| |
|
FEDERALE
OVERHEIDSDIENST
JUSTITIE
|
27 APRIL
2007. - Wet betreffende
de hervorming van de
echtscheiding (1)
ALBERT II, Koning der
Belgen,
Aan allen die nu zijn en
hierna wezen zullen,
Onze Groet.
De Kamers hebben
aangenomen en Wij
bekrachtigen hetgeen
volgt :
HOOFDSTUK I. - Algemene
bepaling
Artikel 1. Deze wet
regelt een
aangelegenheid als
bedoeld in artikel 78
van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. -
Wijzigingen van het
Burgerlijk Wetboek
Art. 2. Artikel 229 van
het Burgerlijk Wetboek,
vervangen bij de wet van
28 oktober 1974, wordt
vervangen als volgt :
« Art. 229. § 1. De
echtscheiding wordt
uitgesproken wanneer de
rechter vaststelt dat
het huwelijk
onherstelbaar ontwricht
is. Het huwelijk is
onherstelbaar ontwricht
wanneer de voortzetting
van het samenleven
tussen de echtgenoten en
de hervatting ervan
redelijkerwijs
onmogelijk is geworden
ingevolge die
ontwrichting. Het bewijs
van de onherstelbare
ontwrichting kan met
alle wettelijke middelen
worden geleverd.
§ 2. De onherstelbare
ontwrichting bestaat
wanneer de aanvraag
gezamenlijk wordt gedaan
door de twee
echtgenoten, na meer dan
zes maanden feitelijk
gescheiden te zijn of
wanneer de aanvraag tot
tweemaal toe werd gedaan
overeenkomstig artikel
1255, § 1, van het
Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. De onherstelbare
ontwrichting bestaat ook
wanneer de aanvraag
wordt gedaan door één
enkele echtgenoot na
meer dan één jaar
feitelijke scheiding of
wanneer de aanvraag tot
tweemaal toe werd gedaan
overeenkomstig artikel
1255, § 2, van het
Gerechtelijk Wetboek. »
Art. 3. Artikel 230 van
hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij de wet van
28 oktober 1974, wordt
hersteld in de volgende
lezing :
« Art. 230. De
echtgenoten kunnen ook
door onderlinge
toestemming uit de echt
scheiden volgens de
voorwaarden die
vastgesteld zijn in deel
IV, boek IV, hoofdstuk
XI, afdeling 2, van het
Gerechtelijk Wetboek. »
Art. 4. In hetzelfde
Wetboek worden opgeheven
:
1° artikel 231;
2° artikel 232, hersteld
bij de wet van 1 juli
1974 en gewijzigd bij de
wetten van 2 december
1982 en 16 april 2000;
3° artikel 233;
4° artikel 275,
vervangen bij de wet van
20 november 1969 en
gewijzigd bij de wetten
van 19 januari 1990 en
20 mei 1997;
5° artikel 276,
vervangen bij de wet van
20 mei 1997.
Art. 5. Artikel 299 van
hetzelfde Wetboek wordt
vervangen als volgt :
« Art. 299. Behoudens
overeenkomst in
tegenovergestelde zin
verliezen de echtgenoten
alle voordelen die ze
elkaar bij
huwelijksovereenkomst en
sinds het aangaan van
het huwelijk hebben
toegekend. ».
Art. 6. Artikel 300 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
14 juli 1976, wordt
opgeheven.
Art. 7. Artikel 301 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
9 juli 1975 en gewijzigd
bij de wet van 20 mei
1997, wordt vervangen
als volgt :
« Art. 301. § 1.
Onverminderd artikel
1257 van het
Gerechtelijk Wetboek
kunnen de echtgenoten op
elk ogenblik
overeenkomen omtrent de
eventuele uitkering tot
levensonderhoud, het
bedrag ervan en de
nadere regels volgens
welke het overeengekomen
bedrag zal kunnen worden
herzien.
§ 2. Bij gebrek aan
overeenkomst zoals
bedoeld in § 1, kan de
rechtbank in het vonnis
dat de echtscheiding
uitspreekt of bij een
latere beslissing, op
verzoek van de
behoeftige echtgenoot
een uitkering tot
levensonderhoud toestaan
ten laste van de andere
echtgenoot.
De rechtbank kan het
verzoek om een uitkering
weigeren indien de
verweerder bewijst dat
verzoeker een zware fout
heeft begaan die de
voortzetting van de
samenleving onmogelijk
heeft gemaakt.
In geen geval wordt de
uitkering tot
levensonderhoud
toegekend aan de
echtgenoot die schuldig
werd bevonden aan een in
de artikelen 375, 398
tot 400, 402, 403 of 405
van het Strafwetboek
bedoeld feit dat is
gepleegd tegen de
persoon van de
verweerder of aan een
poging tot het plegen
van een in de artikelen
375, 393, 394 of 397 van
hetzelfde Wetboek
bedoeld feit tegen
diezelfde persoon.
