet aan het
gevoel van
waardigheid en
eigenwaarde van het
kind, die
de eerbied van het
kind voor de rechten
van de mens en de
fundamentele
vrijheden van
anderen
vergroot, en waarbij
rekening wordt
gehouden met de
leeftijd van het
kind en met de
wenselijkheid
van het bevorderen
van de herintegratie
van het kind en van
de aanvaarding door
het kind van een
opbouwende rol in de
samenleving.
In dit geval zal
afname van DNA de
herintegratie van
het kind en de
aanvaarding door het
kind van
een opbouwende rol
in de samenleving
niet ten goede
komen. Uit de
rapportages van de
Raad van de
Kinderbescherming
blijkt dat het
meisje is
geschrokken van het
misdrijf waar zij
aan heeft
deelgenomen en de
nasleep daarvan.
Volgens het Hof, dat
ging over de
veroordeling van het
meisje, is
zij zelfstandiger
geworden in haar
oordeelsvorming en
genuanceerder in
haar oordeel.
Hierdoor neemt
het Hof aan dat de
schop tegen het
slachtoffer een
incident was. Het
afnemen van
DNA-materiaal uit
oogpunt van
preventie zal
aanname van een
opbouwende rol niet
bevorderen, maar
juist verslechteren
doordat het nog meer
een stempel op haar
zal drukken terwijl
het besef van het
gebeurde duidelijk
bij
de minderjarige
aanwezig is. Afname
van DNA-materiaal
levert daarom een
schending van
artikel 40
lid 1 IVRK op.
Ten tweede is er
sprake van een
schending van
artikel 16 IVRK. De
rechtbank verwijst
in dit kader
naar artikel 8 EVRM
dat een soortgelijke
bepaling is. Volgens
artikel 16 IVRK mag
geen enkel kind
onderworpen worden
aan willekeurige of
onrechtmatige
inmenging in zijn of
haar privé-leven en
heeft
het kind recht op
bescherming door de
wet tegen zodanige
inmenging of
aantasting.
Eerbiediging van
het privé-leven is
ook opgenomen in
artikel 40 lid 2 sub
7 IVRK. In het kader
van artikel 8 EVRM
is
een belangenafweging
mogelijk. Een
gerechtvaardigde
inmenging in het
recht op privé-leven
kan
worden gemaakt
indien dit in het
algemeen belang is.
Zoals eerder gesteld
kijkt de rechter
daarbij naar
de leeftijd van de
veroordeelde ten
tijde van het begaan
van het misdrijf, de
reële ernst van het
feit, de
omstandigheden
waaronder deze is
begaan, de mate van
eventuele recidive
en de overige
persoonlijke
omstandigheden van
de veroordeelde. In
dit geval is de
reële ernst van het
feit laag, is het
meisje niet
eerder veroordeeld
geweest, zijn er
geen problemen in
haar ontwikkeling en
beseft zij wat ze
heeft
gedaan. Hierdoor is
de kans op recidive
klein. Het belang
van het kind bij
bescherming van haar
privéleven
kan daarom zwaarder
wegen dan het
algemeen belang bij
het voorkomen van
verdere
misdrijven.
2. De ontwikkeling
staat centraal
Het doel van het
IVRK is dat het kind
zich harmonisch kan
ontwikkelen. Het
IVRK vult dit belang
om
zich te kunnen
ontwikkelen in. Een
expliciet recht om
zich te kunnen
ontwikkelen is
neergelegd in
artikel 6 lid 2
IVRK. Artikel 6 lid
2 IVRK bepaalt dat
de staten die partij
zijn in de ruimst
mogelijke
mate de
mogelijkheden tot
overleven en de
ontwikkeling van het
kind waarborgen.
Niet alleen de
rechten uit het IVRK
dragen bij aan deze
ontwikkeling, maar
ook zuiver
pedagogische
elementen.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
Pedagogen Kalverboer
en Zijlstra hebben
een schema met
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
opgesteld die samen
een optimale
ontwikkeling moeten
garanderen.
Voor de ontwikkeling
van het meisje in
deze zaak is het van
belang dat er geen
ongerechtvaardigde
inmenging in haar
privé-leven zal
plaatsvinden,
(artikel 16 IVRK en
8 EVRM) zij haar
gevoel van
waardigheid en
eigenwaarde behoudt
en haar opbouwende
rol in de
samenleving kan
aannemen
(artikel 40 lid 1
IVRK).
Volgens pedagogisch
onderzoek is het
voor het kind van
belang dat het een
veilige fysieke
wijdere
omgeving heeft. Zo’n
veilige fysieke
wijdere omgeving
biedt lichamelijke
bescherming aan het
kind.
Dit staat haaks op
afname van
DNA-materiaal.
Daarnaast wordt geen
afbreuk gedaan aan
het gevoel
van eigenwaarde en
waardigheid indien
de omgeving de
gevoelens van het
kind serieus neemt.
Omdat de artikelen
16 en 40 lid 1 IVRK
zijn geschonden, is
ook het recht op
ontwikkeling in
artikel 6
lid 2 IVRK
geschonden.
3. Veiligheid
De veiligheid van
het kind is in het
geding door afname
van DNA. Zoals
hiervoor gesteld
moet er een
veilige fysieke
wijdere omgeving
zijn die
lichamelijke
bescherming biedt
aan het kind. In
bredere
context is de
veiligheid van de
omgeving van het
kind ook niet in het
geding nu het meisje
geschrokken is van
hetgeen is gebeurd
en zij zich na
veroordeling niet
meer schuldig heeft
gemaakt
aan strafbare
feiten. De kans op
recidive is niet
aanwezig. Hierdoor
hoeft de
minderjarige niet
tegen
zichzelf te worden
beschermd door
middel van het
opslaan van DNA
gegevens met het
oogmerk van
preventieve werking.
4. Stabiliteit
Volgens de Raad van
de Kinderbescherming
zijn er geen
risico’s met
betrekking tot de
verdere
ontwikkeling,
aanwijzingen voor
psychische problemen
of andere
problematiek.
Volgens het Hof is
het
bewezenverklaarde
een incident. De
ontwikkeling lijkt
hierdoor niet
onstabiel.
Stabiliteit in de
levensomstandigheden
en
toekomstperspectief
is in het belang van
het kind. Nu de
stabiliteit van het
kind niet in het
geding is, is afname
van DNA-materiaal
niet in het belang
van het kind. Afname
van
DNA-materiaal zal
niet bijdrage aan
het ervaren van
toekomstperspectief
bij de minderjarige.
5. Continuiteit
Nu de veiligheid en
de stabiliteit niet
in het geding zijn,
de minderjarige is
veroordeeld en haar
straf
heeft voltooid, is
continuïteit van
deze situatie in het
belang van het kind.
Afname van DNA is
daardoor niet
noodzakelijk.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
6. Mening van het
kind
Het meisje is nooit
gehoord in de
procedure over de
afname van DNA. Het
IVRK bepaalt echter
in
artikel 12 lid 1
IVRK dat het kind
het recht heeft zijn
of haar mening
vrijelijk te uiten
in alle
aangelegenheden die
het kind betreffen,
waarbij aan de
mening van het kind
passend belang wordt
gehecht in
overeenstemming met
zijn of haar
leeftijd en
rijpheid. Juist om
geen afbreuk te doen
aan
het gevoel van
eigenwaarde en
waardigheid dient
het meisje te worden
gehoord.
De behoeften,
wensen, gevoelens en
verlangens van het
kind moeten serieus
worden genomen door
de
omgeving van het
kind, dus ook door
het openbaar
ministerie. In casu
is dit niet gebeurd.
7. Beschikbaarheid
van overig
pedagogisch/psychologisch
onderzoek
Er is een rapport
van de Raad voor de
Kinderbescherming
waaruit blijkt dat
er geen risico’s
zijn met
betrekking tot de
verdere ontwikkeling
van het meisje en
dat er ook geen
sprake is psychische
dan wel
andere problematiek.
8. De terzake
gangbare
jurisprudentie
In casu is het
arrest van het
gerechtshof
’s-Gravenhage 24
april 1997 (NJ 1997,
477) van belang. In
deze zaak heeft het
hof bepaald dat
artikel 40 IVRK
rechtstreekse
werking toekomt.
Het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK is
veiligheid,
stabiliteit met
inachtneming van de
continuïteit en de
mening van het kind,
waarbij de
ontwikkeling
centraal staat en
het IVRK
uitgangspunt is. Na
toepassing van het
belang van het kind
in deze zaak dient
tot de conclusie
gekomen te worden
dat:
1.
Het IVRK niet als
uitgangspunt is
genomen. De afname
van DNA-materiaal
levert een
schending van de
artikelen 6 lid 2,
12, 16 en 40 lid 1
en 2 sub 7 IVRK op.
Het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK is
daardoor ook
geschonden.
2.
De veiligheid en
stabiliteit in het
gedrag komen door
afname van DNA, nu
er geen risico’s
voor de verdere
ontwikkeling van het
meisje zijn, het
gebeurde een
incident was en de
kans op
recidive klein is.
Het meisje verkeert
reeds in veiligheid
en heeft stabiliteit
waardoor DNA-
afname niet
noodzakelijk is.
3.
Continuïteit van de
veilige en stabiele
situatie in het
belang van het kind
is. In casu is dat
het
geval indien de
huidige situatie
wordt voortgezet
zonder afname van
DNA.
4. Het kind haar
mening niet heeft
kunnen geven.
Toepassing van het
belang van het kind
leidt tot het
eindoordeel dat
afname van
DNA-materiaal niet
in
het belang van het
kind is.
Hoofdstuk 6:
Conclusie en
toepassing van het
belang van het kind
§ 6.4 Conclusie
Toepassing van de
gevonden invulling
van het belang van
het kind in artikel
3 lid 1 1 IVRK leidt
er in
de drie
verschillende zaken
toe dat een
gemotiveerde
onderbouwing kon
worden gegeven ten
aanzien
van het belang van
het kind. Zowel in
de zaak van de Hoge
Raad als die van de
rechtbank heeft de
rechter het belang
van het kind in acht
genomen en woog deze
uiteindelijk het
zwaarst. Kijkende
naar
de criteria blijkt
het IVRK opnieuw een
belangrijke rol te
hebben gespeeld. In
de strafzaak heeft
de
rechter ambtshalve
getoetst aan artikel
3 en 40 IVRK met
inachtneming van
specifieke factoren
als
leeftijd, kans op
recidive,
persoonlijke
omstandigheden,
reële ernst van het
feit en de
omstandigheden
waaronder het feit
is begaan. Dat in
een eerdere zaak
rechtstreekse
werking van artikel
40 IVRK door
het gerechtshof werd
aangenomen maakt
nadere onderbouwing
door de criteria
veiligheid,
stabiliteit,
continuïteit en
inachtneming van het
kind eigenlijk
overbodig. Ook het
rapport van de Raad
van de
Kinderbescherming
heeft de rechter een
handvat geboden om
de beslissing in het
voordeel van het
kind te laten
uitvallen. In de
zaak van de Hoge
Raad is de rechter
veel minder van het
IVRK
uitgegaan. Wel is
gekeken of schending
van het IVRK niet
aan de orde was. Een
belangrijke rol
speelde hier met
name de ter zake
gangbare
jurisprudentie.
Van geheel andere
orde was de zaak van
de Raad van State.
Dat het belang van
het kind niet de
eerste
overweging heeft
gevormd blijkt
duidelijk nu het
IVRK niet als
uitgangspunt is
genomen, pedagogisch
onderzoek niet is
geraadpleegd en de
terzake gangbare
jurisprudentie niet
in acht is genomen.
Toepassing van mijn
gevonden invulling
laat zien hoe de
Raad van State haar
verplichtingen op
grond
van het IVRK schend.
Deze conclusie geeft
aan dat de Raad van
State, zoals in de
jurisprudentie
meerdere malen is
ondervonden, het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK geen handen en
voeten kan geven.
Dat het belang van
het kind nog geen
rechtstreekse
werking heeft
toegekend
gekregen blijkt
minder een probleem
in het familierecht
en jeugdstrafrecht
doordat rechters
binnen
deze rechtsgebieden
het belang van het
kind vaak ambtshalve
toetsen en naar de
factoren die
invulling
geven aan dit begrip
kijken.
In de toekomst zal
de Raad van State
echter niet meer
voorbij kunnen gaan
aan de
jurisprudentie over
het familierecht en
strafrecht waarin
het belang van het
kind concreet
invulling krijgt en
moeten
constateren dat het
belang van het kind
geen leeg vat is
maar een begrip dat
in elke individueel
geval
kan worden
gepreciseerd en
geconcretiseerd.
Aanbevelingen
Aanbevelingen n
De aanbevelingen ten
aanzien van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK richt ik tot
twee
groepen:
-Kinderrechtenorganisaties,
advocaten, oftewel:
personen die opkomen
voor de belangen van
kinderen in
juridische
procedures.
-
Openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn,
bestuurlijke
autoriteiten,
rechterlijke
instanties of
wetgevende lichamen,
oftewel: personen
die maatregelen
betreffende
kinderen nemen.
Ik heb deze
onderverdeling
gemaakt omdat deze
groepen beide in een
andere relatie staan
tot het kind.
De eerste groep
wordt geraadpleegd
indien een
(mogelijke)
schending van het
IVRK heeft
plaatsgevonden en
komt op voor de
belangen van het
kind. De tweede
groep dient
maatregelen te
nemen die kinderen
betreffen en mag
daarbij het belang
van het kind niet
veronachtzamen. Deze
laatste groep zal
worden opgesplitst.
Voor elke groep
zullen aparte
aanbevelingen worden
gemaakt.
Met deze
aanbevelingen moet
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK niet
alleen inhoud
worden gegeven, maar
moeten er ook voor
zorgen dat het
belang van het kind
daadwerkelijk wordt
meegewogen. Deze
aanbevelingen maken
het makkelijker om
het belang van het
kind concreet en
helder te formuleren
waardoor beter
aantoonbaar wordt
dat het belang van
het kind de eerste
overweging is
(geweest).
•
Voor
kinderrechtenorganisaties,
advocaten, personen
dan wel instellingen
die
opkomen voor de
belangen van
kinderen
•
Indien
kinderrechtenorganisaties
en advocaten te
maken krijgen met
een zaak waarin een
maatregel
betreffende het kind
genomen is, dient
allereerst een
inventarisatie
plaats te vinden
van de
IVRK-artikelen die
mogelijk geschonden
zijn. Het IVRK is
uitgangspunt als het
gaat om
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK. Kan
worden aangetoond
dat in een gegeven
zaak
het IVRK is
geschonden, dan is
het belang van het
kind niet de eerste
overweging geweest.
Voor
het aantonen van een
schending van
artikel 3 lid 1 IVRK
dient het
beroepsschrift van
een
kinderrechtenorganisatie
of advocaat dus
allereerst in te
gaan op de schending
van de andere
artikelen uit het
IVRK.
•
Het aantonen van een
schending van deze
artikelen kan
ondersteund worden
door pedagogisch
onderzoek. De
veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
van Kalverboer &
Zijlstra kunnen
daarbij
behulpzaam zijn. De
invullingen van de
pedagogen kunnen
duidelijk maken dat
een schending
van het IVRK heeft
plaatsgevonden.
Voorwaarden voor
ontwikkeling die een
bepaald IVRK
artikel verder kan
verduidelijken,
zullen moeten worden
samengevoegd met de
juridische
onderbouwing dat een
schending van het
IVRK heeft
plaatsgevonden.
Aanbevelingen
•
Naast pedagogisch
onderzoek als
aanvullende bron
voor het aantonen
van een schending
van het
IVRK, bieden de
criteria:
veiligheid,
stabiliteit,
continuïteit en
inachtneming van de
wens van
het kind een
mogelijkheid om de
IVRK-bepalingen
nader te
concretiseren. Deze
criteria,
ontleend aan
jurisprudentie
waarin geen directe
verwijzing naar het
IVRK is gemaakt,
zijn voor
kinderrechtenorganisaties
en advocaten een
tweede aanvullende
bron op het IVRK om
de
problematiek van
rechtstreekse
werking van andere
artikelen uit het
IVRK tegen te gaan.
•
Vervolgens dient
bekeken te worden of
er jurisprudentie
bestaat die op de
specifieke zaak van
toepassing is. Deze
dient ingevoegd te
worden. Van belang
is om te kijken of
rechtstreekse
werking door de
hoogste
rechtscolleges of de
wetgever is
toegekend aan de
artikelen uit het
IVRK die zijn
geschonden in de
gegeven zaak. Deze
jurisprudentie kan
bijdragen aan de
versterking van het
belang van het kind
in die zaak. Het
koppelen van het
belang van het kind
aan artikelen uit
het IVRK waaraan wel
rechtstreekse
werking is
toegekend, betekent
dat het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK op deze wijze
indirect
rechtstreekse
werking krijgt.
•
Als laatste zal
pedagogisch/psychologisch/psychiatrisch
onderzoek, dat op
het specifieke kind
in
de gegeven zaak van
toepassing is,
moeten worden
toegevoegd indien
beschikbaar.
· Voor de wetgevende
macht
•
Allereerst dient
wet-en regelgeving
in overeenstemming
te zijn met de
rechten uit het IVRK
en
andere
internationale
verdragen.
•
Bij het maken van
wet-en regelgeving
waarin het belang
van het
kind-criterium
expliciet is
opgenomen (zoals o.a
in het BW,
rechtsvordering en
de
Vreemdelingencirculaire),
dienen de
maatschappelijke
veranderende visies
ten aanzien van het
belang van het kind
in acht te worden
genomen. De visie
hoe het belang om
zich harmonisch te
kunnen ontwikkelen
het beste kan
worden gediend
verandert door de
jaren heen. Zo werd
voor 1984
voortzetting van
gezamenlijk
gezag niet in het
belang van het kind
geacht, terwijl men
vandaag de dag van
mening is dat dit
juist het belang van
het kind dient. De
wetgever dient alert
te zijn op deze
veranderende
inzichten. Bronnen
waarin deze
veranderende visies
tot uiting komen
zijn de
jurisprudentie (met
name die van het
EHRM) en pedagogisch
onderzoek. De
wetgever zal hier
goed naar moeten
kijken bij wetgeving
waarin het belang
van het kind is
vastgelegd.
•
Het belang van het
kind neemt een
duidelijke plek in
binnen het IVRK. Dit
is ook het geval
binnen het
familierecht, het
belang van het kind
als criterium wordt
veelvuldig in het BW
genoemd. Binnen het
vreemdelingenrecht
en strafrecht lijkt
echter minder
aandacht aan het
belang van het kind
te worden
geschonken. Het
expliciet vastleggen
van het belang van
het kind
in de
Vreemdelingenwet,
Wetboek van
Strafrecht en
Strafvordering zal
voor meer
rechtsbescherming
voor het kind zorgen
en zal interpretatie
van het belang van
het kind binnen
dit rechtsgebied
kunnen verbeteren.
Aanbevelingen
· Voor de
rechterlijke macht
•
Interpretatie van
het belang van het
kind in het
familierecht levert
weinig problemen op,
zo
blijkt uit de
besproken
jurisprudentie over
het belang van het
kind in het
familierecht. Dit
komt
met name omdat het
belang van het kind
als criterium is
opgenomen ten
aanzien van een
specifieke situatie.
Het belang van het
kind wordt
geïnterpreteerd
binnen een
specifieke context,
bijvoorbeeld in
situaties als het
gaat om omgang
tussen ouder en
kind, gezamenlijk
gezag,
geslachtsnaamswijziging
etc. Als het gaat om
de interpretatie van
het belang van het
kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
gaat het om alle
maatregelen die
kinderen betreffen
en de invulling is
daardoor niet
gerelateerd aan een
bepaalde situatie.
Dit lijkt invulling
van het belang van
het
kind te bemoeilijken
omdat het niet
binnen een bepaald
kader wordt bekeken.
De rechter kan
echter binnen het
IVRK het belang van
het kind eveneens
verbinden aan een
specifieke situatie
door te kijken welke
overige artikelen
uit het IVRK een rol
spelen binnen een
specifieke casus.
Door het belang van
het kind aan deze
artikelen te
koppelen wordt
interpretatie van
het belang
van het kind
eenvoudiger.
•
Bij het bepalen van
het belang van het
kind in artikel 3
lid 1 IVRK dient de
rechter het IVRK als
uitgangspunt te
nemen. Indien er
andere bepalingen
zijn die meer
bijdragen tot de
verwezenlijking van
de rechten van het
kind (zoals
bijvoorbeeld het
Haags
Kinderontvoeringsverdrag
als het gaat om
kinderontvoering)
dan dienen deze
bepalingen door
de rechter te worden
geraadpleegd
(artikel 41 IVRK).
Op deze wijze wordt
meer recht gedaan
aan het belang van
het kind.
•
Aanbevelingen voor
de rechterlijke
macht dienen vooral
gericht te worden
aan de Raad van
State. De Raad van
State is het
rechtscollege dat
het belang van het
kind geen handen en
voeten
weet te geven en
steeds expliciet
weigert
rechtstreekse
werking aan artikel
3 lid 1 IVRK toe te
kennen. De Raad van
State zou het
probleem van de niet
concreetheid van het
begrip niet
hebben indien meer
naar de invullingen
wordt gekeken die
onder andere zijn te
vinden binnen
de jurisprudentie
van de Hoge Raad in
het familierecht.
Ook lagere
rechtscolleges komen
tot een
invulling van het
belang van het kind
in artikel 3 lid 1
IVRK door naar het
verdrag zelf te
kijken.
•
Binnen het
vreemdelingenrecht
krijgt
pedagogisch/psychologisch/psychiatrisch
onderzoek een
minder prominente
plek dan binnen het
familierecht en
strafrecht. Juist
binnen het
vreemdelingenrecht
is behoefte aan
onderzoek door de
Raad van de
Kinderbescherming om
bijvoorbeeld de
gevolgen van
uitzetting van een
kind te kunnen
beoordelen, maar
juist in dit
rechtsgebied heeft
de Raad geen taak.
De veertien
ontwikkelingsvoorwaarden
van Kalverboer en
Zijlstra zijn daarom
belangrijk binnen
het
vreemdelingenrecht
nu
pedagogisch/psychologisch/psychiatrisch
onderzoek vaak
ontbreekt dan wel
een ondergeschikte
rol speelt. Is
specifiek
pedagogisch/psychologisch/psychiatrisch
onderzoek verricht
naar een
kind binnen een
bepaalde zaak dan
dient uit dit
onderzoek te worden
afgeleid wat in het
belang
van het kind is.
Aanbevelingen
•
Veranderende
maatschappelijke
visies over hoe het
belang van het kind
het beste kan worden
gediend, zullen in
het licht van het
IVRK gelezen moeten
worden.
•
Bestuurlijke
autoriteiten en
openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn
•
Indien bestuurlijke
autoriteiten en
openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn een
maatregel
betreffende een kind
moeten nemen, dan
dienen in principe
dezelfde
stappen te worden
genomen als die een
kinderrechtenjurist
of advocaat zal
nemen. De maatregel
zal dus in ieder
geval in
overeenstemming
dienen te zijn met
alle rechten in het
IVRK.
Wordt een maatregel
ten aanzien van een
specifiek kind
genomen dan is
pedagogisch/psychologisch/psychiatrisch
onderzoek in
bepaalde gevallen
noodzakelijk om de
behoefte van dat
kind te kunnen
bepalen. Dit
onderzoek dient
verricht te worden
en onderdeel te
zijn van de
beslissing ten
aanzien van het
kind.
Bijlage I
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten
van het Kind d
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Internationale
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Aangenomen door de
Algemene Vergadering
van de Verenigde
Naties op 20
november 1989. Voor
Nederland in werking
getreden op 8 maart
1995.
De Staten die partij
zijn bij dit
Verdrag,
Overwegende dat, in
overeenstemming met
de in het Handvest
van de Verenigde
Naties
verkondigde
beginselen,
erkenning van de
waardigheid inherent
aan, alsmede van de
gelijke en
onvervreemdbare
rechten van, alle
leden van de
mensengemeenschap de
grondslag is voor
vrijheid,
gerechtigheid en
vrede in de wereld,
Indachtig dat de
volkeren van de
Verenigde Naties in
het Handvest hun
vertrouwen in de
fundamentele rechten
van de mens en in de
waardigheid en de
waarde van de mens
opnieuw hebben
bevestigd en hebben
besloten sociale
vooruitgang en een
hogere
levensstandaard in
groter vrijheid te
bevorderen,
Erkennende dat de
Verenigde Naties in
de Universele
Verklaring van de
Rechten van de Mens
en
in de Internationale
Verdragen inzake de
Rechten van de Mens
hebben verkondigd en
zijn
overeengekomen dat
een ieder recht
heeft op alle
rechten en vrijheden
die daarin worden
beschreven,
zonder onderscheid
van welke aard ook,
zoals naar ras,
huidskleur,
geslacht, taal,
godsdienst,
politieke
of andere
overtuiging,
nationale of sociale
afkomst, eigendom,
geboorte of andere
status,
Eraan herinnerende
dat de Verenigde
Naties in de
Universele
Verklaring van de
Rechten van de
Mens hebben
verkondigd dat
kinderen recht
hebben op bijzondere
zorg en bijstand,
Ervan overtuigd dat
aan het gezin, als
de kern van de
samenleving en de
natuurlijke omgeving
voor
de ontplooiing en
het welzijn van al
haar leden en van
kinderen in het
bijzonder, de nodige
bescherming en
bijstand dient te
worden verleend
opdat het zijn
verantwoordelijkheden
binnen de
gemeenschap volledig
kan dragen,
Erkennende dat het
kind, voor de
volledige en
harmonische
ontplooiing van zijn
of haar
persoonlijkheid,
dient op te groeien
in een
gezinsomgeving, in
een sfeer van geluk,
liefde en begrip,
Overwegende dat het
kind volledig dient
te worden voorbereid
op het leiden van
een zelfstandig
leven in de
samenleving, en
dient te worden
opgevoed in de geest
van de in het
Handvest van de
Verenigde Naties
verkondigde idealen,
en in het bijzonder
in de geest van de
vrede, waardigheid,
verdraagzaamheid,
vrijheid, gelijkheid
en solidariteit,
Indachtig dat de
noodzaak van het
verlenen van
bijzondere zorg aan
het kind is vermeld
in de
Verklaring van
Genève inzake de
Rechten van het Kind
van 1924 en in de
Verklaring van de
Rechten
van het Kind,
aangenomen door de
Algemene Vergadering
op 20 november 1959
en is erkend in de
Universele
Verklaring van de
Rechten van de Mens,
in het
Internationaal
Verdrag inzake
Burgerrechten en
Politieke Rechten
(met name in de
artikelen 23 en 24),
in het
Internationaal
Verdrag
inzake Economische,
Sociale en Culturele
Rechten (met name in
artikel 10) en in de
statuten en
desbetreffende akten
van gespecialiseerde
organisaties en
internationale
organisaties die
zich
bezighouden met het
welzijn van
kinderen,
Indachtig dat, zoals
aangegeven in de
Verklaring van de
Rechten van het
Kind, "het kind op
grond
van zijn
lichamelijke en
geestelijke
onrijpheid
bijzondere
bescherming en zorg
nodig heeft, met
inbegrip van
geëigende wettelijke
bescherming, zowel
vóór als na zijn
geboorte",
Herinnerende aan de
bepalingen van de
Verklaring inzake
Sociale en
Juridische
Beginselen
betreffende de
Bescherming en het
Welzijn van
Kinderen, in het
bijzonder met
betrekking tot
Plaatsing in een
Pleeggezin en
Adoptie, zowel
Nationaal als
Internationaal; de
Standaard
Minimumregels van de
Verenigde Naties
voor de Toepassing
van het Recht op
Jongeren (de
Beijingregels); en
de Verklaring inzake
de Bescherming van
Vrouwen en Kinderen
in Noodsituaties
en Gewapende
Conflicten,
Erkennende dat er,
in alle landen van
de wereld, kinderen
zijn die in
uitzonderlijk
moeilijke
omstandigheden
leven, en dat deze
kinderen bijzondere
aandacht behoeven,
Op passende wijze
rekening houdend met
het belang van de
tradities en
culturele waarde die
ieder
volk hecht aan de
bescherming en de
harmonische
ontwikkeling van het
kind,
Het belang
erkennende van
internationale
samenwerking ter
verbetering van de
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
levensomstandigheden
van kinderen in
ieder land, in het
bijzonder in de
ontwikkelingslanden,
Zijn het volgende
overeengekomen:
DEEL I
Artikel 1
Voor de toepassing
van dit Verdrag
wordt onder een kind
verstaan ieder mens
jonger dan achttien
jaar,
tenzij volgens het
op het kind van
toepassing zijnde
recht de
meerderjarigheid
eerder wordt
bereikt.
