Den Haag,
15 sept. Hoe ziet de
blauwdruk voor een goede
opvoeding eruit? Ouders
bieden hun kinderen
geborgenheid. Ze ‘leven
hun normen en waarden
voor’. Ze houden
voldoende tijd over om
zich te ontplooien en te
ontspannen. Ze werken,
maar dat gaat niet ten
koste van de opvoeding.
In zo’n
gezin groeien kinderen
op in een veilige en
gezonde omgeving. Ze
eten gezond, ze roken
niet, ze gebruiken geen
drugs en drinken geen
alcohol. Ze zetten zich
in als vrijwilliger.
Zo stelt
minister André Rouvoet
(Jeugd en Gezin,
ChristenUnie) zich een
goede opvoeding voor in
zijn programma Alle
kansen voor alle
kinderen. Gezinnen die
te veel van de blauwdruk
afwijken, zullen door de
overheid en
hulpverleners in de
gaten worden gehouden.
Een laagopgeleide moeder
zonder partner. Of een
drinkende vader zonder
werk. Maar ook ouders
die wél aan de
verwachtingen voldoen,
krijgen met dit kabinet
te maken.
Eerdere
kabinetten bemoeiden
zich ook met opvoeden.
In de jaren negentig
schrokken politici van
de toegenomen
jeugdcriminaliteit. Er
moesten opvoedingskampen
komen voor ontspoorde
jongeren, vond toenmalig
premier Lubbers.
Oud-fractievoorzitter
Elco Brinkman van het
CDA wilde een sociale
dienstplicht invoeren.
Ook dit
kabinet wil optreden
tegen ontspoorde
jongeren. Maar anders
dan eerdere kabinetten
wil deze regering dat de
hulpverleners daar al
voor op de bres staan,
lang voordat jongeren of
hun ouders ontsporen. Al
voor de geboorte kan de
verloskundige in de
toekomstige Centra voor
Jeugd en Gezin het
hartje van de foetus én
het rook- en drinkgedrag
van de moeder
controleren. Is haar
partner nog bij haar?
Heeft hij werk? Heeft
een van de ouders een
strafblad? Bij meerdere
risicofactoren voor het
kind, krijgen de ouders
en het kind extra
aandacht.
Opvoeden
is moeilijk, zegt
pedagoog Rien van
IJzendoorn van de
universiteit Leiden.
„Zoals ze
in Afrika zeggen: ‘It
takes a village to raise
a child’”, zegt Van
IJzendoorn. In het
belang van het kind
zouden alle ouders
opvoedingsondersteuning
moeten krijgen, vindt
hij. Bijvoorbeeld in de
vorm van video-opnamen
thuis, die een
deskundige
becommentarieert. „Het
is wat naïef om te
denken dat opvoeding van
nature wel goed zal
verlopen. Na enkele
maanden realiseren jonge
ouders zich dat ook
wel.”
Een
andere pedagoog, Bas
Levering van de
Universiteit Utrecht,
zegt dat opvoeden alleen
maar moeilijker is
geworden. Er was een
tijd dat kinderen wisten
dat ze niet te laat naar
bed moesten, met twee
woorden hoorden te
spreken. Hun leraar
spraken ze met u aan.
Maar sinds de
ontzuiling, en de
‘verkleuring’ van de
samenleving zijn veel
gemeenschappelijke
waarden verloren gegaan.
Uit een
recent onderzoek van het
tijdschrift J/M bleek
dat ouders zich ergeren
aan kinderen van
anderen. Hun eigen
kinderen vinden ze goed
opgevoed. Kinderen
voldoen vaak aan de
normen en waarden in het
eigen gezin, maar die
komen niet overeen met
die van de buren, zegt
de pedagoog Levering.
Daarom moet meer over
opvoeding worden
gesproken, zeggen
opvoeddeskundigen. De
overheid zou dat moeten
stimuleren met
campagnes. Want hoe weet
een kind wat het met de
overgebleven boter aan
het mes moet doen als
het een boterham heeft
gesmeerd? Gaat het terug
in het botervlootje? En
als dat thuis mag, mag
dat dan ook bij een
vriendje? Kinderen zijn
juist braver geworden,
vindt Levering. Dat is
het probleem niet.
