| |
Echtscheiding en
onherstelbare
ontwrichting
WETSONTWERP
betreffende de
hervorming van de
echtscheiding
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS TEKST
VERBETERD DOOR DE
COMMISSIE VOOR
JUSTITIE
HOOFDSTUK I
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een
aangelegenheid als
bedoeld in
artikel 78 van de
Grondwet.
HOOFDSTUK II
Wijzigingen van het
Burgerlijk Wetboek
Art. 2
Artikel 229 van het
Burgerlijk Wetboek,
vervangen bij
de wet van 28
oktober 1974, wordt
vervangen als volgt:
«Art. 229.— § 1. De
echtscheiding wordt
uitgesproken
wanneer de rechter
vaststelt dat het
huwelijk
onherstelbaar
ontwricht is. Het
huwelijk is
onherstelbaar
ontwricht wanneer de
voortzetting van het
samenleven
tussen de
echtgenoten en de
hervatting ervan
redelijkerwijs
onmogelijk is
geworden ingevolge
die ontwrichting.
Het bewijs van de
onherstelbare
ontwrichting kan
met alle wettelijke
middelen worden
geleverd.
§ 2. De
onherstelbare
ontwrichting bestaat
wanneer
de aanvraag
gezamenlijk wordt
gedaan door de twee
echtgenoten, na meer
dan zes maanden
feitelijk gescheiden
te zijn of wanneer
de aanvraag tot
tweemaal toe
werd gedaan
overeenkomstig
artikel 1255, § 1,
van het
Gerechtelijk
Wetboek.
§ 3. De
onherstelbare
ontwrichting bestaat
ook wanneer
de aanvraag wordt
gedaan door één
enkele echtgenoot
na meer dan één jaar
feitelijke scheiding
of wanneer
de aanvraag tot
tweemaal toe werd
gedaan
overeenkomstig
artikel 1255, § 2,
van het Gerechtelijk
Wetboek.».
Art. 3
Artikel 230 van
hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij de
wet van 28 oktober
1974, wordt hersteld
in de volgende
lezing:
«Art. 230.— De
echtgenoten kunnen
ook door onderlinge
toestemming uit de
echt scheiden
volgens de
voorwaarden die
vastgesteld zijn in
deel IV, boek IV,
hoofdstuk XI,
afdeling 2, van het
Gerechtelijk
Wetboek.».
Art.
4
In hetzelfde Wetboek
worden opgeheven:
1º artikel 231;
2º artikel 232,
hersteld bij de wet
van 1 juli 1974 en
gewijzigd bij de
wetten van 2
december 1982 en 16
april
2000;
3º artikel 233;
4º artikel 275,
vervangen bij de wet
van 20 november
1969 en gewijzigd
bij de wetten van 19
januari 1990 en
20 mei 1997;
5º artikel 276,
vervangen bij de wet
van 20 mei 1997.
Art. 5
Artikel 299 van
hetzelfde Wetboek
wordt vervangen
als volgt:
«Art. 299.—
Behoudens
overeenkomst in
tegenovergestelde
zin verliezen de
echtgenoten alle
voordelen
die ze elkaar bij
huwelijksovereenkomst
en sinds het
aangaan van het
huwelijk hebben
toegekend.».
Art. 6
Artikel 300 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de
wet van 14 juli
1976, wordt
opgeheven.
Art. 7
Artikel 301 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de
wet van 9 juli 1975
en gewijzigd bij de
wet van 20 mei
1997, wordt
vervangen als volgt:
§ 1.
Onverminderd artikel
1257 van het
Gerechtelijk Wetboek
kunnen de
echtgenoten op elk
ogenblik
overeenkomen omtrent
de eventuele
uitkering
tot levensonderhoud,
het bedrag ervan en
de nadere
regels volgens welke
het overeengekomen
bedrag zal
kunnen worden
herzien.
§ 2. Bij gebrek aan
overeenkomst zoals
bedoeld in §1, kan de rechtbank
in het vonnis dat de
echtscheiding
uitspreekt of bij
een latere
beslissing, op
verzoek van
de behoeftige
echtgenoot een
uitkering tot
levensonderhoud
toestaan ten laste
van de andere
echtgenoot.
De
rechtbank kan het
verzoek om een
uitkering weigeren
indien de verweerder
bewijst dat
verzoeker een
zware fout heeft
begaan die de
voortzetting van de
samenleving
onmogelijk heeft
gemaakt.
In geen geval wordt
de uitkering tot
levensonderhoud
toegekend aan de
echtgenoot die
schuldig werd
bevonden
aan een in de
artikelen 375, 398
tot 400, 402, 403
of 405 van het
Strafwetboek bedoeld
feit dat is gepleegd
tegen de persoon van
de verweerder of aan
een poging
tot het plegen van
een in de artikelen
375, 393, 394 of
397 van hetzelfde
Wetboek bedoeld feit
tegen diezelfde
persoon.
