kunstenaar en
pedagoog
0570-621784
e-fax: fax 084 719
9010
www.joep.nl.nu
(typ joep in uw
browser of google)
Vervolging
in Nederland wegens
weigeren van omgang
!
GERECHTSHOF TE
AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE
STRAFKAMER
Beschikking van 15
januari 2007 op het
beklag met het
rekestnummer
K06/I366 van B,
wonende te A,
klager.
1. Het beklag
Het klaagschrift is
op 10 maart 2006
door het hof
ontvangen. Het
beklag richt zich
tegen de beslissing
van de officier van
justitie te Haarlem
om geen
strafvervolging in
te stellen tegen
M.M. P, wonende te
Haarlem ter zake van
overtreding van
artikel 279 van het
Wetboek van
Strafrecht
(onttrekking van
minderjarige aan het
wettig gezag).
2.
Het verslag van de
advocaat-generaal
Bij verslag van 9
augustus 2006, heeft
de advocaat-generaal
het hof in
overweging gegeven
het beklag af te
wijzen.
3.
De voorhanden
stukken
Behalve van het
klaagschrift en van
het verslag heeft
het hof onder meer
kennis genomen van
de in deze zaak door
de politie
opgemaakte
processen-verbaal,
de brief van klager
van 23 november 2006
en van het
ambtsbericht van de
hoofdofficier van
justitie te Haarlem
van 3 juli 2006 met
de daarbij gevoegde
notitie van mL J.S.
Woudstra,
parketsecretaris.
4.
De behandeling in
raadkamer
De
daartoe aangewezen
raadsheer-commissaris
heeft op 8 december
2006 klager in de
gelegenheid gesteld
het beklag toe te
lichten. Klager is
in raadkamer
verschenen en heeft
het beklag
toegelicht en
gehandhaafd.
De
daartoe aangewezen
raadsheer
commissaris heeft op
8 december 2006
voorts M.M. P
(hierna te noemen:
P) in de gelegenheid
gesteld mondeling
verweer te voeren.
Zij is, bijgestaan
door haar
gemachtigde mr. M.
Jonge Vos, advocaat
te Haarlem, in
raadkamer verschenen
en heeft het hof
verzocht het beklag
af te wijzen.
De
advocaat-generaal is
bij de behandeling
in raadkamer
aanwezig geweest. In
hetgeen in raadkamer
naar voren is
gekomen heeft hij
geen aanleiding
gevonden de
conclusie in het
verslag te herzien.
5.
De beoordeling van
het beklag
Op
4 november 2005 doet
klager voor het
eerst aangifte tegen
diens ex-echtgenote
P, waarna hij deze
aangifte op 8
november 2005
aanvult. De aangifte
heeft betrekking op
verschillende
strafbare feiten, te
weten smaad, valse
aangifte,
lasterlijke
aanklacht,
onttrekking van
minderjarige aan het
wettig gezag,
mishandeling en
ontucht. Een groot
deel van de aangifte
houdt verband met de
- volgens klager
valselijk gedane -
aangifte van P van 4
januari 2005 tegen
klager ter zake van
seksueel misbruik
van hun dochter M P.
P zou bovendien de
directrice van de
school van M hebben
verteld dat zij
klager er van
verdacht M seksueel
te hebben misbruikt.
In de door P gedane
aangifte wordt door
P - volgens klager
eveneens ten
onrechte -
daarenboven
gesuggereerd dat
klager tevens diens
eigen dochter (uit
een eerdere relatie)
E B en de andere
dochter van P (uit
een eerdere
relatie), L,
seksueel zou hebben
misbruikt. Een ander
deel van de aangifte
van klager houdt
verband met het
gegeven dat P
volgens klager de
reeds door
verschillende
gerechten
vastgelegde
omgangsregeling niet
nakomt.
Door de officier van
justitie wordt bij
brief van 12
december 2005
besloten de aangifte
van klager te
seponeren. De
officier van
justitie voert
hiertoe aan dat haar
niet gebleken is dat
P moedwillig de
schoolleiding van M
heeft ingelicht dan
wel aangifte van
seksueel misbruik
heeft gedaan om
klager in diens eer
of goede naam aan te
tasten. Het dossier
geeft de officier
van justitie
bovendien geen
aanleiding om P voor
een van de andere
door klager genoemde
delicten te
vervolgen. In deze
brief wordt klager
er daarnaast van op
de hoogte gesteld
dat ook besloten is
de tegen hem gedane
aangifte ter zake
van seksueel
misbruik te
seponeren omdat
daarvoor het wettig
en overtuigend
bewijs ontbreekt.
Omdat klager zich
niet met de
beslissing van de
officier van
justitie - voor
zover het het sepot
van de door hem
gedane aangifte
betreft - kan
verenigen, dient
klager ex artikel 12
Sv een klacht in.
