| |
Als
de
alimentatiegerechtigde,
het kind wangedrag
tegen de
alimentatieplichtige,
de (stief)ouder
vertoont kan dit
leiden tot een
matiging van de
onderhoudsplicht.
Het gedrag kan er
toe leiden dat de
alimentatie op nihil
wordt gesteld.
Een
kind(eren) is (zijn)
juridisch te
onderscheiden in drie
categorieën (groepen) te
weten:
-
Minderjarigen:
leeftijd tot 18 jaar
-
Jongmeerderjarigen:
leeftijd van 18 jaar
tot 21 jaar
-
Meerderjarigen:
leeftijd na 21 jaar.
Art. 392
van boek 1 BW hierna te
noemen art.1:392 BW,
heeft het over
onderhoudsplichtigen en
het verstrekken van
levensonderhoud aan 1e
graads bloed- en
aanverwantschap.
Voor meerderjarigen
geldt er daarnaast de
voorwaarde van "
behoeftigheid".
Men is behoeftig indien
men zelf niet in het
eigen levensonderhoud
kan voorzien, dat wil
zeggen indien men zelf
daartoe de nodige
middelen mist en die ook
in redelijkheid niet kan
verwerven.
De verplichting voor
levensonderhoud van de
(stief)ouders jegens hun
minderjarige en
jongmeerderjarige
(stief)kinderen bestaat
onafhankelijk van de
vraag of er sprake is
van behoeftigheid.
(Stief) ouders en
(stief)kinderen worden
hierna genoemd "ouders"
en "kinderen".
In
art. 1:399 BW is de
matiging van de
onderhoudsverplichting
jegens de
onderhoudsgerechtigde
opgenomen. De rechter
kan de verplichting van
bloed- en aanverwanten
matigen op grond van
zodanige gedragingen van
de tot onderhoud
gerechtigde, dat
verstrekking van
levensonderhoud naar
redelijkheid niet of
niet ten volle kan
worden gevergd.
Artikel
1:399 BW is niet van
toepassing op
minderjarige kinderen
maar geldt wel voor
jongmeerderjarigen en
meerderjarigen in de
leeftijd van 18 tot 21
jaar. Ouders hebben een
onderhoudsplicht vanaf 1
januari 1988 waarbij de
verlaging van de
meerderjarigheidsgrens
tot 18 jaar in werking
is getreden. Deze plicht
is opgenomen in art.
1:395a BW.

Ad 1: Minderjarigen
Bij minderjarige
kinderen heeft men het
over de kosten van
verzorging en opvoeding.
Matiging van
levensonderhoud wegens
wangedrag van art. 1:399
BW is niet van
toepassing op
minderjarige kinderen.
Een voorbeeld: Ouders
zijn gescheiden en
hebben een dochter van
15 jaar. Vader wordt
iedere dag tijdens het
werk telefonisch lastig
gevallen door de
dochter. Zij belt wel 30
keer per dag en dit is
niet bevorderlijk voor
zijn werk. Hij heeft al
meerdere malen een
waarschuwing gehad van
zijn baas en de dochter
is hiervan op de hoogte.
Vader is het zat en wil
de dochter niet meer
onderhouden. Echter,
art. 1:399 BW, matiging
van levensonderhoud, is
niet mogelijk bij
minderjarige kinderen.

