| |
Het snel
attitudeonderzoek
teneinde
oudervervreemding te
voorkomen
Wetsvoorstel
teneinde
oudervervreemding
van kinderen na
scheiding te
voorkomen door
invoeging van het
snel
attitudeonderzoek in
het burgerlijk
wetboek.
Ingediend door dhr.
Guy Swennen
In de
voorbije jaren is
door opeenvolgende
wetswijzigingen heel
wat vooruitgang
geboekt in de
humanisering en
modernisering van
het Belgische
echtscheidingsrecht,
en scheidingsrecht
in het algemeen.
Daardoor is het
aantal
vechtscheidingen
afgenomen, en zullen
vechtscheidingen nog
verder afnemen, maar
vechtscheidingen
zullen blijven
bestaan.
Het
is een cruciale
plicht van de
wetgever om
enerzijds er alles
aan te doen om
vechtscheidingen nog
meer te voorkomen,
en anderzijds de
schadelijke gevolgen
ervan zoveel
mogelijk te
voorkomen, minstens
te beperken. Na
familiedrama’s met
dodelijke of
gewelddadige afloop,
is het feit dat een
kind de ouder bij
wie het niet in
hoofdzaak woont op
de duur niet meer
wil zien,
ongetwijfeld het
gruwelijkste gevolg
van een scheiding.
Uit diverse
parlementaire
hoorzittingen en
publicaties blijkt
wat eigenlijk
niemand kan
ontkennen : we
hebben bijzonder
weinig inzicht in de
oorzaken en de
gevolgen van het
feit dat een kind na
scheiding een ouder
niet meer wil zien.
In Amerika en Canada
is een berg
literatuur
verschenen over het
begrip
oudervervreemdingssyndroom
of
ouderverstotingssyndroom
of The Parental
Alienation Syndrome.
Die thematiek en
literatuur komen in
onze contreien
slechts zeer
uitzonderlijk aan
bod. En dat is een
vreselijke
vaststelling, omdat
een gebrek aan
aandacht automatisch
neerkomt op
onvoldoende aanpak
ervan. Een grotere
aandacht voor en
kennis van
ouderverstoting in
de rechts- en
bemiddelingspraktijk
en in onze
samenleving in het
algemeen, is
dringend
noodzakelijk.
Daarom organiseerde
de sp.a-
Kamerfractie een
symposium
“Oudervervreemding,
niet langer vreemd
in recht en
bemiddeling ?”, op
13 februari 2007 in
het federale
parlement. Een
constante die bij de
diverse sprekers op
het symposium naar
voren kwam, is dat
oudervervreemding
het best kan
voorkomen worden
door zo snel
mogelijk in te
grijpen bij het
herkennen van de
eerste tekenen in
dat verband.
Nadia
De Vroede,
Substituut
Procureur-Generaal
te Brussel omschreef
het als volgt :
“Pour
prévenir ces
situations extrêmes
– et pour prévenir
aussi et surtout
toutes les autres
situations de
rupture de lien avec
un parent – il me
semble important,
comme autorité
judiciaire, d’être
extrêment vigilant
et d’intervenir dès
les premiers signes
de risque de perte
du lien parental.
Comment détecter
rapidement le risque
de perte du lien
parental ? Au niveau
des procédures
civiles, certains
signes peuvent
permettre au juge
civil de détecter
les situations de
risque de perte du
lien parental : il
est notamment
intéressant
d’examiner quel rôle,
quelle place chaque
parent attribue à
l’autre parent. Je
pense aussi que,
lorsque des
difficultés se
posent dans les
relations de
l’enfant avec un de
ses parents, il est
important d’évaluer
le degré de
participation du
parent dans le
retissage du lien de
l’enfant avec
l’autre parent. Très
concrètement, on
entend souvent à
l’audience, un
parent gardien
justifiant les
limitations des
contacts de l’enfant
avec l’autre parent,
par des arguments
comme l’état de
santé fragile de
l’enfant, avec dépôt
de certificats
médicaux, ou encore
le fait que l’enfant
suivrait des
activités
parascolaires
pendant les
week-ends. Face à
des difficultés d’un
parent de pouvoir
maintenir les
contacts avec son
enfant, il est
intéressant aussi
d’analyser les
réactions de l’autre
parent : trouve-t-il
normal ou non qu’il
y ait difficultés ou
même rupture ?”
Oudervervreemding en
–verstoting kunnen
voorkomen worden als
men reeds vóór of
bij het begin van
dat (meestal
geleidelijke) proces
van
oudervervreemding
met doeltreffende
maatregelen snel
ingrijpt. Als we een
analyse maken van de
mogelijkheden van de
rechter om snel in
te grijpen bij
oudervervreemding,
dan kan niet ontkend
worden dat het
laatste anderhalf
decennium door de
wetgever een aantal
nieuwe instrumenten
zijn aangereikt,
bovenop de voorheen
bestaande. De wet op
de gezamelijke
uitoefening van het
ouderlijk gezag, de
wet inzake
bemiddeling in
familiezaken, de wet
inzake de
gelijkmatige
huisvesting waarbij
het
verblijfsco-ouderschap
als wettelijk
uitgangspunt voorop
gesteld werd, het
zijn voorbeelden van
wettelijke mijlpalen
waarbij een
fundamenteel andere
“cultuur” inzake
betrokkenheid van
beide ouders bij de
opvoeding van hun
kinderen na een
scheiding het
daglicht zag.