In afwijking van artikel
4 van de voorafgaande
titel van het Wetboek
van strafvordering kan
de rechter in afwachting
dat de beslissing over
de strafvordering in
kracht van gewijsde is
getreden, aan de
verzoeker een
provisionele uitkering
toekennen, hierbij
rekening houdend met
alle omstandigheden van
de zaak. Hij kan het
toekennen van deze
provisionele uitkering
ondergeschikt maken aan
het stellen van een
waarborg die hij bepaalt
en waarvoor hij de
nadere regels vaststelt.
§ 3. De rechtbank legt
het bedrag van de
onderhoudsuitkering vast
die ten minste de staat
van behoefte van de
uitkeringsgerechtigde
moet dekken.
De rechtbank houdt
rekening met de
inkomsten en
mogelijkheden van de
echtgenoten en met de
aanzienlijke terugval
van de economische
situatie van de
uitkeringsgerechtigde.
Om die terugval te
waarderen, baseert de
rechter zich met name op
de duur van het
huwelijk, de leeftijd
van partijen, hun gedrag
tijdens het huwelijk
inzake de organisatie
van hun noden en het ten
laste nemen van de
kinderen tijdens het
samenleven of daarna. De
rechter kan indien nodig
beslissen dat de
uitkering degressief zal
zijn en in welke mate.
De onderhoudsuitkering
mag niet hoger liggen
dan een derde van het
inkomen van de
uitkeringsplichtige
echtgenoot.
§ 4. De duur van de
uitkering mag niet
langer zijn dan die van
het huwelijk.
In geval van
buitengewone
omstandigheden, kan de
rechtbank de termijn
verlengen, indien de
uitkeringsgerechtigde
aantoont dat hij bij het
verstrijken van de in
het eerste lid bedoelde
termijn, om redenen
onafhankelijk van zijn
wil, nog steeds in staat
van behoefte verkeert.
In dit geval beantwoordt
het bedrag van de
uitkering aan het bedrag
dat noodzakelijk is om
de staat van behoefte
van de
uitkeringsgerechtigde te
dekken.
§ 5. Indien de
verweerder aantoont dat
de staat van behoefte
van verzoeker het gevolg
is van een eenzijdig
door deze laatste
genomen beslissing en
zonder dat de noden van
de familie deze keuze
gerechtvaardigd hebben,
kan hij worden ontheven
van het betalen van de
uitkering of slechts
verplicht worden tot het
betalen van een
verminderde uitkering.
§ 6. De rechtbank die de
uitkering toekent, stelt
vast dat deze van
rechtswege aangepast
wordt aan de
schommelingen van het
indexcijfer van de
consumptieprijzen.
Het basisbedrag van de
uitkering stemt overeen
met het indexcijfer van
de consumptieprijzen van
de maand gedurende welke
het vonnis of het arrest
dat de echtscheiding
uitspreekt, kracht van
gewijsde heeft
verkregen, tenzij de
rechtbank er anders over
beslist. Om de twaalf
maanden wordt het bedrag
van de uitkering van
rechtswege aangepast in
verhouding tot de
verhoging of de
verlaging van het
indexcijfer van de
consumptieprijzen van de
overeenstemmende maand.
Deze wijzigingen worden
op de uitkeringen
toegepast vanaf de
vervaldag die volgt op
de bekendmaking in het
Belgisch Staatsblad van
het in aanmerking te
nemen nieuwe
indexcijfer.
De rechtbank kan
nochtans in bepaalde
omstandigheden een ander
systeem van aanpassing
van de uitkering aan de
kosten van
levensonderhoud
toepassen.
§ 7. Zelfs in geval van
echtscheiding door
onderlinge toestemming,
en uitgezonderd indien
de partijen in dat geval
uitdrukkelijk het
tegenovergestelde zijn
overeengekomen, kan de
rechtbank de uitkering
verhogen, verminderen of
afschaffen in het vonnis
dat de echtscheiding
uitspreekt of door een
latere beslissing,
indien ten gevolge van
nieuwe omstandigheden
onafhankelijk van de wil
van de partijen het
bedrag ervan niet meer
aangepast is.
Indien ten gevolge van
de ontbinding van het
huwelijk, de vereffening
en verdeling van het
gemeenschappelijk
vermogen of van de
onverdeeldheid die
tussen de echtgenoten
bestond, aanleiding
geeft tot een wijziging
van hun financiële
toestand, die een
aanpassing rechtvaardigt
van de uitkering tot
levensonderhoud welke
het voorwerp was van een
vonnis of overeenkomst,
gewezen of gesloten vóór
de opmaak van de
vereffeningsrekeningen,
kan de rechtbank
eveneens de uitkering
aanpassen, tenzij in
geval van echtscheiding
door onderlinge
toestemming.
§ 8. De uitkering kan op
elk ogenblik worden
vervangen door een
kapitaal mits een door
de rechtbank
gehomologeerd akkoord
tussen de partijen. Op
verzoek van de
uitkeringsplichtige, kan
de rechtbank eveneens op
elk ogenblik de
omzetting in een
kapitaal toestaan.
§ 9. De echtgenoten
kunnen voor de
ontbinding van het
huwelijk geen afstand
doen van de rechten op
een uitkering tot
levensonderhoud.