Artikel 2
1. De Staten die
partij zijn bij dit
Verdrag, eerbiedigen
en waarborgen de in
het Verdrag
beschreven
rechten voor ieder
kind onder hun
rechtsbevoegdheid
zonder discriminatie
van welke aard ook,
ongeacht ras,
huidskleur,
geslacht, taal,
godsdienst,
politieke of andere
overtuiging,
nationale, etnische
of maatschappelijke
afkomst, welstand,
handicap, geboorte
of andere
omstandigheid van
het kind of
zijn of haar ouder
of wettige voogd.
2. De Staten die
partij zijn, nemen
alle passende
maatregelen om te
waarborgen dat het
kind wordt
beschermd tegen alle
vormen van
discriminatie of
bestraffing op grond
van de
omstandigheden of de
activiteiten van, de
meningen geuit door
of de overtuigingen
van de ouders,
wettige voogden of
familieleden van het
kind.
Artikel 3
1. Bij alle
maatregelen
betreffende
kinderen, ongeacht
of deze worden
genomen door
openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn of door
rechterlijke
instanties,
bestuurlijke
autoriteiten of
wetgevende lichamen,
vormen de belangen
van het kind de
eerste overweging.
2. De Staten die
partij zijn,
verbinden zich ertoe
het kind te
verzekeren van de
bescherming en de
zorg
die nodig zijn voor
zijn of haar
welzijn, rekening
houdend met de
rechten en plichten
van zijn of haar
ouders, wettige
voogden of anderen
die wettelijk
verantwoordelijk
voor het kind zijn,
en nemen
hiertoe alle
passende wettelijke
en bestuurlijke
maatregelen.
3. De Staten die
partij zijn,
waarborgen dat de
instellingen,
diensten en
voorzieningen die
verantwoordelijk
zijn voor de zorg
voor of de
bescherming van
kinderen voldoen aan
de door de
bevoegde
autoriteiten
vastgestelde normen,
met name ten aanzien
van de veiligheid,
de gezondheid,
het aantal
personeelsleden en
hun geschiktheid,
alsmede bevoegd
toezicht.
Artikel 4
De Staten die partij
zijn, nemen alle
passende wettelijke,
bestuurlijke en
andere maatregelen
om de in
dit Verdrag erkende
rechten te
verwezenlijken. Ten
aanzien van
economische, sociale
en culturele
rechten nemen de
Staten die Partij
zijn deze
maatregelen in de
ruimste mate waarin
de hun ter
beschikking staande
middelen dit
toelaten en, indien
nodig, in het kader
van internationale
samenwerking.
Artikel 5
De Staten die partij
zijn, eerbiedigen de
verantwoordelijkheden,
rechten en plichten
van de ouders of,
indien van
toepassing, van de
leden van de familie
in ruimere zin of de
gemeenschap al naar
gelang
het plaatselijk
gebruik, van wettige
voogden of anderen
die wettelijk
verantwoordelijk
zijn voor het
kind, voor het
voorzien in passende
leiding en
begeleiding bij de
uitoefening door het
kind van de in
dit Verdrag erkende
rechten, op een
wijze die
verenigbaar is met
de zich
ontwikkelende
vermogens
van het kind.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 6
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen dat ieder
kind het inherente
recht op leven
heeft.
2. De Staten die
partij zijn,
waarborgen in de
ruimst mogelijke
mate de
mogelijkheden tot
overleven
en de ontwikkeling
van het kind.
Artikel 7
1. Het kind wordt
onmiddellijk na de
geboorte
ingeschreven en
heeft vanaf de
geboorte het recht
op
een naam, het recht
een nationaliteit te
verwerven en, voor
zover mogelijk, het
recht zijn of haar
ouders te kennen en
door hen te worden
verzorgd.
2. De Staten die
partij zijn,
waarborgen de
verwezenlijking van
deze rechten in
overeenstemming met
hun nationale recht
en hun
verplichtingen
krachtens de
desbetreffende
internationale akten
op dit
gebied, in het
bijzonder wanneer
het kind anders
staatloos zou zijn.
Artikel 8
1. De Staten die
partij zijn,
verbinden zich tot
eerbiediging van het
recht van het kind
zijn of haar
identiteit te
behouden, met
inbegrip van
nationaliteit, naam
en
familiebetrekkingen
zoals wettelijk
erkend, zonder
onrechtmatige
inmenging.
2. Wanneer een kind
op niet rechtmatige
wijze wordt beroofd
van enige of alle
bestanddelen van
zijn
of haar identiteit,
verlenen de Staten
die partij zijn
passende bijstand en
bescherming,
teneinde zijn
identiteit snel te
herstellen.
Artikel 9
1. De Staten die
partij zijn,
waarborgen dat een
kind niet wordt
gescheiden van zijn
of haar ouders
tegen hun wil,
tenzij de bevoegde
autoriteiten, onder
voorbehoud van de
mogelijkheid van
rechterlijke
toetsing, in
overeenstemming met
het toepasselijke
recht en de
toepasselijke
procedures,
beslissen dat
deze scheiding
noodzakelijk is in
het belang van het
kind. Een dergelijke
beslissing kan
noodzakelijk
zijn in een bepaald
geval, zoals wanneer
er sprake is van
misbruik of
verwaarlozing van
het kind door
de ouders, of
wanneer de ouders
gescheiden leven en
er een beslissing
moet worden genomen
ten
aanzien van de
verblijfplaats van
het kind.
2. In procedures
ingevolge het eerste
lid van dit artikel
dienen alle
betrokken partijen
de gelegenheid te
krijgen aan de
procedures deel te
nemen en hun
standpunten naar
voren te brengen.
3. De Staten die
partij zijn,
eerbiedigen het
recht van het kind
dat van een ouder of
beide ouders is
gescheiden, op
regelmatige basis
persoonlijke
betrekkingen en
rechtstreeks contact
met beide ouders te
onderhouden, tenzij
dit in strijd is met
het belang van het
kind.
4. Tenzij een
dergelijke scheiding
voortvloeit uit een
maatregel genomen
door een Staat die
partij is,
zoals
inhechtenisneming,
gevangenneming,
verbanning,
deportatie, of uit
een maatregel het
overlijden
ten gevolge hebbend
(met inbegrip van
overlijden, door
welke oorzaak ook,
terwijl de
betrokkene door
de Staat in bewaring
wordt gehouden) van
één ouder of beide
ouders of van het
kind, verstrekt die
Staat, op verzoek,
aan de ouders, aan
het kind of, indien
van toepassing, aan
een ander familielid
van
het kind de
noodzakelijke
inlichtingen over
waar het afwezige
lid van het gezin
zich bevindt of waar
de afwezige leden
van het gezin zich
bevinden, tenzij het
verstrekken van die
inlichtingen het
welzijn
van het kind zou
schaden. De Staten
die partij zijn,
waarborgen voorts
dat het indienen van
een
dergelijk verzoek op
zich geen nadelige
gevolgen heeft voor
de betrokkene(n).
Artikel 10
1. In
overeenstemming met
de verplichting van
de Staten die partij
zijn krachtens
artikel 9, eerste
lid,
worden aanvragen van
een kind of van zijn
ouders om een Staat
die partij is, voor
gezinshereniging
binnen te gaan of te
verlaten, door de
Staten die partij
zijn met
welwillendheid,
menselijkheid en
spoed behandeld. De
Staten die partij
zijn, waarborgen
voorts dat het
indienen van een
dergelijke
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
aanvraag geen
nadelige gevolgen
heeft voor de
aanvragers en hun
familieleden.
2. Een kind van wie
de ouders in
verschillende Staten
verblijven, heeft
het recht op
regelmatige basis,
behalve in
uitzonderlijke
omstandigheden,
persoonlijke
betrekkingen en
rechtstreekse
contacten met
beide ouders te
onderhouden.
Hiertoe, en in
overeenstemming met
de verplichting van
de Staten die
partij zijn
krachtens artikel 9,
tweede lid,
eerbiedigen de
Staten die partij
zijn het recht van
het kind en
van zijn of haar
ouders welk land
ook, met inbegrip
van het eigen land,
te verlaten, en het
eigen land
binnen te gaan. Het
recht welk land ook
te verlaten is
slechts onderworpen
aan de beperkingen
die bij
de wet zijn voorzien
en die nodig zijn
ter bescherming van
de nationale
veiligheid, de
openbare orde,
de volksgezondheid
of de goede zeden,
of van de rechten en
vrijheden van
anderen, en
verenigbaar
zijn met de andere
in dit Verdrag
erkende rechten.
Artikel 11
1. De Staten die
partij zijn, nemen
maatregelen ter
bestrijding van de
ongeoorloofde
overbrenging van
kinde-ren naar en
het niet doen
terugkeren van
kinderen uit het
buitenland.
2. Hiertoe
bevorderen de Staten
die partij zijn het
sluiten van
bilaterale of
multilaterale
overeenkomsten of
het toetreden tot
bestaande
overeenkomsten.
Artikel 12
1. De Staten die
partij zijn,
verzekeren het kind
dat in staat is zijn
of haar eigen mening
te vormen, het
recht die mening
vrijelijk te uiten
in alle
aangelegenheden die
het kind betreffen,
waarbij aan de
mening van het kind
passend belang wordt
gehecht in
overeenstemming met
zijn of haar
leeftijd en
rijpheid.
2. Hiertoe wordt het
kind met name in de
gelegenheid gesteld
te worden gehoord in
iedere
gerechtelijke en
bestuurlijke
procedure die het
kind betreft, hetzij
rechtstreeks, hetzij
door tussenkomst
van een
vertegenwoordiger of
een daarvoor
geschikte
instelling, op een
wijze die
verenigbaar is met
de procedureregels
van het nationale
recht.
Artikel 13
1. Het kind heeft
het recht op
vrijheid van
meningsuiting; dit
recht omvat mede de
vrijheid
inlichtingen en
denkbeelden van
welke aard ook te
vergaren, te
ontvangen en door te
geven, ongeacht
landsgrenzen, hetzij
mondeling, hetzij in
geschreven of
gedrukte vorm, in de
vorm van kunst, of
met
behulp van andere
media naar zijn of
haar keuze.
2. De uitoefening
van dit recht kan
aan bepaalde
beperkingen worden
gebonden, doch
alleen aan de
beperkingen die bij
de wet zijn voorzien
en die nodig zijn:
a. voor de
eerbiediging van de
rechten of de goede
naam van anderen; of
b. ter bescherming
van de nationale
veiligheid of van de
openbare orde, de
volksgezondheid of
de
goede zeden.
Artikel 14
1. De Staten die
partij zijn,
eerbiedigen het
recht van het kind
op vrijheid van
gedachte, geweten en
godsdienst.
2. De Staten die
partij zijn,
eerbiedigen de
rechten en plichten
van de ouders en,
indien van
toepassing,
van de wettige
voogden, om het kind
te leiden in de
uitoefening van zijn
of haar recht op een
wijze die
verenigbaar is met
de zich
ontwikkelende
vermogens van het
kind.
3. De vrijheid van
een ieder zijn
godsdienst of
levensovertuiging
tot uiting te
brengen kan slechts
in
die mate worden
beperkt als wordt
voorgeschreven door
de wet en
noodzakelijk is ter
bescherming
van de openbare
veiligheid, de
openbare orde, de
volksgezondheid of
de goede zeden, of
van de
fundamentele rechten
en vrijheden van
anderen.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 15
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen de rechten
van het kind op
vrijheid van
vereniging en
vrijheid
van vreedzame
vergadering.
2. De uitoefening
van deze rechten kan
aan geen andere
beperkingen worden
onderworpen dan die
welke in
overeenstemming met
de wet worden
opgelegd en die in
een democratische
samenleving
geboden zijn in het
belang van de
nationale veiligheid
of de openbare
veiligheid, de
openbare orde, de
bescherming van de
volksgezondheid of
de goede zeden, of
de bescherming van
de rechten en
vrijheden van
anderen.
Artikel 16
1. Geen enkel kind
mag worden
onderworpen aan
willekeurige of
onrechtmatige
inmenging in zijn of
haar privéleven, in
zijn of haar
gezinsleven, zijn of
haar woning of zijn
of haar
correspondentie,
noch
aan enige
onrechtmatige
aantasting van zijn
of haar eer en goede
naam.
2. Het kind heeft
het recht op
bescherming door de
wet tegen zodanige
inmenging of
aantasting.
Artikel 17
De Staten die partij
zijn, erkennen de
belangrijke functie
van de massamedia en
waarborgen dat het
kind toegang heeft
tot informatie en
materiaal uit een
verscheidenheid van
nationale en
internationale
bronnen, in het
bijzonder informatie
en materiaal gericht
op het bevorderen
van zijn of haar
sociale,
psychische en morele
welzijn en zijn of
haar lichamelijke en
geestelijke
gezondheid. Hiertoe
dienen de
Staten die partij
zijn:
a. de massamedia aan
te moedigen
informatie en
materiaal te
verspreiden die tot
sociaal en cultureel
nut zijn voor het
kind en in
overeenstemming zijn
met de strekking van
artikel 29;
b. internationale
samenwerking aan te
moedigen bij de
vervaardiging,
uitwisseling en
verspreiding van
dergelijke
informatie en
materiaal uit een
verscheidenheid van
culturele, nationale
en internationale
bronnen;
c. de vervaardiging
en verspreiding van
kinderboeken aan te
moedigen;
d. de massamedia aan
te moedigen in het
bijzonder rekening
te houden met de
behoeften op het
gebied
van de taal van het
kind dat tot een
minderheid of tot de
oorspronkelijke
bevolking behoort;
e. de ontwikkeling
aan te moedigen van
passende richtlijnen
voor de bescherming
van het kind tegen
informatie en
materiaal die
schadelijk zijn voor
zijn of haar
welzijn, indachtig
de bepalingen van de
artikelen 13 en 18.
Artikel 18
1. De Staten die
partij zijn, doen
alles wat in hun
vermogen ligt om de
erkenning te
verzekeren van het
beginsel dat beide
ouders de
gezamenlijke
verantwoordelijkheid
dragen voor de
opvoeding en de
ontwikkeling van het
kind. Ouders of, al
naar gelang het
geval, wettige
voogden, hebben de
eerste
verantwoordelijkheid
voor de opvoeding en
de ontwikkeling van
het kind. Het belang
van het kind is
hun allereerste
zorg.
2. Om de toepassing
van de in dit
Verdrag genoemde
rechten te
waarborgen en te
bevorderen,
verlenen de Staten
die partij zijn
passende bijstand
aan ouders en
wettige voogden bij
de uitoefening
van hun
verantwoordelijkheden
die de opvoeding van
het kind betreffen,
en waarborgen zij de
ontwikkeling van
instellingen,
voorzieningen en
diensten voor
kinderzorg.
3. De Staten die
partij zijn, nemen
alle passende
maatregelen om te
waarborgen dat
kinderen van
werkende ouders
recht hebben op
gebruikmaking van
diensten en
voorzieningen voor
kinderzorg
waarvoor zij in
aanmerking komen.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 19
1. De Staten die
partij zijn, nemen
alle passende
wettelijke en
bestuurlijke
maatregelen en
maatregelen
op sociaal en
opvoedkundig gebied
om het kind te
beschermen tegen
alle vormen van
lichamelijk of
geestelijk geweld,
letsel of misbruik,
lichamelijk of
geestelijke
verwaarlozing of
nalatige
behandeling,
mishandeling of
exploitatie, met
inbegrip van
seksueel misbruik,
terwijl het kind
onder de hoede is
van de ouder(s),
wettige voogd(en) of
iemand anders die de
zorg voor het kind
heeft.
2. Deze maatregelen
ter bescherming
dienen, indien van
toepassing,
doeltreffende
procedures te
omvatten voor de
invoering van
sociale programma's
om te voorzien in de
nodige ondersteuning
van
het kind en degenen
die de zorg voor het
kind hebben, alsmede
procedures voor
andere vormen van
voorkoming van en
voor opsporing,
melding, verwijzing,
onderzoek,
behandeling en
follow-up van
gevallen van
kindermishandeling
zoals hierboven
beschreven, en,
indien van
toepassing, voor
inschakeling van
rechterlijke
instanties.
Artikel 20
1. Een kind dat
tijdelijk of
blijvend het
verblijf in het
gezin waartoe het
behoort, moet
missen, of dat
men in zijn of haar
belang niet kan
toestaan in het
gezin te blijven,
heeft het recht op
bijzondere
bescherming en
bijstand van
staatswege.
2. De Staten die
partij zijn,
waarborgen, in
overeenstemming met
hun nationale recht,
een andere vorm
van zorg voor dat
kind.
3. Deze zorg kan,
onder andere,
plaatsing in een
pleeggezin omvatten,
kafalah volgens het
Islamitische
recht, adoptie, of,
indien noodzakelijk,
plaatsing in
geschikte
instellingen voor
kinderzorg. Bij het
overwegen van
oplossingen wordt op
passende wijze
rekening gehouden
met de wenselijkheid
van
continuïteit in de
opvoeding van het
kind en met de
etnische,
godsdienstige en
culturele
achtergrond
van het kind en met
zijn of haar
achtergrond wat
betreft de taal.
Artikel 21
De Staten die partij
zijn en die de
methode van adoptie
erkennen en/of
toestaan, waarborgen
dat het
belang van het kind
daarbij de
voornaamste
overweging is, en:
a. waarborgen dat de
adoptie van een kind
slechts wordt
toegestaan mits
daartoe bevoegde
autoriteiten,
in overeenstemming
met de van
toepassing zijnde
wetten en procedures
en op grond van alle
van
belang zijnde en
betrouwbare
gegevens, bepalen
dat de adoptie kan
worden toegestaan
gelet op de
verhoudingen van het
kind met zijn of
haar ouders,
familieleden en
wettige voogden, en
mits, indien
vereist, de
betrokkenen, na
volledig te zijn
ingelicht, op grond
van de adviezen die
noodzakelijk
worden geacht,
daarmee hebben
ingestemd;
b. erkennen dat
interlandelijke
adoptie kan worden
overwogen als andere
oplossing voor de
zorg voor
het kind, indien het
kind niet in een
pleeg-of
adoptiegezin kan
worden geplaatst en
op geen enkele
passende wijze kan
worden verzorgd in
het land van zijn of
haar herkomst;
c. verzekeren dat
voor het kind dat
bij een
interlandelijke
adoptie is betrokken
waarborgen en normen
gelden die
gelijkwaardig zijn
aan die welke
bestaan bij adoptie
in het eigen land;
d. nemen alle
passende maatregelen
om te waarborgen
dat, in het geval
van interlandelijke
adoptie, de
plaatsing niet leidt
tot ongepast
geldelijk voordeel
voor de betrokkenen;
e. bevorderen,
wanneer passend, de
verwezenlijking van
de doeleinden van
dit artikel door het
aangaan van
bilaterale of
multilaterale
regelingen of
overeenkomsten, en
spannen zich in om,
in het
kader daarvan, te
waarborgen dat de
plaatsing van het
kind in een ander
land wordt
uitgevoerd door
bevoegde
autoriteiten of
instellingen.
Artikel 22
1. De Staten die
partij zijn, nemen
passende maatregelen
om te waarborgen dat
een kind dat de
vluchtelingenstatus
wil verkrijgen of
dat in
overeenstemming met
het toepasselijke
internationale of
nationale recht en
de toepasselijke
procedures als
vluchteling wordt
beschouwd, ongeacht
of het al dan
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
niet door zijn of
haar ouders of door
iemand anders wordt
begeleid, passende
bescherming en
humanitaire bijstand
krijgt bij het genot
van de van
toepassing zijnde
rechten beschreven
in dit
Verdrag en in andere
internationale akten
inzake de rechten
van de mens of
humanitaire akten
waarbij
de bedoelde Staten
partij zijn.
2. Hiertoe verlenen
de Staten die partij
zijn, naar zij
passend achten, hun
medewerking aan alle
inspanningen van de
Verenigde Naties en
andere bevoegde
intergouvernementele
organisaties of
nietgouvernementele
organisaties die met
de Verenigde Naties
samenwerken, om dat
kind te beschermen
en bij te staan en
de ouders of andere
gezinsleden op te
sporen van een kind
dat vluchteling is,
teneinde de nodige
inlichtingen te
verkrijgen voor
hereniging van het
kind met het gezin
waartoe het
behoort. In gevallen
waarin geen ouders
of andere
familieleden kunnen
worden gevonden,
wordt aan
het kind dezelfde
bescherming verleend
als aan ieder ander
kind dat om welke
reden ook, blijvend
of
tijdelijk het leven
in een gezin moet
ontberen, zoals
beschreven in dit
Verdrag.
Artikel 23
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen dat een
geestelijk of
lichamelijk
gehandicapt kind een
volwaardig
en behoorlijk leven
dient te hebben, in
omstandigheden die
de waardigheid van
het kind verzekeren,
zijn zelfstandigheid
bevorderen en zijn
actieve deelneming
aan het
gemeenschapsleven
vergemakkelijken.
2. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van het gehandicapte
kind op bijzondere
zorg, en
stimuleren en
waarborgen dat aan
het daarvoor in
aanmerking komende
kind en degenen die
verantwoordelijk
zijn voor zijn of
haar verzorging,
afhankelijk van de
beschikbare
middelen, de
bijstand wordt
verleend die is
aangevraagd en die
passend is gezien de
gesteldheid van het
kind en de
omstandigheden van
de ouders of anderen
die voor het kind
zorgen.
3. Onder erkenning
van de bijzondere
behoeften van het
gehandicapte kind,
dient de in
overeenstemming met
het tweede lid
geboden bijstand,
wanneer mogelijk,
gratis te worden
verleend,
rekening houdend met
de financiële
middelen van de
ouders of anderen
die voor het kind
zorgen. Deze
bijstand dient erop
gericht te zijn te
waarborgen dat het
gehandicapte kind
daadwerkelijk
toegang heeft
tot onderwijs,
opleiding,
voorzieningen voor
gezondheidszorg en
revalidatie,
voorbereiding voor
een
beroep, en
recreatiemogelijkheden,
op een wijze die
ertoe bijdraagt dat
het kind een zo
volledig
mogelijke integratie
in de maatschappij
en persoonlijke
ontwikkeling
bereikt, met
inbegrip van zijn of
haar culturele en
intellectuele
ontwikkeling.
4. De Staten die
partij zijn,
bevorderen, in de
geest van
internationale
samenwerking, de
uitwisseling
van passende
informatie op het
gebied van
preventieve
gezondheidszorg en
van medische en
psychologische
behandeling van, en
behandeling van
functionele
stoornissen bij,
gehandicapte
kinderen, met
inbegrip van de
verspreiding van en
de toegang tot
informatie
betreffende
revalidatiemethoden,
onderwijs en
beroepsopleidingen,
met als doel de
Staten die partij
zijn, in staat te
stellen hun
vermogens en
vaardigheden te
verbeteren en hun
ervaring op deze
gebieden te
verruimen.
Wat dit betreft
wordt in het
bijzonder rekening
gehouden met de
behoeften van
ontwikkelingslanden.
Artikel 24
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van het kind op het
genot van de grootst
mogelijke mate
van gezondheid en op
voorzieningen voor
de behandeling van
ziekte en het
herstel van de
gezondheid.
De Staten die partij
zijn, streven ernaar
te waarborgen dat
geen enkel kind zijn
of haar recht op
toegang tot deze
voorzieningen voor
gezondheidszorg
wordt onthouden.
2. De Staten die
partij zijn, streven
de volledige
verwezenlijking van
dit recht na en
nemen passende
maatregelen, met
name:
a. om baby-en
kindersterfte te
verminderen;
b. om de verlening
van de nodige
medische hulp en
gezondheidszorg aan
alle kinderen te
waarborgen,
met nadruk op de
ontwikkeling van de
eerstelijnsgezondheidszorg;
c. om ziekte,
ondervoeding en
slechte voeding te
bestrijden, mede
binnen het kader van
de
eerstelijnsgezondheidszorg,
door onder andere
het toepassen van
gemakkelijk
beschikbare
technologie
en door het voorzien
in voedsel met
voldoende
voedingswaarde en
zuiver drinkwater,
de gevaren en
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
risico's van
milieuverontreiniging
in aanmerking
nemend;
d. om passende
pre-en postnatale
gezondheidszorg voor
moeders te
waarborgen;
e. om te waarborgen
dat alle geledingen
van de samenleving,
met name ouders en
kinderen, worden
voorgelicht over,
toegang hebben tot
onderwijs over, en
worden gesteund in
het gebruik van de
fundamentele kennis
van de gezondheid
van en de voeding
van kinderen, de
voordelen van
borstvoeding,
hygiëne en sanitaire
voorzieningen en het
voorkomen van
ongevallen;
f. om preventieve
gezondheidszorg,
begeleiding voor
ouders, en
voorzieningen voor
en voorlichting
over gezinsplanning
te ontwikkelen.
3. De Staten die
partij zijn, nemen
alle doeltreffende
en passende
maatregelen teneinde
traditionele
gebruiken die
schadelijk zijn voor
de gezondheid van
kinderen af te
schaffen.
4. De Staten die
partij zijn,
verbinden zich ertoe
internationale
samenwerking te
bevorderen en aan te
moedigen teneinde
geleidelijk de
algehele
verwezenlijking van
het in dit artikel
erkende recht te
bewerkstelligen. Wat
dit betreft wordt in
het bijzonder
rekening gehouden
met de behoeften van
ontwikkelingslanden.
Artikel 25
De Staten die partij
zijn, erkennen het
recht van een kind
dat door de bevoegde
autoriteiten uit
huis is
geplaatst ter
verzorging,
bescherming of
behandeling in
verband met zijn of
haar lichamelijke of
geestelijke
gezondheid, op een
periodieke evaluatie
van de behandeling
die het kind krijgt
en van alle
andere
omstandigheden die
verband houden met
zijn of haar
plaatsing.
Artikel 26
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen voor ieder
kind het recht de
voordelen te
genieten van
voorzieningen voor
sociale zekerheid,
met inbegrip van
sociale verzekering,
en nemen de nodige
maatregelen om de
algehele
verwezenlijking van
dit recht te
bewerkstelligen in
overeenstemming met
hun nationale recht.
2. De voordelen
dienen, indien van
toepassing, te
worden verleend,
waarbij rekening
wordt gehouden
met de middelen en
de omstandigheden
van het kind en de
personen die
verantwoordelijk
zijn voor
zijn of haar
onderhoud, alsmede
iedere andere
overweging die van
belang is voor de
beoordeling van
een verzoek daartoe
dat door of namens
het kind wordt
ingediend.
Artikel 27
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van ieder kind op
een levensstandaard
die toereikend is
voor de
lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke en
maatschappelijke
ontwikkeling van het
kind.
2. De ouder(s) of
anderen die
verantwoordelijk
zijn voor het kind,
hebben de primaire
verantwoordelijkheid
voor het waarborgen,
naar vermogen en
binnen de grenzen
van hun financiële
mogelijkheden, van
de
levensomstandigheden
die nodig zijn voor
de ontwikkeling van
het kind.
3. De Staten die
partij zijn, nemen,
in overeenstemming
met de nationale
omstandigheden en
met de
middelen die hun ten
dienste staan,
passende maatregelen
om ouders en anderen
die verantwoordelijk
zijn voor het kind
te helpen dit recht
te verwezenlijken,
en voorzien, indien
de behoefte daaraan
bestaat, in
programma's voor
materiële bijstand
en ondersteuning,
met name wat betreft
voeding,
kleding en
huisvesting.
