Elk dossier is anders en dé dader bestaat niet, benadrukt Liem.
Maar de
familicidepleger
onderscheidt
zich wel
op een
aantal
punten
van
andere
kinderdoders.
Hij is
altijd
een man,
hij is
de
dertig
ruim
gepasseerd,
hij
plant
meestal
zijn
misdrijf
(bepaalt
het
tijdstip,
typt een
afscheidsbrief)
en hij
mishandelde
zijn
kinderen
niet.
Zijn
geschiedenis
was
’blanco’,
vandaar
dat de
omgeving
geen
waarschuwingssignalen
kreeg.
De
crisis
die
leidde
tot deze
meervoudige
moord,
speelde
zich
onzichtbaar
af in
zijn
hoofd.
Een
dreigend
ontslag
zou
daarvan
de
oorzaak
kunnen
zijn,
zegt
Liem,
die uit
privacy-overwegingen
niet op
een
bestaande
zaak wil
ingaan.
Maar een
fictieve
casus
wil ze
wel
beschrijven.
„Stel je
een man
voor die
graag
controle
wil
hebben
over
zijn
gezin,
die
denkt
dat zijn
vrouw en
kinderen
totaal
van hem
afhankelijk
zijn.
Gaat het
slecht
met zijn
bedrijf,
staat
zijn
baan op
de
tocht,
dan
ontwikkelt
hij een
tunnelvisie.
Langzaam
raakt
hij
ervan
overtuigd
dat de
dood de
enige
oplossing
is: hij
wil zijn
gezinsleden
voor
armoede,
schande
en erger
behoeden.” ;
Naast
dit
semi-altruďstische
motief –
waarbij
de dader
denkt
dat hij
zijn
slachtoffers
redt
door ze
te doden
– kan
wraak
een rol
spelen
bij
familicide.
Vader is
ontzettend
kwaad of
verdrietig
omdat
zijn
vrouw
hem wil
verlaten,
hij
ervaart
’een
narcistische
krenking
van de
trots’,
zegt
Liem. En
dan
besluit
hij om
haar te
straffen
op de
allerergste
manier:
via haar
kinderen,
die hij
ziet als
verlengstuk
van de
partner.
Dit heet
het
Medea-scenario,
naar de
heldin
uit
Euripides’
tragedie
die haar
eigen
kinderen
doodde
om zich
te
wreken
op haar
overspelige
man
Jason.
Medea
liet
Jason in
leven,
en dat
gebeurt
in de
moderne
werkelijkheid
ook
meestal:
in de
overige
dossiers
van
daders
die Liem
en
Koenraadt
bestudeerden,
was geen
sprake
van
partnerdoding
en dus
ook niet
van
familicide.
Wel van
neonaticide
(de
moord op
een
pasgeborene,
vaak
binnen
24 uur
na
geboorte),
infanticide
(kinderen
tot 1
jaar) en
filicide
(van 1
tot 12
jaar).
Het
doden
van heel
jonge
baby’s
is
vooral
een
vrouwenmisdrijf,
de
familicide
is dus
typisch
manlijk,
maar
verder
troffen
de
onderzoekers
zowel
moeders
als
vaders
aan: de
verdeling
is
ongeveer
fifty-fifty.
Zij
handelen
doorgaans
niet
weloverwogen
maar in
een
fatale
opwelling;
daarom
luidt
het
oordeel
van de
rechtbank
meestal
’doodslag’.
Een
vuurwapen
grijpen
de
daders
slechts
een
enkele
keer;
meestal
brengen
ze hun
kroost
om door
het te
wurgen
of te
verstikken,
het te
steken
met een
mes of
het te
slaan
met een
hamer of
ander
slagwapen.
En ook
dit komt
geregeld
voor,
zegt
onderzoeker
Koenraadt:
de
kindermoord
als ’een
zeer
drastisch
ongeluk’.
Ze
hadden
de dood
niet
gepland
of
bedoeld,
de
(stief)ouders
die hun
kinderen
zo vaak
en hard
mishandelden
dat ze
eraan
overleden.
Dit type
dader is
meestal
een man,
zegt
Koenraadt,
„die
zijn
zoon of
dochter
hard wil
disciplineren
en niet
in staat
is zijn
fysieke
kracht
af te
stemmen
op de
kwetsbaarheid
van het
kind.”
De dood
van dat
kwetsbare
kind
heeft
ook
andere
oorzaken,
die te
herleiden
zijn tot
de
tijdelijk
of
langdurig
ontregelde
psyche
van zijn
vader of
moeder.
