| |
Verbonden met moeder,
boos op vader
Hoe meer
tijd jongeren met een
ouder doorbrengen, hoe
groter de verbondenheid
met die ouder. Hoe
minder tijd ze bij een
ouder doorbrengen, des
te groter de woede.
De helft van
de jongeren die Els
Swijns en Sofie Vanhoudt
voor hun thesis
ondervroegen, zeggen dat
ze helemaal geen (23
procent, zie grafiek) of
heel weinig (27 procent)
verbondenheid met hun
vader voelen. Ruim zeven
op de tien studenten
hebben een sterke (31
procent) tot heel sterke
(41 procent) band met de
moeder. Een op de vijf
voelt zich even
verbonden met vader als
met moeder.
Er is een
rechtstreekse link met
de verblijfsregeling.
Enkel jongeren die beide
ouders even vaak zien,
of bij de ene ouder
wonen maar de andere
vaak bezoeken, voelen
zich even sterk met
beide ouders verbonden.
De anderen hebben veruit
de sterkste band met de
ouder bij wie ze wonen.
Niet
bekritiseren
Eén op de vijf jongeren
voelt helemaal geen
woede ten aanzien van
zijn of haar vader door
de manier waarop hij
zich na de echtscheiding
heeft gedragen, 16
procent is daar wel heel
boos over. Vier op de
tien studenten is niet
woedend op moeder, één
op de tien heel erg. Ook
hier is er een band met
de verblijfsregeling:
hoe meer tijd de jongere
bij een ouder
doorbrengt, hoe kleiner
de woede.
Zeven op de
tien jongeren zeggen dat
hun vader het contact
met hun moeder helemaal
niet bemoeilijkt
terwijl de helft van de
moeders de kinderen wel
belet hun vader vaak te
zien. Ook
dat wekt de woede van de
jongeren op, net als
wanneer een ouder de
andere bekritiseert. De
woede keert zich dan
tegen de ouder die in de
fout gaat. (aeg)

Kinderen gescheiden
ouders wonen liefst bij
moeder
Inspraak
bij verblijfsregeling is
weinig gebruikelijk
Als
jongeren zelf zouden
mogen beslissen bij wie
ze na de scheiding van
hun ouders gaan wonen,
dan kiezen zes op de
tien voor de moeder. Dat
is ook de
verblijfsregeling die de
meeste studenten hebben
maar ze zouden graag
meer contact hebben met
hun vader.

Bijna één op
de vier kinderen in
Vlaanderen maakt de
echtscheiding van zijn
ouders mee. Hoewel
iedereen het er over
eens is dat kinderen
best inspraak krijgen in
de verblijfsregeling, is
dat in de praktijk
weinig gangbaar.
Pedagogen Els Swijns en
Sofie Vanhoudt gingen
voor hun thesis aan de
KU Leuven na hoe
jongeren hun
verblijfsregeling
ervaren en welke ze
zouden verkiezen wanneer
zij het voor het zeggen
hadden. Daar was in
Vlaanderen nog geen
wetenschappelijk
onderzoek naar verricht.
Ze ondervroegen 118
jongeren tussen 18 en 25
jaar die hoger onderwijs
volgen en vóór de
leeftijd van 12 jaar hun
ouders uit elkaar zagen
gaan.
Ruim
driekwart van de
ondervraagde jongeren
woont bij de moeder,
meer dan 9 procent
verblijft bij de vader,
evenveel wonen
afwisselend bij vader en
moeder
(verblijfsco-ouderschap)
en zes procent heeft een
andere regeling. In dat
laatste geval woont de
jongere bijvoorbeeld bij
een grootmoeder, alleen
of in een pleeggezin.
Er is geen
noemenswaardig verschil
tussen de
verblijfsregeling van
jongens en meisjes, al
wonen iets meer jongens
bij hun vader. Bij
kotstudenten gaat het
telkens om de woonplaats
vóór ze op kot gingen.
In tweederde
van de gevallen hebben
de ouders de
verblijfsregeling
onderling afgesproken,
soms met de hulp van een
bemiddelaar. In één op
de drie gevallen heeft
de rechter beslist.
Liefst één op de vijf
ondervraagde jongeren
weet niet hoe de
verblijfsregeling tot
stand is gekomen. 'Dan
is het moeilijker om
begrip op te brengen
voor de afspraak',
zeggen Els en Sofie.
'Wetenschappelijk
onderzoek wijst uit dat
informatie zeer
belangrijk is voor de
tevredenheid van de
jongeren.'
Weinig
inspraak
De meeste jongeren
werden niet door de
rechter of hun ouders
naar hun voorkeur
gevraagd. Gebeurde dat
wel, dan hadden de
betrokken jongeren wel
het gevoel dat er
effectief rekening
gehouden werd met hun
mening. Zeker wanneer ze
inspraak kregen van de
ouders.
Toch woont
slechts de helft van de
jongeren die door de
rechter en 54 procent
van de studenten die
door hun ouders gehoord
werden, volgens de door
hen gewenste regeling.
Inspraak was geen
garantie dat de jongeren
hun zin kregen. 'Maar de
meesten aanvaarden dat,
precies omdat ze gehoord
werden. Wanneer de door
het kind gewenste
regeling praktisch niet
haalbaar is, tonen ze
daar veel begrip voor.'
Bij één op
de drie jongeren werd de
verblijfsregeling
veranderd wanneer ze 12
jaar of ouder waren. Dat
gebeurde meestal op hun
vraag en deze keer werd
wel rekening gehouden
met hun wensen. De
meeste jongeren ervaren
de gewijzigde
verblijfsregeling dan
ook als een verbetering.
'Een jongere die zelf om
een andere
verblijfsregeling
gevraagd had en die
gekregen heeft, zei dat
hij het achteraf bekeken
een verslechtering
vond.' Waarom en hoe de
jongeren de
verblijfsregeling
veranderden, hebben Els
en Sofie niet
onderzocht.
Zes op de
tien jongeren wonen het
liefst bij hun moeder.
Dat is ook de
verblijfsregeling die
driekwart van hen heeft
maar ze willen hun vader
wel vaker zien. Twee
weekends per maand, het
gemiddelde, vinden ze
veel te weinig. Achttien
procent van de studenten
kiest voor
verblijfsco-ouderschap:
afwisselend bij de vader
en de moeder wonen. Tien
procent wil bij de vader
wonen. Nog eens 18
procent wenst 'een
andere' regeling maar
preciseert niet welke.
Ook in deze antwoorden
is er geen betekenisvol
verschil tussen jongens
en meisjes.
Op de vraag
welke verblijfsregeling
ze ideaal vinden
'wanneer beide ouders
even goed zijn',
antwoordt de
meerderheid:
verblijfsco-ouderschap,
en dat voor alle
leeftijden. Al zijn er
ook nogal wat die van
oordeel zijn dat heel
jonge kinderen, tot 3
jaar, vooral hun moeder
nodig hebben.
Merkwaardig: voor andere
kinderen vinden veruit
de meeste jongeren
co-ouderschap ideaal
maar niet voor henzelf.
Tenzij ze zelf
afwisselend bij vader en
moeder wonen. Sofie en
Els: 'Tussen dromen en
werkelijkheid staan
praktische bezwaren.
Overigens, de beste
verblijfsregeling
bestaat niet. Je moet
dat gezin per gezin
bekijken en liefst met
inspraak van het kind.'
Annemie
Eeckhout
| |
|
|
|
|