Naar een
rechtspsychologische
grondslag voor het
scheidingsrecht
De kinderen en hun
ouders vóór, tijdens en
na scheiding
Het belang van het
kind centraal stellen
schiet zijn doel
voorbij. Beter is het de
vrede tussen de ouders
centraal te stellen, op
basis van
rechtspsychologisch
inzicht, dat niet
veroordeelt maar
verklaart.
Maakbaarheidsgeloof is
fnuikend, maatwerk een
illusie.
Beslissingsruimte van de
rechter moet worden
beperkt, ten gunste van
rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid. Pas
dan kan bemiddeling tot
volle ontplooiing komen.
Inleiding
Bij het Parlement is
aanhangig het
wetsvoorstel
“Bevordering voortgezet
ouderschap en
zorgvuldige scheiding”.
Scheidende ouders zullen
voortaan een
ouderschapsplan
(convenant) over moeten
leggen. De rechter kan
ouders naar een
bemiddelaar verwijzen en
aan het kind een
bijzonder curator
toewijzen. De rechter
kan bepalen bij wie van
de ouders het kind zijn
hoofdverblijfplaats
heeft. Leggen de ouders,
ook na bemiddeling, geen
ouderschapsplan over,
dan gaat de rechter zich
er als vanouds
inhoudelijk mee
bemoeien. De rechter kan
dan het hoofdverblijf en
een “omgangsregeling”
vaststellen, een sanctie
bij niet-naleving
opleggen, of “omgang”
ontzeggen, ook al heeft
die ouder formeel nog
het gezag. Ook kan de
rechter een ouder het
gezag ontnemen.
Het wetsvoorstel behelst
codificatie van
jurisprudentie c.q.
reeds gebezigde
rechtspraktijk. Op grond
daarvan kan nu reeds
gewezen worden op de
omslachtigheid,
kwetsbaarheid en de
onbetaalbaarheid van het
systeem voor de ouders
in de meer moeizame
gevallen, terwijl de
effectiviteit (in termen
van voortgezet
ouderschap van enige
inhoud) in die gevallen
nihil blijkt.
N.B.: Sinds de laatste
vernieuwing (1998)
blijft het gelijkwaardig
ouderlijk gezag bij
echtscheiding intact: De
huidige wet kent in die
gevallen geen
hoofdverblijf en geen
ontzegging van de
omgang. De nu
voorgestelde invoering
van het hoofdverblijf en
van de ontzegging van
omgang aan de ouder die
gezag heeft behelst
codificatie van
(rechtspolitieke)
jurisprudentie waarmee
de Rechterlijke Macht
effectief de eerdere
wettelijke vernieuwingen
had uitgehold. De
vernieuwing van 1998
heeft nooit een eerlijke
kans gehad. Thans zwicht
de Wetgever expliciet
voor de Rechterlijke
Macht.
Scheidingen verlopen
vaak zeer conflictueus.
Jaarlijks krijgen ruim
60.000 kinderen te maken
met (echt-)scheiding van
hun ouders. De helft van
die kinderen verliest
daarbij een van zijn
ouders. Tientallen
duizenden levens raken
jaarlijks ontwricht.
Ouderlijke scheiding is
vaak voor kinderen een
levensles van de
slechtste soort.
Wij zijn geneigd de
ouders de schuld te
geven, maar is dat wel
terecht? En,
belangrijkere vraag,
leidt dat ergens toe? De
problematiek lijkt
maatschappelijk even
onaanvaardbaar als
onoplosbaar, getuige de
permanente stroom van
overheidsinitiatieven in
de afgelopen drie
decennia, gericht op
verbetering van deze
situatie. Het momenteel
aanhangige wetsvoorstel
tracht nadrukkelijk
(maar vrijblijvend) het
ouderschapsplan en
bemiddeling op de
voorgrond te plaatsen.
Goede bedoelingen alleen
schieten echter tekort
en zullen dat blijven
doen zolang een
baanbrekende vernieuwing
uitblijft. Scheidende
ouders kunnen veel baat
hebben bij bemiddeling,
maar als de wet niet
fundamenteel verandert
zal het merendeel van de
scheidende ouders
argeloos blijven
belanden in de beruchte
conflictspiraal die de
wet voor hen in petto
heeft. Het huidige
wetsvoorstel zal dan ook
een papieren tijger
blijken te zijn,
weliswaar nuttig voor
bemiddelbare en
bemiddelde ouders, maar
nutteloos voor juist díe
problematiek die het
beoogt op te lossen. Het
wetsvoorstel staat
verdere ontplooiing van
mediation in de weg.
Het echtscheidingsrecht
ontbeert een
rechtstheoretische
grondslag. Alleen
rechtspsychologische
analyse van het
echtscheidingsrecht kan
leiden tot een
baanbrekende oplossing.
