| |
Kinderen
van een
ouder
met
psychische
problemen
lopen
soms
gevaar
dat
vader of
moeder
hen wat
aandoet.
Dan
geldt
het
beroepsgeheim
niet,
vinden
ze in
Gelderland.
Door
informatie
uit te
wisselen
kunnen
behandelaars
in de
geestelijke
gezondheidszorg
de
risico’s
op
kindermishandeling
verkleinen.
Met dat
doel
mogen ze
hun
beroepsgeheim
schenden,
maar de
meesten
durven
dat
niet,
uit
angst
voor
klachten
of
onbekendheid
met de
wet. In
Gelderland
hebben
de GGZ,
Bureau
Jeugdzorg,
het
Advies-
en
Meldpunt
Kindermishandeling
en de
Raad
voor de
Kinderbescherming
daarom
afspraken
gemaakt
hoe ze
moeten
omgaan
met
eigen
constatering
of
verzoeken
om
informatie
als een
kind in
het
geding
is.
,,Het
gevaar
dat
kinderen
lopen,
is
daardoor
een stuk
minder’’,
aldus
gedeputeerde
Hans
Esmeijer
(CDA),
die het
initiatief
nam voor
het
protocol,
dat de
partijen
vanmiddag
in
Arnhem
ondertekenen.
,,Roermond
en
Rotterdam
trokken
landelijke
aandacht,
maar wij
kennen
in
Gelderland
ook
situaties
waarin
ouders
doordraaien
en zich
vergrijpen
aan hun
kinderen,
in
Apeldoorn,
Winterswijk
en
Huissen.
Daaronder
zit een
reservoir
van
gevallen
waarin
het net
goed is
gegaan.
En
telkens
bleek
minstens
een van
de
ouders
met
psychische
problemen
te
kampen.’’
De
provincie
is
verantwoordelijk
voor de
jeugdzorg,
maar
niet
voor de
GGZ.
,,Maar
allebei
zien ze
dat het
soms
misloopt,
daarom
heb ik
ze samen
aan
tafel
gebracht’’,
verklaart
Esmeijer.
,,Iemand
die bij
jeugdzorg
moet
beslissen
over een
kind,
maar wil
weten
wat er
met de
ouders
aan de
hand is,
stuit
dikwijls
op het
beroepsgeheim.
En een
behandelaar
die ziet
dat een
kind
gevaar
loopt,
wil een
signaal
geven:
‘breng
het in
veiligheid’,
maar
denkt
dat dat
niet
mag.’’
Kritisch
onderzoek
van
wetten,
regels
en
richtlijnen
maakte
duidelijk
dat het
wel mag.
,,De Wet
op de
Jeugdzorg
stelt
het
belang
van een
kind dat
in het
geding
is hoger
dan de
privacy
van een
volwassen
cliënt
die
onder
behandeling
staat’’,
aldus
psychiater
Hans
Hesta,
directeur
van De
Gelderse
Roos,
instelling
voor
psychische
en
psychiatrische
hulpverlening.
,,Maar
het is
een
spanningsbron.
De
inspectie
hamert
op het
beroepsgeheim,
wie dat
schendt
krijgt
klachten.
Er komen
geen
klachten
als je
iets
niet
meldt.
Een
klacht
is een
van de
naarste
dingen
die je
kan
overkomen,
dat wil
vrijwel
iedereen
voorkomen.
De
hulpverlening
in
Nederland
is in
het
defensief.’’
Zijn
medewerkers
juichen
het
protocol
toe,
zegt
Hesta.
,,Ze
krijgen
nu een
steun in
de rug,
doordat
we
gezamenlijk
zeggen:
gewoon
melden.
Een
juridisch
steunpunt
geeft
informatie
en
begeleidt
hen bij
klachten.’’Het
Verwey-Jonker
Instituut
kijkt
hoe het
protocol
in de
praktijk
werkt.
Esmeijer
en Hesta
bevelen
het nu
al aan
voor
landelijke
invoering.
,,Maar
eerst
moeten
we laten
zien dat
het
werkt’’,
beseft
Esmeijer.
GELDERSE AANPAK MOET LEIDEN TOT MINDER KINDERMISHANDELING
(persbericht)
Nr.2007-686
Arnhem,18 december 2007
Snellere signalering van risico’s voor kinderen en betere informatie-uitwisseling tussen GGZ, Bureau Jeugdzorg-Gelderland, Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming. Dat zijn de doelen van het protocol dat woensdag 19 december wordt ondertekend in het Huis der Provincie in Arnhem. De meest opvallende afspraak is dat de GGZ-behandelaar die een volwassene in therapie heeft, voortaan ook zal letten op de belangen van eventuele kinderen en de risico’s die zij lopen. Als het nodig is, zal hiervoor onder strakke voorwaarden het beroepsgeheim moeten wijken. Tot nog toe richtte hij of zij zich louter op de volwassen cliënt. Met deze afspraken verwachten de instellingen veel eerder in te kunnen grijpen bij kindermishandeling.
Het protocol, dat uniek is in Nederland, is tot stand gekomen op initiatief van gedeputeerde Hans Esmeijer. Aanleiding vormde onder meer de dood van de Apeldoornse jongen Metahan in het najaar van 2006. Esmejier nodigde alle partijen uit voor een expertmeeting in februari 2007. Tijdens deze bijeenkomst is uitgebreid gesproken over de risico’s die kinderen lopen als hun ouders psychiatrische problemen hebben. Om deze risico’s te minimaliseren waren enkele afspraken essentieel, zoals snellere signalering van de risico’s, goede communiatie tussen GGZ, Bureau Jeugdzorg, AMK en Raad voor de Kinderbescherming en een goede manier om, ondanks het beroepsgeheim en de privacy, toch informatie te kunnen uitwisselen.
Vertegenwoordigers van deze instellingen, aangevuld met het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie en de instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie, Karakter, gingen vervolgens aan de slag om een protocol op te stellen, onder begeleiding van de provincie.
De provincie heeft het Verwey-Jonker Instituut opdracht gegeven om het hele verdere proces en de resultaten van dit protocol te volgen en te analyseren.
| |
|
|
|
|
|