| |
Wetsvoorstel voor
invoering van de
omgangsbuddy
Wetsvoorstel
houdende invoering
van de omgangsbuddy
ten einde het
omgangsrecht tussen
ouders en kinderen
te waarborgen.
Ingediend door dhr.
Guy Swennen
De
wet van 18 juli 2006
tot het
bevoorrechten van
een gelijkmatig
verdeelde
huisvesting van het
kind van wie de
ouders gescheiden
zijn en tot regeling
van de gedwongen
tenuitvoerlegging
inzake huisvesting
van het kind,
creëerde een aantal
nieuwe
mogelijkheden,
teneinde het
omgangsrecht tussen
ouders en kinderen
na scheiding beter
te waarborgen.
Het
inschrijven in het
burgerlijk wetboek
van het principe dat
de rechtbank bij
gebrek aan akkoord
tussen de ouders, in
geval van
gezamenlijk
ouderlijk gezag, op
vraag van minstens
één van de ouders,
bij voorrang de
mogelijkheid om de
huisvesting van het
kind op een
gelijkmatige manier
tussen de ouders
vast te leggen,
dient te
onderzoeken, is een
van een niet te
onderschatten
symbolische
betekenis.
Na de
wet van 03 juni
1995, waarbij het
gezamenlijk
ouderlijk gezag als
wettelijk principe
of uitgangspunt in
de wet werd
ingeschreven, is de
wet op de
gelijkmatige
huisvesting een
nieuwe grote
innovatie, waardoor
de wetgever het
blijvend
gelijkwaardig
ouderschap van beide
ouders met de
kinderen, ook na
scheiding centraal
stelt. De preventief
psychologisch-maatschappelijke
impact van deze
wettelijke
stellingnames is
bijzonder
belangrijk.
Anders dan de titel
van de wet van 18
juli 2006 laat
vermoeden, zijn er
naast het wettelijk
uitgangspunt voor de
gelijkmatige
huisvesting, nog
innovaties andere
dan “de regeling van
de gedwongen
tenuitvoerlegging
inzake de
huisvesting van het
kind” De gedwongen
tenuitvoerlegging
enerzijds naar het
feit dat de dwangsom
– die in de brede
rechtspraak al
gebruikelijk was –
voortaan expressis
verbis in de wet
ingeschreven staat.
Anderzijds wordt de
rechtbank voortaan
de mogelijkheid
geboden, rekening
houdend met het
belang van het kind,
de personen aan te
wijzen die
gerechtigd zijn de
gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor
de tenuitvoerlegging
van zijn beslissing
(in zake
verblijfsregeling/omgangsrecht).
De fysische dwang op
de persoon wordt dus
mogelijk, in
tegenstelling tot
wat voorheen in de
praktijk absoluut
uitgesloten was. Een
wetsbepaling waarbij
terecht heel wat
vragen gesteld
worden. Het kind of
de kinderen in
kwestie bevinden
zich al in een zeer
kwetsbare positie.
Fysische dwang zal
zonder twijfel tot
extreem traumatische
ervaringen leiden
die absoluut
strijdig zijn met
het belang van het
kind. Toch stemden
zelfs fervente
tegenstanders van
die gedwongen
uitvoering vóór de
wet, en dit vanuit
diverse
overwegingen.
Ten
eerste omdat de
gedwongen uitvoering
in deze niet zomaar
de gebruikelijke
uitvoering van en
vonnis is in handen
van één van de
partijen. Er is
immers eerst het
vonnis dat het
omgangsrecht
vastlegt. Als daarop
zeg maar
weerbarstige
miskenning volgt,
kan er een nieuw
vonnis volgen, dat
die miskenning
vaststelt. In de
praktijk is de kans
bijzonder groot dat
de rechter een
maatschappelijk
onderzoek gaat
bevelen, en
bijkomende
verzoeningspoging
onderneemt of
bemiddeling
voorstelt. Als de
rechter uiteindelijk
toch overgaat tot de
maatregel van
gedwongen
uitvoering, bepaalt
hij bij vonnis de
modaliteiten
waaronder dit dient
te geschieden, en
wijst inzonderheid
de personen aan die
gemachtigd zijn de
gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor
de tenuitvoerlegging
van zijn beslissing.