In afwijking van
artikel 4 van de
voorafgaande titel
van het Wetboek van
strafvordering kan
de rechter in
afwachting dat de
beslissing over de
strafvordering in
kracht van gewijsde
is getreden, aan de
verzoeker een
provisionele
uitkering toekennen,
hierbij rekening
houdend
met alle
omstandigheden van
de zaak. Hij kan het
toekennen van deze
provisionele
uitkering
ondergeschikt
maken aan het
stellen van een
waarborg die hij
bepaalt
en waarvoor hij de
nadere regels
vaststelt.
§ 3. De rechtbank
legt het bedrag van
de
onderhoudsuitkering
vast die ten minste
de staat van
behoefte van
de
uitkeringsgerechtigde
moet dekken.
De rechtbank houdt
rekening met de
inkomsten en
mogelijkheden van de
echtgenoten en met
de aanzienlijke
terugval van de
economische situatie
van de
uitkeringsgerechtigde.
Om die terugval te
waarderen,
baseert de rechter
zich met name op de
duur van het
huwelijk, de
leeftijd van
partijen, hun gedrag
tijdens het
huwelijk inzake de
organisatie van hun
noden en het
ten laste nemen van
de kinderen tijdens
het samenleven
of daarna. De
rechter kan indien
nodig beslissen
dat de uitkering
degressief zal zijn
en in welke mate.
De
onderhoudsuitkering
mag niet hoger
liggen dan
een derde van het
inkomen van de
uitkeringsplichtige
echtgenoot.
§ 4. De duur van de
uitkering mag niet
langer zijn
dan die van het
huwelijk.
In geval van
buitengewone
omstandigheden, kan
de
rechtbank de termijn
verlengen, indien de
uitkeringsgerechtigde
aantoont dat hij bij
het verstrijken van
de in
het eerste lid
bedoelde termijn, om
redenen
onafhankelijk
van zijn wil, nog
steeds in staat van
behoefte verkeert.
In dat geval
beantwoordt het
bedrag van de
uitkering
aan het bedrag dat
noodzakelijk is om
de staat
van behoefte van de
uitkeringsgerechtigde
te dekken.
§ 5.
Indien de verweerder
aantoont dat de
staat van
behoefte van
verzoeker het gevolg
is van een eenzijdig
door deze laatste
genomen beslissing
en zonder dat de
noden van de familie
deze keuze
gerechtvaardigd
hebben,
kan hij worden
ontheven van het
betalen van de
uitkering of slechts
verplicht worden tot
het betalen van
een verminderde
uitkering.
§ 6. De rechtbank
die de uitkering
toekent, stelt vast
dat deze van
rechtswege aangepast
wordt aan de
schommelingen van
het indexcijfer van
de
consumptieprijzen.
Het basisbedrag van
de uitkering stemt
overeen met
het indexcijfer van
de consumptieprijzen
van de maand
gedurende welke het
vonnis of het arrest
dat de echtscheiding
uitspreekt, kracht
van gewijsde heeft
verkregen,
tenzij de rechtbank
er anders over
beslist. Om de
twaalf maanden wordt
het bedrag van de
uitkering van
rechtswege aangepast
in verhouding tot de
verhoging
of de verlaging van
het indexcijfer van
de consumptieprijzen
van de
overeenstemmende
maand.
Deze wijzigingen
worden op de
uitkeringen
toegepast
vanaf de vervaldag
die volgt op de
bekendmaking in het
Belgisch Staatsblad
van het in
aanmerking te nemen
nieuwe indexcijfer.
De rechtbank kan
nochtans in bepaalde
omstandigheden
een ander systeem
van aanpassing van
de uitkering
aan de kosten van
levensonderhoud
toepassen.
§ 7. Zelfs in geval
van echtscheiding
door onderlinge
toestemming, en
uitgezonderd indien
de partijen in dat
geval uitdrukkelijk
het
tegenovergestelde
zijn overeengekomen,
kan de rechtbank de
uitkering verhogen,
verminderen
of afschaffen in het
vonnis dat de
echtscheiding
uitspreekt of door
een latere
beslissing, indien
ten
gevolge van nieuwe
omstandigheden
onafhankelijk van
de wil van de
partijen het bedrag
ervan niet meer
aangepast
is.
Indien ten gevolge
van de ontbinding
van het huwelijk,
de vereffening en
verdeling van het
gemeenschappelijk
vermogen of van de
onverdeeldheid die
tussen
de echtgenoten
bestond, aanleiding
geeft tot een
wijziging
van hun financiële
toestand, die een
aanpassing
rechtvaardigt van de
uitkering tot
levensonderhoud
welke
het voorwerp was van
een vonnis of
overeenkomst,
gewezen of gesloten
vóór de opmaak van
de
vereffeningsrekeningen,
kan de rechtbank
eveneens de
uitkering aanpassen,
tenzij in geval
echtscheiding door
onderlinge
toestemming.
§ 8.
De uitkering kan op
elk ogenblik worden
vervangen
door een kapitaal
mits een door de
rechtbank
gehomologeerd
akkoord tussen de
partijen. Op verzoek
van de
uitkeringsplichtige,
kan de rechtbank
eveneens
op elk ogenblik de
omzetting in een
kapitaal toestaan.