Zij mogen in de loop van
de procedure evenwel tot
een vergelijk komen over
het bedrag van die
uitkering, met
inachtneming van de in
artikel 1257 van het
Gerechtelijk Wetboek
gestelde voorwaarden.
§ 10. De uitkering is
niet meer verschuldigd
bij overlijden van de
uitkeringsplichtige,
maar de
uitkeringsgerechtigde
mag levensonderhoud
vorderen ten laste van
de nalatenschap volgens
de in artikel 205bis, §§
2, 3, 4 en 5, bepaalde
voorwaarden.
De uitkering eindigt in
ieder geval definitief
in geval van een nieuw
huwelijk van de
uitkeringsgerechtigde of
op het ogenblik waarop
deze laatste een
verklaring van
wettelijke samenwoning
doet, tenzij de partijen
anders overeenkomen.
De rechter kan de
onderhoudsverplichting
beëindigen wanneer de
uitkeringsgerechtigde
samenleeft met een
andere persoon als waren
zij gehuwd.
§ 11. De rechtbank kan
beslissen dat in geval
de uitkeringsplichtige
zijn verplichting tot
betaling niet nakomt,
het de
uitkeringsgerechtigde
toegestaan is diens
inkomsten of diens
goederen die hij
overeenkomstig hun
huwelijksvermogensstelsel
beheert, alsmede alle
andere bedragen die hem
door derden verschuldigd
zijn, in ontvangst te
nemen.
Deze beslissing kan
worden tegengeworpen aan
elke derde, huidige of
toekomstige schuldenaar,
op grond van de
kennisgeving ervan die
hen door de griffier
gedaan wordt op verzoek
van de eiser.
§ 12. De rechtbank die
een uitspraak doet
inzake een uitkering tot
levensonderhoud mag
ambtshalve de voorlopige
uitvoering van de
beslissing bevelen. »
Art. 8. Artikel 301bis
van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van
9 juli 1975 en gewijzigd
bij de wet van 20 mei
1997, wordt opgeheven.
Art. 9. In artikel 302
van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
13 april 1995, worden de
woorden "een
overeenkomst tussen
partijen die behoorlijk
werd bekrachtigd zoals
bepaald is in artikel
1258" vervangen door de
woorden "een
overeenkomst tussen
partijen die
gehomologeerd werd zoals
bepaald is in artikel
1256".
Art. 10. In artikel 304
van hetzelfde Wetboek
wordt het woord
"toegestane" vervangen
door het woord
"uitgesproken".
Art. 11. In hetzelfde
Wetboek worden opgeheven
:
1° artikel 306, hersteld
bij de wet van 1 juli
1974;
2° artikel 307, hersteld
bij de wet van 1 juli
1974 en gewijzigd bij de
wet van 14 juli 1976;
3° artikel 307bis,
ingevoegd bij de wet van
1 juli 1974.
Art. 12. Artikel 308 van
hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij de wet van
15 december 1949,
hersteld bij de wet van
27 januari 1960 en
gewijzigd bij de wet van
27 juni 1960, wordt
vervangen als volgt :
« Art. 308. Na uitspraak
van de scheiding van
tafel en bed blijft de
plicht van hulp bestaan.
» .
Art. 13. Artikel 311bis
van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
8 april 1965 en
gewijzigd bij de wetten
van 14 juli 1976 en 20
mei 1997, wordt
vervangen als volgt :
« Art. 311bis. De
artikelen 229, 299, 302
en 304 van hetzelfde
Wetboek zijn van
toepassing bij scheiding
van tafel en bed. » .
Art. 14. In artikel
316bis van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 1 juli 2006,
worden de woorden "1258,
§ 2" vervangen door het
getal "1256".
Art. 15. In artikel 1428
van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
14 juli 1976 en
gewijzigd bij de wet van
29 april 2001, worden de
woorden "vermeld in de
artikelen 229, 231 en
232" vervangen door de
woorden "vermeld in
artikel 229".
Art. 16. In artikel
1429, eerste lid van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
14 juli 1976, worden de
woorden "vermeld in de
artikelen 229, 231 en
232" vervangen door de
woorden "vermeld in
artikel 229".
Art. 17. Artikel 1447,
tweede lid, van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
14 juli 1976 en
gewijzigd bij de wet van
28 januari 2003, wordt
vervangen als volgt :
« Behoudens
uitzonderlijke
omstandigheden wordt het
verzoek ingewilligd dat
uitgaat van de
echtgenoot die
slachtoffer is van een
feit als bedoeld in de
artikelen 375, 398 tot
400, 402, 403 of 405 van
het Strafwetboek of van
een poging tot een feit
als bedoeld in de
artikelen 375, 393, 394
of 397 van hetzelfde
Wetboek, wanneer de
andere echtgenoot uit
dien hoofde is
veroordeeld bij een in
kracht van gewijsde
gegane beslissing. ».
Art. 18. In artikel
1459, eerste lid van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
14 juli 1976, worden de
woorden "vermeld in de
artikelen 229, 231 en
232" vervangen door de
woorden "vermeld in
artikel 229".