Daaruit blijkt dat
gebroken moet worden met
de tirannie van het
Belang van het Kind,
omdat procedures
daarover gemakkelijk
ontaarden in een
onbeheersbare twist over
wie daar het meest
geschikt voor is. Veel
beter zou het zijn om
een ander uitgangspunt
centraal te stellen:
vrede tussen de
scheidende ouders, want
dàn pas is er echt
ruimte voor behartiging
van de belangen van hun
kind. Aldus komt het
belang van het kind op
een hoger niveau
centraal te staan.
Hieronder de
gedachtegang in 12
stappen, verdeeld over 3
hoofdstukken.
Uitgangspunt is de als
“normaal” te
kwalificeren verhouding
in het gezin.
A. Natuur en Cultuur.
Legitieme zaak
Kinderen worden verzorgd
en opgevoed door hun
eigen ouders. Vader en
moeder zijn de
onvervangbare
behartigers-van-nature
van de belangen van hun
kinderen. Ouders die
opkomen voor hun kind
tegen disproportionele
inbreuken op hun
ouderschap verdienen ons
respect. Zij hebben een
legitieme zaak.
Genetisch gewortelde
drijfveren
Ouderlijke zorg voor het
kind in autonomie en
gelijkwaardigheid berust
op een genetisch
gewortelde drijfveer,
formeel erkend als
mensenrecht. Vanuit het
perspectief van het kind
geldt omgekeerd
hetzelfde: genetisch
geworteld, met formele
erkenning in het
Internationaal Verdrag
inzake de Rechten van
het Kind.
Rechtszekerheid,
gelijkwaardigheid,
autonomie
De beleving van
rechtszekerheid en
respect maakt dat ouders
zich zonder berekening
dienstbaar kunnen maken
aan het belang van hun
kinderen. Kinderen
beleven hun ouders als
gelijkwaardig. Ouders
voeren pedagogisch
beleid in
gelijkwaardigheid en
autonomie.
B. De
(rechts)psychologie van
het fout gaan bij
scheiding.
Overheidsbemoeienis
berustend op
maakbaarheidgeloof is
bedreigend.
Omdat het (als maakbaar
opgevatte) belang van
het kind door het Recht
nadrukkelijk
vooropgesteld wordt
krijgen de ouders het
gevoel bij scheiding te
moeten bewijzen een goed
opvoeder te zijn, of een
betere opvoeder dan de
andere ouder. Ouders die
samen rechter en recht
irrelevant verklaren
bewaren de vrede. Maar
neemt ook maar één ouder
het recht serieus, dan
belanden zij samen
argeloos in de val van
de uitgelokte
competitie, die begint
met de onvermijdelijke
aantasting van de
eigenwaarde van de
andere ouder: “Ik ben
een goed ouder” - “Nee
ik ben beter”.
Rechtszekerheid blijkt
opeens een illusie, het
gratuite sussen door de
rechter ten spijt.
Ouders staan voor een
prisoner’s dilemma:
Samenwerken met de
andere ouder of strijden
om het behoud van de
band met het kind en om
ouderlijk zelfrespect?
Rechtszekerheid zou de
voor samenwerking
noodzakelijke
vertrouwensbasis kunnen
verschaffen, maar
rechtszekerheid ís er
niet. Het ontbreken van
rechtszekerheid haalt
het slechtste in de mens
naar boven.
“Belang van het kind
centraal”
Cruciaal in dit
mechanisme is het feit
dat het belang van het
kind (in de betekenis
van maakbaar) centraal
heet te staan in het
Recht. Impliciet wordt
hiermee aan de ouders
rechtszekerheid
onthouden: alleen het
kind telt, aan ouders
heeft het Recht geen
boodschap. Het Recht
denkt anders dan ouders.
Hun bedoelingen, eerlijk
of oneerlijk, doen er
niet toe. Hun geschil
wordt niet opgelost.
Geen wonder dat vaak een
spiraal van machinatie
en eigenrichting het
gevolg is. (Overigens:
Na toevertrouwing is er
plotseling selectieve
strafrechtelijke, zéér
effectieve
rechtsbescherming van de
als verzorger
uitverkoren ouder).
Onderzoek zelf
vervormt de te
onderzoeken
werkelijkheid
Ieder onderzoek in een
dergelijke instabiele
situatie naar het belang
van het kind leidt ipso
facto tot
allesoverheersende
polarisatie en
vervorming van de
oorspronkelijke
werkelijkheid. Dat
onderzoek naar wat het
beste is in het belang
van het kind biedt dan
ook geen rationele
grondslag voor een
beslissing die recht
doet aan die
oorspronkelijke
werkelijkheid.
Rechters en mediators
plegen de ouders te
vermanen dat zij hun
conflict als partners
niet moeten uitbreiden
tot een conflict als
ouders. Maar het zijn
nota bene de rechters en
mediators zèlf die het
conflict die kant op
sturen met het centraal
stellen van het belang
van het kind.