§ 9. De echtgenoten
kunnen voor de
ontbinding van
het huwelijk geen
afstand doen van de
rechten op een
uitkering tot
levensonderhoud.
Zij mogen in de loop
van de procedure
evenwel tot
een vergelijk komen
over het bedrag van
die uitkering,
met inachtneming van
de in artikel 1257
van het Gerechtelijk
Wetboek gestelde
voorwaarden.
§ 10. De uitkering
is niet meer
verschuldigd bij
overlijden
van de
uitkeringsplichtige,
maar de
uitkeringsgerechtigde
mag levensonderhoud
vorderen ten laste
van de nalatenschap
volgens de in
artikel 205bis, §§
2,3, 4 en 5, bepaalde
voorwaarden.
De uitkering eindigt
in ieder geval
definitief in geval
van een nieuw
huwelijk van de
uitkeringsgerechtigde
of
op het ogenblik
waarop deze laatste
een verklaring van
wettelijke
samenwoning doet,
tenzij de partijen
anders
overeenkomen.
De rechter kan de
onderhoudsverplichting
beëindigen
wanneer de
uitkeringsgerechtigde
samenleeft met
een andere persoon
als waren zij
gehuwd.
§ 11. De rechtbank
kan beslissen dat in
geval de
uitkeringsplichtige
zijn verplichting
tot betaling niet
nakomt,
het de
uitkeringsgerechtigde
toegestaan is diens
inkomsten of diens
goederen die hij
overeenkomstig hun
huwelijksvermogensstelsel
beheert, alsmede
alle andere
bedragen die hem
door derden
verschuldigd zijn,
in
ontvangst te nemen.
Deze beslissing kan
worden tegengeworpen
aan elke
derde, huidige of
toekomstige
schuldenaar, op
grond
van de kennisgeving
ervan die hen door
de griffier gedaan
wordt op verzoek van
de eiser.
§ 12. De rechtbank
die een uitspraak
doet inzake een
uitkering tot
levensonderhoud mag
ambtshalve de
voorlopige
uitvoering van de
beslissing
bevelen.».
Art. 8
Artikel 301bis van
hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij
de wet van 9 juli
1975 en gewijzigd
bij de wet van 20
mei 1997, wordt
opgeheven.
Art.
9
In artikel 302 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij
de wet van 13 april
1995, worden de
woorden «een
overeenkomst
tussen partijen die
behoorlijk werd
bekrachtigd
zoals bepaald is in
artikel 1258»
vervangen door de
woorden «een
overeenkomst tussen
partijen die
gehomologeerd werd
zoals bepaald is in
artikel 1256».
Art. 10
In artikel 304 van
hetzelfde Wetboek
wordt het woord
«toegestane»
vervangen door het
woord «uitgesproken
».
Art. 11
In hetzelfde Wetboek
worden opgeheven:
1º artikel 306,
hersteld bij de wet
van 1 juli 1974;
2º artikel 307,
hersteld bij de wet
van 1 juli 1974 en
gewijzigd bij de wet
van 14 juli 1976;
3º artikel 307bis,
ingevoegd bij de wet
van 1 juli 1974.
Art. 12
Artikel 308 van
hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij de
wet van 15 december
1949, hersteld bij
de wet van 27
januari 1960 en
gewijzigd bij de wet
van 27 juni 1960,
wordt vervangen als
volgt:
«Art. 308.— Na
uitspraak van de
scheiding van tafel
en bed blijft de
plicht van hulp
bestaan.».
Art. 13
Artikel 311bis van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij
de wet van 8 april
1965 en gewijzigd
bij de wetten van
14 juli 1976 en 20
mei 1997, wordt
vervangen als volgt:
«Art. 311bis.— De
artikelen 229, 299,
302 en 304
van hetzelfde
Wetboek zijn van
toepassing bij
scheiding
van tafel en bed.».
Art. 14
In artikel 316bis
van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 1
juli 2006, worden de
woorden «1258,
§ 2» vervangen door
het getal «1256».
Art.
15
In artikel 1428 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij
de wet van 14 juli
1976 en gewijzigd
bij de wet van
29 april 2001,
worden de woorden
«vermeld in de
artikelen
229, 231 en 232»
vervangen door de
woorden
«vermeld in artikel
229».
Art. 16
In artikel 1429,
eerste lid van
hetzelfde Wetboek,
vervangen
bij de wet van 14
juli 1976, worden de
woorden
«vermeld in de
artikelen 229, 231
en 232» vervangen
door de woorden
«vermeld in artikel
229».
Art. 17
Artikel 1447, tweede
lid, van hetzelfde
Wetboek, vervangen
bij de wet van 14
juli 1976 en
gewijzigd bij de
wet van 28 januari
2003, wordt
vervangen als volgt:
«Behoudens
uitzonderlijke
omstandigheden wordt
het
verzoek ingewilligd
dat uitgaat van de
echtgenoot die
slachtoffer is van
een feit als bedoeld
in de artikelen
375, 398 tot 400,
402, 403 of 405 van
het Strafwetboek
of van een poging
tot een feit als
bedoeld in de
artikelen
375, 393, 394 of 397
van hetzelfde
Wetboek, wanneer
de andere echtgenoot
uit dien hoofde is
veroordeeld bij
een in kracht van
gewijsde gegane
beslissing.».