HOOFDSTUK III. -
Wijzigingen van het
Gerechtelijk Wetboek
Art. 19. In artikel 628,
1°, van het Gerechtelijk
Wetboek worden de
woorden "op grond van
bepaalde feiten of een
vordering tot omzetting
van de scheiding van
tafel en bed in
echtscheiding" vervangen
door de woorden "op
grond van onherstelbare
ontwrichting".
Art. 20. In artikel
1016bis, eerste lid, van
hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van
20 mei 1987, vervallen
de woorden "als grond
tot echtscheiding".
Art. 21. In boek IV,
hoofdstuk XI, van het
vierde deel van
hetzelfde Wetboek worden
de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° het opschrift van
afdeling I wordt
vervangen als volgt :
« Afdeling I - De
echtscheiding op grond
van onherstelbare
ontwrichting";
2° afdeling IV wordt
opgeheven.
Art. 22. Artikel 1254
van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wet van
20 mei 1997, wordt
vervangen als volgt :
« Art. 1254. § 1. Tenzij
ze is gegrond op artikel
229, § 1, van het
Burgerlijk Wetboek, kan
de vordering wegens
onherstelbare
ontwrichting worden
ingesteld bij
verzoekschrift zoals
bepaald in de artikelen
1034bis en volgende.
Naast de gewoonlijke
vermeldingen waaronder
de identiteit van de
betrokken partijen bevat
de gedinginleidende akte
in voorkomend geval de
vermelding van de
identiteit van de
minderjarige ongehuwde
en niet ontvoogde
kinderen waarvan beide
echtgenoten de ouders
zijn, van de kinderen
die zij hebben
geadopteerd, van de
kinderen van een van hen
die de andere heeft
geadopteerd, van elk
kind van elk van de
echtgenoten waarvan de
afstamming is
vastgesteld, evenals van
elk kind dat ze samen
opvoeden.
De gedinginleidende akte
bevat, in voorkomend
geval, een
gedetailleerde
beschrijving van de
feiten en, in de mate
van het mogelijke, alle
verzoeken met betrekking
tot de gevolgen van de
echtscheiding,
onverminderd § 5.
De gedinginleidende akte
kan ook de eventuele
vorderingen bevatten
inzake de voorlopige
maatregelen met
betrekking tot de
persoon, het
levensonderhoud en de
goederen, van zowel de
partijen als de
minderjarige ongehuwde
en niet ontvoogde
kinderen waarvan beide
echtgenoten de ouders
zijn, de kinderen die
zij hebben geadopteerd
en de kinderen van een
van hen die de andere
heeft geadopteerd. Als
de eiser wenst dat die
vorderingen onmiddellijk
in kort geding worden
ingeleid, dan wordt de
vordering bij
gerechtsdeurwaardersexploot
ingeleid met dagvaarding
om te verschijnen voor
de voorzitter, zitting
houdend in kort geding,
zoals bepaald in artikel
1280, en voor de
rechtbank.
Bij de gedinginleidende
akte dienen voor ieder
van de echtgenoten en de
eventuele kinderen,
hiervoor opgesomd, door
de verzoekende partij te
worden toegevoegd :
1° een bewijs van
identiteit, van
nationaliteit en van de
inschrijving in het
bevolkings-,
vreemdelingen- of
wachtregister;
2° de akten van geboorte
van de hierboven
vermelde kinderen;
3° een voor eensluidend
verklaard afschrift van
de laatste huwelijksakte
en van de laatste
huwelijksovereenkomst;
4° indien deze verschilt
met de verblijfplaats
die in het Rijksregister
is vermeld, het bewijs
van de huidige
verblijfplaats of, in
voorkomend geval, een
bewijs van de gewone
verblijfplaats in België
sinds meer dan drie
maanden.
Indien de voorgelegde
documenten in een
vreemde taal zijn
opgemaakt, kan de
griffie om een voor
eensluidend verklaarde
vertaling ervan
verzoeken.
§ 2. De betrokkenen
worden ervan vrijgesteld
de diverse in § 1
vermelde bewijzen van
identiteit, van
nationaliteit en van
inschrijving in het
bevolkings- of
vreemdelingenregister
over te leggen, voor
zover de respectieve
betrokkenen op de datum
van de gedinginleidende
akte zijn opgenomen in
het Rijksregister van de
natuurlijke personen,
opgericht bij de wet van
8 augustus 1983 tot
regeling van een
Rijksregister van de
natuurlijke personen. De
in dit register
opgenomen gegevens
gelden tot bewijs van
het tegendeel. De
griffier van de
rechtbank controleert in
dat geval de
identiteitsgegevens aan
de hand van het
Rijksregister en voegt
een uittreksel uit het
Rijksregister bij het
dossier.
Er geldt tevens
vrijstelling van het
overleggen van :
1° de in § 1 vermelde
geboorteakten voor zover
de betrokken kinderen in
België geboren zijn;
2° de huwelijksakte,
indien het huwelijk in
België plaatsvond.
In beide gevallen vraagt
de griffie van de
rechtbank zelf afschrift
van de akte op bij de
houder van het register.