Blijkens het
klaagschrift richt
deze klacht zich
alleen tegen de
beslissing van de
officier van
justitie om P niet
te vervolgen terzake
overtreding van
artikel 279 Sr,
hetgeen klager ter
zitting nog eens
beeft bevestigd.
Het hof zal zich dan
ook beperken tot het
geven van een
oordeel over de
daaromtrent door de
officier van
justitie gegeven
beslissing en
overweegt daartoe
als volgt.
Klager en P zijn in
augustus 2002
gescheiden en zijn
in diverse civiele
procedures
verwikkeld geweest
omtrent het gezag
over en de omgang
met hun gezamenlijke
dochter M. Het gezag
over M is telkens
toegewezen aan P en
voorts is daarbij
telkens op verbeurte
van een dwangsom een
omgangsregeling
vastgesteld.
Volgens klager heeft
P deze
omgangsregeling
telkens niet
nageleefd en daarmee
een minderjarige
onttrokken aan het
wettig gezag. Door P
is bij de
behandeling in
raadkamer verklaard
dat zij de
omgangsregeling bij
herhaling inderdaad
niet is nagekomen.
Als verzachtende
omstandigheden heeft
P aangevoerd dat ze
dit heeft gedaan in
samenspraak met
Bureau Jeugdzorg en
dat er momenteel
iedere maand een
bedrag wordt geïnd
in verband met de
verbeurde
dwangsommen.
Vooropgesteld dient
te worden dat er in
deze zaak voldoende
bewijs voorhanden is
dat P zich niet
gehouden heeft aan
een bij rechterlijke
beslissing
vastgestelde
omgangsregeling en
dat zij zich
derhalve schuldig
heeft gemaakt aan
overtreding van
artikel 279 van het
Wetboek van
Strafrecht (vrgl. HR
15 februari 2005,
LJN: AR8250). De
door haar naar voren
gebrachte
verzachtende
omstandigheden doen
daar op zich niets
aan af, hetgeen
onverlet laat dat
die omstandigheden
door de
strafrechter, indien
tot oordelen
geroepen, op hun
juistheid onderzocht
kunnen worden en
vervolgens eventueel
bij de beoordeling
van de zaak
betrokken kunnen
worden.
De
vraag waarvoor het
hof zich vervolgens
gesteld ziet, is of
het opportuun is de
zaak aan de
strafrechter voor te
leggen en het op
zich bewijsbare feit
derhalve
daadwerkelijk te
vervolgen.
De
officier van
justitie en de
advocaat-generaal
zijn van mening dat
dat niet het geval
is. Zij voeren
daartoe aan dat
ervoor gewaakt dient
te worden dat de
inzet van politie en
justitie wordt
gebruikt als middel
bij (civiele)
geschillen tussen
ex-partners. Het is
volgens het openbaar
ministerie in eerste
en tweede lijn dan
ook niet
onbegrijpelijk dat
de politie en het
openbaar ministerie
voorzichtigheid
hebben betracht als
het gaat om de inzet
van hun capaciteit
en de zaak daarom
hebben geseponeerd.
Hoewel het hof
eveneens van oordeel
is dat ervoor
gewaakt dient te
worden dat de inzet
van politie en
justitie wordt
gebruikt als middel
bij (civiele)
geschillen tossen
ex-partner, acht zij
de vervolging van P
in casu desondanks
opportuun.
Het strafrechtelijk
vervolgen van de
weigering om gevolg
te geven aan
rechterlijke
uitspraken omtrent
het gezag over een
minderjarige is naar
het oordeel van het
hof namelijk niet
alleen in het belang
van klager, maar ook
in het belang van de
rechtshandhaving én
- naar het oordeel
van de
onafhankelijke
civiele rechter - in
het belang van de
minderjarige.
Nu
er aanwijzingen zijn
dat (I) P
structureel
gerechtelijke
uitspraken omtrent
de omgang met haar
minderjarige kind
genegeerd heeft, en
dat (2) de
civielrechtelijke
handhavinginstrumenten
blijkbaar geen vat
op haar hebben, acht
het hof een
strafrechtelijke
vervolging passend
en geboden.
6.
De beslissing
Het hof beveelt de
officier van
justitie te Haarlem
om M.M. P te
vervolgen ter zake
van het feit waarop
het beklag
betrekking heeft.
Deze beschikking,
waartegen geen
gewoon rechtsmiddel
openstaat, is
gegeven op 15
januari 2007 door
mr. D.J.C. Aben,
A.H.A. Scholten en
I.M.H. van Asperen
de Boer-Delèscèn,
raadsheren, in
tegenwoordigheid van
mr. R. Robroek,
griffier.