4. De Staten die
partij zijn, nemen
alle passende
maatregelen om het
verhaal te
waarborgen van
uitkeringen tot
onderhoud van het
kind door de ouders
of andere personen
die de financiële
verantwoordelijkheid
voor het kind
dragen, zowel binnen
de Staat die partij
is als vanuit het
buitenland. Met name
voor gevallen waarin
degene die de
financiële
verantwoordelijkheid
voor het
kind draagt, in een
andere Staat woont
dan die van het
kind, bevorderen de
Staten die partij
zijn de
toetreding tot
internationale
overeenkomsten of
het sluiten van
dergelijke
overeenkomsten,
alsmede
het treffen van
andere passende
regelingen.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 28
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van het kind op
onderwijs, en
teneinde dit recht
geleidelijk en op
basis van gelijke
kansen te
verwezenlijken,
verbinden zij zich
er met name toe:
a. primair onderwijs
verplicht te stellen
en voor iedereen
gratis beschikbaar
te stellen;
b. de ontwikkeling
van verschillende
vormen van
voortgezet onderwijs
aan te moedigen, met
inbegrip
van algemeen
onderwijs en
beroepsonderwijs,
deze vormen voor
ieder kind
beschikbaar te
stellen en
toegankelijk te
maken, en passende
maatregelen te nemen
zoals de invoering
van gratis onderwijs
en
het bieden van
financiële bijstand
indien noodzakelijk;
c. met behulp van
alle passende
middelen hoger
onderwijs
toegankelijk te
maken voor een ieder
naar
gelang zijn
capaciteiten;
d. informatie over
en begeleiding bij
onderwijs-en
beroepskeuze voor
alle kinderen
beschikbaar te
stellen en
toegankelijk te
maken;
>e. maatregelen te
nemen om regelmatig
schoolbezoek te
bevorderen en het
aantal kinderen dat
de
school vroegtijdig
verlaat, te
verminderen.
2. De Staten die
partij zijn, nemen
alle passende
maatregelen om te
verzekeren dat de
wijze van
handhaving van de
discipline op
scholen verenigbaar
is met de menselijke
waardigheid van het
kind
en in
overeenstemming is
met dit Verdrag.
3. De Staten die
partij zijn,
bevorderen en
stimuleren
internationale
samenwerking in
aangelegenheden
die verband houden
met onderwijs, met
name teneinde bij te
dragen tot de
uitbanning van
onwetendheid en
analfabetisme in de
gehele wereld, en de
toegankelijkheid van
wetenschappelijke en
technische kennis en
moderne
onderwijsmethoden te
vergroten. In dit
opzicht wordt met
name
rekening gehouden
met de behoeften van
ontwikkelingslanden.
Artikel 29
1. De Staten die
partij zijn, komen
overeen dat het
onderwijs aan het
kind dient te zijn
gericht op:
a. de zo volledig
mogelijke
ontplooiing van de
persoonlijkheid,
talenten en
geestelijke en
lichamelijke
vermogens van het
kind;
b. het bijbrengen
van eerbied voor de
rechten van de mens
en de fundamentele
vrijheden, en voor
de in
het Handvest van de
Verenigde Naties
vastgelegde
beginselen;
c. het bijbrengen
van eerbied voor de
ouders van het kind,
voor zijn of haar
eigen culturele
identiteit,
taal en waarden,
voor de nationale
waarden van het land
waar het kind woont,
het land waar het is
geboren, en voor
andere beschavingen
dan de zijne of de
hare;
d. de voorbereiding
van het kind op een
verantwoord leven in
een vrije
samenleving, in de
geest van
begrip, vrede,
verdraagzaamheid,
gelijkheid van
geslachten, en
vriendschap tussen
alle volken,
etnische, nationale
en godsdienstige
groepen en personen
behorend tot de
oorspronkelijke
bevolking;
e. het bijbrengen
van eerbied voor de
natuurlijke
omgeving.
2. Geen enkel
gedeelte van dit
artikel of van
artikel 28 mag zo
worden uitgelegd dat
het de vrijheid
aantast van
individuele personen
en rechtspersonen,
onderwijsinstellingen
op te richten en
daaraan
leiding te geven,
evenwel altijd met
inachtneming van de
in het eerste lid
van dit artikel
vervatte
beginselen, en van
het vereiste dat het
aan die instellingen
gegeven onderwijs
voldoet aan de door
de
Staat vastgestelde
minimum-normen.
Artikel 30
In die Staten waarin
etnische of
godsdienstige
minderheden,
taalminderheden of
personen behorend
tot de
oorspronkelijke
bevolking voorkomen,
wordt het kind dat
daartoe behoort niet
het recht ontzegd
te zamen met andere
leden van zijn of
haar groep zijn of
haar cultuur te
beleven, zijn of
haar eigen
godsdienst te
belijden en ernaar
te leven, of zich
van zijn of haar
eigen taal te
bedienen.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 31
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van het kind op rust
en vrije tijd, op
deelneming aan
spel en recreatieve
bezigheden passend
bij de leeftijd van
het kind, en op
vrije deelneming aan
het
culturele en
artistieke leven.
2. De Staten die
partij zijn,
eerbiedigen het
recht van het kind
volledig deel te
nemen aan het
culturele
en artistieke leven,
bevorderen de
verwezenlijking van
dit recht, en
stimuleren het
bieden van
passende en voor
ieder gelijke kansen
op culturele,
artistieke en
recreatieve
bezigheden en
vrijetijdsbesteding.
Artikel 32
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van het kind te
worden beschermd
tegen economische
exploitatie en tegen
het verrichten van
werk dat naar alle
waarschijnlijkheid
gevaarlijk is of de
opvoeding van het
kind zal hinderen,
of schadelijk zal
zijn voor de
gezondheid of de
lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke of
maatschappelijke
ontwikkeling van het
kind.
2. De Staten die
partij zijn, nemen
wettelijke,
bestuurlijke en
sociale maatregelen
en maatregelen op
onderwijsterrein om
de toepassing van
dit artikel te
waarborgen. Hiertoe,
en de desbetreffende
bepalingen van
andere
internationale akten
in acht nemend,
verbinden de Staten
die partij zijn zich
er
in het bijzonder
toe:
a. een
minimumleeftijd of
minimumleeftijden
voor toelating tot
betaald werk voor te
schrijven;
b. voorschriften te
geven voor een
passende regeling
van werktijden en
arbeidsvoorwaarden;
c. passende straffen
of andere
maatregelen voor te
schrijven ter
waarborging van de
daadwerkelijke
uitvoering van dit
artikel.
Artikel 33
De Staten die partij
zijn, nemen alle
passende
maatregelen, met
inbegrip van
wettelijke,
bestuurlijke en
sociale maatregelen
en maatregelen op
onderwijsterrein, om
kinderen te
beschermen tegen het
illegale
gebruik van
verdovende middelen
en psychotrope
stoffen zoals
omschreven in de
desbetreffende
internationale
verdragen, en om
inschakeling van
kinderen bij de
illegale produktie
van en de
sluikhandel in deze
middelen en stoffen
te voorkomen.
Artikel 34
De Staten die partij
zijn, verbinden zich
ertoe het kind te
beschermen tegen
alle vormen van
seksuele
exploitatie en
sexueel misbruik.
Hiertoe nemen alle
Staten die partij
zijn met name alle
passende
nationale,
bilaterale en
multilaterale
maatregelen om te
voorkomen dat:
a. een kind ertoe
wordt aangespoord of
gedwongen deel te
nemen aan onwettige
seksuele
activiteiten;
b. kinderen worden
geëxploiteerd in de
prostitutie of
andere onwettige
seksuele praktijken;
c. kinderen worden
geëxploiteerd in
pornografische
voorstellingen en
pornografisch
materiaal.
Artikel 35
De Staten die partij
zijn, nemen alle
passende nationale,
bilaterale en
multilaterale
maatregelen ter
voorkoming van de
ontvoering of de
verkoop van of van
de handel in
kinderen voor welk
doel ook of
in welke vorm ook.
Artikel 36
De Staten die partij
zijn, beschermen het
kind tegen alle
andere vormen van
exploitatie die
schadelijk
zijn voor enig
aspect van het
welzijn van het
kind.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 37
De Staten die partij
zijn, waarborgen
dat:
a. geen enkel kind
wordt onderworpen
aan foltering of aan
een andere wrede,
onmenselijke of
onterende
behandeling of
bestraffing.
Doodstraf noch
levenslange
gevangenisstraf
zonder de
mogelijkheid van
vrijlating wordt
opgelegd voor
strafbare feiten
gepleegd door
personen jonger dan
achttien jaar;
b. geen enkel kind
op onwettige of
willekeurige wijze
van zijn of haar
vrijheid wordt
beroofd. De
aanhouding,
inhechtenisneming of
gevangenneming van
een kind geschiedt
overeenkomstig de
wet en
wordt slechts
gehanteerd als
uiterste maatregel
en voor de kortst
mogelijke passende
duur;
c. ieder kind dat
van zijn of haar
vrijheid is beroofd,
wordt behandeld met
menselijkheid en met
eerbied voor de
waardigheid inherent
aan de menselijke
persoon, en zodanig
dat rekening wordt
gehouden met de
behoeften van een
persoon van zijn of
haar leeftijd. Met
name wordt ieder
kind dat
van zijn of haar
vrijheid is beroofd,
gescheiden van
volwassenen tenzij
het in het belang
van het kind
wordt geacht dit
niet te doen, en
heeft ieder kind het
recht contact met
zijn of haar familie
te
onderhouden door
middel van
correspondentie en
bezoeken, behalve in
uitzonderlijke
omstandigheden;
d. ieder kind dat
van zijn of haar
vrijheid is beroofd
het recht heeft
onverwijld te
beschikken over
juridische en andere
passende bijstand,
alsmede het recht de
wettigheid van zijn
vrijheidsberoving te
betwisten ten
overstaan van een
rechter of een
andere bevoegde,
onafhankelijke en
onpartijdige
autoriteit, en op
een onverwijlde
beslissing ten
aanzien van dat
beroep.
Artikel 38
1. De Staten die
partij zijn,
verbinden zich ertoe
eerbied te hebben
voor en de
eerbiediging te
waarborgen van
tijdens gewapende
conflicten op hen
van toepassing
zijnde regels van
internationaal
humanitair recht die
betrekking hebben op
kinderen.
2. De Staten die
partij zijn, nemen
alle uitvoerbare
maatregelen om te
waarborgen dat
personen jonger
dan vijftien jaar
niet rechtstreeks
deelnemen aan
vijandelijkheden.
3. De Staten die
partij zijn,
onthouden zich ervan
personen jonger dan
vijftien jaar in hun
strijdkrachten op te
nemen of in te
lijven. Bij het
opnemen of inlijven
van personen die de
leeftijd van
vijftien jaar hebben
bereikt, maar niet
de leeftijd van
achttien jaar,
streven de Staten
die partij zijn
ernaar voorrang te
geven aan diegenen
die het oudste zijn.
4. In
overeenstemming met
hun verplichtingen
krachtens het
internationale recht
om de
burgerbevolking te
beschermen in
gewapende
conflicten, nemen de
Staten die partij
zijn alle
uitvoerbare
maatregelen ter
waarborging van de
bescherming en de
verzorging van
kinderen die
worden getroffen
door een gewapend
conflict.
Artikel 39
De Staten die partij
zijn, nemen alle
passende maatregelen
ter bevordering van
het lichamelijk en
geestelijk herstel
en de herintegratie
in de maatschappij
van een kind dat het
slachtoffer is van:
welke
vorm ook van
verwaarlozing,
exploitatie of
misbruik; foltering
of welke andere vorm
ook van wrede,
onmenselijke of
onterende
behandeling of
bestraffing; of
gewapende
conflicten. Dit
herstel en deze
herintegratie vinden
plaats in een
omgeving die
bevorderlijk is voor
de gezondheid, het
zelfrespect en
de waardigheid van
het kind.
Artikel 40
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van ieder kind dat
wordt verdacht van,
vervolgd wegens
of veroordeeld
terzake van het
begaan van een
strafbaar feit, op
een wijze van
behandeling die geen
afbreuk doet aan het
gevoel van
waardigheid en
eigenwaarde van het
kind, die de eerbied
van het kind
voor de rechten van
de mens en de
fundamentele
vrijheden van
anderen vergroot, en
waarbij rekening
wordt gehouden met
de leeftijd van het
kind en met de
wenselijkheid van
het bevorderen van
de
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
herintegratie van
het kind en van de
aanvaarding door het
kind van een
opbouwende rol in de
samenleving.
2. Hiertoe, en met
inachtneming van de
desbetreffende
bepalingen van
internationale
akten,
waarborgen de Staten
die partij zijn met
name dat:
a. geen enkel kind
wordt verdacht van,
vervolgd wegens of
veroordeeld terzake
van het begaan van
een strafbaar feit
op grond van enig
handelen of nalaten
dat niet volgens het
nationale of
internationale
recht verboden was
op het tijdstip van
het handelen of
nalaten;
b. ieder kind dat
wordt verdacht van
of vervolgd wegens
het begaan van een
strafbaar feit, ten
minste
de volgende
garanties heeft:
(i) dat het voor
onschuldig wordt
gehouden tot zijn of
haar schuld volgens
de wet is bewezen;
(ii) dat het
onverwijld en
rechtstreeks in
kennis wordt gesteld
van de tegen hem of
haar ingebrachte
beschuldigingen,
indien van
toepassing door
tussenkomst van zijn
of haar ouders of
wettige voogd, en
dat het juridische
of andere passende
bijstand krijgt in
de voorbereiding en
het voeren van zijn
of haar
verdediging;
(iii) dat de
aangelegenheid
zonder vertraging
wordt beslist door
een bevoegde,
onafhankelijke en
onpartijdige
autoriteit of
rechterlijke
instantie in een
eerlijke behandeling
overeenkomstig de
wet, in
aanwezigheid van een
rechtskundige of
anderszins
deskundige raadsman
of -vrouw, en,
tenzij dit
wordt geacht niet in
het belang van het
kind te zijn, met
name gezien zijn of
haar leeftijd of
omstandigheden, in
aanwezigheid van
zijn of haar ouders
of wettige voogden;
(iv) dat het er niet
toe wordt gedwongen
een getuigenis af te
leggen of schuld te
bekennen; dat het
getuigen à charge
kan ondervragen of
doen ondervragen en
dat het de
deelneming en
ondervraging van n
getuigen à decharge
op gelijke
voorwaarden kan doen
geschieden;
(v) indien het
schuldig wordt
geacht aan het
begaan van een
strafbaar feit, dat
dit oordeel en
iedere
maatregel die
dientengevolge wordt
opgelegd, opnieuw
wordt beoordeeld
door een hogere
bevoegde,
onafhankelijke en
onpartijdige
autoriteit of
rechterlijke
instantie
overeenkomstig de
wet;
(vi) dat het kind
kosteloze bijstand
krijgt van een tolk
indien het de
gebruikte taal niet
verstaat of
spreekt;
(vii) dat zijn of
haar privéleven
volledig wordt
geëerbiedigd tijdens
alle stadia van het
proces.
3. De Staten die
partij zijn, streven
ernaar de
totstandkoming te
bevorderen van
wetten, procedures,
autoriteiten en
instellingen die in
het bijzonder
bedoeld zijn voor
kinderen die worden
verdacht van,
vervolgd wegens of
veroordeeld terzake
van het begaan van
een strafbaar feit,
en, in het
bijzonder:
a. de vaststelling
van een
minimumleeftijd
onder welke kinderen
niet in staat worden
geacht een
strafbaar feit te
begaan;
b. de invoering,
wanneer passend en
wenselijk, van
maatregelen voor de
handelwijze ten
aanzien van
deze kinderen zonder
dat men zijn
toevlucht neemt tot
gerechtelijke
stappen, mits de
rechten van de
mens en de
wettelijke garanties
volledig worden
geëerbiedigd.
4. Een
verscheidenheid van
regelingen, zoals
rechterlijke bevelen
voor zorg,
begeleiding en
toezicht;
adviezen;
jeugdreclassering;
pleegzorg;
programma's voor
onderwijs en
beroepsopleiding en
andere
alternatieven voor
institutionele zorg
dient beschikbaar te
zijn om te
verzekeren dat de
handelwijze ten
aanzien van kinderen
hun welzijn niet
schaadt en in de
juiste verhouding
staat zowel tot hun
omstandigheden als
tot het strafbaar
feit.
Artikel 41
Geen enkele bepaling
van dit Verdrag tast
bepalingen aan die
meer bijdragen tot
de verwezenlijking
van de rechten van
het kind en die zijn
vervat in:
a. het recht van een
Staat die partij is;
of
b. het in die Staat
geldende
internationale
recht.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
DEEL II
Artikel 42 2
De Staten die partij
zijn, verbinden zich
ertoe de beginselen
en de bepalingen van
dit Verdrag op
passende en
doeltreffende wijze
algemeen bekend te
maken, zowel aan
volwassenen als aan
kinderen.
Artikel 43
1. Ter beoordeling
van de voortgang die
de Staten die partij
zijn, boeken bij het
nakomen van de in
dit
Verdrag aangegane
verplichtingen ,
wordt een Comité
voor de Rechten van
het Kind ingesteld,
dat de
hieronder te noemen
functies uitoefent.
2. Het Comité
bestaat uit tien
deskundigen van hoog
zedelijk aanzien en
met erkende
bekwaamheid
op het gebied dat
dit Verdrag
bestrijkt. De leden
van het Comité
worden door de
Staten die partij
zijn,
gekozen uit hun
onderdanen, en
treden op in hun
persoonlijke
hoedanigheid,
waarbij aandacht
wordt
geschonken aan een
evenredige
geografische
verdeling, alsmede
aan de
vertegenwoordiging
van de
voornaamste
rechtsstelsels.
3. De leden van het
Comité worden bij
geheime stemming
gekozen van een
lijst van personen
die zijn
voorgedragen door de
Staten die partij
zijn. Iedere Staat
die partij is, mag
één persoon
voordragen, die
onderdaan van die
Staat is.
4. De eerste
verkiezing van het
Comité wordt niet
later gehouden dan
zes maanden na de
datum van
inwerkingtreding van
dit Verdrag, en
daarna iedere twee
jaar. Ten minste
vier maanden vóór de
datum
waarop een
verkiezing
plaatsvindt, richt
de
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties aan de Staten
die partij zijn een
schriftelijk verzoek
hun voordrachten
binnen twee maanden
in te dienen. De
Secretaris-Generaal
stelt vervolgens een
alfabetische lijst
op van alle aldus
voorgedragen
personen,
onder aanduiding van
de Staten die partij
zijn die hen hebben
voorgedragen, en
legt deze voor aan
de
Staten die partij
zijn bij dit
Verdrag.
5. De verkiezingen
worden gehouden
tijdens
vergaderingen van de
Staten die partij
zijn, belegd door
de
Secretaris-Generaal,
ten hoofdkantore van
de Verenigde Naties.
Tijdens die
vergaderingen,
waarvoor twee derde
van de Staten die
partij zijn het
quorum vormen, zijn
degenen die in het
Comité é
worden gekozen die
voorgedragen
personen die het
grootste aantal
stemmen op zich
verenigen
alsmede een absolute
meerderheid van de
stemmen van de
aanwezige
vertegenwoordigers
van de
Staten die partij
zijn en die hun stem
uitbrengen.
6. De leden van het
Comité worden
gekozen voor een
ambtstermijn van
vier jaar. Zij zijn
herkiesbaar
indien zij opnieuw
worden voorgedragen.
De ambtstermijn van
vijf van de leden
die bij de eerste
verkiezing zijn
gekozen, loopt na
twee jaar af;
onmiddellijk na de
eerste verkiezing
worden deze vijf
leden bij loting
aangewezen door de
Voorzitter van de
vergadering.
7. Indien een lid
van het Comité
overlijdt of
aftreedt of
verklaart om welke
andere reden ook
niet
langer de taken van
het Comité te kunnen
vervullen, benoemt
de Staat die partij
is die het lid heeft
voorgedragen een
andere deskundige
die onderdaan van
die Staat is om de
taken te vervullen
gedurende het
resterende gedeelte
van de ambtstermijn,
onder voorbehoud van
de goedkeuring van
het
Comité.
8. Het Comité stelt
zijn eigen
huishoudelijk
reglement vast.
9. Het Comité kiest
zijn functionarissen
voor een
ambtstermijn van
twee jaar.
10. De vergaderingen
van het Comité
worden in de regel
gehouden ten
hoofdkantore van de
Verenigde
Naties of op iedere
andere geschikte
plaats, te bepalen
door het Comité. Het
Comité komt in de
regel
eens per jaar
bijeen. De duur van
de vergaderingen van
het Comité wordt
vastgesteld en,
indien
noodzakelijk,
herzien door een
vergadering van de
Staten die partij
zijn bij dit
Verdrag, onder
voorbehoud van de
goedkeuring van de
Algemene
Vergadering.
11. De
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties stelt de
nodige medewerkers
en faciliteiten
beschikbaar voor de
doeltreffende
uitoefening van de
functies van het
Comité krachtens dit
Verdrag. .
12. Met de
goedkeuring van de
Algemene Vergadering
ontvangen de leden
krachtens dit
Verdrag
ingesteld Comité
emolumenten uit de
middelen van de
Verenigde Naties op
door de Algemene
Vergadering vast te
stellen voorwaarden.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 44
1. De Staten die
partij zijn, nemen
de verplichting op
zich aan het Comité,
door tussenkomst van
de
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties, verslag uit
te brengen over de
door hen genomen
maatregelen die
uitvoering geven aan
de in dit Verdrag
erkende rechten,
alsmede over de
vooruitgang g
die is geboekt ten
aanzien van het
genot van die
rechten:
a. binnen twee jaar
na de
inwerkingtreding van
het Verdrag voor de
betrokken Staat die
partij is;
b. vervolgens iedere
vijf jaar.
2. In de krachtens
dit artikel
opgestelde rapporten
dienen de factoren
en eventuele
moeilijkheden te
worden aangegeven
die van invloed zijn
op de nakoming van
de verplichtingen
krachtens dit
Verdrag.
De rapporten
bevatten ook
voldoende gegevens
om het Comité een
goed inzicht te
verschaffen in de
toepassing van het
Verdrag in het
desbetreffende land.
3. Een Staat die
partij is die een
uitvoerig rapport
aan het Comité heeft
overlegd, behoeft in
de
volgende rapporten
die deze Staat in
overeenstemming met
het eerste lid,
letter b, overlegt,
basisgegevens die
eerder zijn
verstrekt, niet te
herhalen.
4. Het Comité kan
Staten die partij
zijn verzoeken om
nadere gegevens die
verband houden met
de
toepassing van het
Verdrag.
5. Het Comité legt
aan de Algemene
Vergadering, door
tussenkomst van de
Economische en
Sociale
Raad, iedere twee
jaar rapporten over
aangaande zijn
werkzaamheden.
6. De Staten die
partij zijn, dragen
er zorg voor dat hun
rapporten algemeen
beschikbaar zijn in
hun
land.
Artikel 45
Ten einde
daadwerkelijke
toepassing van het
Verdrag te
bevorderen en
internationale
samenwerking
op het gebied dat
het Verdrag
bestrijkt, aan te
moedigen:
a. hebben de
gespecialiseerde
organisaties, het
Kinderfonds van de
Verenigde Naties en
andeorgavan
de Verenigde Naties
het recht
vertegenwoordigd te
zijn bij het overleg
over de toepassing
van die e
bepalingen van dit
Verdrag welke binnen
de werkingssfeer van
hun mandaat vallen.
Het Comité kan
de gespecialiseerde
organisaties, het
Kinderfonds van de
Verenigde Naties en
andere bevoegde
instellingen die zij
passend acht,
uitnodigen deskundig
advies te geven over
de toepassing van
dit
Verdrag op gebieden
die binnen de
werkingssfeer van
hun onderscheiden
mandaten vallen. Het
Comité kan de
gespecialiseerde
organisaties, het
Kinderfonds van de
Verenigde Naties en
andere
organen van de
Verenigde Naties
uitnodigen rapporten
over te leggen over
de toepassing van
het
Verdrag op gebieden
waarop zij werkzaam
zijn;
b. doet het Comité,
naar hij passend
acht, aan de
gespecialiseerde
organisaties, het
Kinderfonds van de
Verenigde Naties en
andere bevoegde
instellingen, alle
rapporten van Staten
die partij zijn,
toekomen
die een verzoek
bevatten om, of
waaruit een behoefte
blijkt aan,
technisch advies of
technische
ondersteuning,
vergezeld van
eventuele
opmerkingen en
suggesties van het
Comité aangaande
deze
verzoeken of deze
gebleken behoefte.;
d. kan het Comité
suggesties en
algemene
aanbevelingen doen
gebaseerd op de
ingevolge de
artikelen
44 en 45 van dit
Verdrag ontvangen
gegevens. Deze
suggesties en
algemene
aanbevelingen worden
aan iedere betrokken
Staat die partij is,
toegezonden, en
medegedeeld aan de
Algemene
Vergadering,
vergezeld van
eventuele
commentaren van de
Staten die partij
zijn.
DEEL III
Artikel 46
Dit Verdrag staat
open voor
ondertekening door
alle Staten.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 47
Dit Verdrag dient te
worden bekrachtigd.
De akten van
bekrachtiging worden
nedergelegd bij de
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties.
Artikel 48
Dit Verdrag blijft
open voor toetreding
door iedere Staat.
De akten van
toetreding worden
neergelegd
bij de
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties.
Artikel 49
1. Dit Verdrag
treedt in werking op
de dertigste dag die
volgt op de datum
van nederlegging bij
de
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties van de
twintigste akte van
bekrachtiging of
toetreding.
2. Voor iedere Staat
die dit Verdrag
bekrachtigt of ertoe
toetreedt na de
nederlegging van de
twintigste
akte van
bekrachtiging of
toetreding, treedt
het Verdrag in
werking op de
dertigste dag na de
nederlegging door
die Staat van zijn
akte van
bekrachtiging of
toetreding.
Artikel 50
1. Iedere Staat die
partij is, kan een
wijziging
voorstellen en deze
indienen bij de
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties. De
Secretaris-Generaal
deelt de
voorgestelde
wijziging vervolgens
mede
aan de Staten die
partij zijn, met het
verzoek hem te
berichten of zij een
conferentie van
Staten die
partij zijn,
verlangen teneinde
de voorstellen te
bestuderen en in
stemming te brengen.
Indien, binnen
vier maanden na de
datum van deze
mededeling, ten
minste een derde van
de Staten die partij
zijn een
dergelijke
conferentie
verlangt, roept de
Secretaris-Generaal
de Vergadering onder
auspiciën van
Verenigde Naties
bijeen. Iedere
wijziging die door
een meerderheid van
de ter conferentie
aanwezige
Staten die partij
zijn en die hun stem
uitbrengen, wordt
aangenomen, wordt
ter goedkeuring
voorgelegd aan de
Algemene
Vergadering.
2. Een wijziging die
in overeenstemming
met het eerste lid
van dit artikel
wordt aangenomen,
treedt in
werking wanneer zij
is goedgekeurd door
de Algemene
Vergadering van de
Verenigde Naties en
is
aanvaard door een
meerderheid van twee
derde van de Staten
die partij zijn.
3. Wanneer een
wijziging in werking
treedt, is zij
bindend voor de
Staten die partij
zijn die haar
hebben aanvaard,
terwijl de andere
Staten die partij
zijn gebonden zullen
blijven door de
bepalingen
van dit Verdrag en
door iedere
voorgaande wijziging
die zij hebben
aanvaard.
Artikel 51
1. De
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties ontvangt de
teksten van de
voorbehouden die de
Staten op het
tijdstip van
bekrachtiging of
toetreding maken, en
stuurt deze rond aan
alle Staten.
2. Een voorbehoud
dat niet verenigbaar
is met doel en
strekking van dit
Verdrag is niet
toegestaan.
3. Een voorbehoud
kan te allen tijde
worden ingetrokken
door een daartoe
strekkende
mededeling
gericht aan de
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties, die
vervolgens alle
Staten hiervan in
kennis stelt. Deze
mededeling word van
kracht op de datum
van ontvangst door
de Secretaris-
Generaal.
Artikel 52
Een Staat die partij
is, kan dit Verdrag
opzeggen door een
schriftelijke
mededeling aan de
Secretaris-
Generaal van de
Verenigde Naties. De
opzegging wordt van
kracht één jaar na
datum van ontvangst
van de mededeling
door de
Secretaris-Generaal.
Internationaal
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
Artikel 53
De
Secretaris-Generaal
van de Verenigde
Naties wordt
aangewezen als de
depositaris van dit
Verdrag.
Artikel 54
Het oorspronkelijke
exemplaar van dit
Verdrag, waarvan de
Arabische, de
Chinese, de Franse,
de
Russische en de
Spaanse tekst
gelijktijdig
authentiek zijn,
wordt nedergelegd
bij de Secretaris-
Generaal van de
Verenigde Naties.