Proceduraal zijn er
dus maximale
garanties om de
gedwongen
tenuitvoerlegging zo
uitzonderlijk
mogelijk,
voorzichtig en
omkaderd te laten
geschieden.
Een
tweede overweging
betreft het feit dat
er absoluut nood was
aan een krachtig
wetgevend signaal,
dat een kordaat
einde stelde aan de
heersende cultuur
van bijna
straffeloosheid
ingeval van
niet-naleving van
het omgangsrecht. Er
was in de loop der
jaren zowat een
atmosfeer ontstaan
van laisser faire,
laisser passer, zo’n
sfeer van er wordt
toch niets gedaan,
“ze kunnen me toch
niks maken”. De
correctionele
procedure in zake
het misdrijf
familieverlating
(die bovenop verder
blijft bestaan) is
in heel veel
gevallen een
sukkelstraatje, een
processie van
Echternach, waarbij
zelfs als er toch
een veroordeling
volgt, de
oudervervreemding al
lang een feit is,
een schrijnend
onrecht. Deze nieuwe
wettekst is terzake
ongetwijfeld een
trendbreuk.
Een
derde overweging,
samenhangend met het
geschetste signaal,
dat uiteraard veel
meer is dan een
signaal, is de
positieve
preventieve werking
van de nieuwe
wetgeving. Als men
weet dat het ernst
is, gaat zelfs bij
de potentieel meest
weerbarstige de
basisattitude van in
den beginne anders
zijn.
Een
vierde overweging is
dat “het belang van
het kind” maximaal
voorop staat in de
nieuwe bepalingen.
Het staat niet
alleen uitdrukkelijk
in de wet, gekoppeld
aan de eventuele
gedwongen
uitvoering; maar
heel de letter en de
geest van de wet
straalt dit uit.De
ultieme maatregel
van de gedwongen
uitvoering moet
gepaard gaan met
uiterste
omzichtigheid om een
traumatiserend
effect op het kind
zoveel mogelijk uit
te sluiten. Vandaar
de uitdrukkelijke
hint in de wet dat
de rechter personen
kan machtigen om de
gerechtsdeurwaarder
te vergezellen voor
de tenuitvoerlegging
van zijn beslissing
.De rechter kiest
zelf de persoon of
personen die hij
daar het meest
geschikt voor acht.
Ondanks al deze
overwegingen is er
voorzeker geen
absolute zekerheid
dat elk
traumatiserend
effect uitgesloten
wordt. Ons inziens
moet het een
absoluut streefdoel
zijn die fysische
gedwongen uitvoering
op de persoon van
het kind tot een
absolute
uitzonderlijke
situatie te
beperken. In die
optiek stelt zich
een héél cruciale
vraag : reikt de
wetgever voldoende
instrumenten aan om
dat absoluut
streefdoel te
realiseren ?
Naar
onze mening is het
antwoord op deze
vraag beduidend
negatief. Er zijn
nog teveel
mogelijkheden die
onbenut gelaten
worden om
niet-naleving van
omgangsrecht,
geleidelijke
oudervervreemding,
en in het ergste
geval
ouderverstoting te
voorkomen of bij te
sturen. Ook de
andere innovaties in
de wet van 18 juli
2006, bovenop de
dwangsom en de
geschetste gedwongen
tenuitvoerlegging,
scheppen geen
compacte en afdoende
slagkracht voor de
rechtbank om de
problematiek
fundamenteel en
terdege aan te
pakken. De
voortdurende
aanhangigmaking in
de nog recente
nieuwe wet is
weliswaar een
verbetering. Omdat
de (jeugd)rechter ab
initio bevoegd
blijft, waardoor
deze rechter zich
voortaan kan
uitspreken over
nieuwe maatregelen
na schending(en) van
de door hem
uitgesproken
verblijfsregeling/omgangsregeling,
na conclusie of op
schriftelijk
verzoek. Maar deze
voortdurende
aanhangigmaking
blijft een
proceduraal middel.