Hetzelfde geldt wanneer
de akte in België is
overgeschreven en de
griffie de plaats van de
overschrijving ervan
kent.
§ 3. De bepalingen van §
2 zijn niet van
toepassing op een
vordering in kort
geding. Ze zijn evenmin
van toepassing op
personen die zijn
ingeschreven in het
wachtregister.
§ 4. Als de vermeldingen
van de akte van
rechtsingang onvolledig
zijn of indien de
griffie bepaalde
informatie niet tijdig
kon verkrijgen voor de
inleidende zitting,
nodigt de rechter de
meest gerede partij uit
de nodige inlichtingen
te verstrekken of het
dossier van de procedure
te vervolledigen. Elke
partij kan ook zelf het
initiatief nemen om het
dossier samen te
stellen.
§ 5. Tot aan de sluiting
van de debatten kunnen
de partijen of een van
de partijen de zaak of
het voorwerp van de
vordering uitbreiden of
wijzigen,
tegenvorderingen of
aanvullende vorderingen
inleiden, en dit aan de
hand van op tegenspraak
genomen conclusies of
door conclusies die aan
de andere echtgenoot
worden meegedeeld bij
gerechtsdeurwaarders-exploot
of bij een ter post
aangetekende brief met
ontvangstbewijs. »
Art. 23. Artikel 1255
van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994, wordt
vervangen als volgt :
« Art. 1255. § 1. Indien
de echtscheiding door de
partijen gezamenlijk
gevorderd wordt op grond
van artikel 229, § 2,
van het Burgerlijk
Wetboek, wordt het
verzoekschrift
ondertekend door iedere
echtgenoot of ten minste
door een advocaat of een
notaris.
Als vaststaat dat de
partijen sinds meer dan
zes maanden feitelijk
gescheiden zijn, spreekt
de rechter de
echtscheiding uit.
Als de partijen niet
langer dan zes maanden
feitelijk gescheiden
zijn, stelt de rechter
een nieuwe zitting vast.
Deze heeft plaats op een
datum die onmiddellijk
volgt op het verstrijken
van de termijn van zes
maanden, of drie maanden
na de eerste
verschijning van de
partijen. Tijdens deze
zitting spreekt de
rechter de echtscheiding
uit indien de partijen
hun wil hiertoe
bevestigen.
Wanneer de rechter de
echtscheiding
uitspreekt, homologeert
hij desgevallend de
tussen de partijen
gesloten akkoorden.
§ 2. Indien de
echtscheiding gevorderd
wordt door één van de
echtgenoten met
toepassing van artikel
229, § 3, van het
Burgerlijk Wetboek,
spreekt de rechter de
echtscheiding uit als
hij vaststelt dat de
partijen sinds meer dan
één jaar feitelijk
gescheiden zijn.
Als de partijen niet
langer dan een jaar
feitelijk gescheiden
zijn, stelt de rechter
een nieuwe zitting vast.
Deze heeft plaats op een
datum die onmiddellijk
volgt op het verstrijken
van de termijn van een
jaar, of een jaar na de
eerste zitting. Tijdens
deze zitting spreekt de
rechter de echtscheiding
uit indien een van de
partijen erom verzoekt.
§ 3. Indien de
echtscheiding gevorderd
wordt door één van de
echtgenoten en de andere
echtgenoot in de loop
van de procedure zich
met die vordering
akkoord verklaart, wordt
de echtscheiding
uitgesproken, mits het
respecteren van de in §
1 bedoelde termijnen.
§ 4. De feitelijke
scheiding van de
echtgenoten kan
aangetoond worden door
alle wettelijke
middelen, met
uitzondering van de
bekentenis en de eed, en
onder andere door
voorlegging van een
getuigschrift van
woonplaats waaruit
inschrijvingen op
verschillende adressen
blijken.
§ 5. Indien de
echtscheiding door een
van de partijen
gevorderd wordt met
toepassing van artikel
229, § 1, van het
Burgerlijk Wetboek, en
het bewijs van de
onherstelbare
ontwrichting geleverd
is, kan de rechter de
echtscheiding dadelijk
uitspreken.
§ 6. Behoudens
uitzonderlijke
omstandigheden is de
persoonlijke
verschijning van de
partijen vereist in
geval van een
gezamenlijke vordering
gebaseerd op artikel
229, § 2 van het
Burgerlijk Wetboek, in
de andere gevallen is de
persoonlijke
verschijning van de
verzoekende partij
vereist.
De zitting heeft in elk
geval plaats in
raadkamer.
Onverminderd artikel
1734 poogt de rechter de
partijen te verzoenen.
Hij verstrekt hen alle
nuttige inlichtingen
over de rechtspleging en
met name over het nut
een beroep te doen op de
bemiddeling waarin het
zevende deel van dit
Wetboek voorziet. Hij
kan de schorsing van de
procedure bevelen
teneinde de partijen de
mogelijkheid te bieden
alle nuttige
inlichtingen
dienaangaande in te
winnen. De duur van de
schorsing mag niet meer
bedragen dan één maand.
