Het
aantal
kinderen
dat na
een
scheiding
contact
heeft
met de
vader is
toegenomen.
Maar hun
ouders
hebben
wel
vaker
ruzie
met
elkaar.
Vergeleken
met vijf
jaar
geleden
hebben
meer
kinderen
na een
scheiding
contact
met hun
vader.
Maar
scheidingen
gaan ook
vaker
dan
vroeger
met
ruzies
gepaard.
Dit
staat in
’Scheidingskinderen’,
een
onderzoeksrapport
dat de
Utrechtse
wetenschapper
Ed
Spruijt
schreef
in
opdracht
van de
Raad
voor de
Kinderbescherming.
Het boek
wordt op
2 mei
aangeboden
aan
minister
André
Rouvoet
van
jeugd en
gezin.
Per jaar
krijgen
70.000
thuiswonende
kinderen
te maken
met
scheiding
van hun
ouders.
Had
voorheen
25
procent
van de
kinderen
na een
scheiding
geen
contact
meer met
de
uitwonende
ouder
(meestal
de
vader),
nu is
dat zo’n
17
procent.
Spruijt
schrijft
dat toe
aan de
wetswijziging
in 1998,
waardoor
beide
ouders
na een
scheiding
het
gezag
over hun
kinderen
behouden
en de
positie
van de
vader
verstevigd
is.
Maar
ondanks
deze
positieve
ontwikkeling
is het
niet zo
dat
kinderen
na een
scheiding
minder
problemen
hebben
of zich
beter
voelen.
Dat komt
doordat
het
aantal
conflicten
tussen
ouders
groter
is voor
de groep
die na 1
januari
1998 is
gescheiden.
Zij
vinden
het
vermoedelijk
lastig
om
gezamenlijk
voor de
kinderen
te
zorgen
en
hebben
daarom
vaker
ruzie,
denkt
Spruijt.
En juist
ruzies
ná de
scheiding
zijn
nadelig
voor
kinderen,
zo is al
langer
bekend.
Vijf
jaar
geleden
publiceerde
Spruijt
ook een
onderzoek
naar de
effecten
van
echtscheiding
op
kinderen.
In dit
nieuwe
rapport
inventariseert
hij in
hoeverre
de
situatie
van
scheidingskinderen
veranderd
is.
Daarbij
baseert
hij zich
onder
meer op
een
nieuw
onderzoek
onder
1659
jongeren
van
12-16
jaar.
Ook het
aantal
kinderen
dat
afwisselend
bij
vader en
moeder
woont
(co-ouderschap)
neemt
toe (16
procent).
Het is
volgens
Spruijt
moeilijk
te
zeggen
of
kinderen
uit
co-oudergezinnen
beter af
zijn na
een
scheiding.
Met de
meeste
kinderen
gaat het
na een
scheiding
goed.
Maar
zo’n
dertig
procent
van de
’Scheidingskinderen’
blijkt
twee
keer
zoveel
problemen
te
hebben
als
kinderen
uit een
’compleet’
gezin.
Vooral
kinderen
uit
scheidingsgezinnen
met veel
conflicten
kampen
meer met
depressieve
gevoelens
en
agressief
gedrag.
Ze
presteren
slechter
op
school
en zijn
gevoeliger
voor
riskante
gewoontes
als
roken,
blowen
en
drinken.
Ook
hebben
ze later
twee
keer
zoveel
kans om
zelf te
gaan
scheiden.
„Het
wordt
tijd de
positie
van
kinderen
bij een
ouderlijke
scheiding
serieuzer
te
nemen”,
vindt
Spruijt.
Hij wil
verplichte
counselinggesprekken
voor
scheidende
ouders,
zodat ze
leren
voldoende
op het
belang
van het
kind te
letten.
Ook wil
hij
fiscale
beloning
voor
gescheiden
ouders
die
afspraken
over de
opvoeding
en het
contact
nakomen.