„Volwassenen kunnen
alleen steeds minder van
ze hebben.”
Volgens
opvoedkundigen hoeft de
overheid niet te zeggen
hóe ouders hun kinderen
moeten opvoeden. Dat is
een zaak tussen ouders
en kind, en zo staat het
ook in het
kinderrechtenverdrag van
de Verenigde Naties. Als
het goed gaat met
kinderen, dient de
overheid opvoeding
alleen maar te
faciliteren. En dat
gebeurt natuurlijk al
volop, via het
onderwijs, de
kinderopvang en nu ook
de buitenschoolse
opvang. Maar omdat het
toch te vaak níet goed
gaat met de opvoeding,
is sinds kort de roep om
ingrijpen van de
overheid sterker
geworden.
Het is
goed dat de overheid
meer aandacht heeft voor
kinderen, zegt
hoogleraar jeugdrecht
Mariëlle Bruning, maar
de overheid schiet
volgens haar nu wel
door. „Dit kabinet zegt:
als we voldoende
aandacht hebben voor
jongeren en alle ouders
screenen, groeien ze
niet op tot criminelen.
Dat is een
veiligheidsutopie.”
Bij 5 tot
10 procent van de
jongeren gaat het mis.
Die jongeren zijn
vrijwel altijd al bekend
bij vrijwillige
hulpverlening of bij
jeugdbescherming. Om die
jongeren moet het gaan,
vindt Bruning. Door alle
ouders te screenen, alle
ouders te helpen
opvoeden, zou de
overheid een beeld
uitdragen dat ouders een
toets moeten doen om te
zien of ze voldoen aan
de verwachtingen van de
overheid. „Voor
opvoeders is dat een
brevet van onvermogen”,
zegt Bruning.
Pedagoog
Van IJzendoorn denkt
daar anders over.
Onderzoek van zijn
universiteit wees uit
dat in 2005 dertig op de
duizend kinderen werden
mishandeld. Bij zeer
laagopgeleide ouders is
het risico op
kindermishandeling zeven
keer zo hoog, bij twee
werkloze ouders vijf
keer zo hoog. Maar Van
IJzendoorn weet ook dat
kinderen in alle lagen
van de bevolking risico
lopen mishandeld te
worden. Hij vindt het
daarom goed als iedereen
in de opvoeding wordt
ondersteund. „Ik denk
dat alle jonge ouders
het geweldig vinden goed
te leren kijken naar hun
kind met iemand die veel
ervaring heeft. ”
Decennialang hielden
hulpverleners kwetsbare
kinderen met problemen
zo lang mogelijk thuis.
Uithuisplaatsing deed
kinderen geen goed,
vonden ze. Incidenten
bij pleeggezinnen en in
instellingen kregen veel
publieke aandacht.
Gesloten
jeugdinstellingen werden
wegbezuinigd.
Nu nemen
hulpverleners geen enkel
risico meer. Ze willen
geen sterfgeval op hun
geweten hebben en ze
zijn bang voor
vervolging, zoals dat
bij de voogd van Savanna
is gebeurd. Bij twijfel
plaatsen ze kinderen
sneller onder toezicht.
Dit roept
bezorgde reacties op van
critici. Moet de
overheid niet veel meer
tegen die tijdgeest
ingaan? Waarom zo hard?
Waarom zo negatief?
Voorstanders van de
nieuwe koers antwoorden:
Het gaat te vaak mis. Te
veel kinderen kunnen
niet veilig opgroeien
bij hun eigen ouders.
„We
praten niet meer met
elkaar over de
opvoeding”, vindt
Levering. „Daar ligt een
taak voor de overheid.
Discussie stimuleren.”
Bijvoorbeeld: Er eerder
iets van zeggen als de
kinderen van vrienden
zich misdragen. En niet
pas nadat ze weggaan
verzuchten dat de
meubels „nog net”
overeind staan.
„Opvoeden is moeilijker
dan ooit. We moeten het
sinds de
individualisering
allemaal zelf bedenken.”