Die
wordt,
behalve
door
wraak of
misplaatste
altruďstische
gevoelens,
ook vaak
gedreven
door een
depressie
of
psychose:
dan
handelt
de dader
onder
invloed
van
wanen of
hallucinaties.
Ook
verlatingsangst
is een
motief,
zegt
Liem.
„Het
zijn
bijvoorbeeld
vrouwen
die
volledig
afhankelijk
zijn van
hun
kind.
Zij
voelen
zich in
hun
bestaan
bedreigd
zodra
dat
ouder
wordt en
zijn
eigen
weg gaat
zoeken.
Ze doden
hun kind
en
plegen
daarna
vaak
zelfmoord,
vanuit
de
gedachte:
de enige
manier
om nog
samen te
zijn is
in de
dood.”
In de
250
dossiers
kwamen
Koenraadt
en Liem
nog veel
meer
motieven
tegen:
jaloezie
van de
vader
bijvoorbeeld,
die zich
door
zijn
vrouw
verwaarloosd
voelt en
zijn
kinderen
als
concurrenten
ziet. Of
het
’Münchhausen
by proxy
syndroom’,
waarbij
de ouder
zijn
kind
systematisch
ziek
maakt of
(fataal)
verwondt,
om zelf
te
kunnen
gloriëren
in de
rol van
de
barmhartige
verzorger.
Een
depressieve
moeder,
al
bekend
bij de
jeugdzorg;
een
gewelddadige
stiefvader;
een
psychotische
drugsverslaafde
of
alcoholist;
een
’mercy-killer’
die zijn
kinderen
uit
mededogen
doodt;
een
keurige
buurman
die
wraak
wil
nemen op
zijn
ex-vrouw
– uit
dit
grote
onderzoek
in
Nederland
rijst
geen
eensluidend,
herkenbaar
profiel
op van
dé
kinderdoder.
Maar
drie
algemene
conclusies
kan
Koenraadt
wel
trekken.
Ten
eerste:
„Hoe
jonger
het
kind,
des te
meer
risico
het
loopt.”
De
meeste
slachtoffers
zijn
kinderen
van
enkele
uren,
dagen,
weken of
maanden
oud. En
heel
vaak
zijn zij
ongewenst
– omdat
ouders
de zorg
niet aan
blijken
te
kunnen,
of omdat
moeder
sowieso
niet
zwanger
had
willen
zijn.
Opvallend
is
tenslotte
dat veel
daders
hun
kinderen
zozeer
als een
verlengstuk
van
zichzelf
beschouwen,
dat ze
hen als
het ware
meezuigen
in hun
eigen
zelfmoord.
’Extended
suicide’
(uitgebreide
zelfdoding),
zo luidt
de term
voor dit
fenomeen.
Vader of
moeder
ziet
voor
zichzelf
geen
andere
uitweg
en
denkt:
’Dan
heeft
mijn
kind dus
ook geen
leven
meer.’
Dit
speelde
in
twintig
procent
van de
250
zaken,
zegt
Koenraadt.
Pleegt
de dader
geen
zelfmoord,
of
overleeft
hij zijn
poging,
dan
slaat
hij
later,
als hij
bijvoorbeeld
medicijnen
slikt
tegen
zijn
psychose,
vaak
alsnog
de hand
aan
zichzelf.
Dat is
ook wel
begrijpelijk,
zegt
Liem.
„Het is
een
enorme
klap als
zij zich
realiseren
wat ze
hebben
gedaan."
Buitenstaanders
zijn
vaak
woedend
op de
daders
en ook
dat is
begrijpelijk.
Maar
Liem
zegt dat
we ons
ook
moeten
realiseren:
kinderdoders
zijn
vaak
dader en
slachtoffer
tegelijk.”
Zeventien kinderen werden er in 2006 gedood (voor zover bekend); veertien van hen door hun vader of moeder. Ook dit jaar haalden verschillende gezinsdrama’s de krant. Kinderdoding blijft actueel.
Daders en
slachtoffers
staan
vandaag
centraal op
het congres
’Doding van
kinderen in
gezinsverband’
in Ede. Daar
presenteren
de
psychologen/criminologen
Frans
Koenraadt en
Marieke Liem,
beide
verbonden
aan het
Willem Pompe
Instituut
voor
Strafrechtswetenschappen
van de
Universiteit
Utrecht, hun
onderzoek
naar de aard
van de
kinderdoder.
Zij
bestudeerden
daarvoor 250
daderdossiers
uit de
afgelopen
decennia,
hoofdzakelijk
afkomstig
van het
Pieter Baan
Centrum, de
psychiatrische
observatiekliniek
van het
ministerie
van
justitie.
Zo’n groot
aantal zaken
werd nog
niet eerder
onderzocht
in
Nederland.
|