§ 7. Als een echtgenoot
zich in een toestand van
krankzinnigheid of van
diepe
geestesgestoordheid
bevindt, wordt hij als
verweerder
vertegenwoordigd door
zijn voogd, zijn
voorlopige bewindvoerder
of, bij gebreke van
dezen, door een
beheerder ad hoc die
vooraf door de
voorzitter van de
rechtbank aangewezen
wordt op verzoek van de
eisende partij. » .
Art. 24. Artikel 1256
van hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij de wet van
de 30 juni 1994, wordt
hersteld in de volgende
lezing :
« Art. 1256. Op ieder
ogenblik kunnen de
partijen de rechter
verzoeken hun
overeenkomsten te
homologeren over de
voorlopige maatregelen
met betrekking tot de
persoon, het
levensonderhoud en de
goederen van de
echtgenoten of van hun
kinderen.
Hij kan weigeren de
overeenkomst te
homologeren als deze
duidelijk in strijd is
met het belang van de
kinderen.
Bij gebrek aan een
overeenkomst of in geval
van een gedeeltelijke
overeenkomst wordt de
zaak, op verzoek van één
van de partijen,
verwezen naar de eerst
nuttige zitting van de
zaken in kort geding,
voor zover deze nog niet
is ingeschreven op de
rol van de zaken in kort
geding. Artikel 803 is
van toepassing. »
Art. 25. Artikel 1257
van hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij de wet van
de 30 juni 1994, wordt
hersteld in de volgende
lezing :
« Art. 1257.
Onverminderd artikel 302
van het Burgerlijk
Wetboek zijn de tijdens
de
echtscheidingsprocedure
gehomologeerde
overeenkomsten of de
maatregelen bevolen in
kort geding voorlopig in
de zin van artikel 1039,
eerste lid, van het
Gerechtelijk Wetboek.
Niettemin kunnen de
partijen, na het
verstrijken van een
termijn van drie maanden
volgend op de
homologatie van hun
overeenkomst of de
beschikking in kort
geding, om de
bekrachtiging van de
maatregelen door de
feitenrechter vragen,
dit keer definitief en
ook voor de periode die
volgt op de
echtscheiding.
De gedeeltelijke
akkoorden inzake de
vereffening van het
huwelijksvermogensstelsel
die zijn gesloten
gedurende de
echtscheidingsprocedure,
blijven gesloten onder
de opschortende
voorwaarden van de
definitieve uitspraak
van de echtscheiding en
van hun bekrachtiging
tijdens de procedure van
vereffening en
verdeling. »
Art. 26. Artikel 1258
van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wet van
20 mei 1997, wordt
vervangen als volgt :
« Art. 1258. Behoudens
andersluidende
overeenkomst worden de
kosten verdeeld onder de
partijen wanneer de
echtscheiding is
uitgesproken op grond
van artikel 229, §§ 1 en
2, van het Burgerlijk
Wetboek. Wanneer de
echtscheiding
uitgesproken is op grond
van artikel 229, § 1,
kan de rechter echter
anders beslissen,
rekening houdend met
alle omstandigheden van
de zaak.
Ze worden ten laste
gelegd van de eisende
partij wanneer de
echtscheiding wordt
uitgesproken op grond
van artikel 229, § 3,
van het Burgerlijk
Wetboek. »
Art. 27. In hetzelfde
Wetboek worden opgeheven
:
1° artikel 1259,
hersteld bij de wet van
19 februari 2001;
2° artikel 1267;
3° artikel 1268,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wet van
20 mei 1997;
4° artikel 1269, tweede
lid, vervangen bij de
wet van 28 oktober 1974
en gewijzigd bij de wet
van 30 juni 1994;
5° artikel 1270bis,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wet van
16 april 2000.
Art. 28. Artikel 1274
van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wet van
30 juni 1994, wordt
vervangen als volgt :
« Art. 1274. De termijn
om zich in cassatie te
voorzien tegen een
beslissing die de
echtscheiding
uitspreekt, wordt
vastgesteld op één
maand. Deze termijn en
de voorziening in
cassatie schorsen de
tenuitvoerlegging. »
Art. 29. In artikel
1275, § 1, van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij
de wet van 30 juni 1994,
vervallen de woorden "op
grond van bepaalde
feiten ».
Art. 30. In artikel 1282
van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wet van
20 mei 1997, worden de
volgende wijzigingen
aangebracht :
1° de woorden "de
dagvaarding tot
echtscheiding is
betekend" worden
vervangen door de
woorden "de vordering
wordt ingeleid";
2° een tweede lid wordt
toegevoegd, luidende :
« In ieder geval hebben
de partijen de
mogelijkheid om een
inventaris te laten
opstellen overeenkomstig
hoofdstuk II van boek IV.
»
Art. 31. In hetzelfde
Wetboek worden opgeheven
:
1° de artikelen 1284 tot
1286;
2° artikel 1286bis,
ingevoegd bij de wet van
1 juli 1974 en gewijzigd
bij de wet van 30 juni
1994;
3° artikel 1287, vierde
lid, gewijzigd bij de
wetten van 1 juli 1972,
14 mei 1981 en 30 juni
1994.