Art. 18
In artikel 1459,
eerste lid van
hetzelfde Wetboek,
vervangen
bij de wet van 14
juli 1976, worden de
woorden
«vermeld in de
artikelen 229, 231
en 232» vervangen
door de woorden
«vermeld in artikel
229».
HOOFDSTUK III
Wijzigingen van het
Gerechtelijk Wetboek
Art. 19
In artikel 628, 1º,
van het Gerechtelijk
Wetboek worden
de woorden «op grond
van bepaalde feiten
of een
vordering tot
omzetting van de
scheiding van tafel
en
bed in
echtscheiding»
vervangen door de
woorden «op
grond van
onherstelbare
ontwrichting».
Art.
20
In artikel 1016bis,
eerste lid, van
hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet
van 20 mei 1987,
vervallen de
woorden «als grond
tot echtscheiding».
Art. 21
In boek IV,
hoofdstuk XI, van
het vierde deel van
hetzelfde
Wetboek worden de
volgende wijzigingen
aangebracht:
1º het opschrift van
afdeling I wordt
vervangen als
volgt:
«Afdeling I — De
echtscheiding op
grond van
onherstelbare
ontwrichting»;
2º afdeling IV wordt
opgeheven.
Art. 22
Artikel 1254 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij
de wet van 30 juni
1994 en gewijzigd
bij de wet van 20
mei 1997, wordt
vervangen als volgt:
«Art. 1254.—
§ 1.
Tenzij ze is gegrond
op artikel 229,
§ 1, van het
Burgerlijk Wetboek,
kan de vordering
wegens
onherstelbare
ontwrichting worden
ingesteld bij
verzoekschrift zoals
bepaald in de
artikelen 1034bis en
volgende.
Naast de gewoonlijke
vermeldingen
waaronder de
identiteit van de
betrokken partijen
bevat de
gedinginleidende
akte in voorkomend
geval de vermelding
van
de identiteit van de
minderjarige
ongehuwde en niet
ontvoogde kinderen
waarvan beide
echtgenoten de
ouders zijn, van de
kinderen die zij
hebben geadopteerd,
van de kinderen van
een van hen die de
andere heeft
geadopteerd, van elk
kind van elk van de
echtgenoten
waarvan de
afstamming is
vastgesteld, evenals
van elk
kind dat ze samen
opvoeden.
De gedinginleidende
akte bevat, in
voorkomend geval,
een gedetailleerde
beschrijving van de
feiten en, in
de mate van het
mogelijke, alle
verzoeken met
betrekking
tot de gevolgen van
de echtscheiding,
onverminderd
§ 5.
De gedinginleidende
akte kan ook de
eventuele
vorderingen
bevatten inzake de
voorlopige
maatregelen met
betrekking tot de
persoon, het
levensonderhoud en
de
goederen, van zowel
de partijen als de
minderjarige
ongehuwde en niet
ontvoogde kinderen
waarvan beide
echtgenoten de
ouders zijn, de
kinderen die zij
hebben
geadopteerd en de
kinderen van een van
hen die de
andere heeft
geadopteerd. Als de
eiser wenst dat die
vorderingen
onmiddellijk in kort
geding worden
ingeleid,
dan wordt de
vordering bij
gerechtsdeurwaardersexploot
ingeleid met
dagvaarding om te
verschijnen voor de
voorzitter, zitting
houdend in kort
geding, zoals
bepaald
in artikel 1280, en
voor de rechtbank.
Bij de
gedinginleidende
akte dienen voor
ieder van
de echtgenoten en de
eventuele kinderen,
hiervoor opgesomd,
door de verzoekende
partij te worden
toegevoegd:
1º een bewijs van
identiteit, van
nationaliteit en van
de inschrijving in
het bevolkings-,
vreemdelingen- of
wachtregister;
2º de akten van
geboorte van de
hierboven vermelde
kinderen;
3º een voor
eensluidend
verklaard afschrift
van de
laatste
huwelijksakte en van
de laatste
huwelijksovereenkomst;
4º indien deze
verschilt met de
verblijfplaats die
in
het Rijksregister is
vermeld, het bewijs
van de huidige
verblijfplaats of,
in voorkomend geval,
een bewijs van
de gewone
verblijfplaats in
België sinds meer
dan drie
maanden.
Indien de
voorgelegde
documenten in een
vreemde
taal zijn opgemaakt,
kan de griffie om
een voor eensluidend
verklaarde vertaling
ervan verzoeken.