Inhoudelijk wordt
daardoor geen nieuw
instrument
aangereikt.
Er is
behoefte aan
bijkomende,
verregaande nieuwe
mogelijkheden voor
de rechter, die zich
zowel op het
preventieve als op
het “curatieve” vlak
situeren. Onder
“curatief” wordt dan
verstaan dat de
rechtbank voldoende
en accurate
instrumenten heeft
om bij te sturen
eens de naleving van
de uitgesproken
verblijfsregeling
begint mis te lopen,
of zelfs helemaal
niet meer nageleefd
wordt, en zelfs één
van de ouders zijn
kind(eren) helemaal
niet meer te zien
krijgt.
Uitgangspunten voor
zo’n nieuwe
instrumenten zijn :
laagdrempelig,
motiverend en
stimulerend in
plaats van gedwongen
uitvoerend, sneller
ingrijpend in plaats
van veel tijd te
laten verstrijken.
Als men het geheel
van de bestaande
instrumenten
overloopt, en de
nadelen ervan
analyseert, is er
duidelijk nood aan
nieuwe mogelijkheden
die wel of minstens
veel beter aan de
gestelde
uitgangspunten een
antwoord kunnen
bieden.
Bij
huidig wetsvoorstel
willen we één van
die nieuwe
mogelijkheden in het
burgerlijk wetboek
invoegen :
De
bedoeling is snel en
accuraat, in een
zeer vroeg stadium –
bij de eerste
schendingen van het
omgangsrecht na
scheiding van de
ouders – een
resultaatsgerichte
aanpak te
organiseren. Tijd is
in deze immers een
essentiële factor.
Hoe meer tijd
verstrijkt, hoe meer
de oudervervreemding
toeslaat. Het alom
gekende klassieke
sociaal onderzoek is
en blijft een
belangrijk
instrument, maar
heeft een aantal
nadelen. Ten eerste
maakt zo’n sociaal
onderzoek deel uit
van een procedure :
nog los van het
gegeven dat een
sociaal onderzoek
meestal een hele
tijd duurt,
verstrijkt na de
afronding van het
sociaal onderzoek
een hele tijd
vooraleer de rechter
aan de hand van dat
sociaal onderzoek
een uitspraak doet,
omdat er nog
wederzijdse
besluiten dienen
genomen te worden,
en een pleitdatum
dient bepaald. Een
zee van kostbare
tijd die aldus
verloren gaat,
waardoor de
oudervervreemding
alsmaar verder kan
toeslaan.
Ten
tweede, de
actieradius van de
in een sociaal
onderzoek
aangestelde
deskundige (meestal
een sociaal
assistent) heeft en
vrij beperkte
opdracht. Het blijft
in de overgrote
meerderheid der
gevallen beperkt tot
enkele wederzijdse
gesprekken met de
ouders. De
deskundige is in die
optiek een
verslaggever aan de
hand van relatief
weinig informatie.
De
omgangsbuddy is veel
meer dan een
verslaggever, een
heeft een
uitgesproken actieve
rol. De opdracht van
de buddy is
verregaand en
veelzijdig. Hij
heeft polyvalente
opdrachten zonder
formaliteiten te
moeten naleven. Eens
aangesteld is hij
tegelijkertijd
bemiddelaar,controleur
en
rapporteur,informatieverstrekker
en waarschuwer. Hij
is een actor te
velde die omzeggens
permanent
beschikbaar is voor
de aangestipte
functies. In een
situatie waar de
naleving van het
omgangsrecht
ontspoord is of
dreigt te ontsporen,
wordt hij aangesteld
als ultiem middel om
het tij alsnog te
keren. Een
persoonlijke
assistent,
beschikbaar voor de
kinderen en beide
ouders om middels
intensieve
begeleiding een
uitgesproken
verblijfsregeling/omgangsrecht
optimaal te doen
naleven. Als
bemiddelaar helpt de
omgangsbuddy de
beide ouders zelf
beslissingen te
nemen.