Ten blijke waarvan
de ondertekenende
gevolmachtigden,
daartoe behoorlijk
gemachtigd door hun
onderscheiden
Regeringen, dit
Verdrag hebben
ondertekend.
Bijlage II
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
Door Kalverboer en
Zijlstra
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling g
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
Naam:…………………………. J/M
Geboortedatum:…………………….
Onderwijstype:……………………..
Informanten:………………………..
Overige
informatie:………………...
Beoordeling: Kan een
positieve
ontwikkeling van het
kind gewaarborgd
worden?
Verwachting
verschillende
verblijfssituaties:
Verwachting
voortzetting
huidige situatie
Verwachting
verblijfplaats X
Verwachting
verblijfplaats Y
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
Art. 3: Belangen van
het kind
Art. 6: Recht op
leven en
ontwikkeling
Art. 12: Horen van
kinderen
Schending overige
artikelen:
Beoordeling per
conditie
0 Art. 3 0 Art. 3 0
Art. 3
0 Art. 6 0 Art. 6 0
Art. 6
0 Art. 12 0 Art. 12
0 Art. 12
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
Huidige
verblijfssituatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
conditie IVRK
conditie IVRK
conditie IVRK
Gezin n
Adequate verzorging
Een veilige fysieke
wijdere omgeving
Affectief klimaat
Een ondersteunende
flexibele
opvoedingsstructuur
Adequaat
voorbeeldgedrag
ouder
Interesse
Continuïteit in
opvoeding en
verzorging
Samenleving
Een veilige fysieke
wijdere omgeving
Respect
Sociaal netwerk
Omgang met
leeftijdsgenoten
Adequaat
voorbeeldgedrag
samenleving
Stabiliteit in
levensomstandigheden
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
GEZIN: ACTUELE
SITUATIE
Fysiek welzijn:
adequate verzorging
1. Wordt in de
primaire
levensbehoeften van
het kind
voorzien?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
ADEQUATE VERZORGING
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Fysiek welzijn: een
veilige fysieke
directe omgeving
2. Is de directe
(fysieke) omgeving
van
het kind veilig?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
EEN VEILIGE FYSIEKE
DIRECT OMGEVING
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Opvoeding: een
affectief klimaat
3. Groeit het kind
op in een omgeving
waar ouders om hem
geven en krijgt
hij voldoende liefde
en leiding?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
AFFECTIEF KLIMAAT
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
Opvoeding: een
ondersteunende
flexibele
opvoedingsstructuur
4. Is er structuur
en regelmaat in het
leven van het kind?
5. Houden de ouders
toezicht op het
kind?
6. Heeft het kind
voldoende ruimte
voor experimenteren
en initiatief?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
EEN ONDERSTEUNENDE
FLEXIBLE
OPVOEDINGSSTRUCTUUR
Huidige situatie
Verwachting g
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Opvoeding: adequaat
voorbeeldgedrag
ouder
7. Treden ouders in
hun gedrag als
voorbeeld op voor
het kind?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
ADEQUAAT
VOORBEELDGEDRAG G
OUDER
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Opvoeding: interesse
8. Hebben ouders
interesse in wat het
kind bezighoudt?
9. Krijgt het kind
ruimte voor
activiteiten van
zijn voorkeur?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
INTERESSE E
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
TOEKOMST EN VERLEDEN
Opvoeding:
continuïteit in
opvoeding en
verzorging
10. Zijn ouders in
staat continuïteit
te
bieden in opvoeding
en verzorging?
11. Heeft het kind
contact met
significante
personen uit het
verleden?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
CONTINUITEIT IN
OPVOEDING
EN VERZORGING
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
SAMENLEVING: ACTUELE
SITUATIE
Een veilige fysieke
wijdere omgeving
12. Is de wijdere
(fysieke) omgeving
van het kind veilig?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
EEN VEILIGE FYSIEKE
WIJDERE
OMGEVING
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Respect
13. Wordt het kind
gelijkwaardig
behandeld ten
opzichte van
anderen?
14. Wordt de
eigenheid van het
kind
gerespecteerd?
15. Wordt de
persoonlijke
integriteit
van het kind
gerespecteerd?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
RESPECT
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Sociaal netwerk
16. Zijn er in de
omgeving mensen die
het kind en/of gezin
ondersteunen?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
SOCIAAL NETWERK
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Educatie
17. Volgt het kind
onderwijs
aansluitend bij zijn
ontwikkelingsniveau?
18. Ontplooit het
kind zijn talenten?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
EDUCATIE
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Omgang met
leeftijdgenoten
19. Heeft het kind
een vriendengroep?
20. Zo ja: gaat van
deze vriendengroep
een positieve
invloed uit?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
OMGANG MET
LEEFTIJDGENOTEN
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Vragenlijst Belang
van het kind en
voorwaarden voor
ontwikkeling
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
Adequaat
voorbeeldgedrag in
de samenleving
21. Treedt de
omgeving in gedrag
als
voorbeeld op voor
het kind?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
ADEQUAAT
VOORBEELDGEDRAG IN
DE
SAMENLEVING
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………
SAMENLEVING:
TOEKOMST EN VERLEDEN
Stabiliteit in de
levensomstandigheden
22. Is er
stabiliteit op de
diverse
levensgebieden van
het kind:
individueel
functioneren, gezin,
school, vrije tijd
(o.a. vrienden) en
sociale steun?
23. Wordt het kind
in zijn functioneren
gehinderd door
(traumatische)
ervaringen uit het
verleden?
24. Kan stabiliteit
in het leven van het
kind op langere
termijn gegarandeerd
worden zodat het
kind een concreet
toekomstperspectief
heeft?
Mogelijke schending
artikelen IVRK:
STABILITEIT IN DE
LEVENSOMSTANDIGHEDEN
Huidige situatie
Verwachting
Situatie X
Verwachting
Situatie Y
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
ja/nee/i ja/nee/i
ja/nee/i
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Art. 0 Art. 0 Art.
0 Goed 0 Goed 0 Goed
0 Voldoende 0
Voldoende 0
Voldoende
0 Matig 0 Matig 0
Matig
0 Onvoldoende 0
Onvoldoende 0
Onvoldoende
Toelichting:………………………………………………………………………………………………
……………………………………………………………………………………………………………

Bijlage III
Jurisprudentie
toepassing belang
van het
kind in artikel 3
lid 1 1 IVRK
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
Nr. 1 Casus
familierecht
LJN: AE8473, Hoge
Raad , R01/112HR
Datum uitspraak:
15-11-2002
Datum publicatie:
15-11-2002
Rechtsgebied:
Personen en
familierecht
Soort procedure:
Cassatie
Uitspraak
15 november 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/112HR
JMH
Hoge Raad der
Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader], wonende
te [woonplaats],
VERZOEKER tot
cassatie,
advocaat: mr. P.A.M.
Perquin,
tegen
1. [De moeder],
wonende te
[woonplaats],
2. Mr. A.B.
BAUMGARTEN, in zijn
hoedanigheid van
bijzonder curator
voor [het]
minderjarige
[kind 1],
kantoorhoudende te
Voorburg,
VERWEERDERS in
cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in
feitelijke
instanties
Met een op 21 april
2000 ter griffie van
de Rechtbank te
's-Gravenhage
ingediend
verzoekschrift
heeft verzoeker tot
cassatie -verder te
noemen: de vader
-zich gewend tot die
Rechtbank en
verzocht de
ontkenning van zijn
vaderschap van de
minderjarigen [kind
1] en [kind 2]
gegrond te
verklaren.
Op 15 augustus 2000
is bij de Rechtbank
een verklaring
ingekomen van
verweerster in
cassatie sub 1
-verder te noemen:
de moeder
-inhoudende dat zij
akkoord gaat met
toewijzing van het
verzoek,
althans dat zij geen
verweer wenst te
voeren en geen
gebruik wil maken
van het recht om
door de
rechter gehoord te
worden.
Verweerder in
cassatie sub 2
-verder te noemen:
de bijzondere
curator -heeft een
verweerschrift
ingediend.
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
De Rechtbank heeft
bij beschikking van
11 december 2000 het
verzoek van de vader
wat betreft
[kind 2] gegrond
verklaard en de
vader in zijn
verzoek met
betrekking tot [kind
1] niet-ontvankelijk
verklaard.
Tegen deze
beschikking heeft de
vader, voor zover
het de
niet-ontvankelijkverklaring
betreft, hoger
beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te
's-Gravenhage.
Bij beschikking van
18 juli 2001 heeft
het Hof de bestreden
beschikking, voor
zover aan zijn
oordeel
onderworpen,
bekrachtigd.
De beschikking van
het Hof is aan deze
beschikking gehecht.
2. Het geding in
cassatie
Tegen de beschikking
van het Hof heeft de
vader beroep in
cassatie ingesteld.
Het cassatierekest
is
aan deze beschikking
gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De moeder noch de
bijzondere curator
heeft een
verweerschrift
ingediend.
De conclusie van de
Advocaat-Generaal in
buitengewone dienst
J.K. Moltmaker
strekt tot
verwerping van het
beroep.
3. Beoordeling van
het middel
3.1 In cassatie kan
worden uitgegaan van
het volgende.
(i) De man is gehuwd
geweest met de
vrouw. Er zijn twee
kinderen geboren:
[kind 1] op 3
januari
1994 en [kind 2] op
25 juli 1996.
(ii) Bij beschikking
van de Rechtbank te
's-Gravenhage van 7
februari 1996 is
tussen de man en de
vrouw echtscheiding
uitgesproken. De
echtscheiding is op
29 februari 1996
ingeschreven in de
registers van de
burgerlijke stand.
3.2 De man heeft
zijn verzoek
strekkende tot
ontkenning van het
vaderschap met
betrekking tot het
hiervoor in 3.1
onder (i) genoemde
kind [kind 1] niet
gedaan binnen de
daarvoor bij art.
1:203 lid 1
(oud) BW gestelde
termijn van zes
maanden nadat te
zijner kennis was
gekomen dat de
moeder het
kind ter wereld had
gebracht.
3.3 Het middel
klaagt dat het
oordeel van het Hof
dat de man op grond
van deze
termijnoverschrijding
niet in zijn
vordering kan worden
ontvangen, onjuist
is. Het strekt ten
betoge
dat het niet laten
prevaleren van de
biologische
werkelijkheid in een
geval als het
onderhavige
schending oplevert
van art. 7 in
verbinding met art.
3 en art. 8
Internationaal
Verdrag voor de
Rechten van het Kind
en van art. 8 en 14
EVRM.
3.4 Het middel wordt
tevergeefs
voorgesteld. Het Hof
heeft in rov. 4
geoordeeld dat in
het
onderhavige geval
bij het vasthouden
aan het wettelijk
vermoeden van
vaderschap geen
sprake is
van een inmenging in
het 'family life' in
de zin van art. 8
EVRM, omdat er geen
biologische vader is
die [kind 1] wil
erkennen en dat,
zelfs als er wel
sprake zou zijn van
"een inmenging in
het 'family
life' van de
betrokkenen, (...)
dit geen
ongerechtvaardigde
inmenging (zou) zijn
nu de in de wet
gegeven termijnen
noodzakelijk zijn in
een democratische
samenleving teneinde
de rechtszekerheid
te waarborgen en ter
bescherming van de
belangen van het
kind, in de zin van
art. 8 lid 2 EVRM".
Deze oordelen geven
niet blijk van een
onjuiste
rechtsopvatting.
Van strijd met het
bepaalde in de
overige door het
middel genoemde
verdragsbepalingen
is evenmin
sprake. Het middel
faalt derhalve.
4. Beslissing
De Hoge Raad
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is
gegeven door de
vice-president P.
Neleman als
voorzitter en de
raadsheren
H.A.M. Aaftink, A.G.
Pos, D.H.
Beukenhorst en P.C.
Kop, en in het
openbaar
uitgesproken door de
raadsheer A.
Hammerstein op 15
november 2002.
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
Conclusie
Rekest nr. R01/112
Mr. J. K. Moltmaker
Parket, 20 september
2002
Ontkenning
vaderschap
Conclusie inzake
[De vader]
tegen
1. [De moeder] EN
2. MR. A.B.
BAUMGARTEN Q.Q.
Edelhoogachtbaar
college,
1 Feiten en
procesgang
1.1 Verzoeker tot
cassatie, de vader,
is gehuwd geweest
met verweerster in
cassatie, de moeder.
Gedurende het
huwelijk zijn twee
kinderen geboren:
[kind 1] op 3
januari 1994 en
[kind 2] op 25 juli
1996.
1.2 Bij beschikking
van de rechtbank te
's-Gravenhage van 7
februari 1996 is
tussen de vader en
de
moeder echtscheiding
uitgesproken. De
echtscheiding is op
29 februari 1996
ingeschreven in de
registers van de
burgerlijke stand.
1.3 Bij beschikking
van de rechtbank te
's-Gravenhage van 7
februari 2000 is mr.
A.B. Baumgarten
benoemd tot
bijzonder curator
over de twee
kinderen.
1.4 Bij
verzoekschrift,
ingekomen op 21
april 2000, heeft de
vader zich gewend
tot de rechtbank te
's-Gravenhage met
een verzoek
strekkende tot
ontkenning van zijn
vaderschap van de
twee kinderen.
1.5 De moeder heeft
schriftelijk
verklaard dat zij
akkoord gaat met de
toewijzing van het
verzoek,
althans dat zij geen
verweer wenst te
voeren en dat zij
geen gebruik wil
maken van het recht
door de
rechter gehoord te
worden.
1.6 De bijzonder
curator heeft een
verweerschrift
ingediend.
1.7 Bij beschikking
van 11 december 2000
heeft de rechtbank
het verzoek van de
vader wat betreft
[kind 2] gegrond
verklaard en de
vader in zijn
verzoek met
betrekking tot [kind
1] niet-ontvankelijk
verklaard.
1.8 De vader is van
deze beschikking van
de rechtbank in
hoger beroep gekomen
bij het gerechtshof
te 's-Gravenhage
voor zover het de
niet-ontvankelijkverklaring
betreft.
1.9 De moeder is bij
de behandeling in
hoger beroep niet
verschenen. De
bijzonder curator
heeft
verweer gevoerd.
1.10 Het hof heeft
de beschikking van
de rechtbank
bekrachtigd bij
beschikking van 18
juli 2001.
Het heeft daartoe
onder meer het
volgende overwogen:
" 3. (...) De wet
verbindt aan het
huwelijk een aantal
gevolgen. Ten tijde
van de geboorte van
[kind
1] was de vader met
de moeder gehuwd,
zodat hij de vader
is van [kind 1]. De
wet geeft hem de
mogelijkheid het
vaderschap te
ontkennen, binnen de
strikte grenzen die
de wetgever met het
oog op
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
de rechtszekerheid
en het belang van
het kind heeft
gegeven. De vader
heeft zijn verzoek
tot
gegrondverklaring
van de ontkenning
van het vaderschap
op 21 april 2000 bij
de rechtbank
ingediend, derhalve
ruim zes jaar na de
geboorte van [kind
1]. Op grond van
art. 1:203 lid 1 BW
(oud) gold dat de
vader het verzoek
tot ontkenning kon
indienen binnen zes
maanden nadat te
zijner
kennis is gekomen
dat de moeder het
kind ter wereld
heeft gebracht. De
vader heeft niet
gesteld dat
de geboorte van
[kind 1] hem op een
later tijdstip dan
de dag van haar
geboorte ter kennis
is
gekomen. Uit hetgeen
hij stelt, namelijk
dat de moeder hem de
garantie had gegeven
dat zijn
vaderschap geen
gevolgen zou hebben,
blijkt juist dat hij
op de hoogte was van
de geboorte van
[kind 1], in elk
geval ten tijde van
de
echtscheidingsprocedure,
die in september
1995 door de
moeder in gang is
gezet. Derhalve
heeft de vader de
termijn met ruim 5,5
jaar dan wel in elk
geval
met vier jaar
overschreden, zodat
de vader niet
ontvankelijk is op
grond van het vóór 1
april 1998
geldende recht, dat
in de onderhavige
zaak van toepassing
is. Ten overvloede
overweegt het hof
daarbij, dat op 1
april 1998 in
werking is getreden
de Wet van 24
december 1997 (Stb.
1997, 772),
waardoor een langere
termijn is gaan
gelden voor het
verzoek tot
gegrondverklaring
[van de
ontkenning, M.] van
het vaderschap,
namelijk door de
vader 'binnen een
jaar nadat hij
bekend
geworden is met het
feit dat hij
vermoedelijk niet de
biologische vader is
van het kind.' Op
grond
van het gestelde
door de vader, zoals
in het voorgaande
aangehaald, was de
vader uiterlijk ten
tijde
van de
echtscheidingsprocedure
op de hoogte van het
feit dat hij niet de
biologische vader is
van het
kind. Dit betekent
dat de vader ook en
zelfs naar het
huidige recht de
termijn ruimschoots
heeft
overschreden.
4. Anders dan de
vader stelt, levert
het niet
ontvankelijk
verklaren van de
vader in zijn
verzoek geen
strijd op met het
'family life' van
hemzelf, [kind 1] en
de moeder in de zin
van artikel 8 EVRM.
De
per 1 april 1998 in
werking getreden
verruimde termijnen
zijn tot stand
gebracht onder meer
om de
wet in
overeenstemming te
brengen met de door
het EHRM ontwikkelde
jurisprudentie op
dat punt,
waaronder de zaak
Kroon en anderen
tegen Nederland (
EHRM 27 oktober
1994, NJ 1995, 248).
In
de zaak Kroon en met
die zaak
vergelijkbare
gevallen, was er
steeds sprake van
een biologische
vader die het kind
wilde erkennen maar
dat niet kon doordat
de moeder het
vaderschap niet kon
ontkennen en de
termijn voor
ontkenning door de
vader was
verstreken. Indien
het wettelijk
vermoeden ten
aanzien van het
vaderschap dat uit
de Nederlandse
wetgeving
voortvloeit, strijd
opleverde met de
vaststaande feiten,
met de wens van de
betrokkenen (de
moeder, de
biologische
vader en eventueel
de vader) en geen
van de betrokkenen
belang had bij het
vasthouden aan het
wettelijk vermoeden
van vaderschap,
leverde dit een
ongerechtvaardigde
inmenging op in de
uitoefening van het
tussen het kind en
de biologische vader
bestaande 'family
life' als bedoeld in
lid
2 van art. 8 EVRM.
In die lijn heeft de
wetgever met het
nieuwe
afstammingsrecht
aansluiting willen
zoeken bij de
biologische
werkelijkheid. In de
onderhavige zaak is
van een inmenging in
het 'family
life' in de zin van
art. 8 EVRM geen
sprake omdat er geen
biologische vader is
die [kind 1] wil
erkennen. Zelfs als
het hof zou oordelen
dat er wel sprake is
van inmenging in het
'family life' van de
betrokkenen, zou dit
geen
ongerechtvaardigde
inmenging zijn nu de
in de wet gegeven
termijnen in
een democratische
samenleving
noodzakelijk zijn
teneinde de
rechtszekerheid te
waarborgen en ter
bescherming van de
belangen van het
kind, in de zin van
art. 8 lid 2 EVRM."
1.11 De vader heeft
tegen deze
beschikking tijdig
beroep in cassatie
ingesteld. De moeder
noch de
bijzonder curator
heeft een
verweerschrift
ingediend.
2 Beoordeling van
het cassatiemiddel
2.1 Het
cassatiemiddel richt
zich tegen de rov. 3
en 4 van de
beschikking van het
hof. Betoogd wordt
dat de biologische
werkelijkheid dient
te prevaleren, ook
in een geval als het
onderhavige, waarin
de
termijn voor
ontkenning reeds is
verstreken. Het
middel doet daartoe
een beroep op art. 7
jo. 3 en 8
Internationaal
Verdrag voor de
Rechten van het Kind
(IVRK) en op art. 8
en 14 EVRM. Uit het
hierna volgende zal
blijken dat het
middel faalt.
2.2 In zijn arrest
van 17 september
1993, NJ 1994, 372,
m.nt. WH-S en EAAL
onder nr. 373 heeft
de
Hoge Raad het
volgende overwogen:
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
"3.3. Tenslotte
voert het middel aan
dat 's hofs
beslissing een door
art. 8 EVRM verboden
inmenging
oplevert in het
"private life/vie
privée" en/of het
"family life"/"vie
familiale" van zowel
de man als
de vrouw.
Ook deze klacht
wordt echter
tevergeefs
voorgesteld.
Weliswaar betekent
het binden van de
rechtsvordering tot
ontkenning aan de
bij art. 1:203 lid 1
gestelde termijn een
inmenging in de zin
van art. 8 lid 2,
maar de wetgever kon
het stellen van die
termijn
redelijkerwijs
aanmerken als in een
democratische
samenleving
noodzakelijk
teneinde de
rechtszekerheid te
dezen te waarborgen
en ter
bescherming van de
belangen van het
kind (EHRM 28 nov.
1984, NJ 1986, 4, §
41, inzake
Rasmussen)."
2.3 De relevante
passage uit de
uitspraak van het
Europese Hof voor de
Rechten van de Mens
(EHRM) van 28
november 1984 inzake
Rasmussen luidt als
volgt:
"41. Examination of
the Contracting
States' legislation
regarding paternity
proceedings shows
that
there is no such
common ground and
that in most of them
the position of the
mother and that of
the
husband are
regulated in
different ways.
The Danish
legislation
complained of was
based on
recommendations
made, after a
careful study of
the problem, by the
Paternity Committee
set up by the
Ministry of Justice
in 1949. The Court
has
had close regard to
the circumstances
and the general
background and has
borne in mind the
margin
of appreciation
which must be
allowed to the
authorities in the
matter. In its view,
they were entitled
to think that the
introduction of
time-limits for the
institution of
paternity
proceedings was
justified
by the desire to
ensure legal
certainty and to
protect the
interests of the
child. In this
respect, the
legislation
complained of did
not differ
substantially from
that of most other
Contracting States
or
from that currently
in force in Denmark.
The difference of
treatment
established on this
point
between husbands and
wives was based on
the notion that such
time-limits were
less necessary for
wives than for
husbands since the
mother's interests
usually coincided
with those of the
child, she
being awarded
custody in most
cases of divorce or
separation. The
rules in force were
modified by
the Danish
Parliament in 1982
because it
considered that the
thinking underlying
the 1960 Act was
no longer consistent
with the
developments in
society; it cannot
be inferred from
this that the manner
in which it had
evaluated the
situation twenty-two
years earlier was
not tenable.
It is true that an
equivalent result
might have been
obtained through the
"doctrine of
acknowledgement''
but, for the reasons
already indicated,
the competent
authorities were
entitled to
think that as
regards the husband
the aim sought to be
realised would be
most satisfactorily
achieved
by the enactment of
a statutory rule,
whereas as regards
the mother it was
sufficient to leave
the
matter to be decided
by the courts on a
case-by-case basis.
Accordingly, having
regard to their
margin of
appreciation, the
authorities also did
not transgress the
principle of
proportionality."
Het verbinden van
termijnen aan
ontkenning van het
vaderschap valt
derhalve binnen de
beleidsvrijheid van
de verdragsstaten en
levert geen strijd
op met art. 8 EVRM.
2.4 In de zaak Kroon
e.a tegen Nederland
heeft het EHRM als
volgt overwogen (NJ
1995, 248, m.nt.
JdB):
"36. The Court
recalls that in the
instant case it has
been established
that the
relationship between
the
applicants qualifies
as "family life"
(see paragraph 30
above). There is
thus a positive
obligation on
the part of the
competent
authorities to allow
complete legal
family ties to be
formed between Mr
Zerrouk and his son
Samir as
expeditiously as
possible.
37. Under
Netherlands law the
ordinary instrument
for creating family
ties between Mr
Zerrouk and
Samir was
recognition.
However, since Samir
was the "legitimate"
child of Mr
M'Hallem-Driss, Mr
Zerrouk would only
be in a position to
recognise Samir
after Mr
M'Hallem-Driss'
paternity had been
successfully denied.
Except for Mr
M'Hallem-Driss
himself, who was
untraceable, only
Mrs Kroon
could deny Mr
M'Hallem-Driss'
paternity. However,
under section 1:198
CC the possibility
for the
mother of a
"legitimate" child
to deny the
paternity of her
husband was, and is,
only open in respect
of a child born
within 306 days of
dissolution of the
marriage. Mrs Kroon
could not avail
herself of
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
that possibility
since Samir was born
when she was still
married. Indeed,
this was not
contested by
the Government.
38. The Government,
however, suggested
that there were
other ways of
achieving an
equivalent
result.
The first such
alternative
suggested by the
Government,
step-parent
adoption, would make
Samir the
"legitimate" child
of Mr Zerrouk and
Mrs Kroon. However,
it would require Mrs
Kroon and Mr
Zerrouk to marry
each other. For
whatever reason,
they do not wish to
do so.
A solution which
only allows a father
to create a legal
tie with a child
with whom he has a
bond
amounting to family
life if he marries
the child's mother
cannot be regarded
as compatible with
the
notion of "respect"
for family life.
39. The second
alternative
suggested by the
Government, namely
that of joint
custody, is not an
acceptable solution
either. Even if the
legislation being
prepared comes into
force as the
Government
anticipate, joint
custody will leave
the legal ties
between Samir and Mr
M'Hallem-Driss
intact and
will continue to
preclude the
formation of such
ties between Samir
and Mr. Zerrouk.
40. In the Court's
opinion, "respect"
for "family life"
requires that
biological and
social reality
prevail over a legal
presumption which,
as in the present
case, flies in the
face of both
established
fact and the wishes
of those concerned
without actually
benefiting anyone.
Accordingly, the
Court
concludes that, even
having regard to the
margin of
appreciation left to
the State, the
Netherlands has
failed to secure to
the applicants the
"respect" for their
family life to which
they are entitled
under
the Convention.
There has
accordingly been a
violation of Article
8."
2.5 Op 1 april 1998
is in werking
getreden de Wet tot
herziening van het
afstammingsrecht
alsmede
van de regeling van
adoptie (Stb. 1997,
772). In de memorie
van toelichting
wordt met betrekking
tot de termijnen
voor ontkenning van
het vaderschap het
volgende opgemerkt
(Tweede Kamer,
vergaderjaar
1995-1996, 24 649,
nr. 3, p. 17):
"Uit een oogpunt van
rechtszekerheid zijn
er aan de ontkenning
van het door
huwelijk ontstane
vaderschap termijnen
gesteld. De
bestaande termijn
van zes maanden
wordt verdubbeld tot
een jaar.
Naar huidig recht
begint deze termijn
te lopen vanaf de
geboorte van het
kind of, als de
vader
daarmee niet bekend
was, vanaf het
moment dat hij
bekend wordt met het
feit dat hij
vermoedelijk
niet de biologische
vader is. (...)
Het stellen van
termijnen voorkomt
dat nog jaren nadat
duidelijk is
geworden dat een
ander de
biologische vader
van het kind moet
zijn, onzekerheid
over het al dan niet
ontkennen van het
vaderschap en
daarmee over de
positie van degene
die als vader geldt,
blijft voortduren."
2.6 Uit de uitspraak
in de zaak Kroon
e.a. tegen Nederland
vloeit voort dat
juridische ficties
op het
gebied van
afstamming
doorbroken dienen te
worden indien geen
van de betrokkenen
bij
handhaving van die
fictie enig te
respecteren belang
heeft. Indien echter
een afweging van de
belangen van de
direct betrokkenen
(het kind, de
wettige vader, de
moeder en de
biologische vader)
dient te worden
gemaakt, dan komt de
nationale
autoriteiten een
grote
beleidsvrijheid toe.
Voorop
staat dat op grond
van art. 8 EVRM het
family life van de
biologische vader,
de moeder en het
kind
beschermd moet
worden. Nu er geen
biologische vader is
die [kind 1] wil
erkennen is er niet
alleen
geen sprake van een
te beschermen family
life als bedoeld in
de uitspraak Kroon,
maar bovendien
zou
gegrondverklaring
van de ontkenning
ertoe leiden dat
[kind 1] in
juridische zin geen
vader meer
heeft, hetgeen niet
in haar belang is.
Het hof heeft
kennelijk geoordeeld
dat in een dergelijk
geval het
belang van [kind 1]
prevaleert boven dat
van de vader. Dat
oordeel getuigt niet
van een onjuiste
rechtsopvatting.
2.7 Ook het bepaalde
in de artikelen 3, 7
en 8 van het IVRK
leidt niet tot een
andere conclusie.