§ 2. De betrokkenen
worden ervan
vrijgesteld de
diverse
in § 1 vermelde
bewijzen van
identiteit, van
nationaliteit
en van inschrijving
in het bevolkings-
of
vreemdelingenregister
over te leggen, voor
zover de
respectieve
betrokkenen op de
datum van de
gedinginleidende
akte zijn opgenomen
in het Rijksregister
van
de natuurlijke
personen, opgericht
bij de wet van 8
augustus
1983 tot regeling
van een
Rijksregister van de
natuurlijke
personen. De in dit
register opgenomen
gegevens
gelden tot bewijs
van het tegendeel.
De griffier
van de rechtbank
controleert in dat
geval de
identiteitsgegevens
aan de hand van het
Rijksregister en
voegt
een uittreksel uit
het Rijksregister
bij het dossier.
Er geldt tevens
vrijstelling van het
overleggen van:
1º de in § 1
vermelde
geboorteakten voor
zover de
betrokken kinderen
in België geboren
zijn;
2º de
huwelijksakte,
indien het huwelijk
in België
plaatsvond.
In beide gevallen
vraagt de griffie
van de rechtbank
zelf afschrift van
de akte op bij de
houder van het
register.
Hetzelfde geldt
wanneer de akte in
België is
overgeschreven
en de griffie de
plaats van de
overschrijving
ervan kent.
§ 3. De bepalingen
van § 2 zijn niet
van toepassing
op een vordering in
kort geding. Ze zijn
evenmin van
toepassing op
personen die zijn
ingeschreven in het
wachtregister.
§ 4. Als de
vermeldingen van de
akte van
rechtsingang
onvolledig zijn of
indien de griffie
bepaalde informatie
niet tijdig kon
verkrijgen voor de
inleidende zitting,
nodigt
de rechter de meest
gerede partij uit de
nodige inlichtingen
te verstrekken of
het dossier van de
procedure
te vervolledigen.
Elke partij kan ook
zelf het initiatief
nemen om het dossier
samen te stellen.
§ 5. Tot aan de
sluiting van de
debatten kunnen de
partijen of een van
de partijen de zaak
of het voorwerp
van de vordering
uitbreiden of
wijzigen,
tegenvorderingen
of aanvullende
vorderingen
inleiden, en dit
aan de hand van op
tegenspraak genomen
conclusies
of door conclusies
die aan de andere
echtgenoot worden
meegedeeld bij
gerechtsdeurwaarders-exploot
of
bij een ter post
aangetekende brief
met ontvangstbewijs.
».
Art. 23
Artikel 1255 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij
de wet van 30 juni
1994, wordt
vervangen als volgt:
«Art. 1255.— § 1.
Indien de
echtscheiding door
de
partijen gezamenlijk
gevorderd wordt op
grond van artikel
229, § 2, van het
Burgerlijk Wetboek,
wordt het
verzoekschrift
ondertekend door
iedere echtgenoot of
ten
minste door een
advocaat of een
notaris.
Als vaststaat dat de
partijen sinds meer
dan zes
maanden feitelijk
gescheiden zijn,
spreekt de rechter
de echtscheiding
uit.
Als de partijen niet
langer dan zes
maanden feitelijk
gescheiden zijn,
stelt de rechter een
nieuwe zitting vast.
Deze heeft plaats op
een datum die
onmiddellijk volgt
op het verstrijken
van de termijn van
zes maanden, of
drie maanden na de
eerste verschijning
van de partijen.
Tijdens deze zitting
spreekt de rechter
de echtscheiding
uit indien de
partijen hun wil
hiertoe bevestigen.
Wanneer de rechter
de echtscheiding
uitspreekt,
homologeert hij
desgevallend de
tussen de partijen
gesloten
akkoorden.
§ 2. Indien de
echtscheiding
gevorderd wordt door
één van de
echtgenoten met
toepassing van
artikel 229,
§ 3, van het
Burgerlijk Wetboek,
spreekt de rechter
de
echtscheiding uit
als hij vaststelt
dat de partijen
sinds
meer dan één jaar
feitelijk gescheiden
zijn.
Als de partijen niet
langer dan een jaar
feitelijk gescheiden
zijn, stelt de
rechter een nieuwe
zitting vast.
Deze heeft plaats op
een datum die
onmiddellijk volgt
op het verstrijken
van de termijn van
een jaar, of een
jaar na de eerste
zitting. Tijdens
deze zitting spreekt
de
rechter de
echtscheiding uit
indien een van de
partijen
erom verzoekt. § 3. Indien de
echtscheiding
gevorderd wordt door
één van de
echtgenoten en de
andere echtgenoot in
de
loop van de
procedure zich met
die vordering
akkoord
verklaart, wordt de
echtscheiding
uitgesproken, mits
het
respecteren van de
in § 2 bedoelde
termijnen. § 4. De feitelijke
scheiding van de
echtgenoten kan
aangetoond worden
door alle wettelijke
middelen, met
uitzondering van de
bekentenis en de
eed, en onder
andere door
voorlegging van een
getuigschrift van
woonplaats
waaruit
inschrijvingen op
verschillende
adressen
blijken. § 5. Indien de
echtscheiding door
een van de partijen
gevorderd wordt met
toepassing van
artikel 229, § 1,
van het Burgerlijk
Wetboek, en het
bewijs van de
onherstelbare
ontwrichting
geleverd is, kan de
rechter de
echtscheiding
dadelijk uitspreken.