Art. 32. In artikel
1288, eerste lid, 2° van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
1 juli 1972 en gewijzigd
bij de wetten van 30
juni 1994 en 13 april
1995, worden de woorden
"de kinderen bedoeld in
artikel 1254" vervangen
door de woorden "de
minderjarige ongehuwde
en niet ontvoogde
kinderen waarvan beide
echtgenoten de ouders
zijn, de kinderen die
zij hebben geadopteerd
en de kinderen van een
van hen die de andere
heeft geadopteerd ».
Art. 33. In artikel
1288bis van hetzelfde
Wetboek worden de
woorden "1254, § 2,
eerste lid" vervangen
door de woorden "1254, §
1, tweede lid".
Art. 34. In hetzelfde
Wetboek wordt een
artikel 1291bis
ingevoegd, luidende :
« Art. 1291bis. Indien
de echtgenoten aantonen
dat ze op het ogenblik
waarop de vordering
wordt ingediend al meer
dan zes maanden
feitelijk gescheiden
zijn, worden ze
vrijgesteld van de
verschijning waarin
voorzien wordt in
artikel 1294.
In dat geval worden de
artikelen 1295 en
volgende toegepast. »
Art. 35. In artikel
1294, eerste lid, van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994, worden de
woorden ", of
vertegenwoordigd door
een advocaat of door een
notaris," ingevoegd
tussen de woorden
"verschijnen de
echtgenoten samen en in
persoon" en de woorden
"voor de voorzitter van
de rechtbank".
Art. 36. In hetzelfde
Wetboek wordt een
artikel 1294bis
ingevoegd, luidende :
« Art. 1294bis. § 1.
Indien een van de
partijen niet verschijnt
tijdens de zitting
waarin artikel 1294
voorziet of in de loop
van de procedure
meedeelt dat ze die niet
wenst voort te zetten,
kan de meest gerede
partij om de toepassing
van artikel 1255
verzoeken. In dit geval
neemt de termijn van een
jaar voor het bepalen
van de zitting waarin
artikel 1255, § 2,
tweede lid, voorziet een
aanvang op de dag van de
in artikel 1289 bedoelde
verschijning.
§ 2. Indien afstand
wordt gedaan van de
procedure, verbinden de
in artikel 1287 bepaalde
overeenkomsten de
partijen voorlopig, tot
wanneer de artikelen
1257 of 1280 worden
toegepast. Indien de
overeenkomsten niet de
vorm van een uitvoerbare
titel hebben, wordt, op
verzoek van de meest
gerede partij, de zaak
bepaald op de rechtsdag
van kort geding, in
overeenstemming met
artikel 1256. Indien een
van de partijen daarom
verzoekt, spreekt de
voorzitter een
voorlopige beschikking
uit, in overeenstemming
met de overeenkomsten. »
Art. 37. Artikel 1305
van hetzelfde Wetboek
wordt vervangen als
volgt :
« Art. 1305. De
vordering tot scheiding
van tafel en bed wordt
behandeld en gevonnist
in dezelfde vormen als
de vordering tot
echtscheiding.
De vordering tot
echtscheiding kan te
allen tijde worden
omgezet in een vordering
tot scheiding van tafel
en bed.
De vordering tot
scheiding van tafel en
bed kan te allen tijde
worden omgezet in een
vordering tot
echtscheiding. ».
Art. 38. In hetzelfde
Wetboek worden opgeheven
:
1° artikel 1306,
vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en
gewijzigd bij de wetten
van 27 december 1994 en
20 mei 1997;
2° artikel 1307,
gewijzigd bij de wetten
van 24 juni 1970 en 20
mei 1997;
3° artikel 1309,
gewijzigd bij de wetten
van 15 mei 1972, 3
augustus 1992, 27
december 1994 en 16
april 2000;
4° artikel 1310,
gewijzigd bij de wetten
van 1 juli 1972, 27
december 1994 en 16
april 2000.
Art. 39. In artikel
1412, eerste lid, van
hetzelfde Wetboek worden
de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in het 1° vervallen
de getallen "306, 307"
en de woorden "of 1306";
2° in het 2° worden de
woorden "301bis"
vervangen door de
woorden "301, § 11".
HOOFDSTUK IV. -
Wijzigingen van het
Strafwetboek
Art. 40. In artikel
391bis van het
Strafwetboek worden de
volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in het tweede lid
vervallen de getallen
"306, 307" en de woorden
"en 1306, derde lid";
2° in het derde en het
vierde lid vervallen de
woorden "en 1306, eerste
lid";
3° in het derde en het
vierde lid worden de
woorden "301bis"
vervangen door de
woorden "301, § 11".
HOOFDSTUK V. -
Wijzigingen van het
Wetboek der
registratie-, hypotheek-
en griffierechten
Art. 41. Het derde lid
van artikel 269 (1) van
het Wetboek der
registratie-, hypotheek-
en griffierechten wordt
opgeheven.