Ad
2: Jongmeerderjarigen
Bij jongmeerderjarigen
spreekt men over de
kosten van
levensonderhoud en
studie. Ouders hebben
dus de verplichting om
te voorzien in de kosten
van levensonderhoud en
studie van kinderen in
de leeftijd van 18 tot
21 jaar. Hier is
matiging van
levensonderhoud wel van
toepassing. Daarnaast
bestaat de mogelijkheid
van de rechter om op
grond van gedragingen de
onderhoudsplicht te
matigen of zelfs de
plicht tot
levensonderhoud geheel
te ontzeggen.
Er zijn
diverse uitspraken
waarbij het wangedrag
van een
jongmeerderjarige aan de
orde was.
Dochter, geboren in
1985, wiens moeder is
overleden, was opnieuw
gaan studeren en
verzocht de rechtbank in
september 2003 om een
bijdrage van €1.000, -
per maand. Daarnaast had
zij de vader slecht
bejegend, wilde geen
contact met hem en had
haar geslachtsnaam laten
wijzigen. Art.1:395a BW
spreekt over de
verlengde
onderhoudsplicht t.o.v.
meerderjarige kinderen
tot 21 jaar. M.a.w.
ouders zijn verplicht te
voorzien in de kosten
van levensonderhoud en
studie van hun
meerderjarige kinderen
die de leeftijd van 21
jaar nog niet hebben
bereikt.
De rechtbank matigde het
bedrag tot € 530,- per
maand maar het hof
vernietigde de
beschikking omdat het
hof van oordeel was dat
op grond van art. 1:399
BW tot matiging over
gegaan kon worden gezien
de voor de vader
krenkende bejegening
door de dochter. De
bijdrage werd gematigd
tot € 450,- per maand.
In het bijzonder gezien
haar weigering contact
met haar vader te hebben
kon niet van de vader
gevergd worden geheel in
haar behoefte te
voorzien.
In cassatie oordeelde de
Hoge Raad op 10 november
2006, LJN AZO428, dat
niet op de enkele grond
van het weigeren van
contact met de vader
door de dochter diens
onderhoudsplicht
gematigd kan worden. Het
verlagen van de
meerderjarigheidsgrens
brengt mee dat het kind
vanaf de leeftijd van 18
jaar zelfstandig over de
inrichting van zijn
leven en studie mag
beslissen. De Hoge Raad
geeft aan dat de wijze
waarop het kind het
doet, langs de weg van
art. 1:399 BW, kan
leiden tot matiging van
de onderhoudsplicht,
maar voegt eraan toe dat
in de parlementaire
geschiedenis is
benadrukt dat dit,
gezien de strekking van
art. 1:395a BW, niet
snel het geval zal zijn.
Gezien ook andere
uitspraken kan gesteld
worden dat voor een
geslaagd beroep op art.
1:399 BW, de matiging
van levensonderhoud
wegens wangedrag, er
meer aan de hand moet
zijn dan het enkele
weigeren van contact
door de
jongmeerderjarige met de
ouder. Het moet gaan om
gedragingen van het kind
die een zodanige
kwetsend karakter hebben
voor de
onderhoudsplichtige dat
verstrekking van het
levensonderhoud naar
redelijkheid niet of
niet ten volle kan
worden gevergd.

Ad 3: Meerderjarigen
Deze kinderen hebben
jegens hun ouders een
zelfstandig recht op een
bijdrage in de kosten
van hun instandhouding
indien de behoeftigheid
wordt aangetoond. Hier
gelden zowel art 1:392
BW, onderhoudsplichtige
verplicht tot
verstrekken van
levensonderhoud aan 1e
graads bloed- en
aanverwantschap met de
voorwaarde van
behoeftigheid van het
kind, als art 1:399 BW
matiging van het
levensonderhoud.
Alhoewel bij de
meerderjarigen de
verplichting van de
ouders vervalt om bij te
dragen in het
levensonderhoud van hun
kinderen na het bereiken
van het 21e levensjaar,
zijn er twee
uitzonderingen
betreffende de
behoeftigheid
bijvoorbeeld:
-
als het kind een
ernstige handicap
heeft moeten ouders
blijven onderhouden
-
ouders die daartoe
financieel in staat
zijn, moeten hun
meerderjarige
kinderen ook na hun
21e gedurende een
redelijke tijd
financieel in staat
stellen om hun
studie af te maken.
Dit in het geval als
de ouders
nadrukkelijk hebben
toegezegd om bij te
dragen in de
studiekosten, kan
hun meerderjarige
kind zelfs eisen om
die verplichting na
te komen.
Redactie KSU
Bronnen: Wetten.nl,
Jurisprudentie,
Trema rapport
september 2006.
| |
|
|
|
|