Ingevolge art. 3
IVRK dient het
belang van het kind
voorop te staan. Het
belang van het kind
wordt
gediend door de
bestaande, wettelijk
erkende
familie-betrekkingen
(art. 8 IVRK) in
stand te laten zo
lang er geen
biologische vader is
die wil erkennen.
Van strijd met art.
7 of 8 IVRK is geen
sprake.
3 Conclusie
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
Het middel ongegrond
bevindend,
concludeer ik tot
verwerping van het
beroep.
De
Procureur-Generaal
bij de
Hoge Raad der
Nederlanden
A-G i.b.d.
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
Nr. 2 Casus
vreemdelingenrecht
LJN: AZ9524, Raad
van State ,
200604499/1
Datum uitspraak:
15-02-2007
Datum publicatie:
07-03-2007
Rechtsgebied:
Vreemdelingen
Soort procedure:
Hoger beroep
Inhoudsindicatie:
IVRK / directe
werking art. 2 De
Afdeling verstaat de
woorden "de eerste
overweging" in
artikel 3, eerste
lid, van het IVRK,
mede in aanmerking
genomen de
bewoordingen in de
Engelse versie -"a
primary
consideration"-zo
dat het belang van
het kind een eerste
overweging is, maar
ruimte geeft voor
het
zwaarder laten wegen
van andere belangen.
Zoals zij eerder
heeft overwogen
(uitspraak van 13
september 2005 in
zaak no.
200507132/1, AB
2005, 429)
bevat deze
verdragsbepaling,
gelet op haar
formulering, geen
norm die vatbaar is
voor rechtstreekse
toepassing door de
rechter, aangezien
zij niet voldoende
concreet is voor
zodanige toepassing
en derhalve nadere
uitwerking behoeft
in
nationale wet-en
regelgeving. De
Afdeling heeft
hetzelfde overwogen
ten
aanzien van artikel
27 van het IVRK
(uitspraak van 1
maart 2005 in zaak
no.
200408015/1, JV
2005/176). De
rechtbank heeft
miskend dat het
beroep van de
vreemdelingen op
evenbedoelde
bepalingen om deze
reden niet kan
slagen. Zij
heeft voorts miskend
dat het beroep van
de vreemdelingen op
artikel 2, eerste
lid, van het IVRK
faalt omdat het in
deze bepaling
neergelegde
discriminatieverbod
er niet aan in de
weg staat dat binnen
één juridische e
categorie -de groep
van kinderen die
rechtmatig in
Nederland verblijven
doch
niet zijn toegelaten
-op zakelijke en
redelijke gronden
onderscheid wordt
gemaakt tussen
kinderen van ouders
die aan hun
meewerkplicht
voldoen en
kinderen van ouders,
zoals de
vreemdelingen, die
daaraan niet
voldoen.
Uitspraak
200604499/1.
Datum uitspraak: 15
februari 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met
toepassing van
artikel 8:54, eerste
lid, van de Algemene
wet bestuursrecht op
het
hoger beroep van:
het Centraal Orgaan
opvang asielzoekers,
appellant,
tegen de uitspraak
in de zaken nos. AWB
05/27225 en 05/27226
van de rechtbank 's
Gravenhage,
nevenzittingsplaats
Haarlem, van 22 mei
2006 in de gedingen
tussen:
[vreemdeling 1] en
[vreemdeling 2],
mede ten behoeve van
hun minderjarige
kinderen,
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
en n
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18
mei 2005 heeft
appellant (hierna:
het COA) de
verstrekkingen aan
[vreemdeling 1]
en [vreemdeling 2]
(hierna: de
vreemdelingen) en
hun minderjarige
kinderen (hierna: de
kinderen),
op de voet van de
Regeling
verstrekkingen
asielzoekers en
andere categorieën
vreemdelingen 2005
(hierna: de Rva
2005) beëindigd. Dit
besluit is
aangehecht.
Bij uitspraak van 22
mei 2006, verzonden
op 23 mei 2006,
heeft de rechtbank
’s Gravenhage,
nevenzittingsplaats
Haarlem (hierna: de
rechtbank), het
daartegen door de
vreemdelingen, mede
ten
behoeve van de
kinderen, ingestelde
beroep gegrond
verklaard en dat
besluit vernietigd.
Deze
uitspraak is
aangehecht.
Tegen deze uitspraak
heeft het COA bij
brief, bij de Raad
van State
binnengekomen op 19
juni 2006,
hoger beroep
ingesteld. Deze
brief is aangehecht.
Bij brief van 14
juli 2006 hebben de
vreemdelingen een
reactie ingediend.
Vervolgens is het
onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge
artikel 2, eerste
lid, van het Verdrag
inzake de rechten
van het kind van 20
november
1989 (hierna: het
IVRK) eerbiedigen en
waarborgen de Staten
die partij zijn bij
dit Verdrag de in
het
Verdrag beschreven
rechten voor ieder
kind onder hun
rechtsbevoegdheid
zonder discriminatie
van n
welke aard ook,
ongeacht ras,
huidskleur,
geslacht, taal,
godsdienst,
politieke of andere
overtuiging,
nationale, etnische
of maatschappelijke
afkomst, welstand,
handicap, geboorte
of andere
omstandigheid van
het kind of van zijn
of haar ouder of
wettige voogd. In
het tweede lid is
bepaald
dat de Staten die
partij zijn alle
passende maatregelen
nemen om te
waarborgen dat het
kind wordt
beschermd tegen alle
vormen van
discriminatie of
bestraffing op grond
van de
omstandigheden of de
activiteiten van, de
meningen geuit door
of de overtuigingen
van de ouders,
wettige voogden of
familieleden van het
kind. Artikel 3,
eerste lid, van het
IVRK luidt: "Bij
alle maatregelen
betreffende
kinderen, ongeacht
of deze worden
genomen door
openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn of door
rechterlijke
instanties,
bestuurlijke
autoriteiten of
wetgevende
lichamen, vormen de
belangen van het
kind de eerste
overweging.".
Artikel 27 van het
IVRK luidt als
volgt: "1. De Staten
die partij zijn,
erkennen het recht
va
n ieder kind op een
levensstandaard die
toereikend is voor
de lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele, ,
zedelijke en
maatschappelijke
ontwikkeling van het
kind.
2. De ouder(s) of
anderen die
verantwoordelijk
zijn voor het kind,
hebben de primaire
verantwoordelijkheid
voor het waarborgen,
naar vermogen en
binnen de grenzen
van hun financiële
mogelijkheden, van
de
levensomstandigheden
die nodig zijn voor
de ontwikkeling van
het
kind.
3. De Staten die
partij zijn, nemen,
in overeenstemming
met de nationale
omstandigheden en
met
de middelen die hun
ten dienste staan,
passende maatregelen
om ouders en anderen
die
verantwoordelijk
zijn voor het kind
te helpen dit recht
te verwezenlijken,
en voorzien, indien
de
behoefte daaraan
bestaat, in
programma's voor
materiële bijstand
en ondersteuning,
met name wat
betreft voeding,
kleding en
huisvesting.
4. De Staten die
partij zijn, nemen
alle passende
maatregelen om het
verhaal te
waarborgen van
uitkeringen tot
onderhoud van het
kind door de ouders
of andere personen
die de financiële
verantwoordelijkheid
voor het kind
dragen, zowel binnen
de Staat die partij
is als vanuit het
buitenland. Met name
voor gevallen waarin
degene die de
financiële
verantwoordelijkheid
voor het
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
kind draagt, in een
andere Staat woont
dan die van het
kind, bevorderen de
Staten die partij
zijn de
toetreding tot
internationale
overeenkomsten of
het sluiten van
dergelijke
overeenkomsten,
alsmede
het treffen van
andere passende
regelingen.".
Ingevolge artikel
3a, eerste lid, van
de Wet Centraal
Orgaan opvang
asielzoekers
(hierna: de Wet
COA), zijn, in
afwijking van
artikel 72, derde
lid, van de
Vreemdelingenwet
2000 de afdelingen
1, 3
en 4 van hoofdstuk 7
van die wet, van
toepassing op
besluiten in het
kader van het
onthouden dan
wel de beëindiging
van verstrekkingen
bij of krachtens de
Wet COA.
Ingevolge artikel 3,
eerste lid, is het
COA onder meer
belast met de
materiële en
immateriële opvang
van asielzoekers.
Ingevolge artikel 12
kan de Minister voor
Vreemdelingenzaken
en Integratie regels
stellen met
betrekking tot
verstrekkingen aan
asielzoekers en
andere categorieën
vreemdelingen, als
bedoeld in
artikel 3.
De Rva 2005 strekt
ter uitvoering van
artikel 12 van de
Wet COA.
Ingevolge artikel 23
van de Rva 2005
eindigen de
verstrekkingen van
een asielzoeker, op
wiens
asielaanvraag vóór 1
januari 2000 in
eerste aanleg in
negatieve zin is
beslist, aan wie een
last tot t
uitzetting is
gegeven en door de
korpschef is
medegedeeld dat hij
Nederland moet
verlaten, in
afwijking van
artikel 7, eerste
lid, aanhef en onder
b van deze regeling,
op de dag waarop hij
Nederland ingevolge
de mededeling van de
korpschef dient te
verlaten.
2.2. Van
asielzoekers die
zijn
uitgeprocedeerd, op
wie een
vertrekplicht rust
en die aan de
toepasselijke
wettelijke
voorschriften geen
aanspraak op
verstrekkingen
kunnen ontlenen,
plegen de
verstrekkingen
niettemin niet te
worden beëindigd,
indien en zolang de
desbetreffende
vreemdeling
meewerkt aan het
verkrijgen van een
vervangend
reisdocument.
Kernpunt van dit
beleid is dat van
medewerking die tot
voortzetting van
verstrekkingen,
alhoewel daarop geen
aanspraak bestaat,
aanleiding kan geven
eerst sprake is,
indien en zolang de
desbetreffende
vreemdeling alles
doet, wat
redelijkerwijs van
hem kan worden
verlangd om zijn
terugkeer naar zijn
land van herkomst te
bewerkstelligen.
2.3. In hoger beroep
is niet in geschil
dat de vreemdelingen
aan de Rva 2005 geen
aanspraak op
verstrekkingen
kunnen ontlenen en
dat het
toepasselijke beleid
geen grond biedt om
af te zien van n
beëindiging van de
verstrekkingen,
omdat zij niet
voldoen aan de
daarin als
voorwaarde voor
voortzetting van de
verstrekkingen
gestelde
inspanningsverplichting
om hun terugkeer
naar het land
van herkomst te
realiseren. Evenmin
is in geschil dat
geen sprake is van
bijzondere
omstandigheden,
die niet zijn
onderkend bij de
vaststelling van het
beleid, dat er onder
meer toe strekt dat
het indienen
van een zogeheten
14-1-brief niet in
de weg staat aan de
beëindiging van de
voorzieningen.
2.4. In de enige
grief klaagt het COA
onder meer dat,
samengevat
weergegeven, de
rechtbank ten
onrechte heeft
overwogen dat, nu
ten aanzien van de
kinderen zich de
situatie voordoet
dat zij in n
afwachting van een
besluit op een
aanvraag om een
verblijfsvergunning
regulier voor
bepaalde tijd
rechtmatig in
Nederland
verblijven, de
toepassing van
artikel 23 van de
Rva 2005 en voormeld
beleid jegens hen op
grond van artikel 2,
eerste lid, van het
IVRK, tegen de
achtergrond van het
beginsel van
verhoogde
beschermwaardigheid
van kinderen in het
algemeen en met
inachtneming
van artikel 2,
tweede lid, artikel
3 en artikel 27 van
het IVRK in het
bijzonder, geen
evenredig
middel is om te
voldoen aan de
doelstelling van de
Wet COA en de Rva
2005 en het bij haar
bestreden besluit
aldus in strijd is
met artikel 2,
eerste lid, van het
IVRK. Daarmee heeft
de
rechtbank volgens
het COA miskend dat
eerdergenoemde
verdragsbepalingen
geen normen bevatten
die zonder nadere
uitwerking in
nationale wet-en
regelgeving door de
rechter direct
toepasbaar zijn
en van discriminatie
als bedoeld in
artikel 2, eerste
lid, van het IVRK
geen sprake is.
2.4.1. De Afdeling
verstaat de woorden
"de eerste
overweging" in
artikel 3, eerste
lid, van het IVRK,
mede in aanmerking
genomen de
bewoordingen in de
Engelse versie -"a
primary
consideration"-zo
dat het belang van
het kind een eerste
overweging is, maar
ruimte geeft voor
het zwaarder laten
wegen van andere
belangen. Zoals zij
eerder heeft
overwogen (uitspraak
van 13 september
2005 in
zaak no.
200507132/1, AB
2005, 429) bevat
deze
verdragsbepaling,
gelet op haar
formulering, geen
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
norm die vatbaar is
voor rechtstreekse
toepassing door de
rechter, aangezien
zij niet voldoende
concreet is voor
zodanige toepassing
en derhalve nadere
uitwerking behoeft
in nationale wet-en
regelgeving. De
Afdeling heeft
hetzelfde overwogen
ten aanzien van
artikel 27 van het
IVRK
(uitspraak van 1
maart 2005 in zaak
no. 200408015/1, JV
2005/176). De
rechtbank heeft
miskend
dat het beroep van
de vreemdelingen op
evenbedoelde
bepalingen om deze
reden niet kan
slagen. Zij
heeft voorts miskend
dat het beroep van
de vreemdelingen op
artikel 2, eerste
lid, van het IVRK
faalt
omdat het in deze
bepaling neergelegde
discriminatieverbod
er niet aan in de
weg staat dat binnen
één juridische
categorie -de groep
van kinderen die
rechtmatig in
Nederland verblijven
doch niet
zijn toegelaten -op
zakelijke en
redelijke gronden
onderscheid wordt
gemaakt tussen
kinderen van
ouders die aan hun
meewerkplicht
voldoen en kinderen
van ouders, zoals de
vreemdelingen, die
daaraan niet
voldoen.
De grief slaagt.
2.5. Het hoger
beroep is kennelijk
gegrond. De
aangevallen
uitspraak dient te
worden vernietigd.
Hetgeen voor het
overige is
aangevoerd, behoeft
geen bespreking.
Doende hetgeen de
rechtbank zou
behoren te doen, zal
de Afdeling het
beroep van de
vreemdelingen
beoordelen in het
licht van de
tegen het besluit
van 18 mei 2005 in
eerste aanleg door
hen aangedragen
beroepsgronden, voor
zover
die in het licht van
hetgeen hiervoor is
overwogen nog
bespreking behoeven.
2.6. De
vreemdelingen hebben
aangevoerd dat de
toepassing van
artikel 23 van de
Rva 2005 door
het COA in strijd is
met artikel 1 van de
Grondwet omdat een
ongeoorloofd
onderscheid wordt
gemaakt tussen de
kinderen van
vreemdelingen die
volgens het COA
voldoen aan de in
het
toepasselijke beleid
gestelde
inspanningsverplichting
om mee te werken aan
hun terugkeer naar
het
land van herkomst en
kinderen van
vreemdelingen die
hieraan niet
voldoen. Voorts
hebben zij
aangevoerd dat het
standpunt van het
COA dat artikel 27
van het IVRK
rechtstreekse
toepassing
mist eveneens in
strijd is met
artikel 1 van de
Grondwet. .
2.6.1. Het beroep op
artikel 1 van de
Grondwet faalt,
gelet op hetgeen in
rechtsoverweging
2.4.1. is
overwogen. Het
betoog van de
vreemdelingen dat
het standpunt van
het COA dat artikel
27 van het
IVRK rechtstreekse
toepassing mist in
strijd is met
artikel 1 van de
Grondwet hebben zij
niet nader
toegelicht en faalt
reeds daarom. .
2.7. Aan de hiervoor
niet besproken bij
de rechtbank
voorgedragen
beroepsgronden komt
de
Afdeling niet toe.
Over die gronden is
door de rechtbank
uitdrukkelijk en
zonder voorbehoud
een
oordeel gegeven,
waartegen in hoger
beroep niet is
opgekomen. Evenmin
doet zich de
situatie voor
dat het oordeel over
die gronden, dan wel
onderdelen van het
bij de rechtbank
bestreden besluit
waarop ze betrekking
hebben,
onverbrekelijk
samenhangen met
hetgeen in hoger
beroep aan de orde
is gesteld. Deze
beroepsgronden
vallen thans
dientengevolge
buiten het geding.
2.8. Het beroep is
ongegrond.
2.9. Voor een
proceskostenveroordeling
bestaat geen
aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling
bestuursrechtspraak
van de Raad van
State
Recht doende in naam
der Koningin:
I. verklaart het
hoger beroep
gegrond;
II. vernietigt de
uitspraak van de
rechtbank
's-Gravenhage,
nevenzittingsplaats
Haarlem, van 22 mei
2006 in de zaken
nos. AWB 05/27225 en
05/27226;
III. verklaart het
door de
vreemdelingen in die
zaken ingestelde
beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld
door mr. H.G.
Lubberdink,
Voorzitter, en mr.
B. van Wagtendonk en
mr. M.
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
Vlasblom, Leden, ,
in tegenwoordigheid
van mr. H.W.
Groeneweg, ambtenaar
van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g.
Groeneweg
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het
openbaar op 15
februari 2007
32-491.
Verzonden:
Voor eensluidend
afschrift,
de Secretaris van de
Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur
Bestuursrechtspraak
LJN: AX4451,
Rechtbank
's-Gravenhage ,
zittingsplaats
Haarlem , AWB
05/27225, 05/27226
Datum uitspraak:
22-05-2006
Datum publicatie:
24-05-2006
Rechtsgebied:
Vreemdelingen
Soort procedure:
Eerste aanleg
-meervoudig
Inhoudsindicatie:
Opvang / beëindiging
verstrekkingen /
inspanningsverplichting
/ schrijnende
omstandigheden /
artikel 2 IVRK. De
rechtbank stelt vast
dat artikel 2,
eerste lid,
IVRK als een ieder
verbindende
verdragsbepaling als
bedoeld in artikel
93 en
artikel 94 Grondwet
moet worden
aangemerkt. Het in
artikel 2, eerste
lid, IVRK
gewaarborgde recht
strekt zich, gelet
op de bewoordingen
ervan, uit tot alle
in
het verdrag
beschreven materiële
rechten van het
kind. Tot die
materiële rechten
behoren de in
artikel 27 IVRK
beschreven rechten.
De verstrekkingen
door
verweerder moeten
worden geacht te
vallen onder de in
artikel 27 IVRK
beschreven rechten.
De rechtbank acht
vervolgens de
toepassing van
artikel 23
Rva 2005 en de
Herziene Werkwijze
Stappenplan III op
kinderen en hun
ouders
die niet rechtmatig
hier te lande
verblijven, ook
tegen de achtergrond
van het
IVRK, in beginsel
een evenredig middel
om te voldoen aan
het uitgangspunt van
de Wet COA en de Rva
2005. Het
verstrekken van
voorzieningen aan
vreemdelingen die
geen rechtmatig
verblijf hebben en
op wie een
vertrekplicht t
rust, kan het
(illegaal) verblijf
hier te lande
stimuleren, waardoor
het
Nederlandse
vreemdelingenbeleid
zou worden
doorkruist. Het
onderscheid dat
ontstaat tussen
kinderen van wie de
ouders niet aan hun
inspanningsverplichting
hebben voldaan en
kinderen van wie de
ouders wel aan die
verplichting hebben
voldaan wordt door
de rechtbank in deze
situatie
gerechtvaardigd
geacht. Anders
ligt dat in de
situatie dat er
sprake is van
rechtmatig verblijf
op grond van artikel
8 Vw 2000. Hoewel de
Nederlandse staat
eisers en hun
kinderen niet tot
zijn
grondgebied heeft
toegelaten, heeft
hij welbewust
aanvaard en
toegestaan dat zij
gedurende een zekere
tijd in Nederland
verblijven. Aldus
heeft de Nederlandse
staat ook een zekere
uit het IVRK
voortvloeiende
zorgplicht ten
opzichte van de
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
kinderen van eisers
op zich genomen,
zonder daarbij
overigens iets af te
doen n
aan de primaire
verantwoordelijkheid
van eisers als
ouders van deze
kinderen.
Eisers zullen niet
meer beschikken over
bestaansmiddelen
nadat verweerder tot
feitelijke
beëindiging van de
verstrekkingen zal
overgaan. Eisers
zullen daarom,
hoewel zij
rechtmatig in
Nederland
verblijven, niet
meer zelfstandig
kunnen
voldoen aan hun
zorgplicht als
ouders. Gedurende de
periode waarin de
kinderen
rechtmatig in
Nederland
verblijven, is de
toepassing van
artikel 23 Rva 2005
en
de Herziene
Werkwijze
Stappenplan III
jegens de kinderen
van eisers op grond
van artikel 2,
eerste lid, IVRK,
tegen de achtergrond
van het beginsel van
verhoogde
beschermwaardigheid
van kinderen in het
algemeen en met
inachtneming van
artikel 2, tweede
lid, artikel 3 en
artikel 27 IVRK in
het
bijzonder, naar het
oordeel van de
rechtbank geen
evenredig middel om
te e
voldoen aan de
doelstelling van de
Wet COA en de Rva
2005. Onverkorte
toepassing van
artikel 23 Rva 2005
en de Herziene
Werkwijze
Stappenplan III
op de kinderen van
eisers is daarom in
dit geval in strijd
met artikel 2,
eerste lid,
IVRK. Verweerder
heeft ten onrechte
de verstrekkingen
ten behoeve van de
minderjarige
kinderen beëindigd.
Beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK
‘s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats
Haarlem
zaaknummer: AWB 05 /
27225
AWB 05 / 27226
uitspraak van de
meervoudige kamer
voor
vreemdelingenzaken
van 22 mei 2006 6
In de zaak van:
A,
geboren op [...]
1965, van Syrische
nationaliteit,
eiser, en
B,
geboren op [...]
1967, van Syrische
nationaliteit,
eiseres,
en hun minderjarige
kinderen C, D en E,
gemachtigde: drs.
F.W. King,
rechtshulpverlener
te Leiden,
tegen:
het Centraal Orgaan
opvang asielzoekers
(COA),
gevestigd te
Rijswijk,
verweerder,
gemachtigde: mr.
R.F.C. Kleine
Deters, werkzaam bij
het COA.
1. Procesverloop
1.1 Verweerder heeft
bij besluit van 18
mei 2005 het
verstrekken van
voorzieningen aan
eisers
krachtens de Wet
Centraal Orgaan
opvang asielzoekers
(Wet COA) beëindigd.
Eisers hebben tegen
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
het besluit op 15
juni 2005 beroep
ingesteld. .
1.2 De openbare
behandeling van het
geschil door de
enkelvoudige kamer
heeft plaatsgevonden
op
16 februari 2006.
Eisers zijn in
persoon verschenen,
bijgestaan door hun
gemachtigde.
Verweerder is
vertegenwoordigd
door zijn
gemachtigde.
1.3 Nadat de
rechtbank het
onderzoek ter
zitting had
gesloten, heeft de
rechtbank het
onderzoek op
20 februari 2006
heropend en de zaak
verwezen naar de
meervoudige kamer.
De voortgezette
openbare behandeling
van het geschil door
de meervoudige kamer
heeft plaatsgevonden
op 12 april
2006. Eisers zijn in
persoon verschenen,
bijgestaan door hun
gemachtigde.
Verweerder is
vertegenwoordigd
door zijn
gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 De rechtbank
toetst het bestreden
besluit aan de hand
van de voorgedragen
beroepsgronden op
rechtmatigheid en
ambtshalve aan
voorschriften van
openbare orde.
2.2 Ingevolge
artikel 3, eerste
lid, Wet COA is
verweerder onder
meer belast met de
materiele en
immateriële opvang
van asielzoekers. De
minister voor
Vreemdelingenzaken
en Integratie kan
ingevolge het tweede
lid van artikel 3
Wet COA verweerder
taken als bedoeld in
het eerste lid
opdragen met
betrekking tot
andere categorieën
vreemdelingen.
Ingevolge artikel 12
Wet COA kan
de minister regels
stellen met
betrekking tot
verstrekkingen aan
asielzoekers en
andere categorieën
vreemdelingen als
bedoeld in artikel
3, tweede lid, Wet
COA.
2.3 De Regeling
verstrekkingen
asielzoekers en
andere categorieën
vreemdelingen 2005
(Rva 2005)
strekt ter
uitvoering van
artikel 12 Wet COA.
Ingevolge artikel 7,
eerste lid, aanhef
en onder b, Rva
2005 eindigt het
recht op opvang
indien het een
asielzoeker betreft
die rechtmatig
verwijderbaar is
vanwege het niet
inwilligen van de
asielaanvraag die
recht geeft op
opvang op de dag na
de dag
waarop de
vreemdeling
rechtmatig
verwijderbaar is
geworden. Ingevolge
artikel 23 Rva 2005
eindigen de
verstrekkingen, in
afwijking van
artikel 7, eerste
lid, aanhef en onder
b, Rva 2005, op de
dag waarop de
asielzoeker
Nederland ingevolge
de mededeling van de
korpschef dient te
verlaten,
indien ten aanzien
van de asielzoeker:
a. voor 1 januari
2000 op diens
asielaanvraag in
eerste aanleg in
negatieve zin is
beslist;
b. een last tot
uitzetting is
gegeven, en
c. door de korpschef
van de politieregio
waar de vreemdeling
zijn woon-of
verblijfplaats heeft
is
meegedeeld dat hij
Nederland moet
verlaten.
2.4 Volgens de
Herziene werkwijze
Stappenplan III
(Stcrt. 8 juli 2002,
nr. 127, p. 7) voert
verweerder het
beleid dat de
verstrekkingen niet
eindigen, indien
door de
Immigratie-en
Naturalisatiedienst
(IND) is vastgesteld
– en door verweerder
marginaal is
getoetst – dat de
asielzoeker voldoet
aan zijn
inspanningsverplichting.
Deze verplichting
houdt in dat hij kan
aantonen dat hij
alles heeft gedaan
wat redelijkerwijs
van hem kan worden
verlangd om mee te
werken aan zijn
terugkeer naar het
land van herkomst.
De
inspanningsverplichting
2.5 Niet in geschil
is dat de eerste
asielaanvraag van
eisers vóór 1
januari 2000
onherroepelijk is
afgewezen, dat een
last tot uitzetting
voor eisers is
gegeven en dat aan
eisers is meegedeeld
dat zij
Nederland moeten
verlaten.
2.6 Verweerder heeft
besloten de opvang
te beëindigen omdat,
uitgaande van de
informatie van de
IND, gebleken is dat
eisers niet hebben
voldaan aan hun
inspanningsverplichting
als bedoeld in de
Herziene werkwijze
Stappenplan III. Zij
hebben volgens de
IND onvoldoende
meegewerkt aan hun
terugkeer of
vertrek.
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
2.7 Eisers hebben
daartegen ingebracht
dat zij niet over de
benodigde
reisdocumenten
beschikken en
dat de Syrische
ambassade geen
documenten afgeeft
voor hun terugkeer.
De minderjarige
kinderen
van eisers kunnen
zich niet
inschrijven in
Syrië. Zij kunnen
daarom niet
terugkeren naar het
land van
herkomst. Eisers
hebben aan hun
inspanningsverplichting
voldaan, nu zij
hebben gereageerd op
de
oproep voor het
terugkeergesprek bij
de IND.
2.8 De rechtbank
stelt voorop dat
verweerder in
beginsel af mag gaan
gaan op de
mededeling van de
IND dat betrokkene
geen medewerking
verleent aan het
verkrijgen van de
benodigde
reisdocumenten. Dit
is slechts anders
indien op grond van
de door betrokkene
overgelegde gegevens
of anderszins
gebleken feiten en
omstandigheden voor
verweerder concrete
aanleiding zou
bestaan
tot twijfel aan de
juistheid van die
mededeling.
2.9 Niet ter
beoordeling van
verweerder staat of
terugkeer feitelijk
al dan niet mogelijk
is. De
stelling van eisers
dat zij niet
beschikken over
reisdocumenten, dat
de Syrische
ambassade geen
documenten afgeeft
en dat de kinderen
zich in Syrië niet
kunnen inschrijven,
behoefde verweerder
niet bij de
beoordeling te
betrekken.