HOOFDSTUK VI. -
Overgangsbepalingen
Art. 42. § 1. Voor de
toepassing van artikel
229, §§ 2 en 3, van het
Burgerlijk Wetboek,
wordt de periode van
feitelijke scheiding die
voorafgaat aan de
inwerkingtreding van
deze wet in aanmerking
genomen.
§ 2. De vroegere
artikelen 229, 231 en
232 van hetzelfde
Wetboek blijven van
toepassing op de
procedures van
echtscheiding of
scheiding van tafel en
bed die zijn ingeleid
voor de inwerkingtreding
van deze wet en waarvoor
geen eindvonnis is
uitgesproken.
Het recht op
levensonderhoud na
echtscheiding blijft
bepaald door het
bepaalde in de vroegere
artikelen 301, 306, 307
en 307bis van hetzelfde
Wetboek, onverminderd
het bepaalde in de §§ 3
en 5.
§ 3. Indien de
echtscheiding werd
uitgesproken voor de
inwerkingtreding van
deze wet, overeenkomstig
de vroegere artikelen
229, 231 en 232 van
hetzelfde Wetboek,
blijft het in artikel
301 van hetzelfde
Wetboek bepaalde recht
op een uitkering
verworven of uitgesloten
krachtens de vroegere
wettelijke voorwaarden.
§ 4. Voor de toepassing
van de bepalingen van
artikel 301, §§ 2, 3 en
5, van hetzelfde
Wetboek, zoals gewijzigd
bij artikel 7, kan men
zich beroepen op feiten
die voorafgaan aan de
inwerkingtreding van
deze wet.
§ 5. Artikel 301, § 4,
van hetzelfde Wetboek,
zoals gewijzigd bij
artikel 7, is van
toepassing op de
uitkeringen tot
levensonderhoud, die
zijn vastgesteld door
een vonnis dat
voorafgaat aan de
inwerkingtreding van
deze wet.
Indien de duur van de
uitkering niet werd
bepaald, neemt de in
artikel 301, § 4,
bepaalde termijn een
aanvang op de datum van
de inwerkingtreding van
deze wet.
Indien de duur van de
uitkering werd bepaald,
blijft deze duur van
toepassing, zonder dat
ze de beperking waarin
wordt voorzien in het
tweede lid kan
overschrijden.
§ 6. Artikel 1274 van
hetzelfde Wetboek, zoals
gewijzigd bij artikel
28, is niet van
toepassing op de
arresten die
uitgesproken zijn voor
de inwerkingtreding van
deze wet, indien de
debatten voordien werden
afgesloten.
Art. 43. Artikel
1294bis, § 2, van het
Gerechtelijk Wetboek,
zoals gewijzigd bij
artikel 36, is niet van
toepassing op
overeenkomsten die de
partijen hebben getekend
vóór de inwerkingtreding
van deze wet.
HOOFDSTUK VII. -
Inwerkingtreding
Art. 44. Deze wet treedt
in werking op 1
september 2007.
Kondigen deze wet af,
bevelen dat zijn met 's
Lands zegel zal worden
bekleed en door het
Belgisch Staatsblad zal
worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 27
april 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van
Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel
gezegeld :
De Minister van
Justitie,
Mevr. L ONKELINX
_______
Nota's
(1) Gewone zitting
2005-2006.
Kamer van
volksvertegenwoordigers.
Stukken 51 2341
(2005/2006). - 001 :
Wetsontwerp. - 002 tot
006 : Amendementen. -
007 : Verslag. - 008 tot
017 : Amendementen. -
018 : Verslag. - 019 :
Tekst aangenomen door de
commissie. - 020 :
Amendementen. - 021 :
Tekst aangenomen in
plenaire vergadering en
overgezonden aan de
Senaat.
Zie ook : Integraal
verslag : 14 en 15
februari 2007.
Senaat.
Stukken
3-2068-2006/2007. - Nr.
1 : Ontwerp geëvoceerd
door de Senaat. - Nrs. 2
en 3 : Amendementen. -
Nr. 4 : Verslag. - Nr. 5
: Tekst geamendeerd door
de commissie. - Nr. 6 :
Amendementen ingediend
na de goedkeuring van
het verslag. - Nr. 7 :
Tekst geamendeerd door
de commissie. - Nr. 8 :
Verslag. - Nr. 9 : Tekst
geamendeerd door de
Senaat en teruggezonden
naar de Kamer van
volksvertegenwoordigers.
Zie ook : Handelingen
van de Senaat : 22 maart
2007.
Kamer van
volksvertegenwoordigers.
Stukken 51 2341
(2006/2007) : - 022 :
Ontwerp geamendeerd door
de Senaat. 023 :
Amendementen. - 024 :
Verslag. - 025 : Tekst
verbeterd door de
commissie. - 026 :
Amendement na verslag. -
027 : Tekst aangenomen
in plenaire vergadering
en aan de Koning ter
bekrachtiging
voorgelegd.
Zie ook : Integraal
verslag : 12 april 2007.
Voortgezet Ouderschap (NL)
De bilocatiewet (BE)
Vadertop

Symposium oudervervreemding

Belgische portaal
ouderverstoting
| |
|
|
|
|
|