§ 6. Behoudens
uitzonderlijke
omstandigheden is de
persoonlijke
verschijning van de
partijen vereist in
geval
van een gezamenlijke
vordering gebaseerd
op artikel
229, § 2 van het
Burgerlijk Wetboek,
in de andere
gevallen is de
persoonlijke
verschijning van de
verzoekende partij vereist.
De zitting heeft in
elk geval plaats in
raadkamer.
Onverminderd artikel
1734 poogt de
rechter de partijen
te verzoenen. Hij
verstrekt hen alle
nuttige inlichtingen
over de
rechtspleging en met
name over het nut
een beroep te doen
op de bemiddeling
waarin het zevende
deel van dit Wetboek
voorziet. Hij kan de
schorsing
van de procedure
bevelen teneinde de
partijen de
mogelijkheid te
bieden alle nuttige
inlichtingen
dienaangaande
in te winnen. De
duur van de
schorsing mag
niet meer bedragen
dan één maand.
§ 7.
Als een echtgenoot
zich in een toestand
van
krankzinnigheid of
van diepe
geestesgestoordheid
bevindt,
wordt hij als
verweerder
vertegenwoordigd
door
zijn voogd, zijn
voorlopige
bewindvoerder of,
bij gebreke
van dezen, door een
beheerder ad hoc die
vooraf door
de voorzitter van de
rechtbank aangewezen
wordt op
verzoek van de
eisende partij.».
Art. 24
Artikel 1256 van
hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij
de wet van de 30
juni 1994, wordt
hersteld in de
volgende
lezing:
«Art. 1256.— Op
ieder ogenblik
kunnen de partijen
de rechter verzoeken
hun overeenkomsten
te homologeren
over de voorlopige
maatregelen met
betrekking
tot de persoon, het
levensonderhoud en
de goederen
van de echtgenoten
of van hun kinderen.
Hij kan weigeren de
overeenkomst te
homologeren
als deze duidelijk
in strijd is met het
belang van de
kinderen.
Bij gebrek aan een
overeenkomst of in
geval van een
gedeeltelijke
overeenkomst wordt
de zaak, op verzoek
van één van de
partijen, verwezen
naar de eerst
nuttige
zitting van de zaken
in kort geding, voor
zover deze nog
niet is ingeschreven
op de rol van de
zaken in kort
geding.
Artikel 803 is van
toepassing.».
Art. 25
Artikel 1257 van
hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij
de wet van de 30
juni 1994, wordt
hersteld in de
volgende
lezing:
«Art. 1257.—
Onverminderd artikel
302 van het
Burgerlijk
Wetboek zijn de
tijdens de
echtscheidingsprocedure
gehomologeerde
overeenkomsten of de
maatregelen bevolen
in kort geding
voorlopig in de zin
van artikel 1039,
eerste lid, van het
Gerechtelijk
Wetboek.
Niettemin kunnen de
partijen, na het
verstrijken van
een termijn van drie
maanden volgend op
de
homologatie van hun
overeenkomst of de
beschikking
in kort geding, om
de bekrachtiging van
de maatregelen
door de
feitenrechter
vragen, dit keer
definitief en
ook voor de periode
die volgt op de
echtscheiding.
De gedeeltelijke
akkoorden inzake de
vereffening van
het
huwelijksvermogensstelsel
die zijn gesloten
gedurende de
echtscheidingsprocedure,
blijven gesloten
onder de
opschortende
voorwaarden van de
definitieve
uitspraak van de
echtscheiding en van
hun bekrachtiging
tijdens de procedure
van vereffening en
verdeling.».
Art. 26
Artikel 1258 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij
de wet van 30 juni
1994 en gewijzigd
bij de wet van 20
mei 1997, wordt
vervangen als volgt:
«Art. 1258.—
Behoudens
andersluidende
overeenkomst
worden de kosten
verdeeld onder de
partijen
wanneer de
echtscheiding is
uitgesproken op
grond van
artikel 229, §§ 1 en
2, van het
Burgerlijk Wetboek.
Wanneer
de echtscheiding
uitgesproken is op
grond van artikel
229, § 1, kan de
rechter echter
anders beslissen,
rekening houdend met
alle omstandigheden
van de
zaak.
Ze worden ten laste
gelegd van de
eisende partij
wanneer de
echtscheiding wordt
uitgesproken op
grond
van artikel 229, §
3, van het
Burgerlijk
Wetboek.».
Art. 27
In hetzelfde Wetboek
worden opgeheven:
1º artikel 1259,
hersteld bij de wet
van 19 februari
2001;
2º artikel 1267;
3º artikel 1268,
vervangen bij de wet
van 30 juni 1994
en gewijzigd bij de
wet van 20 mei 1997;
4º artikel 1269,
tweede lid,
vervangen bij de wet
van
28 oktober 1974 en
gewijzigd bij de wet
van 30 juni 1994;
5º artikel 1270bis,
vervangen bij de wet
van 30 juni
1994 en gewijzigd
bij de wet van 16
april 2000.