Meningsverschillen
worden naast elkaar
gezet en er wordt
opnieuw geluisterd
en geleerd te
luisteren. Uiteraard
worden ook
voortdurend de
nodige suggesties
gedaan.
De
omgangsbuddy is ook
een
informatieverstrekker.
Omdat hij de ouders
voortdurend
informatie verschaft
over de nefaste
gevolgen van
oudervervreemding
voor het kind, maar
ook over wat de
mogelijkheden en
dito nadelen van
verdere
proceduremaatregelen
zijn. In die optiek
heeft hij ook een
waarschuwende
functie : hij kan
bijvoorbeeld een
onwillige ouder
voorhouden welke
maatregelen de
rechter kan nemen,
tot en met de
omkering van het
hoofdverblijf.
Uiteraard is de
omgangsbuddy ook een
controleur omdat hij
zonder formaliteiten
op elk ogenblik
zowel aangekondigd
als onaangekondigd
aanwezig kan zijn
bij het begin/einde
van een periode van
omgangsrecht. Op die
wijze is hij niet
alleen begeleider,
maar ook een
controleur. Dit
alles laat hem bij
wijze van spreken
toe een zeer
gedetailleerde
“foto” van de
precieze situaties
te velde, bij de
uitoefening van het
omgangsrecht, van de
intenties en van de
houding en het
gedrag van partijen,
aan te rechter te
rapporteren. Als
dusdanig beschikt de
omgangsbuddy over
bijzonder veel
informatie om aan de
rechtbank op elk
ogenblik dat hij dat
nuttig acht
maatregelen te
suggereren. Op een
eenvoudig signaal
van de omgangsbuddy
kan de zaak opnieuw
voor de rechter
komen. In dit
verband stelt zich
een derde belangrijk
verschil met het
klassieke sociaal
onderzoek : niet
alleen een
schriftelijk
verslag, maar ook
een mondeling
verslag kan. De
omgangsbuddy kan dus
rapporteren in een
gesprek met de
rechter. En in de
praktijk zal dat
gesprek met de
rechter bij voorkeur
meer de regel dan de
uitzondering zijn.
Een en ander komt de
behandelingssnelheid
dus enorm ten goede.
De
omgangsbuddy wordt
door de rechter voor
een bepaalde periode
aangesteld, en
brengt minstens
maandelijks verslag
uit bij de rechter
over de naleving van
de
verblijfsregeling/uitoefening
omgangsrecht. De
rechter kan na een
gesprek met de
omgangsbuddy
ambtshalve de zaak
op een zitting
brengen,teneinde de
nodige maatregelen
te nemen.
De
Koning bepaalt de
voorwaarden waaraan
een “omgangsbuddy”
moet beantwoorden,
waarna de minister
van justitie een
lijst ten behoeve
van de rechtbanken
opmaakt. Uiteraard
is de buddy gebonden
aan het
beroepsgeheim.
Deze
wet regelt een
aangelegenheid als
bedoeld in artikel
78 van de grondwet.
In
artikel 387ter, § 1,
derde lid van het
Burgerlijk Wetboek
wordt een nieuw
gedachtenstreepje
ingevoegd, luidend
als volgt : “- een
deskundige –
omgangsbuddy genaamd
– aanwijzen uit een
lijst, opgemaakt
door de minister van
justitie, die de
ouders en de
kinderen begeleidt
bij en toezicht
houdt op de
uitoefening van het
omgangsrecht; de
aangewezen persoon
rapporteert
maandelijks zijn
bevindingen aan de
rechter : de rechter
kan op aanwijzen van
de deskundige de
zaak opnieuw
oproepen,
overeenkomstig § 1.
De deskundige is
gebonden door het
beroepsgeheim
overeenkomstig
artikel 458 van het
Strafwetboek. De
Koning bepaalt de
voorwaarden om als
deskundige
aangewezen te kunnen
worden.
§ 3
van artikel 387ter
van hetzelfde
wetboek wordt
opgeheven.
|
| |
|
|
|
|
|