Gedragen en gevolgd
door een evoluerende
rechtspraak,
brachten voornoemde
wetswijzigingen een
radicale ommekeer :
de ouder bij wie het
kind zijn
hoofdverblijf heeft,
wordt duidelijk
gemaakt dat de band
van het kind met de
andere ouder niet
alleen een recht is,
maar ook een
verplichting. Steeds
meer nemen de
rechters hun
pedagogische rol
terzake ten volle
op.
Naast
al deze geschetste
evoluties die zich
eerder in de
algemeen preventieve
sfeer bevinden,
verhardde anderzijds
geleidelijk de
houding van de hoven
en rechtbanken ten
opzichte van de
ouder die zich
onwillig opstelt, en
het omgangsrecht
belemmert of
onmogelijk maakt.
Ook op dit vlak
heeft de wetgever
heel wat nieuwe
instrumenten
aangereikt, als
onderdeel van de wet
in zake gelijkmatige
huisvesting. Enkele
voorbeelden: de
“blijvende
aanhangigheid” voor
de (jeugd)rechter,
de uitdrukkelijk
wettelijke
mogelijkheid van een
dwangsom, de
gedwongen uitvoering
in zeer
uitzonderlijke
gevallen.
Ondanks al deze
kenteringen zijn er
nog steeds te veel
schrijnende gevallen
geleidelijk
groeiende
oudervervreemding,die
op korte of langere
termijn eindigen in
totale
ouderverstoting. Het
hele arsenaal van
preventieve ingrepen
komt in de praktijk
in het overgrote
deel van de gevallen
neer op het
ingrijpen als er al
beduidende
schendingen van
omgangsrecht een
feit zijn. Meestal
volgt dan nog een
sociaal onderzoek,
waardoor maanden
tijd verloren wordt,
en het proces van
oudervervreemding
volop ingezet wordt
en daardoor steeds
hardnekkiger wordt.
Dit is bijzonder
betreurenswaardig
als we weten dat er
instrumenten bestaan
om in hoofde van de
ene ouder het
respect van de
affectieve band van
het kind met de
andere ouder en de
openheid voor
contacten van het
kind met de andere
ouder te “meten”.
Het betreft
wetenschappelijk
onderbouwde
vragenlijsten die
terzake uitsluitsel
kunnen verschaffen
in het vroegst
mogelijke stadium :
bij de bepaling van
de eerste
verblijfsregeling,
vlak na de
(feitelijke)
scheiding van de
ouders. In
Californië hanteert
men deze lijsten als
dusdanig. Men gaat
er zelfs zover dat
kinderen alleen maar
‘toevertrouwd”
worden aan de ouder
die de meeste
garanties biedt voor
de langste en meest
regelmatige
kontakten met de
andere ouder.
De
bedoeling van huidig
wetsvoorstel is
voornoemd
“meetinstrument” of
methodiek bij
aanvang van een
scheiding als voor
de rechter verplicht
automatisme in de
wet in te schrijven.
En dit enerzijds
gekoppeld aan een
strikte timing
(burgerlijk
snelrecht), en
anderzijds beperkt
tot de gevallen waar
één van de ouders
zich zonder gegronde
reden op enigerlei
wijze –
uitdrukkelijk of
impliciet – verzet
tegen het principe
van een gebruikelijk
omgangsrecht. Zelfs
bij de minste
aanwijzing terzake
dient de rechter een
snel
attitudeonderzoek te
bevelen. Het
attitudeonderzoek
wordt bepaald bij
koninklijk besluit,
zowel in zake
inhoud, als inzake
personen die daartoe
gemachtigd worden.
In hetzelfde
tussenvonnis als
waarbij het
attitudeonderzoek
bevolen wordt, stelt
de rechter de zaak
in voortzetting op
een zitting die
bepaald wordt binnen
de twee maanden na
datum van het
tussenvonnis. Op
deze zitting kan de
rechter dan met
kennis van zaken van
de attitude van
beide ouders, de
gepaste maatregelen
bevelen.
|
Wetsvoorstel
Artikel
1
Deze wet regelt
een aangelegenheid
als bedoeld in
artikel 78 van de
Grondwet.
Artikel 2
Er wordt een artikel
374 bis ingevoegd in
het burgerlijk
wetboek, luidende
als volgt : “Indien
de rechtbank na de
scheiding van twee
ouders zich voor het
eerst moet
uitspreken over de
verblijfsregeling
van hun kind(eren)
en vaststelt dat één
van de ouders zich
zonder gegronde
redenen op enigerlei
wijze –
uitdrukkelijk of
impliciet – verzet
tegen een
gebruikelijk
omgangsrecht,
beveelt de rechter
een
attitudeonderzoek
teneinde de
wederzijdse
bereidheid tot
respect van de
affectieve band van
het kind met de
andere ouder te
peilen. Bij
tussenvonnis gelast
de rechtbank een
deskundige die zijn
verslag binnen de
termijn van een
maand ter griffie
dient neer te
leggen; bij
hetzelfde
tussenvonnis bepaalt
de rechter een
voorlopige
verblijfsregeling en
stelt de zaak in
voortzetting op een
zitting die bepaald
wordt binnen de twee
maanden na datum van
het tussenvonnis.”
Artikel 3
De inhoud
van het
attitudeonderzoek en
de aanwijzing van de
daartoe gemachtigde
personen wordt
vastgelegd bij
koninklijk besluit.
Guy Swennen 7
Februari 2008
|
|
| |
|
|
|
|
|