Nieuw te ontwikkelen
wetgeving moet uitgaan
van de nog niet zo sterk
gepolariseerde
oorspronkelijke
realiteit en mag de
heftige strijd tussen de
ouders, gevolg van de
huidige wetgeving, niet
aanzien voor de
oorspronkelijke
werkelijkheid.
Van oogappel tot
twistappel
Procedures waarin het
belang van het kind als
‘maakbaar’ per geval
wordt ‘vastgesteld’
maken het kind van
oogappel tot twistappel,
als
rechtspsychologisch
gevolg van de
huidige procedure.
C. Nieuw
familierecht:
rechtspsychologie in
plaats van maakbaarheid.
Vrede tussen de
ouders centraal, door
rechtsgelijkheid,
rechtszekerheid en
autonomie.
Het belang van het kind
is het meest gediend met
vrede tussen de ouders.
Centraal beginsel van de
echtscheidingswet moet
daarom worden: het
voorkómen van (verdere)
polarisatie en het
waarborgen van
voorwaarden voor behoud
of herstel van vrede
tussen de ouders.
Want vrede tussen de
ouders, dat borgt pas
écht het belang van het
kind.
De wet mag geen enkel
aanknopingspunt,
hoegenaamd, bevatten dat
de vrede tussen de
ouders kan verstoren of
onvrede kan aanwakkeren.
Verkapte ontheffing van
of ontzetting uit het
ouderlijk gezag of
beperking daarvan
(eufemistisch aangeduid
met omgangsregeling,
toevertrouwing,
hoofdverblijf,
éénhoofdig gezag) moeten
daartoe uit het
echtscheidingsrecht
worden gebannen, evenals
diepgravende onderzoeken
naar het belang van het
kind.
Verankering in de wet
Het
rechtspsychologisch
fundament dient
verankerd te worden in
de wet. De wet mag aan
de rechter geen ruimte
bieden om tussen ouders,
advocaten, mediator een
twist te laten ontstaan
over wat het meest in
het belang van het kind
is.
Echtscheiding geen
maatregel van
kinderbescherming
Echtscheiding mag dan
ook niet behandeld
worden als een verkapte
maatregel van
kinderbescherming, maar
hoort een
ordemaatregel te
zijn, waarbij het
in beginsel slechts mag
gaan om
agendakwesties en
zakelijke
opvoedingsgeschillen
(zoals schoolkeuze);
verder dan dat moet het
rechterlijk ‘maatwerk’
niet gaan, zeker niet
richting
(dis-)kwalificaties van
de ene of de andere
ouder. Te ruime
discretionaire
bevoegdheid van de
rechter leidt tot
ongestructureerde
debatten en zal het kind
onvermijdelijk tot
twistappel maken. Met
een variant op een
bekend adagium:
Summa
diligentia, summa
negligentia.
Echtscheiding als
ordemaatregel
Ten behoeve van die
ordemaatregel moet
gelijkwaardigheid van de
ouders in de wet als
norm en als regelend
recht worden vastgelegd,
met drastische
terugdringing van de
discretionaire
bevoegdheid van de
rechter. Dus:
- Erkenning schept
ouderlijk gezag.
- Gelijk verdeeld
co-ouderschap
(behoudens andere
onderlinge
afspraken), geen
hoofdverblijf bij
één der ouders.
- Afwijken van het
ouderschapsplan
alleen op zakelijke
gronden.
- Wie om
privé-redenen wil
afwijken van het
ouderschapsplan
(verhuizing naar een
ander deel van het
land) draagt zelf de
consequenties.
- Wie zegt niet te
kunnen samenwerken
met de andere ouder
kan niet de ander,
maar slechts
zichzelf laten
ontheffen van het
ouderschap.
-
Rechtszekerheid
vereist dat
onttrekking van het
kind aan de door de
rechter vastgestelde
zorg van de andere
ouder wordt
voorkomen en zonodig
bestreden met de
bestaande middelen
(sterke arm van
rechtswege,
opsporings- en
dwangmiddelen
strafvordering)
zonder nieuwe
rechterlijke
toetsing.
-
Rechtsgelijkheid
(gelijkwaardigheid)
vereist dat
de (dreigende)
toepassing van die
middelen even
stringent tegen
moeders als tegen
vaders is gericht.
Kinderbescherming
en bijzonder curator
horen niet in het
hoofdstuk
echtscheiding
Echtscheiding mag
niet het wettelijk
vermoeden van
bedreiging van de
ontwikkeling van het
kind opleveren. Dat
idee stamt uit de
tijd dat
echtscheiding op
zichzelf met
zedelijk verval werd
gelijkgesteld. Dat
wettelijk vermoeden
is een
self-fulfilling
prophecy:
Inschakeling van de
Raad voor de
Kinderbescherming of
van een bijzonder
curator speelt de
ouders tegen elkaar
uit. Dàt bedreigt
het kind in zijn
ontwikkeling. Als
een ouder echt niet
deugt is er de echte
maatregel van
kinderbescherming.
Met (echt-)scheiding
heeft dat niets te
maken.