2.10 Overigens biedt
hetgeen eisers
hebben aangevoerd
naar het oordeel van
de rechtbank voor
verweerder
onvoldoende grond om
daarin een concrete
aanleiding te zien
om te twijfelen aan
de
mededeling van de
IND dat eisers
onvoldoende
inspanningen hebben
verricht om hun
terugkeer te
bewerkstelligen.
Eisers hebben immers
niet aangetoond dat
zij hebben
geprobeerd om
reisdocumenten te
verkrijgen. Het
enkele feit dat
eisers gehoor hebben
gegeven aan de
oproep te
verschijnen voor het
terugkeergesprek bij
de IND heeft
verweerder
onvoldoende kunnen
achten voor
de conclusie dat
eisers alles hebben
gedaan wat in
redelijkheid van hen
kan worden verlangd.
Het beroep op zeer
schrijnende
humanitaire
omstandigheden
2.11 Verweerder
heeft zich in het
bestreden besluit op
het standpunt
gesteld dat de
behoefte van
eisers aan medische
zorg geen recht op
opvang geeft. Eisers
hebben niet
aangetoond dat
sprake is
van een acute
medische
noodsituatie.
2.12 Eisers hebben
daartegen ingebracht
dat wegens hun
medische situatie
sprake is van zeer
schrijnende
humanitaire
omstandigheden op
grond waarvan de
opvang moet worden
gecontinueerd en
daarbij verwezen
naar
het beleid van de
Minister voor
Vreemdelingenzaken
en Integratie,
neergelegd in
C5/20.4.3
Vreemdelingencirculaire
2000 (Vc). De IND,
die dit beleid
uitvoert, heeft geen
onderzoek verricht
naar de humanitaire
omstandigheden
waarin eisers
verkeren. Daarom had
verweerder volgens
eisers
zelf onderzoek
moeten doen naar hun
medische situatie.
Indien de
opvangvoorzieningen
niet worden
voortgezet, komen
eisers mogelijk in
een medische
noodsituatie. Eisers
hebben daartoe
diverse
medische
verklaringen
overgelegd.
2.13 In C5/20.4.3 Vc
is opgenomen,
volgens de tekst
zoals die luidde ten
tijde van het
bestreden
besluit, dat de IND
het COA ervan in
kennis zal stellen
wanneer indieners
van een tweede of
volgende aanvraag
naar het oordeel van
de IND in zeer
schrijnende
humanitaire
omstandigheden
verkeren en
adviseren om (toch)
opvang te bieden.
Dit beleid was naar
zijn strekking
alleen van
toepassing op
vreemdelingen die in
afwachting zijn van
hun procedure naar
aanleiding van een
tweede of volgende
asielaanvraag. Vast
staat dat ten tijde
van het bestreden
besluit op de tweede
asielaanvraag van
eisers al
onherroepelijk was
beslist. Eisers
hebben geen volgende
asielaanvraag
ingediend. Het
beleid, neergelegd
in C5/20.4.3 Vc, was
dus niet op de
situatie van eisers
van
toepassing. Het
beroep van eisers op
dit beleid kan reeds
daarom niet slagen.
2.14 Het voorgaande
neemt niet weg dat
verweerder
desondanks bevoegd
is om onder
bijzondere
omstandigheden,
zoals in het geval
van een dreigende
acute medische
noodsituatie, de
verstrekkingen,
hoewel daarop geen
aanspraak bestaat,
voort te zetten. Het
is aan de
vreemdeling om
aannemelijk te maken
dat van zodanige
bijzondere
omstandigheden
sprake is. Onder een
acute
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
medische
noodsituatie
verstaat verweerder,
in navolging van het
Bureau Medische
Advisering van
de IND, de situatie
waarin betrokkene
lijdt aan een
stoornis waarvan op
basis van de huidige
medisch-wetenschappelijke
inzichten vaststaat
dat het achterwege
blijven van
behandeling op korte
termijn zal leiden
tot overlijden,
invaliditeit of een
andere vorm van
ernstige geestelijke
en/of
lichamelijke schade.
2.15 Niet in geschil
is dat zowel eiser
als eiseres een
medische behandeling
ondergaat wegens
psychische en
lichamelijke
problemen. Uit de
door eisers
overgelegde medische
verklaringen blijkt
dat eiseres sinds
ruim zes jaar onder
behandeling is van
“Mediant geestelijke
gezondheidszorg” en
dat in toenemende
mate sprake is van
symptomen van een
posttraumatische
stress-stoornis.
Eiser is
onder behandeling
bij het RIAGG wegens
een posttraumatisch
stress-syndroom en
reactieve
depressie. Eiser
lijdt daarnaast aan
hypertensie,
hypercholesterolaemie
en aan inspanning
gerelateerde pijn op
de borst. Uit de
verklaringen blijkt
voorts dat medische
behandeling van
eisers
noodzakelijk is.
Verweerder heeft op
grond hiervan
evenwel niet
aannemelijk gemaakt
hoeven
achten dat sprake is
van een dreigende
acute medische
noodsituatie.
Daarbij is ook van
belang dat
eisers op grond van
artikel 10, tweede
lid,
Vreemdelingenwet
2000 (Vw) aanspraak
kunnen maken
op voortgaande
verlening van
medisch
noodzakelijke zorg.
De omstandigheid dat
aan eisers geen
verstrekkingen
worden verleend
leidt in dit geval
niet tot de
conclusie dat de
behandeling niet kan
worden voortgezet.
Het beroep op het
Verdrag inzake de
rechten van het kind
2.16 Eisers hebben
een beroep gedaan op
de artikelen 2 en 27
van het Verdrag
inzake de rechten
van
het kind (IVRK). Zij
hebben erop gewezen
dat zij rechtmatig
in Nederland
verblijven, omdat
nog
een procedure loopt
ter verkrijging van
een
verblijfsvergunning
regulier op grond
van schrijnende
omstandigheden. Er
zijn drie
minderjarige
kinderen betrokken.
Verweerder maakt
volgens eisers een
ongerechtvaardigd
onderscheid tussen
kinderen van
vreemdelingen die
volgens verweerder
voldoen
aan de
inspanningsverplichting
om mee te werken aan
terugkeer zoals
bedoeld in de
Herziene
werkwijze
Stappenplan III en
kinderen van
vreemdelingen die
hieraan volgens
verweerder niet
voldoen. Eisers
hebben ter zitting
verwezen naar de
uitspraak van de
Centrale Raad van
Beroep van
24 januari 2006,
05/3621 en 05/3622
WWB (LJN: AV0197),
waarin is overwogen
dat het niet
verlenen van
bijstand aan
kinderen in strijd
is met artikel 2,
eerste lid, IVRK. De
Centrale Raad heeft
hierbij van belang
geacht dat het
kinderen betrof van
wie de ouders
rechtmatig in
Nederland
verbleven in
afwachting van een
verblijfsvergunning.
2.17 De
omstandigheid dat
eisers een aanvraag
hebben ingediend tot
het verlenen van een
verblijfsvergunning
regulier waarop nog
niet is beslist,
geeft volgens
verweerder geen
recht op
opvang. Verweerder
heeft zich ter
zitting op het
standpunt gesteld
dat artikel 27 IVRK
geen
rechtstreekse
werking heeft en uit
die bepaling
bovendien geen
rechtstreekse
verplichting voor
verweerder
voortvloeit om de
primaire
verantwoordelijkheid
van ouders om voor
hun kind te zorgen
over te nemen. De
ouders hebben
welbewust het risico
aanvaard door niet
mee te werken aan
terugkeer dat de
opvang en de
verstrekkingen
zouden worden
beëindigd.
Verweerder heeft ter
onderbouwing van
zijn standpunt
verwezen naar de
uitspraak van de
Afdeling
bestuursrechtspraak
van de Raad van
State (de Afdeling)
van 1 maart 2005,
200408015/1 (LJN:
AS9909). Ten aanzien
van artikel 2 IVRK
heeft verweerder
zich op het
standpunt gesteld
dat, voor zover er
al sprake is van
rechtstreekse
werking, hij geen
onderscheid maakt
tussen kinderen.
Enkel de situatie en
inspanningsverplichting
van de ouders wordt
beoordeeld.
2.18 Ingevolge
artikel 2, eerste
lid, IVRK
eerbiedigen en
waarborgen de Staten
die partij zijn bij
het
Verdrag de in het
Verdrag beschreven
rechten voor ieder
kind onder hun
rechtsbevoegdheid
zonder
discriminatie van
welke aard ook,
ongeacht ras,
huidskleur,
geslacht, taal,
godsdienst,
politieke of
andere overtuiging,
nationale, etnische
of maatschappelijke
afkomst, welstand,
handicap, geboorte
of
andere omstandigheid
van het kind of van
zijn of haar ouder
of wettige voogd.
Ingevolge artikel 2,
tweede lid, IVRK
nemen de Staten die
partij zijn alle
passende maatregelen
om
te waarborgen dat
het kind wordt
beschermd tegen alle
vormen van
discriminatie of
bestraffing op
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
grond van de
omstandigheden of de
activiteiten van, de
meningen geuit door
of overtuigingen van
de
ouders, wettige
voogden of
familieleden van het
kind.
2.19 In artikel 3
IVRK is het volgende
bepaald:
1. Bij alle
maatregelen
betreffende
kinderen, ongeacht
of deze worden
genomen door
openbare of
particuliere
instellingen voor
maatschappelijk
welzijn of door
rechterlijke
instanties,
bestuurlijke
autoriteiten of
wetgevende lichamen,
vormen de belangen
van het kind de
eerste overweging.
2. De Staten die
partij zijn,
verbinden zich ertoe
het kind te
verzekeren van de
bescherming en de
zorg die nodig zijn
voor zijn of haar
welzijn, rekening
houdend met de
rechten en plichten
van zijn
of haar ouders,
wettige voogden of
anderen die
wettelijk
verantwoordelijk
voor het kind zijn,
en
nemen hiertoe alle
passende wettelijke
en bestuurlijke
maatregelen.
3. De Staten die
partij zijn,
waarborgen dat de
instellingen,
diensten en
voorzieningen die
verantwoordelijk
zijn voor de zorg
voor of de
bescherming van
kinderen voldoen aan
de door de
bevoegde
autoriteiten
vastgestelde normen,
met name ten aanzien
van de veiligheid,
de gezondheid,
het aantal
personeelsleden en
hun geschiktheid,
alsmede bevoegd
toezicht.
2.20 In artikel 27
IVRK is het volgende
bepaald:
1. De Staten die
partij zijn,
erkennen het recht
van ieder kind op
een levensstandaard
die toereikend
is voor de
lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke en
maatschappelijke
ontwikkeling van het
kind.
2. De ouder(s) of
anderen die
verantwoordelijk
zijn voor het kind
hebben de primaire
verantwoordelijkheid
voor het waarborgen,
naar vermogen en
binnen de grenzen
van hun financiële
mogelijkheden, van
de
levensomstandigheden
die nodig zijn voor
de ontwikkeling van
het kind.
3. De Staten die
partij zijn, nemen,
in overeenstemming
met de nationale
omstandigheden en
met de
middelen die hun ten
dienste staan,
passende maatregelen
om ouders en anderen
die
verantwoordelijk
zijn voor het kind
te helpen dit recht
te verwezenlijken,
en voorzien, indien
de
behoefte daaraan
bestaat, in
programma’s voor
materiele bijstand
en ondersteuning,
met name wat
betreft voeding,
kleding en
huisvesting.
4. De Staten die
partij zijn, nemen
alle passende
maatregelen om het
verhaal te
waarborgen van
uitkeringen tot
onderhoud van het
kind door de ouders
of andere personen
die de financiële
verantwoordelijkheid
voor het kind
dragen, zowel binnen
de Staat die partij
is als vanuit het
buitenland. (…).
2.21 De rechtbank
stelt allereerst
vast dat artikel 2,
eerste lid, IVRK als
een ieder
verbindende
verdragsbepaling als
bedoeld in artikel
93 en artikel 94
Grondwet moet worden
aangemerkt. De
bepaling houdt
immers een
onvoorwaardelijk en
nauwkeurig
bepaalbaar
subjectief recht in
voor
ieder kind om bij
het eerbiedigen en
waarborgen van de in
het verdrag
beschreven rechten
niet te
worden
gediscrimineerd.
2.22 Het in artikel
2, eerste lid, IVRK
gewaarborgde recht
strekt zich, gelet
op de bewoordingen
ervan, uit tot alle
in het verdrag
beschreven materiële
rechten van het
kind. Tot die
materiële rechten
behoren de in
artikel 27 IVRK
beschreven rechten
van ieder kind op
een toereikende
levensstandaard, op
passende maatregelen
van de staat om
ouders te helpen dit
recht te
verwezenlijken, op
materiële bijstand
en ondersteuning
indien de behoefte
daaraan bestaat, met
name wat betreft
voeding, kleding en
huisvesting en op
alle passende
maatregelen van de
staat om
het verhaal te
waarborgen van
uitkeringen tot
onderhoud van het
kind door de ouders.
De
verstrekkingen door
verweerder moeten
worden geacht te
vallen onder de in
artikel 27 IVRK
beschreven rechten.
2.23 Het voorgaande
houdt in dat een
ieder rechtstreeks
een beroep kan doen
op het gestelde in
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
artikel 2, eerste
lid, IVRK en dat de
rechtbank het
bestreden besluit
zal toetsen aan het
in dat artikel
vervatte
discriminatieverbod,
in het licht van de
overige in dat
verdrag beschreven
rechten.
2.24 De rechtbank
stelt vervolgens
vast dat er sprake
is van onderscheid.
Dat onderscheid
ontstaat,
met het beëindigen
van
opvangvoorzieningen
op grond van artikel
23 Rva 2005 en de
Herziene
Werkwijze
Stappenplan III,
tussen kinderen van
vreemdelingen die
voldoen aan de
inspanningsverplichting
om mee te werken aan
terugkeer en
kinderen van
vreemdelingen die
niet
voldoen aan die
inspanningsverplichting.
Opvangvoorzieningen
worden immers alleen
onthouden
aan kinderen van wie
de ouders niet
voldoen aan de
inspanningsverplichting.
2.25 Het maken van
onderscheid, in het
bijzonder op grond
van een
omstandigheid die de
ouder van
het kind betreft, is
alleen toegestaan
als hiermee een in
het kader van het
IVRK geoorloofde
doelstelling wordt
nagestreefd en als
het betreffende
onderscheid een
geschikt en jegens
de kinderen
evenredig te achten
middel vormt om dit
doel te bereiken.
2.26 Bij de
beoordeling in
hoeverre een
onderscheid in een
bepaalde situatie
een evenredig middel
vormt om een bepaald
doel te bereiken,
dient bij de
toetsing aan artikel
2, eerste lid, IVRK
tevens
acht te worden
geslagen op het aan
het IVRK ten
grondslag liggende
beginsel van
bijzondere
beschermwaardigheid
van kinderen en –
zoals hierboven
overwogen – op de
andere bepalingen
van
het IVRK, in het
bijzonder artikel 2,
tweede lid, artikel
3 en artikel 27
IVRK. Dit betekent
dat
maatregelen die ten
opzichte van
volwassenen in
overeenstemming
kunnen worden geacht
met de
internationale
discriminatieverboden,
in bepaalde
situaties ten
opzichte van
kinderen niettemin
in
strijd kunnen komen
met artikel 2,
eerste lid, IVRK.
2.27 Doelstelling
van de wettelijke
regeling inzake
opvang, neergelegd
in de Wet COA en de
Rva
2005, is het
verlenen van sobere
doch humane opvang
aan een beperkte
groep vreemdelingen
voor
een beperkte duur.
Enerzijds wordt
daarmee gewaarborgd
dat (bepaalde
categorieën)
asielzoekers
noodzakelijke opvang
wordt geboden
gedurende de
asielprocedure,
anderzijds wordt
daarmee
voorkomen dat die
opvang na het
onherroepelijk
eindigen van de
asielprocedure te
lang voortduurt.
Dit in verband met
de druk op de
collectieve middelen
en op de capaciteit
van de
opvangvoorzieningen.
Deze doelstelling
acht de rechtbank
legitiem, waarbij de
beëindiging van de
opvang op grond van
artikel 23 Rva 2005
en de Herziene
Werkwijze
Stappenplan III
wegens het niet
voldoen aan de
inspanningsverplichtingen,
in het algemeen als
een evenredig middel
moet worden
beschouwd om deze
doelstelling te
verwezenlijken.
2.28 De rechtbank
acht vervolgens de
toepassing van
artikel 23 Rva 2005
en de Herziene
Werkwijze
Stappenplan III op
kinderen en hun
ouders die niet
rechtmatig hier te
lande verblijven,
ook tegen de
achtergrond van het
IVRK, in beginsel
een evenredig middel
om te voldoen aan
het uitgangspunt
van de Wet COA en de
Rva 2005. Het
verstrekken van
voorzieningen aan
vreemdelingen die
geen
rechtmatig verblijf
hebben en op wie een
vertrekplicht rust,
kan het (illegaal)
verblijf hier te
lande
stimuleren, waardoor
het Nederlandse
vreemdelingenbeleid
zou worden
doorkruist. Het
onderscheid
dat ontstaat tussen
kinderen van wie de
ouders niet aan hun
inspanningsverplichting
hebben voldaan
en kinderen van wie
de ouders wel aan
die verplichting
hebben voldaan wordt
door de rechtbank in
deze situatie
gerechtvaardigd
geacht.
2.29 Anders ligt dat
in de situatie dat
er sprake is van
rechtmatig verblijf
op grond van artikel
8 Vw.
Tussen partijen is
niet in geschil dat
eisers bij de IND
een aanvraag hebben
ingediend tot het
verlenen van een
verblijfsvergunning
regulier op grond
van schrijnende
omstandigheden. Uit
het
dossier blijkt dat
eisers inmiddels
bezwaar hebben
gemaakt tegen het
niet tijdig
beslissen op die
aanvraag. De
rechtbank heeft de
IND op grond van
artikel 8:45, eerste
en tweede lid,
Algemene wet
bestuursrecht (Awb)
om inlichtingen
verzocht over deze
aanvraag. De IND
heeft de rechtbank
meegedeeld dat (nog)
geen beslissing is
genomen. Op grond
van het voorgaande
neemt de rechtbank
aan dat eisers en
hun kinderen
rechtmatig in
Nederland
verblijven.
2.30 Hoewel de
Nederlandse staat
eisers en hun
kinderen niet tot
zijn grondgebied
heeft toegelaten,
heeft hij welbewust
aanvaard en
toegestaan dat zij
gedurende een zekere
tijd in Nederland
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
verblijven. Aldus
heeft de Nederlandse
staat ook een zekere
uit het IVRK
voortvloeiende
zorgplicht
ten opzichte van de
kinderen van eisers
op zich genomen,
zonder daarbij
overigens iets af te
doen
aan de primaire
verantwoordelijkheid
van eisers als
ouders van deze
kinderen.
2.31 Eisers hebben
naar voren gebracht,
en door verweerder
is niet betwist, dat
eisers niet meer
zullen beschikken
over
bestaansmiddelen
nadat verweerder tot
feitelijke
beëindiging van de
verstrekkingen zal
overgaan. Eisers
zullen daarom,
hoewel zij
rechtmatig in
Nederland
verblijven,
niet meer
zelfstandig kunnen
voldoen aan hun
zorgplicht als
ouders. Gedurende de
periode waarin
de kinderen
rechtmatig in
Nederland
verblijven, is de
toepassing van
artikel 23 Rva 2005
en de
Herziene Werkwijze
Stappenplan III
jegens de kinderen
van eisers op grond
van artikel 2,
eerste lid,
IVRK, tegen de
achtergrond van het
beginsel van
verhoogde
beschermwaardigheid
van kinderen in
het algemeen en met
inachtneming van
artikel 2, tweede
lid, artikel 3 en
artikel 27 IVRK in
het
bijzonder, naar het
oordeel van de
rechtbank geen
evenredig middel om
te voldoen aan de
doelstelling van de
Wet COA en de Rva
2005.
2.32 Onverkorte
toepassing van
artikel 23 Rva 2005
en de Herziene
Werkwijze
Stappenplan III op
de kinderen van
eisers is daarom in
dit geval in strijd
met artikel 2,
eerste lid, IVRK.
Verweerder
heeft ten onrechte
de verstrekkingen
ten behoeve van de
minderjarige
kinderen beëindigd.
2.33 De rechtbank
zal het beroep
gegrond verklaren.
Verweerder heeft het
bestreden besluit in
strijd
met artikel 2,
eerste lid, IVRK
genomen.
2.34 De rechtbank
zal het bestreden
besluit vernietigen.
2.35 De rechtbank
zal met toepassing
van artikel 8:75,
eerste en derde lid,
Awb verweerder
veroordelen in de
kosten die eisers
hebben gemaakt en de
rechtspersoon
aanwijzen die de
kosten
moet vergoeden. De
kosten zijn
ingevolge het
Besluit proceskosten
bestuursrecht €
805,-(1 punt
voor het
beroepschrift, 1
punt voor het
verschijnen ter
zitting en 0,5 punt
voor het verschijnen
ter
nadere zitting,
wegingsfactor 1).
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het
beroep gegrond;
3.2 vernietigt het
bestreden besluit;
3.3 veroordeelt
verweerder in de
kosten ad € 805,-en
draagt het Centraal
Orgaan opvang
asielzoekers op deze
kosten aan eisers te
voldoen.
Deze uitspraak is
gedaan door mr. E.B.
de Vries-van den
Heuvel, voorzitter,
en mrs. M.A.C.
Hofman en J.P. Smit,
leden van de
meervoudige kamer
voor
vreemdelingenzaken,
en uitgesproken
in het openbaar op
22 mei 2006, in
tegenwoordigheid van
mr. J. van der Kluit
als griffier.
afschrift verzonden
op:
Coll:
Rechtsmiddel
Partijen kunnen
tegen deze uitspraak
hoger beroep
instellen bij de
Raad van State,
Afdeling
bestuursrechtspraak,
Hoger beroep
vreemdelingenzaken,
postbus 16113, 2500
BC, ’s-Gravenhage.
Het hoger beroep
moet ingesteld
worden door het
indienen van een
beroepschrift, dat
een of meer
grieven bevat,
binnen vier weken na
verzending van de
uitspraak door de
griffier. Bij het
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
beroepschrift moet
worden gevoegd een
afschrift van deze
uitspraak.
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK

Nr. 3 Casus
strafrecht
LJN: AV0355,
Rechtbank Groningen
, 18/040841-04
Datum uitspraak:
25-01-2006
Datum publicatie:
25-01-2006
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure:
Raadkamer
Inhoudsindicatie:
Gegrondverklaring
bezwaarschrift
minderjarige tegen
het bepalen en
verwerken
van haar
DNA-profiel. De
rechtbank is van
oordeel dat gelet op
het gestelde in
artikel 8 EVRM en
artikel 40 IVRK bij
de afweging over de
toepasbaarheid van
de Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden op
een minderjarige de
persoonlijke e
belangen van de
minderjarige
afgewogen dienen te
worden tegen het
algemeen
maatschappelijk
belang en dat
daarbij gelet op
artikel 3 IVRK het
belang van de
minderjarige de
eerste overweging
dient te vormen.
Daarbij dient
gekeken te
worden naar de
leeftijd van de
veroordeelde ten
tijde van het begaan
van het
misdrijf, de reële
ernst van het feit,
de omstandigheden
waaronder deze is
begaan, de mate van
eventuele recidive
en de overige
persoonlijke
omstandigheden van
de veroordeelde. De
rechtbank is van
oordeel dat de
belangen van
veroordeelde in casu
het zwaarst moeten
wegen.
Uitspraak k
RECHTBANK GRONINGEN
Sector Strafrecht
Parketnummer : [***]
Kenmerk : [***]
BESLISSING van de
rechtbank te
Groningen,
meervoudige
raadkamer voor
strafzaken, in de
zaak
van:
[***],
geboren op [***] te
[***],
wonende aan de
[***], [***] te
[***],
hierna te noemen
"veroordeelde".
PROCEDURE
Op 9 september 2005
heeft de officier
van justitie bevolen
dat van veroordeelde
celmateriaal zal
worden afgenomen ten
behoeve van het
bepalen en verwerken
van haar
DNA-profiel. Bij
veroordeelde is op 5
oktober 2005
celmateriaal
afgenomen. Namens
veroordeelde is op
12 oktober
2005 hiertegen een
bezwaarschrift
ingediend.
De rechtbank heeft
kennis genomen van
het bezwaarschrift
alsmede van het
strafdossier met het
hierboven genoemde
parketnummer.
De officier van
justitie,
veroordeelde en de
raadsvrouw, mr.
H.G.E. Klatter
advocaat te Veendam,
zijn gehoord ter
openbare
terechtzitting van
11 januari 2006.
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
BEOORDELING G
De rechtbank is uit
het strafdossier
onder voornoemd
parketnummer
gebleken dat
veroordeelde bij
vonnis d.d. 30 maart
2005 door deze
rechtbank in eerste
aanleg is
veroordeeld ter zake
van
medeplegen van
poging tot zware
mishandeling tot een
taakstraf, bestaande
uit een werkstraf
voor de
duur van 70 uren,
alsmede tot 1 maand
voorwaardelijke
jeugddetentie met
een proeftijd van 1
jaar.
Blijkens het door de
raadsvrouw ter
terechtzitting
overgelegde arrest
d.d. 6 december 2005
van het
Gerechtshof te
Leeuwarden is
voornoemd vonnis van
de rechtbank
vernietigd. Het Hof
heeft
medeplegen van
poging tot zware
mishandeling bewezen
verklaard en heeft
als straf opgelegd
een
taakstraf, bestaande
uit een werkstraf
voor de duur van 50
uren. .
Namens veroordeelde
is ter
terechtzitting
aangevoerd dat
toepassing van de
onderhavige
wettelijk
bepalingen
disproportioneel is
en dat aan de
uitzonderingsbepaling
van artikel 2,
eerste lid, onder b,
van de Wet
DNA-onderzoek bij
veroordeelden ten
onrechte geen
toepassing is
gegeven. Hierbij is
gewezen op de
minderjarigheid van
veroordeelde, haar
geringe bijdrage aan
het
bewezenverklaarde,
haar verder blanco
strafblad, alsmede
op de afwezigheid
van de kans op
herhaling, zoals
deze ook k
door het Gerechthof
te Leeuwarden is
aangenomen.
De officier van
justitie heeft ter
terechtzitting
aangegeven dat de
onderhavige
wettelijke
bepalingen
de ruimte voor de
door de raadsvrouw
voorgestelde
afweging niet geeft.
De rechtbank stelt
vast dat ingevolge
artikel 2, eerste
lid, van de Wet
DNA-onderzoek bij
veroordeelden, de
officier van
justitie beveelt dat
van een veroordeelde
wegens een misdrijf
als
omschreven in
artikel 67, eerste
lid, van het Wetboek
van Strafvordering,
celmateriaal zal
worden
afgenomen ten
behoeve van het
bepalen en verwerken
van het DNA-profiel,
tenzij:
A) van deze persoon
reeds een
DNA-profiel is
verwerkt;
B) redelijkerwijs
aannemelijk is dat
het bepalen en
verwerken van zijn
DNA-profiel gelet op
de aard
van het misdrijf of
de bijzondere
omstandigheden
waaronder het
misdrijf is gepleegd
niet van
betekenis zal kunnen
zijn voor de
voorkoming,
opsporing,
vervolging en
berechting van
strafbare
feiten van de
veroordeelde.
De rechtbank stelt
vast dat het door
veroordeelde
gepleegde een
misdrijf is als
omschreven in
artikel
67, eerste lid, van
het Wetboek van
Strafrecht. Tijdens
het onderzoek ter
terechtzitting is de
rechtbank niet
gebleken dat van
veroordeelde reeds
een DNA-profiel is
verwerkt als
hiervoor
bedoeld. Voorts is
de rechtbank van
oordeel dat evenmin
door het namens
veroordeelde
aangevoerde e
redelijkerwijs
aannemelijk is
geworden dat het
bepalen en verwerken
van het DNA-profiel
van
veroordeelde gelet
op de aard van het
misdrijf of de
bijzondere
omstandigheden
waaronder het t
misdrijf is gepleegd
niet van betekenis
zal kunnen zijn voor
de voorkoming,
opsporing,
vervolging
en berechting van
strafbare feiten van
veroordeelde.
Gelet op het
voorgaande is de
rechtbank van
oordeel dat aan de
vereisten gesteld in
artikel 2, eerste
lid, van de Wet
DNA-onderzoek bij
veroordeelden is
voldaan.
