DEN HAAG - Kinderen van
gescheiden ouders vertonen
bijna twee keer zoveel
problemen als kinderen uit
intacte gezinnen. Vooral
kinderen uit
'scheidingsgezinnen' met
veel conflicten ondervinden
veel moeilijkheden.
Dat blijkt uit
onderzoek dat in opdracht
van de Raad voor de
Kinderbescherming is
verricht.
Kinderen van gescheiden
ouders kampen op langere
termijn meer met angsten en
depressies. Ze vertonen ook
meer agressief en strafbaar
gedrag dan kinderen uit
complete gezinnen. Ze roken,
drinken en blowen ook meer
en doen het minder goed op
school. De kans dat ze later
zelf scheiden is twee keer
zo groot.
Per jaar krijgen 70.000
thuiswonende kinderen in
Nederland te horen dat hun
ouders gaan scheiden. Bijna
een derde van deze groep
ouders was niet getrouwd,
maar woonde samen.
Sinds 1998 geldt als
uitgangspunt dat ouders na
hun scheiding gezamenlijk
het gezag hebben over hun
kinderen. Uit het onderzoek
blijkt dat sindsdien het
contact tussen kind en
uitwonende ouder (nog altijd
meestal de vader) is
toegenomen. Het percentage
'helemaal geen contact'
daalde van 25 procent naar
minder dan 20 procent.
Het onderzoek leert echter
ook dat gescheiden ouders
sinds 1998 meer ruziën. Het
is kennelijk niet eenvoudig
om gelijkwaardig ouderschap
vorm te geven, vermoedt
onderzoeker Ed Spruijt van
de Universiteit Utrecht.
Bijna de helft van de
'scheidingskinderen' krijgt
te maken met een stiefouder,
meestal (85 procent) een
stiefvader. Kinderen in
stiefgezinnen hebben meer
last van angst en
depressies, maar scoren wel
betere schoolcijfers dan
kinderen van gescheiden
ouders zonder nieuwe
partner.
Het onderzoek, dat onder
meer is verricht onder ruim
1600 kinderen van twaalf tot
zestien jaar, is gebundeld
in het boek
Scheidingskinderen van de
hand van Spruijt. Het boek
wordt volgende week
overhandigd aan minister
André Rouvoet van Jeugd en
Gezin. (ANP)