Art. 28
Artikel 1274 van
hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de
wet van 30 juni
1994, wordt
vervangen als volgt:
«Art. 1274.— De
termijn om zich in
cassatie te voorzien
tegen een beslissing
die de echtscheiding
uitspreekt,
wordt vastgesteld op
één maand. Deze
termijn
en de voorziening in
cassatie schorsen de
tenuitvoerlegging.
».
Art.
29
In artikel 1275, §
1, van hetzelfde
Wetboek, vervangen
bij de wet van 30
juni 1994, vervallen
de woorden
«p grond van
bepaalde feiten.
Art. 30
In artikel 1282 van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij
de wet van 30 juni
1994 en gewijzigd
bij de wet van 20
mei 1997, worden de
volgende wijzigingen
aangebracht:
1º de woorden «de
dagvaarding tot
echtscheiding is
betekend» worden
vervangen door de
woorden «de
vordering
wordt ingeleid»;
2º een tweede lid
wordt toegevoegd,
luidende:
«In ieder geval
hebben de partijen
de mogelijkheid
om een inventaris te
laten opstellen
overeenkomstig
hoofdstuk II van
boek IV.».
Art. 31
In hetzelfde Wetboek
worden opgeheven:
1º de artikelen 1284
tot 1286;
2º artikel 1286bis,
ingevoegd bij de wet
van 1 juli 1974
en gewijzigd bij de
wet van 30 juni
1994;
3º artikel 1287,
vierde lid,
gewijzigd bij de
wetten van
1 juli 1972, 14 mei
1981 en 30 juni
1994.
Art. 32
In artikel 1288,
eerste lid, 2º van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet
van 1 juli 1972 en
gewijzigd bij de
wetten van 30 juni
1994 en 13 april
1995, worden de
woorden «de kinderen
bedoeld in artikel
1254» vervangen
door de woorden «de
minderjarige
ongehuwde en
niet ontvoogde
kinderen waarvan
beide echtgenoten de
ouders zijn, de
kinderen die zij
hebben geadopteerd
en
de kinderen van een
van hen die de
andere heeft
geadopteerd.
Art. 33
In artikel 1288bis
van hetzelfde
Wetboek worden de
woorden «1254, § 2,
eerste lid»
vervangen door de
woorden «1254, § 1,
tweede lid».
Art.
34
In hetzelfde Wetboek
wordt een artikel
1291bis ingevoegd,
luidende:
«Art. 1291bis.—
Indien de
echtgenoten aantonen
dat
ze op het ogenblik
waarop de vordering
wordt ingediend
al meer dan zes
maanden feitelijk
gescheiden zijn,
worden
ze vrijgesteld van
de verschijning
waarin voorzien
wordt in artikel
1294.
In dat geval worden
de artikelen 1295 en
volgende
toegepast.».
Art. 35
In artikel 1294,
eerste lid, van
hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet
van 30 juni 1994,
worden de woorden
«, of
vertegenwoordigd
door een advocaat of
door
een notaris,»
ingevoegd tussen de
woorden «verschijnen
de echtgenoten samen
en in persoon» en de
woorden
«voor de voorzitter
van de rechtbank».
Art. 36
In hetzelfde Wetboek
wordt een artikel
1294bis ingevoegd,
luidende:
«Art. 1294bis.— § 1.
Indien een van de
partijen niet
verschijnt tijdens
de zitting waarin
artikel 1294
voorziet
of in de loop van de
procedure meedeelt
dat ze die niet
wenst voort te
zetten, kan de meest
gerede partij om de
toepassing van
artikel 1255
verzoeken. In dat
geval
neemt de termijn van
een jaar voor het
bepalen van de
zitting waarin
artikel 1255, § 2,
tweede lid, voorziet
een
aanvang op de dag
van de in artikel
1289 bedoelde
verschijning.
§ 2. Indien afstand
wordt gedaan van de
procedure,
verbinden de in
artikel 1287
bepaalde
overeenkomsten
de partijen
voorlopig, tot
wanneer de artikelen
1257 of
1280 worden
toegepast. Indien de
overeenkomsten niet
de vorm van een
uitvoerbare titel
hebben, wordt, op
verzoek van de meest
gerede partij, de
zaak bepaald
op de rechtsdag van
kort geding, in
overeenstemming
met artikel 1256.
Indien een van de
partijen daarom
verzoekt, spreekt de
voorzitter een
voorlopige
beschikking
uit, in
overeenstemming met
de overeenkomsten.».
Art. 37
Artikel 1305 van
hetzelfde Wetboek
wordt vervangen
als volgt:
«Art.
1305.— De vordering
tot scheiding van
tafel en
bed wordt behandeld
en gevonnist in
dezelfde vormen
als de vordering tot
echtscheiding.
De vordering tot
echtscheiding kan te
allen tijde worden
omgezet in een
vordering tot
scheiding van tafel
en
bed.