De rechtbank is
voorts van oordeel
dat bij de
beoordeling van de
vraag of het bepalen
en verwerken
van het DNA-profiel
aangewezen is
meegewogen dient te
worden dat
veroordeelde
minderjarig was
ten tijde van het
plegen van het
misdrijf en dat zij
is veroordeeld met
toepassing van het
kinderstrafrecht.
Bij deze beoordeling
dient naar het
oordeel van de
rechtbank het
gestelde in artikel
40 van het
Internationale
verdrag inzake de
rechten van het kind
(hierna: IVRK),
alsmede het
gestelde in artikel
8 van het Verdrag
tot bescherming van
de rechten van de
mens en de
fundamentele
vrijheden (hierna:
EVRM) in hun
onderlinge samenhang
betrokken te worden.
Hierbij
is van belang dat
naast artikel 8 EVRM
eveneens artikel 40
IVRK, mede gelet op
het gestelde in
onder andere het
arrest van het
Gerechtshof te
's-Gravenhage d.d.
24 april 1997 (NJ
1997, 477)
rechtstreekse
werking heeft.
Voornoemde artikelen
zijn gericht op
bescherming tegen
inbreuken op de
onaantastbaarheid
van het
Jurisprudentie
toepassing belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK
lichaam en de
persoonlijke
levenssfeer en
bescherming tegen
een behandeling van
minderjarigen die
afbreuk doet aan het
gevoel van
waardigheid en
eigenwaarde van het
kind dan wel aan de
bevordering van de
herintegratie van
het kind en de
aanvaarding door het
kind van een
opbouwende
rol in de
samenleving.
Uit de
wetsgeschiedenis
(Kamerstukken 26
685, nr.3) blijkt
dat de wetgever
heeft erkend dat
niet
alleen afname van
celmateriaal maar
ook het bepalen en
verwerken van een
DNA-profiel in
strijd
met artikel 8 EVRM
kan zijn en dat
juist, mede met het
oog hierop, artikel
2, eerste lid, onder
b, en
de
bezwaarschriftprocedure
van artikel 7 in de
Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden is
opgenomen.
De rechtbank is uit
de wetsgeschiedenis
niet gebleken dat de
wetgever bij de
beoordeling van de
toepasbaarheid van
de bepalingen van de
onderhavige wet op
minderjarigen het in
artikel 40 IVRK
gestelde heeft
meegewogen.
De rechtbank is van
oordeel dat gelet op
het gestelde in
artikel 8 EVRM en
artikel 40 IVRK bij
de
afweging over de
toepasbaarheid van
de onderhavige wet
op een minderjarige
de persoonlijke
belangen van de
minderjarige
afgewogen dienen te
worden tegen het
algemeen
maatschappelijk
belang en dat
daarbij gelet op
artikel 3 IVRK het
belang van de
minderjarige de
eerste overweging
dient te vormen.
Daarbij dient
gekeken te worden
naar de leeftijd van
de veroordeelde ten
tijde van n
het begaan van het
misdrijf, de reële
ernst van het feit,
de omstandigheden
waaronder deze is
begaan, de mate van
eventuele recidive
en de overige
persoonlijke
omstandigheden van
de
veroordeelde.
In onderhavige zaak
is de rechtbank
gebleken dat
veroordeelde ten
tijde van het plegen
van het
misdrijf 16 jaar oud
was. Haar bijdrage
aan het bewezen
verklaarde is
beperkt gebleven tot
het geven
van één schop tegen
het been van het
slachtoffer. Zij is
niet eerder
veroordeeld en heeft
evenmin na
september 2004
strafbare feiten
gepleegd. Blijkens
de rapportages van
de Raad voor de
Kinderbescherming
d.d. 27 oktober 2004
en 28 november 2005
is veroordeelde
geschrokken van
hetgeen er is
gebeurd en van de
nasleep daarvan. .
De Raad is van
mening dat er geen
risico's zijn met
betrekking tot de
verdere ontwikkeling
en er
evenmin aanwijzingen
zijn voor
psychopathologie dan
wel achterliggende
problematiek. Het
Hof
heeft in het arrest
d.d. 6 december 2005
deze conclusies
overgenomen.
Daarnaast heeft het
Hof
geoordeeld dat
veroordeelde
zelfstandiger is
geworden in het haar
oordeelsvorming en
genuanceerder in
haar oordeel is.
Mede hierdoor heeft
het Hof geoordeeld
dat het
bewezenverklaarde
als een incident mag
worden beschouwd.
De rechtbank is
gelet hierop van
oordeel dat op grond
van een afweging van
de persoonlijke
belangen van
veroordeelde
enerzijds en
anderzijds het
algemeen
maatschappelijk
belang van
beveiliging tegen
misdrijven de
belangen van
veroordeelde in casu
het zwaarst moeten
wegen.
De rechtbank zal
derhalve het
bezwaarschrift
gericht tegen het
bepalen en verwerken
van het DNA-A-
profiel van
veroordeelde gegrond
verklaren. De
officier van
justitie dient op
grond van artikel 7,
tweede lid, van de
Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden
ervoor zorg te
dragen dat het
celmateriaal
van de veroordeelde
terstond wordt
vernietigd.
BESLISSING
De rechtbank
verklaart het
bezwaarschrift
gegrond en beveelt
de officier van
justitie ervoor zorg
te
dragen dat het
celmateriaal van
veroordeelde wordt
vernietigd.
Deze beslissing is
aldus gegeven door
mrs. J.G. Idsardi,
voorzitter en
kinderrechter, F.
Sijens en J.
Hielkema,
kinderrechters, in
tegenwoordigheid van
mr. C.H. Beuker als
griffier en
uitgesproken ter
openbare
terechtzitting van
25 januari 2006.
Mr. F. Sijens was
buiten staat deze
beslissing mede te
ondertekenen.
Literatuurlijst
Boeken:
* Alston 1994
P. Alston, The best
interests of the
child: Reconciling
Culture and Human
Rights, Oxford:
Clarendon
Press 1994.
* Alston &
Gilmour-Walsh 1996
P. Alston & B.
Gilmour-Walsh, The
Best Interests of
the Child: Towards a
Synthesis of
Children’s
Rights and Cultural
Values, Unicef 1996.
* Bartels 2003
J.A.C. Bartels,
Jeugdstrafrecht,
Deventer: Kluwer
2003.
Literatuurlijst
* Cardol &
Theunissen 2007
G. Cardol & W.
Theunissen, Het
kind: bijzonder
belangrijk. Over het
belang van het kind
in het werk
van de Raad van de
Kinderbescherming,
Amsterdam: SWP 2007.
* Den Boon &
Geeraerts 2005
T. den Boon & D.
Geeraerts, Van Dale
Groot Woordenboek
van de Nederlandse
taal,
Utrecht/Antwerpen:
Van Dale
Lexicografie: 2005.
* Van Bueren 1995
G. van Bueren, The
International Law on
the Rights of the
Child, Boston:
Martinus Nijhoff
Publishers
1995.
* Detrick 1999
S. Detrick, A
Commentary on the
United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Den Haag:
Kluwer Law
International 1999.
* Freeman 2007
M. Freeman, The Best
Interests of the
Child, London:
Martinus Nijhoff
Publishers 2007.
* Kalverboer &
Zijlstra 2006
M. Kalverboer & E.
Zijlstra, Het belang
van het kind in het
Nederlandse recht;
voorwaarden voor
ontwikkeling vanuit
een pedagogisch
perspectief,
Amsterdam: SWP 2006.
* Kuijer 2005
A. Kuijer,
Nederlandse
Vreemdelingenrecht,
Den Haag: Boom
Juridische Uitgevers
2005.
* Meuwese, Blaak &
Kaandorp 2005
S. Meuwese, M. Blaak
& M. Kaandorp,
Handboek
Internationaal
Jeugdrecht,
Nijmegen: Ars Aequi
Libri 2005.
* Opstellen
aangeboden aan prof.
mr. Madzy Rood de
Boer ter gelegenheid
van haar emiraat
1988
Met het oog op het
belang van het kind,
Deventer: Kluwer
1988.
* Pontier 1995
J.A. Pontier,
Rechtsvinding,
Nijmegen: Ars Aequi
Libri 1995.
* Stegerhoek 1995
N.A. Stegerhoek, De
publieke kant van
het jeugdrecht;
publieke aspecten
van het civiele
jeugdrecht
nader beschouwd,
Zwolle: Tjeenk
Willink 1995.
* Weenink 1990
J.B. Weenink, Het
belang van het kind
in het geding; Over
opvoeding en
kinderbescherming,
Amsterdam: VU
Uitgeverij 1990.
* Willems 1999
J. Willems, Wie zal
de opvoeders
opvoeden?:
kindermishandeling
en het recht van het
kind op
persoonswording, Den
Haag: T.M.C. Asser
Press 1999.
Tijdschriften:
* Barrat & Burman
2001
A. Barratt & S.
Burman, ‘Deciding
the best interest of
the child: an
International
perspective
on custody
decision-making’, S.
African L.J. 556
2001.
Literatuurlijst t
* Cardol 2007
G. Cardol, ‘De
betekenis van het
Internationale
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
voor
gezinshereniging’,
Migrantenrecht 1+2,
2007.
* Cardol 2005
G. Cardol, ‘Het
belang van het kind
in het
vreemdelingenrecht’,
Migrantenrecht,
jaargang 19, april
2005, nr.2
* Duijst 2002
W. Duijst,
‘Jeugdadvocatuur’,
FJR-nr. 2, februari
2002.
* Emmerik 2005
M. Emmerik,
‘Toepassing van het
kinderrechtenverdrag
in de Nederlandse
rechtspraak’, NCJM-
Bulletin, jrg. 30,
2005.
* Heiner & Bartels
1989
J. Heiner & A.A.J
Bartels,
‘Jeugdstrafrecht en
het belang van het
kind: het belang van
het kind nader
omschreven’, FJR
1989-3.
* Kalverboer &
Winter 2006
M.Kalverboer & H.
Winter,
‘Asielgezinnen en
kinderrechten. Het
belang van het kind
en het recht op
ontwikkeling in de
Nederlandse
asielpraktijk’,
Journaal
Vreemdelingenrecht
2006/10.
* Tobin 2004
J. Tobin, ‘The
Convention on the
Rights of the Child:
The Rights and Best
Interests of
children
Conceived Through
Assisted
Reproduction’,
Victorian Law Reform
Commission 2004.
Documenten:
* UN Doc.
E/CN.4/1292.
* UN Doc.
E/CN.4/1989/48.
* VluchtenlingenWerk
Nederland,
Vluchtweb, april
2007.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Croatia,
CRC/C/15/Add.243, 1
oktober 2004.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment no.
5; General measures
of implementation of
the Convention on
the Rights of the
Child (artt. 4, 42
en 44, para 6),
CRC/GC/2003/5, 27
november 2003.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Nicaragua,
CRC/C/15/Add.108, 24
augustus 1999.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment no.
7; Implementing
child
rights in early
childhood,
CRC/C/GC/7, 20
september 2006.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment no.
8; The right of the
child to protection
from corporal
punishment and other
cruel or degrading
forms of punishment
(artt.
19; 28, para. 2; en
27, inter alia),
CRC/C/GC/8, 2 maart
2007.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment
no.10; Children’s
rights in
Juvenile Justice,
CRC/C/GC/10, 9
februari 2007.
Literatuurlijst
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Albania,
CRC/C/15/Add.249, 31
maart 2005.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Bolivia,
CRC/C/15/Add.95, 26
oktober 1998.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Algeria,
CRC/C/15/Add.269, 12
oktober 2005.
* United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations Yemen,
CRC/C/15/Add.267, 21
september 2005.
Kamerstukken:
* Kamerstukken II
1984/85, 18964, nrs.
1-3 (MvT.)
* Kamerstukken II
1991/92, 21327, nr.
6.
* Kamerstukken II
1992/93, 22855
(R1451), nr. 3
(MvT).
* Kamerstukken II
1999/2000, 27062,
nr. 2.
* Kamerstukken II
2002/03, 27062, nr.
21.
* Kamerstukken II
2006/07, 19637, nr.
1089.
Staatsbladen:
* Staatsblad 1997,
nr. 463, Besluit van
6 oktober 1997
regels voor
geslachtsnaamwijziging
Elektronische
bronnen:
*
http://www.vandale.nl/vandale/opzoeken/woordenboek/?zoekwoord=belang
*
http://www.devon.gov.uk/index/cyps/fostering/foster_carer-2/foster-care-handbook/fos-law-relat-tochild/
fos-law-relat-to-child2.htm
*
www.ohchr.org/english/bodies/crc/
*
www.ohchr.org/english/bodies/crc/discussion.htm
*
www.ohchr.org/english/about/publications/docs/fs10.htm
*
http://www.kinderbescherming.nl/fbi/flexpage/flexpage.asp?id=4061
*
http://www.kinderbescherming.nl/fbi/flexpage/flexpage.asp?id=31
Jurisprudentielijst
Jurisprudentielijst
Europese Hof van de
Rechten van de Mens:
* EHRM 28 november
1984, NJ 1986/4.
* EHRM 21 juni 1988,
nr. 10730/84.
* EHRM 27 oktober
1994, NJ 1995, 248.
* EHRM 7 augustus
1996, NJ 1998/324.
* EHRM 2 augustus
2001, nr. 54273/00.
* EHRM 8 juli 2003,
NJ 2004/136.
* EHRM 12 januari
2006, NJ 2006/487.
Jurisprudentielijst
* EHRM 31 januari
2006, nr. 50435/99.
* EHRM 31 januari
2006, nr. 50252/99.
* EHRM 18 oktober
2006. NJ 2007/415,
JV 2006/417.
* EHRM 22 maart
2007, nr. 1638/03.
Hoge Raad:
* HR 2 mei 1980, NJ
1980/537.
* HR 13 november
1981, NJ 1982/558.
* HR 16 april 1982,
NJ 1982/560.
* HR 7 mei 1982, NJ
1982/561.
* HR 4 mei 1984, NJ
1985/510.
* HR 30 mei 1986, NJ
1986, 688.
* HR 27 januari
1989, NJ 1990/55.
* HR 15 juni 1990,
NJ 1990/631.
* HR 16 november
1990, NJ 1991/475.
* HR 5 april 1991,
NJ 1992/24.
* HR 14 februari
1992, NJ 1992/766.
* HR 17 september
1993, NJ 1994/372.
* HR 17 september
1993, NJ 1994/373.
* HR 21 januari
1994, NJ 1994/361.
* HR 21 januari
1994, NJ 1994/362.
* HR 15 april 1994,
NJ 1994/608.
* HR 28 oktober
1994, NJ 1995/261.
* HR 26 januari
1996, NJ 1996/355.
* HR 21 november
1997, NJ 1998/164.
* HR 25 september
1998, NJ 1999/379.
* HR 10 september
1999, NJ 2000/20.
* HR 10 december
1999, NJ 2000/2.
Jurisprudentielijst
* HR 24 maart 2000,
NJ 2000/356.
* HR 7 april 2000,
NJ 2000/563.
* HR 16 februari
2001, LJN:AB0033.
* HR 25 september
2001, LJN: AD4300.
* HR 15 november
2002, LJN: AE8473.
* HR 24 januari
2003, NJ 2003/198.
* HR 31 oktober
2003, NJ 2004/315.
* HR 7 oktober 2005,
LJN: AT8249.
* HR 7 oktober 2005,
NJ 2005/564.
* HR 18 november
2005, NJ 2005/574.
* HR 9 december
2005, LJN: AU5279.
* HR 12 december
2006, LJN: AZ0699.
* HR 30 maart 2007,
LJN: AZ6719.
* HR 7 september
2007, LJN: BA3034.
Gerechtshof:
* Hof ’s-Gravenhage
24 april 1997 NJ
1997, 477.
* Hof Arnhem 26
augustus 2003, nr.
214/2003.
* Hof Arnhem 4
november 2003, LJN:
AO4525.
* Hof Arnhem 28
februari 2006, LJN:
AV3288.
* Hof ’s-Gravenhage
6 juni 2007, LJN:
BA9040.
* Hof
’s-Hertogenbosch 5
augustus 2004, LJN:
AR2251.
* Hof
’s-Hertogenbosch 28
september 2004, LJN:
AR7499.
* Hof
’s-Hertogenbosch 6
juni 2006, LJN:
AY6904.
* Hof
‘s-Hertogenbosch 8
november 2000, NJ
2001/659.
* Hof Leeuwarden 6
oktober 2004, LJN:
AR3391.
Rechtbank: :
Jurisprudentielijst
* Rechtbank Alkmaar
16 januari 2002,
LJN: AD9522.
* Rechtbank Alkmaar
26 oktober 2005, nr.
72690/FA RK 04-303.
* Rechtbank Alkmaar
7 februari 2007,
LJN: AZ8078.
* Rechtbank Assen 15
juni 2005, LJN:
AT7617.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp. ’s
Hertogenbosch 27
november 1998, AWB
98/2573.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Amsterdam 10 januari
2001, AWB 00/4773
S1813.
* Rechtbank ’s
Gravehage, zp.
Haarlem 1 maart
2001, nr. 02/13837.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Haarlem 29 juni
2001, LJN: AD6646.
* Rechtbank 's
Gravenhage 2 april
2002, LJN: AE1932.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Haarlem 1 maart
2002, LJN: AE5499.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Haarlem 19 maart
2002, LJN: AE6297.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Haarlem 29 augustus
2002, LJN: AF2534.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Haarlem 12 september
2002, AWB 02/66904.
* Rechtbank ’s
Gravenhage. zp.
Amsterdam 17 oktober
2002, AWB 02/75500.
* Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Amsterdam 3 april
2002, LJN: AE3481.
* Rechtbank 's
Gravenhage 27 juni
2003, LJN: AL8323.
* Rechtbank 's
Gravenhage 14
augustus 2003, LJN:
AM3133.
* Rechtbank 's
Gravenhage 10 mei
2004, LJN: AP0068.
* Rechtbank
’s-Gravenhage, zp.
Assen, 25 januari
2005, AWB 04/12984.
* Rechtbank ’s
Gravenhage 9
februari 2005, LJN:
AS6592, AWB
04/28266.
* Rechtbank ’s
Gravenhage 14 juli
2005, LJN; AT9575.
* Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Haarlem 22 mei 2006,
LJN: AX4451, AWB
05/27225, 05/27226.
* Rechtbank
Groningen 17 juni
2004, LJN: AP4368.
* Rechtbank
Groningen 17 maart
2005, LJN: AT2851.
* Rechtbank
Groningen 25 januari
2006, LJN: AV0355.
* Rechtbank
Groningen 31 januari
2006, LJN: AV2023.
* Rechtbank
Groningen 23 oktober
2006 LJN: AZ0759.
* Rechtbank
Groningen 13 juni
2007, LJN: BA7500.
Jurisprudentielijst
* Rechtbank Haarlem
28 maart 2007, LJN:
BA8329.
* Rechtbank Haarlem
7 augustus 2007,
LJN: BB2577.
* Rechtbank
’s-Hertogenbosch 28
februari 2002, LJN:
AI0691.
* Rechtbank
Leeuwarden 25
februari 2003, LJN:
AF4952.
* Rechtbank
Leeuwarden 9
februari 2005, LJN:
AS9135.
* Rechtbank
Maastricht 9 april
2002, LJN: AE2093.
* Rechtbank
Maastricht 8
februari 2002, LJN:
AE1345.
* Rechtbank
Maastricht 5
augustus 2005, LJN:
AU1654.
* Rechtbank Utrecht
24 juli 2002, LJN:
AN9168.
* Rechtbank Zwolle
17 februari 2003,
LJN: AF4890.
* Rechtbank Zwolle
19 maart 2003, LJN:
AF6180.
* Rechtbank Zwolle
26 januari 2005,
LJN: AS5309.
* Rechtbank Zwolle
19 oktober 2006,
LJN: AZ0619.
Afdeling Rechtspraak
Raad van State:
* ARRS 27 september
1977, AB 1978/153.
* ARRS 10 april
1986, AB 1989/25 .
* ARRS 4 februari
1987, AB 1989/26.
* ARRS 30 juli 1992,
AB 1994/44.
* ARRS 31 oktober
1994, AB 1995/39.
* ARRS 14 maart
1996, AB 1996/290.
Afdeling
Bestuursrechtspraak
Raad van State:
* ABRvS 30 september
2003, nr.
200304281/1, JV
2003/508
* ABRvS 24 september
2004, AV
200404485/1.
* ABRvS 19 mei 2005,
nr. 200500618/1.
* ABRvS 22 februari
2006, LJN: AW7300.
* ABRvS 22 februari
2006, nr.
200507814/1.
Jurisprudentielijst
* ABRvS 9 maart
2006, LJN: AV7779.
* ABRvS 23 maart
2006, nr.
200509769/1.
* ABRvS 15 februari
2007, nr.
200604499/1.
* ABRvS 7 augustus
2007, LJN: BB1719.
Centrale Raad van
Beroep
* CRvB 29 maart
2005, LJN: AT3468.
* CRvB 14 juni 2005,
LJN: AT8038.
* CRvB 5 juli 2005,
LJN: AT9963.
* CRvB 24 januari
2006, LJN: AV0197
05/3621 en 05/3622
WWB.
Voetnoten
1 Kamerstukken II
1992/93, 22 855
(R1451), nr. 3, p. 1
(MvT).
2 S. Meuwese, M.
Blaak & M. Kaandorp,
Handboek
Internationaal
Jeugdrecht,
Nijmegen: Ars Aequi
Libri
2005, p. 3.
3 Het IVRK is op 8
maart 1995 in
Nederland in werking
getreden.
4 HR 30 mei 1986, NJ
1986, 688.
5 Supra noot 1, p.
7.
6 M. Emmerik,
‘Toepassing van het
kinderrechtenverdrag
in de Nederlandse
rechtspraak’,
NJCM-Bulletin, jrg.
30, 2005, p. 703;
Rechtbank
’s-Gravenhage, zp.
Assen, 25 januari
2005, AWB 04/12984.
7 Supra noot 1, p.
8.
8 Zie o.a ABRvS 23
september 2004, AWB
200404485/1
(r.o.2.1.2).
9 Zie o.a. ABRvS 15
februari 2007, nr.
200604499/1 (r.o.
2.4.1).
10
Gevolg is dat er een
discrepantie is
tussen de zienswijze
van de hoogste en
laagste
rechtscolleges in
Nederland als het
gaat om het belang
van het kind in
artikel 3 lid 1 IVRK.
10 Rechtbank 's
Gravenhage 2 april
2002 LJN: AE1932 (r.o.
7), Rechtbank 's
Gravenhage 27 juni
2003 LJN:
AL8323 (r.o 3.7),
Rechtbank 's
Gravenhage 14
augustus 2003 LJN:
AM3133 (r.o. 4.6),
Rechtbank 's
Gravenhage
10 mei 2004 LJN:
AP0068 (r.o 4.6),
Gerechtshof
's-Hertogenbosch 28
september 2004 LJN:
AR7499 (r.o.
4.13), Rechtbank
Groningen 23 oktober
2006 LJN: AZ0759.
11 S. Detrick, A
Commentary on the
United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Den Haag: Kluwer r Law International
1999, p. 92. 12 M. Freeman, The
Best Interests of
the Child, London :
Martinus Nijhoff
Publishers 2007, p.
45. 13 P. Alston, The
best interest of the
Child: Reconciling
Culture and Human
Rights, Oxford:
Clarendon Press 1994, p. 13.
14 Supra noot 11, p.
90.
15 P. Alston & B.
Gilmour-Walsh, The
Best Interest of the
Child: Towards a
Synthesis of
Children’s Rights
and
Cultural Values,
Unicef: 1996, p. 10.
16 Supra noot 12, p.
48.
17 Supra noot 15, p.
10.
18 Supra noot 12, p.
61
19 Supra noot 11, p.
91.
20 Supra noot 13, p.
13.
22 Supra noot 12, p.
60.
23 Supra noot 15, p.
12.
24 T. den Boon & D.
Geeraerts, Van Dale
Groot Woordenboek
van de Nederlandse
taal,
Utrecht/Antwerpen:
Van Dale
Lexicografie 2005,
p. 346.
24 T. den Boon & D.
Geeraerts, Van Dale
Groot Woordenboek
van de Nederlandse
taal,
Utrecht/Antwerpen:
Van Dale
Lexicografie 2005,
p. 346.
25 http://www.vandale.nl/vandale/opzoeken/woordenboek/?zoekwoord=belang
(bezocht op 7
januari 2008)
25 http://www.vandale.nl/vandale/opzoeken/woordenboek/?zoekwoord=belang
(bezocht op 7
januari 2008)
28 Supra noot 11, p.
89.
29 E/CN.4/1292 para.
124.
30 Supra noot 12, p.
50
31 Supra noot 11, p.
89; UN Doc.
E/CN.4/1989/48,
para. 120.
32 Supra noot 1, p.
2.
33 Supra noot 15, p.
15.
34 Supra noot 15, p.
30.
35 Surpa noot 15, p.
31.
36 Supra noot 15, p.
15.
37 Supra noot 15, p.
31.
38 De Verenigde
Staten en Somalië
zijn geen partij bij
het IVRK.
39 Supra noot 13, p.
20.
40
Supra noot 13, p.
46.
41 Supra noot 13, p.
47.
42 Supra noot 15, p.
12.
43 Supra noot 12, p.
30.
44
http://www.devon.gov.uk/index/cyps/fostering/foster_carer-2/foster-care-handbook/fos-law-relat-to-child/foslaw-
relat-to-child2.htm
(bezocht op 23
februari 2008).
45 Supra noot 12, p.
31.
46 G. van Bueren,
The International
Law on the Rights of
the Child, Boston:
Martinus Nijhoff
Publishers 1995,
p. 47.
47 N.A. Stegerhoek,
De publieke kant van
het jeugdrecht;
publieke aspecten
van het civiele
jeugdrecht nader
beschouwd, Zwolle:
Tjeenk Willink 1995,
p. 129.
50 J. Tobin, ‘The
Convention on the
Rights of the Child:
The Rights and Best
Interests of
children Conceived
Through Assisted
Reproduction’,
Victorian Law Reform
Commission, augustus
2004, p. 4.
51 W. Duijst,
‘Jeugdadvocatuur’,
FJR-2, februari
2002, p. 50.
52 A. Barratt & S.
Burman, ‘Deciding
the best interest of
the child: an
International
perspective on
custody
decision-making’, S.
African L.J. 556,
2001, p. 556.
53 Supra noot 46, p.
47.
54 J. Eekelaar, ‘The
Importance of
Thinking That
Children Have
Rights’, in: M.
Freeman, A
Commentary on the
United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
London; Martinus
Nijhoff Publishers
2007, p. 27.
55 Joachim Wolf,
‘The concept of the
“best interests” in
terms of the UN
Convention on the
Rights of the
Child’,
in: J. Willems, Wie
zal de opvoeders
opvoeden?:
kindermishandeling
en het recht van het
kind op
persoonswording, Den
Haag: T.M.C. Asser
Press 1999, p. 304.
56 J.E. Doek, ‘Het
belang van het kind
en het recht’, in:
J.B. Weenink, Het
belang van het kind
in het geding;
Over opvoeding en
kinderbescherming,
Amsterdam: VU
Uitgeverij 1990, p.
75
57 G. Cardol, ‘De
betekenis van het
Internationale
Verdrag inzake de
Rechten van het Kind
voor
gezinshereniging’,
Migrantenrecht 1+2,
2007, p. 39.
58 Artikel 45 sub b
IVRK.
59
http://www.ohchr.org/english/bodies/crc/
(bezocht op 23
augustus 2007)
60
http://www.ohchr.org/english/bodies/crc/discussion.htm
(bezocht op 26
augustus 2007)
62 Zie o.a. United
Nations Convention
on the Rights of the
Child, Concluding
Observations
Croatia,
CRC/C/15/Add.243, 1
oktober 2004, para.
25.
63 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment no.
5; General measures
of
implementation of
the Convention on
the Rights of the
Child (arts. 4, 42
en 44, para 6),
CRC/GC/2003/5, 27
november 2003, para.
12.
64 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Nicaragua,
CRC/C/15/Add.108, 24
augustus 1999, para.
25.
65 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment no.
7; Implementing
child rights in
early childhood,
CRC/C/GC/7, 20
september 2006,
para. 13b.
61
http://www.ohchr.org/english/about/publications/docs/fs10.htm
(bezocht op 26
augustus 2007)
66 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment no.
8; The right of the
child to
protection from
corporal punishment
and other cruel or
degrading forms of
punishment (artt.
19; 28, para. 2; en
27, inter alia),
CRC/C/GC/8, 2 maart
2007, para. 26.
67 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
General Comment
no.10; Children’s
rights in Juvenile
Justice,
CRC/C/GC/10, 9
februari 2007, para.
4b.
68 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Albania,
CRC/C/15/Add.249, 31
maart 2005, para.
26.
69 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Bolivia,
CRC/C/15/Add.95,
26 oktober 1998,
para. 18.
70 United Nations
Convention on the
Rights of the Child,
Concluding
Observations
Algeria,
CRC/C/15/Add.269,
12 oktober 2005,
para. 30.
71 Zie o.a. United
Nations Convention
on the Rights of the
Child, Concluding
Observations Yemen,
CRC/C/15/Add.267, 21
september 2005,
para. 36.
72 J. Heiner & A.A.J
Bartels,
‘Jeugdstrafrecht en
het belang van het
kind: het belang van
het kind nader
omschreven’, FJR
1989-3, p. 62.
73 M. Kalverboer &
E. Zijlstra, Het
belang van het kind
in het Nederlandse
recht; voorwaarden
voor
ontwikkeling vanuit
een pedagogisch
perspectief,
Amsterdam: SWP 2006,
p. 10.
74 Ibid. p. 30.
75 Ibid. p. 73.
76 Zie bijlage 2
voor de gehele
vragenlijst.
77 Supra noot 73, p.
62.
78 Supra noot 73, p.
31
79 Supra noot 73, p.
30.
80 Volgens de
rechtbank Maastricht
5 augustus 2005,
LJN: AU1654, (r.o 2)
heeft het kind recht
op een zo
harmonisch mogelijke
ontwikkeling en
verzorging. In
rechtbank Maastricht
8 februari 2002,
LJN: AE1345,
81 Artikel 1:251 lid
2 BW bepaalt dat na
ontbinding van het
huwelijk anders dan
door de dood of na
scheiding
van tafel en bed
ouders die
gezamenlijk het
gezag hebben, dit
gezag gezamenlijk
blijven uitoefenen,
tenzij de
rechter op verzoek
van de ouders of een
van hen in het
belang van het kind
bepaalt dat het
gezag over een kind
of de kinderen aan
een van hen alleen
toekomt.
82 Ook in het kader
van het
vreemdelingenrecht
werd een verwijzing
naar artikel 7 lid 1
IVRK gemaakt. De
rechtbank Groningen
bepaalde in de zaak
van 17 maart 2005,
LJN: AT2851 dat het
in het belang van
het kind is
om zekerheid omtrent
zijn afstamming te
hebben. Moeder stond
op het punt uitgezet
te worden naar
Angola,
terwijl één van de
kinderen nog niet de
Nederlandse
nationaliteit had en
daardoor eveneens
het risico liep uit
te
worden gezet. Vader,
die het kind al wel
had erkend, vroeg om
gerechtelijke
vaststelling van het
vaderschap met
als rechtsgevolg het
verkrijgen van het
Nederlanderschap
door het kind. De
rechtbank oordeelde
dat het niet in
het belang van het
kind is wanneer hij
een status als
illegale vreemdeling
heeft en daardoor
kan worden uitgezet.
Gerechtelijke
vaststelling was
daarom nodig.
83 Hoge Raad van 10
september 1999, NJ
2002/20 (r.o 3.4),
zie voor behandeling
van het arrest §
5.2.2.
84 Rechtbank Zwolle
19 oktober 2006,
LJN: AZ0619.
85 Er is hier sprake
van
draagmoederschap. De
draagmoeder staat
het kind dat zij
baart af aan de
mensen die het
kind willen gaan
opvoeden
(wensouders). De
draagmoeder baart
het kindje dat
biologisch van
wensvader of
beide wensouders kan
zijn doordat zaad
van de wensvader
wordt gebruikt of
een eitje van de
wensmoeder en
zaad van de
wensvader.
86 Dit is het geval
wanneer het kind
opgroeit in een
situatie waarin zijn
zedelijke of
geestelijke belangen
of
gezondheid ernstig
worden bedreigd en
andere middelen om
deze bedreiging
tegen te gaan,
gefaald hebben of
zullen falen. Indien
dit het geval is
wordt een
ondertoezichtstelling
uitgesproken en in
sommige gevallen tot
uithuisplaatsing
overgegaan. Zie
jurisprudentie over
ondertoezichtstelling
(artikel 1:254 Bw)
en uithuisplaatsing
(artikel 1:261 Bw) §
5.2.5.
87 Zie artikelen
1:254 BW
(ondertoezichtstelling),
1:261 BW
(uithuisplaatsing),
1:266 BW
(ontheffing) en
1:269
BW (ontzetting).
88 Gerechtshof
Leeuwarden 6 oktober
2004, LJN: AR3391
(r.o. 19)
89 Ibid (r.o. 21).
90 Ibid (r.o. 22).
Zie ook rechtbank
Haarlem 28 maart
2007, LJN: BA8329.
In dit arrest werd
gewezen op het
belang van het kind
om beschermd te
worden tegen een
niet goed
voorbereide overgang
van een optimale
verzorging en
opvoeding door de
pleegouders, naar
een onbekende en
onveilige situatie.
Het kind verblijft
in een
pleeggezin zonder
dat een
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
is uitgesproken. In
het vorige
pleeggezin is
de jongen seksueel
misbruikt. Nu moeder
ongewenst wordt
verklaard en haar
kind mee wil nemen
naar het
buitenland, moet aan
het belang van
gezinsleven waarde
worden gehecht, maar
ook aan het belang
van
continuering van
verblijf in een
stabiele situatie.
Beide belangen
werden in deze zaak
in acht genomen door
het
kind niet meteen mee
te geven aan moeder,
maar een
geleidelijke
overgang voor het
kind te creëren
waarin het
aan zijn moeder kan
wennen terwijl het
nog bij zijn
pleegouders
verblijft.
91 Supra noot 88
(r.o. 23-24).
92 Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Amsterdam 10 januari
2001, AWB 00/4773
S1813 (r.o. 2-3).
De referte-eis houdt
in dat aangenomen
wordt dat er geen
gezinsband is met de
kinderen, wanneer de
ouders die
meer dan vijf jaar
daarvoor hebben
achtergelaten in het
land van herkomst.
De referte-eis is 8
september 2006
nagenoeg afgeschaft
(Kamerstukken II
2006/07, 19637, nr.
1089).
93 Ibid (r.o. 7-10).
94 Zie o.a.
Rechtbank
’s-Gravenhage 14
juli 2005, LJN:
AT9575. Het ging in
deze zaak om een
ongewenst
verklaarde
vreemdeling. De
vreemdeling doet een
beroep op artikel 3
lid 1 IVRK en
artikel 8 EVRM. De
vreemdeling stelt
dat het gezinsleven
met zijn echtgenote
en kinderen niet tot
uitzetting kan
leiden. Een beroep
op artikel 8 EVRM
kon niet slagen. Er
was sprake van een
inmenging in het
recht op
gezinsleven, maar
deze
inmenging was
gerechtvaardigd op
grond van het belang
van openbare orde.
Ook was er geen
objectieve
belemmering om met
het gezin in Turkije
te gaan wonen (r.o.
9.3). Het belang van
het kind was volgens
de
rechter het belang
van gezinsleven
tussen vader het
kind (r.o. 10). Het
belang van het kind
werd op deze manier
uit artikel 8 EVRM
afgeleid.
95 Een
gerechtvaardigde
inmenging van de
staat op het recht
op gezinsleven kan
op grond van artikel
8 lid 2
EVRM worden gemaakt
indien deze
inmenging bij de wet
is voorzien en in
een democratische
samenleving
noodzakelijk is in
het belang van de
nationale
veiligheid, de
openbare veiligheid
of het economisch
welzijn van
het land, het
voorkomen van
wanordelijkheden en
strafbare feiten, de
bescherming van de
gezondheid of de
goede zeden of voor
de bescherming van
de rechten en
vrijheden van
anderen.
96 Rechtbank Alkmaar
16 januari 2002,
LJN: AD9522.
97 Zie o.a Rechtbank
Leeuwarden 9
februari 2005, LJN:
AS9135, Rechtbank
Assen 15 juni 2005,
LJN: AT7617.
Beide arresten gaan
over de vraag of
postume adoptie
moest worden
toegestaan. Postume
adoptie betekent dat
de
overblijvende
echtgenoot na het
overlijden van de
andere echtgenoot
een adoptieverzoek
kan doen, indien het
voornemen tot
adoptie al aanwezig
was tijdens het
huwelijk van de
echtgenoten, maar
het overlijden van
een van
hen in de weg heeft
gestaan aan de
uitvoering van dit
verzoek. De
mogelijkheid van
postume adoptie is
met de
erkenning van
éénouderadoptie op 1
april 1998 komen te
vervallen. Met het
vervallen van de
postume adoptie
moesten de
adoptiemogelijkheden
niet worden beperkt,
maar juist worden
verruimd. Het belang
van het kind
diende voorop te
staan. In beide
arresten wordt
verwezen naar
artikel 21 IVRK en
werd toekenning van
de
postume adoptie in
het belang van het
kind geacht. In de
laatste genoemde
zaak oordeelde de
rechter dat het
geadopteerde kind,
dat haar beide
adoptiefouders en
broer verloor door
een auto-ongeluk,
juridische banden
moest krijgen met
haar sociale familie
(de familie van haar
adoptiefouders die
haar nu verzorgen)
en dat het
tevens in haar
belang is dat zij in
een
familierechtelijke
betrekking met haar
sociale familie komt
te staan.
98 Zie de zaak van
rechtbank Utrecht 24
juli 2002, LJN: AN
9168 verder
uitgewerkt in §
4.2.4.
99 Artikel 1:251 lid
2 Bw.
100 Supra noot 83.
101 Rechtbank
Alkmaar 26 oktober
2005, nr. 72690/FA
RK 04-303.
102 Rechtbank
Alkmaar 7 februari
2007, LJN: AZ8078.
103 Rechtbank
’s-Hertogenbosch 28
februari 2002, LJN:
AI0691 (r.o. 4),
Rechtbank Zwolle 19
maart 2003, LJN:
AF6180, Rechtbank
Groningen 17 juni
2004, LJN: AP4368,
Rechtbank Groningen
13 juni 2007, LJN:
BA7500
(de rechtbank
verwijst niet naar
artikel 3 lid 1 en
20 lid 3 IVRK, de
Raad van de
Kinderbescherming
verwijst
hier wel naar. Ook
artikel 6 lid 2 IVRK
wordt door de Raad
genoemd), Rechtbank
Haarlem 7 augustus
2007,
LJN: BB2577 (r.o.
4.8), Hof
‘s-Hertogenbosch 8
november 2000, NJ
2001/659 (r.o.
4.12), Hof Arnhem 26
augustus 2003, nr.
214/2003 (r.o. 4.6),
Hof Arnhem 4
november 2003, LJN:
AO4525 (r.o. 4.6),
Hof ’s-
Hertogenbosch 5
augustus 2004, LJN:
AR2251 (r.o. 4.7.3),
Hof Arnhem 28
februari 2006, LJN:
AV3288 (r.o.
4.10), Hof
’s-Hertogenbosch 6
juni 2006, LJN:
AY6904 (r.o. 4.5.4),
Hof ’s-Gravenhage 6
juni 2007, LJN:
BA9040 (r.o. 9).
104 In de rechtbank
Maastricht 9 april
2002, LJN: AE2093
ging het om een
ondertoezicht
gesteld en
uithuisgeplaatst
kind in een
instelling met
uitsluitend
delinquente
jongeren. Het kind
vertoont echter geen
delinquent gedrag,
maar heeft last van
psychiatrische
problematiek. Deze
situatie valt
volgens de rechter
binnen
de artikelen 3, 4 en
20 IVRK waarin het
draait om het belang
van de verzorging en
opvoeding van het
kind. In
dit geval was het in
het belang van het
kind om zo snel
mogelijk in een
orthopedagogische
instelling te worden
opgenomen (r.o. 2).
Het draait hier met
name om artikel 20
lid 2 IVRK waarin op
de staat de
verplichting wordt
gelegd om zorg te
dragen voor het
kind.
105 Artikel 1:266
Bw: mits het belang
van de kinderen zich
daar niet tegen
verzet, kan de
rechtbank een ouder
van het gezag over
een of meer van zijn
kinderen ontheffen,
op grond dat hij
ongeschikt of
onmachtig is zijn
plicht tot
verzorging en
opvoeding te
vervullen.
106 Artikel 1:256 Bw
jo. Artikel 1:262
Bw.
107 Rechtbank
Utrecht 24 juli
2002, LJN: AN9168.
108 Rechtbank Zwolle
26 januari 2005,
LJN: AS5309,
Rechtbank Groningen
31 januari 2006,
LJN: AV2023.
109
http://www.kinderbescherming.nl/fbi/flexpage/flexpage.asp?id=4061
(geraadpleegd op 26
november 2007).
110
http://www.kinderbescherming.nl/fbi/flexpage/flexpage.asp?id=31
(geraadpleegd op 26
november 2007).
111 Zie de
uitwerking van
enkele criteria van
de rechtspraak van
de Hoge Raad met
betrekking tot
ontheffing in
het kader van
ondertoezichtstelling
en uithuisplaatsing
§ 5.2.5.
112 Dit artikel
bepaalt dat staten
dienen te waarborgen
dat een kinderen
niet worden
gescheiden van de
ouders
tegen hun wil,
tenzij het
noodzakelijk is in
het belang van het
kind.
113 Bij een aanvraag
voor een
verblijfsvergunning
van alleenstaande
minderjarige
vreemdelingen wordt
gekeken
of in het land van
herkomst adequate
opvang voorhanden
is. De
vreemdelingencirculaire
geeft in dit kader
aan
wat in het belang
van het kind is.
Volgens de rechtbank
’s-Gravenhage 9
februari 2005, LJN:
AS6592, AWB
04/28266 (r.o.6.4)
is de uitwerking in
de
vreemdelingencirculaire
(C2/7.2 Vc 2000) in
overeenstemming met
artikel 3 lid 1 en
lid 2 IVRK. De
rechtbank meent dat
artikel 3 lid 1 IVRK
geen rechtstreekse
werking toekomt
en daarom moet
worden uitgewerkt in
nationale wetgeving
zoals de
vreemdelingcirculaire.
Zie voor verdere
behandeling van “het
belang van het kind
bij adequate opvang”
en de uitwerking van
het belang van het
kind in
de
vreemdelingencirculaire
§ 5.3.1
114 Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
’s-Hertogenbosch 27
november 1998, nr.
AWB 98/2573.
115 Supra noot 2, p.
228.
120 Artikel 11 lid 1
ABW: aan een persoon
die geen recht op
bijstand heeft,
kunnen burgemeester
en wethouders,
gelet op alle
omstandigheden, in
afwijking van
paragraaf 1 bijstand
verlenen indien zeer
dringende redenen
daartoe noodzaken.
121 CRvB 29 maart
2005, LJN: AT3468,
CRvB 14 juni 2005,
LJN: AT8038, CRvB 5
juli 2005, LJN:
AT9963.
122 Artikel 3 lid 2
IVRK.
123 Rechtbank
Leeuwarden 25
februari 2003,
LJN:AF4952.
124 Rechtbank
’s-Gravenhage, zp.
Haarlem 1 maart
2001, nr. 02/13837
(r.o. 2.7),
Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Haarlem 29 juni
2001, LJN:AD6646
(r.o. 2.19),
Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Haarlem 1 maart
2002, LJN:
AE5499 (r.o. 2.7),
Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Haarlem 19 maart
2002, LJN: AE6297
(r.o.2.6), Rechtbank
’s-
Gravenhage zp.
Haarlem, 29 augustus
2002, LJN: AF2534
(r.o. 2.4),
Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Haarlem 12
september 2002, AWB
02/66904 (r.o. 2.6).
125 Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Haarlem 19 maart
2002, LJN: AE6297
(r.o. 2.9),
Rechtbank
’s-Gravenhage, zp.
Amsterdam 17 oktober
2002, AWB 02/75500 .
126 Een indiening
van een aanvraag
voor een
verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd
asiel gebeurt in een
Aanmeldcentrum (AC).
De vreemdeling moet
na indiening van
zijn aanvraag
beschikbaar zijn
voor noodzakelijk
onderzoek. Vaak moet
de vreemdeling dan
in het AC blijven.
Na het horen wordt
bepaald of de
behandeling van
de asielaanvraag
verder zal
plaatsvinden in de
korte
Aanmeldcentrum-procedure
(AC-procedure) of in
een
gewone procedure; in
een Onderzoeks-en
Opvangcentrum
(OC).(A. Kuijer,
Nederlandse
Vreemdelingenrecht,
Den Haag: Boom
Juridische Uitgevers
2005, p. 259-262).
127 Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Haarlem 19 maart
2002, LJN: AE6297
(r.o 2.12).
128 Ibid (r.o 2.7).
129 Rechtbank
’s-Gravenhage zp.
Amsterdam 3 april
2002, LJN: AE3481.
130 Supra noot 51,
p. 50.
131 Supra noot 73,
p. 68; G. Cardol,
‘Het belang van het
kind in het
vreemdelingenrecht’,
Migrantenrecht,
jaargang 19, april
2005, nr. 2, p. 55.
132 Zie o.a. HR 7
oktober 2005, LJN:
AT8249 (r.o. 3.2)
133 Kamerstukken II
1984/85, 18964, nrs.
1-3 p. 9 (MvT).
134 Zie o.a. HR 2
mei 1980, NJ
1980/537, HR 13
november 1981, NJ
1982/558 (r.o 3), HR
7 mei 1982, NJ
1982/561 (r.o. 3.4),
HR 14 februari 1992,
NJ 1992/766 (r.o.
4.3), HR 26 januari
1996, NJ 1996/355
(r.o. 3.3),
HR 24 maart 2000, NJ
2000/356 (r.o 3.3),
HR 30 maart 2007,
LJN: AZ6719 (r.o.
3.2). De twee
arresten uit 1996
en 2000 gaan over
dwangmiddelen m.b.t.
een omgangsregeling.
In beide gevallen
werd het opleggen
van
dwangmiddelen m.b.t.
een omgangsregeling
niet in het belang
van het kind geacht.
135 EHRM 8 juli
2003, NJ 2004/136
(r.o 89).
136 HR 18 november
2005, NJ 2005/574
(r.o 3.4)
137 HR 21 januari
1994, NJ 1994/361
(r.o 3.3).
138 Zie o.a. HR 9
december 2005, LJN:
AU5279 (Conclusie AG
r.o. 7)
139 Supra noot 137
(Conclusie AG).
140 HR 16 april
1982, NJ 1982/560
(r.o. 3.2).
141 HR 27 januari
1989, NJ 1990/55
(r.o. 3).
142 HR 5 april 1991,
NJ 1992/24 (r.o.
3.1).
143 EHRM 8 juli
2003, NJ 2004/136
(r.o. 69). Deze zaak
is een vervolg op
EHRM 11 oktober
2001, NJ 2002/417
(r.o 47 en 48).
144 Ibid (r.o. 73).
145 Het voortzetten
van het gezamenlijk
gezag na
echtscheiding geldt
sinds een uitspraak
van de Hoge Raad op
4
mei 1984 (NJ
1985/510, (r.o
3.4)). Voor die tijd
gold artikel 1:161
lid 1 Bw (oud)
waarin werd bepaald
dat
slechts één van de
ouders tot voogd kon
worden benoemd.
Sinds het arrest van
de Hoge Raad uit
1984 heeft tot
aan de
inwerkingtreding van
de nieuwe regeling
in 1995 gegolden dat
voor voortzetting
van gezamenlijk
gezag
na echtscheiding
moet worden
aangetoond dat beide
ouders de ouderlijke
macht wensen voort
te zetten, dat
tussen ouders een
goede
verstandhouding is
en het belang van
het kind zich niet
tegen het
voortzetten van het
gezamenlijk gezag
verzet. In 1995
werden de
voorwaarden voor
gezamenlijk gezag
veranderd in een
gelijkluidend
verzoek van de
ouders tot
voortduring van het
gezamenlijk gezag.
Dit verzoek werd
afgewezen bij
vrees dat
voortzetting van
gezamenlijk gezag de
belangen van het
kind zouden worden
verwaarloosd.
146 HR 10 september
1999, NJ 2000/20
(r.o 3.4)
147 HR 25 september
1998, NJ 1999/379
(r.o 3.2),
148 HR 21 november
1997, NJ 1998/164,
(r.o. 3.2).
149 Ibid (r.o. 7).
150 HR 10 december
1999, NJ 2000/2
(r.o. 4.5 en 4.6).
151 Ibid (r.o 4.7).
152 EHRM 28 november
1984, NJ 1986/4
(r.o. 41).
153 EHRM 12 januari
2006, NJ 2006/487
(r.o 83).
154 HR 16 november
1990, NJ 1991/475
(r.o 3.3).
155 HR 17 september
1993, NJ 1994/372
(r.o. 3.2).
156 HR 15 april
1994, NJ 1994/608
(r.o.3.4.3).
160 Idem.
161 HR 16 februari
2001, LJN:AB0033
(r.o. 3.4).
162 Ibid (r.o. 3.3).
163 Staatsblad 1997,
nr. 463, Besluit van
6 oktober 1997
regels voor
geslachtsnaamwijziging.
164 ARRS 10 april
1986, AB 1989/25.
165 Zie o.a. ARRS 27
september 1977, AB
1978/153.
166 ARRS 30 juli
1992, AB 1994/44.
167 ARRS 4 februari
1987, AB 1989/26.
168 HR 28 oktober
1994, NJ 1995/261
(r.o. 3.7).
169 ARRS 31 oktober
1994, AB 1995/39.
170 ARRS 14 maart
1996, AB 1996/290.
171 HR 24 januari
2003, NJ 2003/198
(r.o. 3.5).
172 Artikel 1:254
lid 1 Bw.
173 Artikel 1:261
lid 1 Bw.
174 Zie o.a. HR 15
juni 1990, NJ
1990/631 (r.o. 3.2),
HR 21 januari 1994,
NJ 1994/362 (r.o.
3.1), EHRM 7
augustus 1996, NJ
1998/324 (r.o. 80),
HR 7 september 2007,
LJN: BA3034 (r.o
4.3).
175 EHRM 7 augustus
1996, NJ 1998/324 (r.o.
78).
176 Ibid (r.o. 79).
177 Ibid (r.o. 80).
178 Zie o.a. HR 7
april 2000, NJ
2000/563 (r.o 3.3)
179 HR 7 oktober
2005, NJ 2005/564
(r.o. 3.7).
180 De in de
regelgeving
gehanteerde term
‘alleenstaande
minderjarige
asielzoeker’ is met
de invoering van de
Vreemdelingenwet
2000 omgezet in de
term ‘alleenstaande
minderjarige
vreemdeling’.
181 G. Cardol, ‘Het
belang van het kind
in het
vreemdelingenrecht’,
Migrantenrecht,
jaargang 19, april
2005, nr.2,
p. 55.
182 Vc C/7.1.2.
183 Vc C/7.1.3.
184
VluchtenlingenWerk
Nederland,
Vluchtweb, april
2007, p. 3.
185 Kamerstukken II
1999/2000, 27062,
nr. 2. p. 1. In dit
kamerstuk wordt
gesteld dat het IVRK
bij de inrichting
van het beleid van
amv-ers een
belangrijk
toetsingskader is.
186 Vc C5/24.1
187 Vc C5/24.9.4
188 Vc C2/7.2,
Kamerstukken II
2002/03, 27062, nr.
21. p. 1.
189 Vc C2/7.4.2
190 Vc C5/24.3.3.
191 Zie o.a. ABRvS
30 september 2003,
nr. 200304281/1, JV
2003/508 (r.o.
2.4.3), ABRvS 22
februari 2006,
LJN: AW7300 (r.o.
2.3.1), ABRvS 23
maart 2006, nr.
200509769/1 (r.o.
2.3), ABRvS 7
augustus 2007, LJN:
BB1719 (r.o. 2.1.4).
192 ABRvS 9 maart
2006, LJN: AV7779
(r.o. 2.4)
193 ABRvS 22
februari 2006, nr.
200507814/1 (r.o.
2.7.1).
194 ABRvS 7 augustus
2007, LJN: BB1719
(r.o 2.1.4)
195 Ibid (r.o.
2.3.2)
196 Zie § 5.3.2 over
het belang van het
kind in
jurisprudentie over
gezinsleven.
197 Vc B2/6.
198 EHRM 31 januari
2006, nr. 50435/99
(r.o. 42).
199 Ibid (r.o. 44).
200 Zie ook EHRM 21
juni 1988, nr.
10730/84 (r.o. 29)
201 EHRM 2 augustus
2001, nr. 54273/00
(r.o. 48).
Boultif-criteria
zijn: 1. De aard en
de ernst van het
gepleegde
misdrijf 2. De duur
van het verblijf in
het gastland 3. Het
tijdsverloop sinds
het misdrijf en de
gedragingen van
de betrokkene
gedurende die tijd
4. De
nationaliteiten van
alle betrokkenen 5.
De gezinssituatie
van de
vreemdeling, zoals
de duur van het
huwelijk 5. Andere
factoren die
invulling geven aan
de feitelijke
invulling
van het huwelijk 6.
Of de
(huwelijks)partner
op de hoogte was van
het misdrijf toen
hij/zij in het
huwelijk trad
met de vreemdeling
of de relatie aan
ging 7. Of kinderen
uit het huwelijk
zijn geboren en de
leeftijd van deze
kinderen 8. De ernst
van de moeilijkheden
die de partner zal
ondervinden als hij
of zij de
vreemdeling zal
volgen
naar het land van
herkomst.
202 EHRM 18 oktober
2006, NJ 2007/415,
JV 2006/417 (r.o
58).
203 Ibid (r.o 67).
204 Ibid (r.o 62).
205 Ibid.
206 EHRM 22 maart
2007, nr. 1638/03
(r.o. 35-46).
207 EHRM 31 januari
2006, nr. 50252/99
(r.o. 47).
208 J.A.C. Bartels,
Jeugdstrafrecht,
Deventer: Kluwer
2003, p. 77.
209 Artikelen
77a-77hh Wetboek van
Strafrecht.
210 I. Weijers, ‘Het
belang van het kind
in het strafrecht’,
in: G. Cardol & W.
Theunissen, Het
kind: bijzonder
belangrijk: Over het
belang van het kind
in het werk van de
Raad van de
Kinderbescherming,
Amsterdam: SWP
2007, p. 160.
211 Ibid, p. 161.
212 M. Kalverboer &
H. Winter,
‘Asielgezinnen en
kinderrechten. Het
belang van het kind
en het recht op
ontwikkeling in de
Nederlandse
asielpraktijk’,
Journaal
Vreemdelingenrecht
2006/10, p. 782.
213 J. Bartels,
‘Belang van kind en
jeugdstrafrecht’,
in: Opstellen
aangeboden aan prof.
mr. Madzy Rood-de
Boer
ter gelegenheid van
haar emiraat, Met
het oog op het
belang van het kind,
Deventer: Kluwer
1988, p. 228.
214 Ibid, p. 229.
215 Supra noot 208,
p. 4.
216 Supra noot 210,
p. 162.
217 HR 25 september
2001, LJN: AD4300
(r.o. 3.2).
218 HR 12 december
2006, LJN: AZ0699
(r.o. 3.2.2.)
219 Supra noot 11,
p. 153.
220 HR 15 november
2002, LJN:AE8473
(r.o. 3.4). Zie
bijlage 3, nr. 1.
221 Ibid (conclusie
AG, r.o. 2.7).
222 Ibid (conclusie
AG, r.o. 4).
223 Supra noot 11,
p. 153. Zie ook §
5.4.2.
224 EHRM 27 oktober
1994, NJ 1995, 248.
225 ABRvS 15
februari 2007, AB
2007/118 (r.o.
2.4.1). Zie bijlage
3, nr. 2.
226 Rechtbank ’s
Gravenhage, zp.
Haarlem 22 mei 2006,
LJN: AX4451, AWB
05/27225, 05/27226
(r.o 2.16). Zie
bijlage 3, nr. 2.
227 Ibid (r.o.
2.22).
228 CRvB 24 januari
2006, LJN: AV0197
05/3621 en 05/3622
WWB.
| |
|
|
|
|
|