De vordering tot
scheiding van tafel
en bed kan te
allen tijde worden
omgezet in een
vordering tot
echtscheiding.
»
Art. 38
In hetzelfde Wetboek
worden opgeheven:
1º artikel 1306,
vervangen bij de wet
van 30 juni 1994
en gewijzigd bij de
wetten van 27
december 1994 en 20
mei 1997;
2º artikel 1307,
gewijzigd bij de
wetten van 24 juni
1970 en 20 mei 1997;
3º artikel 1309,
gewijzigd bij de
wetten van 15 mei
1972, 3 augustus
1992, 27 december
1994 en 16 april
2000;
4º artikel 1310,
gewijzigd bij de
wetten van 1 juli
1972,
27 december 1994 en
16 april 2000.
Art. 39
In artikel 1412,
eerste lid, van
hetzelfde Wetboek
worden de volgende
wijzigingen
aangebracht:
1º in het 1º
vervallen de
getallen «306, 307»
en de
woorden «of 1306»;
2º in het 2º worden
de woorden «301bis»
vervangen
door de woorden
«301, § 11».
HOOFDSTUK IV
Wijzigingen van het
Strafwetboek
Art. 40
In artikel 391bis
van het Strafwetboek
worden de
volgende wijzigingen
aangebracht:
1º in het tweede lid
vervallen de
getallen «306, 307»
en de woorden «en
1306, derde lid»,
2º in
het derde en het
vierde lid vervallen
de woorden
«en 1306, eerste
lid»;
3º in het derde en
het vierde lid
worden de woorden
«301bis» vervangen
door de woorden
«301, § 11».
HOOFDSTUK V
Wijzigingen van het
Wetboek der
registratie-,
hypotheek- en
griffierechten
Art. 41
Het derde lid van
artikel 269(1) van
het Wetboek der
registratie-,
hypotheek- en
griffierechten wordt
opgeheven.
HOOFDSTUK VI
Overgangsbepalingen
Art. 42
§ 1. Voor de
toepassing van
artikel 229, §§ 2 en
3,
van het Burgerlijk
Wetboek, wordt de
periode van
feitelijke
scheiding die
voorafgaat aan de
inwerkingtreding
van deze wet in
aanmerking genomen.
§ 2. De vroegere
artikelen 229, 231
en 232 van hetzelfde
Wetboek blijven van
toepassing op de
procedures
van echtscheiding of
scheiding van tafel
en bed die
zijn ingeleid voor
de inwerkingtreding
van deze wet en
waarvoor geen
eindvonnis is
uitgesproken.
Het recht op
levensonderhoud na
echtscheiding blijft
bepaald door het
bepaalde in de
vroegere artikelen
301,
306, 307 en 307bis
van hetzelfde
Wetboek,
onverminderd
het bepaalde in de
§§ 3 en 5.
§ 3. Indien de
echtscheiding werd
uitgesproken voor
de inwerkingtreding
van deze wet,
overeenkomstig de
vroegere artikelen
229, 231 en 232 van
hetzelfde Wetboek,
blijft het in
artikel 301 van
hetzelfde Wetboek
bepaalde
recht op een
uitkering verworven
of uitgesloten
krachtens de
vroegere wettelijke
voorwaarden.
§ 4. Voor de
toepassing van de
bepalingen van
artikel
301, §§ 2, 3 en 5,
van hetzelfde
Wetboek, zoals
gewijzigd
bij artikel 7, kan
men zich beroepen op
feiten die
voorafgaan aan de
inwerkingtreding van
deze wet.
§ 5.
Artikel 301, § 4,
van hetzelfde
Wetboek, zoals
gewijzigd bij
artikel 7, is van
toepassing op de
uitkeringen
tot levensonderhoud,
die zijn vastgesteld
door een
vonnis dat
voorafgaat aan de
inwerkingtreding van
deze
wet.
Indien de duur van
de uitkering niet
werd bepaald,
neemt de in artikel
301, § 4, bepaalde
termijn een aanvang
op de datum van de
inwerkingtreding van
deze
wet.
Indien de duur van
de uitkering werd
bepaald, blijft
deze duur van
toepassing, zonder
dat ze de beperking
waarin wordt
voorzien in het
tweede lid kan
overschrijden.
§ 6. Artikel 1274
van hetzelfde
Wetboek, zoals
gewijzigd
bij artikel 28, is
niet van toepassing
op de arresten
die uitgesproken
zijn voor de
inwerkingtreding van
deze
wet, indien de
debatten voordien
werden afgesloten.
Art. 43
Artikel 1294bis, §
2, van het
Gerechtelijk
Wetboek,
zoals gewijzigd bij
artikel 36, is niet
van toepassing op
overeenkomsten die
de partijen hebben
getekend vóór
de inwerkingtreding
van deze wet.
HOOFDSTUK VII
Inwerkingtreding
Art. 44
Deze wet treedt in
werking op 1
september 2007.
Voortgezet Ouderschap (NL)
De bilocatiewet (BE)
Vadertop

Symposium oudervervreemding

Belgische portaal
ouderverstoting
| |