JENNY
GIERVELD / PEARL DYKSTRA
Echtscheiding en
verweduwing hebben vaak
vervelende gevolgen. Zo
vervallen veel vrouwen
na een scheiding in
armoede. Mannen
ondervinden vooral op de
lange termijn gevolgen
van een echtscheiding.
Oudere ooit gescheiden
vaders kunnen, wanneer
ze hulp behoeven, minder
een beroep doen op hun
kinderen omdat het
contact vaak is
verminderd of verbroken.
Voor vaders van wie de
partner overleed geldt
dat niet. Ook gescheiden
moeders vallen minder
terug op elders wonende
kinderen dan moeders van
wie de echtgenoot
overleed.
Het
zijn tegenwoordig niet
meer alleen betrekkelijk
jonge mensen en mensen
op middelbare leeftijd
die gaan scheiden. Ook
onder 55-plussers komt
echtscheiding vaker voor
dan in het verleden het
geval was. Daarnaast
bereiken steeds meer
gescheiden mensen de
pensioengerechtigde
leeftijd. Van 1960 tot
1990 nam het percentage
gescheiden 55-plussers
sterk toe. Hoewel deze
tendens het sterkst
zichtbaar is onder de
'jongere ouderen' zien
we ook binnen de wat
oudere
leeftijdscategorieën een
langzame maar gestage
stijging van het
percentage gescheidenen.
Binnen elke
leeftijdscategorie boven
de 55 leven van alle
vrouwen er in verhouding
meer gescheiden dan van
alle mannen (figuur 1 en
figuur 2). Dat komt
vooral doordat vrouwen
minder hertrouwen dan
mannen.
Figuur 1.
Gescheiden vrouwen in
percentages van het
totaal aantal vrouwen
per leeftijdscategorie;
periode 1960-1990

Figuur 2.
Gescheiden mannen in
percentages van het
totaal aantal mannen per
leeftijdscategorie;
periode 1960-1990

Het
aantal oudere mensen dat
ooit is
gescheiden, is uiteraard
hoger dan het aantal dat
op een bepaald moment
als gescheiden
geregistreerd staat.
Exacte cijfers ontbreken
echter. Voor de
Verenigde Staten wordt
geschat dat in het jaar
2000 circa de helft van
alle dan levende mensen
boven de 65 jaar ooit
een scheiding heeft
meegemaakt. Een
dergelijke schatting is
voor Nederland niet
gemaakt. Slechts via
survey-onderzoek kunnen
we enig idee krijgen van
de omvang van deze
categorie. Van groter
belang is echter dat we
meer te weten komen
omtrent de
lange-termijngevolgen
van echtscheiding.
Economische
achteruitgang, vooral
bij gescheiden vrouwen,
en problemen in het
sociale netwerk, vooral
bij gescheiden mannen,
zijn belangrijke
consequenties.
Vrouwen: armoede
De
economische gevolgen van
echtscheiding treffen
vooral de vrouwen.
Gebrek aan werkervaring
en de zorg voor de
toegewezen kinderen
maken het vrouwen vaak
niet mogelijk het vóór
de scheiding beschikbare
huishoudensinkomen ook
na de scheiding te
handhaven. Uit de
recente publicatie 'De
Kwetsbaren; tweede
jaarrapport armoede en
sociale uitsluiting'
blijkt heel duidelijk
dat gescheiden vrouwen
dan wel alleenstaande
moeders het hoofd vaak
maar net (of net niet)
boven water kunnen
houden. Meestal betekent
het verbreken van een
huwelijk dat vrouwen,
vooral als ze weinig
opleiding hebben
genoten, in armoede
vervallen. De
achteruitgang in inkomen
kan vele jaren
doorwerken. Ook nadat de
kinderen het ouderlijk
huis hebben verlaten,
lijden veel oudere
gescheiden vrouwen
armoede.
Mannen: minder sociale
contacten
De
consequenties van
echtscheiding op het
vlak van de sociale
contacten treffen vooral
gescheiden mannen. Zo
wordt het contact met de
kinderen vaak vager en
minder frequent. Een
deel van de mannen
verliest het contact met
de kinderen geheel.
Belangrijke vraag
daarbij is of de
contacten weer zullen
worden aangehaald dan
wel hersteld wanneer de
ouders op een leeftijd
komen dat zorg en steun
van anderen noodzakelijk
wordt. Zullen de
kinderen dan alsnog
inspringen? Zal zoiets
als latente liefde
tussen de ouder en het
kind of een gevoel van
morele verplichting dan
prevaleren boven
afstandelijkheid?
Hulp
In
recent NIDI-onderzoek
werd nagegaan van wie
ouderen hulp ontvangen,
wanneer zij deze
behoeven. Daarbij werd
onderscheid gemaakt
tussen informele en
formele hulp, tussen
mensen met en zonder
partner en tussen mensen
die wel of niet ooit hun
partner verloren door
overlijden dan wel
echtscheiding. Uit de
tabel blijkt dat bij
mensen met een partner
informele hulp in de
eerste plaats wordt
geboden door die
partner. Mannen die ooit
gescheiden zijn, noemen
wat minder frequent hun
nieuwe partner als bron
van hulp, gescheiden
vrouwen noemen hun
partner in dit verband
het meest frequent.
|
Bronnen van hulp
voor mannen en
vrouwen van 55
jaar en ouder,
met kinderen,
die hulp
behoeven bij
dagelijkse
activiteiten,
onderscheiden
naar
huwelijksgeschiedenis
en naar huidige
partnerstatus;
in procenten
|
| |
eerste huwelijk |
ooit verweduwd |
ooit gescheiden |
|
M |
V |
M |
V |
M |
V |
|
met
(huwelijks)partner
ontvangt
informele
hulp van: |
|
- de partner |
63 |
63 |
54 |
--*) |
47 |
73 |
|
- andere leden
van het
huishouden |
5 |
5 |
3 |
--*) |
3 |
12 |
|
- kinderen die
elders wonen |
25 |
25 |
23 |
--*) |
0 |
15 |
|
- overige
familieleden |
4 |
3 |
6 |
--*) |
3 |
0 |
|
ontvangt
formele hulp |
18 |
26 |
20 |
--*) |
18 |
42 |
|
zonder
(huwelijks)partner
ontvangt
informele
hulp van: |
|
- leden van het
huishouden |
--*) |
--*) |
8 |
7 |
0 |
3 |
|
- kinderen die
elders wonen |
--*) |
--*) |
47 |
53 |
13 |
23 |
|
- overige
familieleden |
--*) |
--*) |
6 |
11 |
0 |
10 |
|
ontvangt
formele hulp |
--*) |
--*) |
54 |
50 |
50 |
46 |
( *):
te weinig waarnemingen.
Hulp
van de zijde van overige
leden van het huishouden
wordt zowel door mensen
met als door mensen
zonder partner niet vaak
genoemd. Dat ligt anders
voor de hulp die men
krijgt van de kinderen.
Mensen met een partner
blijken nog in zo'n 15 à
25 procent van de
gevallen hulp te krijgen
van een of meer van hun
kinderen. Dat wordt door
ander onderzoek
bevestigd. De kinderen
functioneren
klaarblijkelijk als
eerste 'achterwacht' na
de partner, in het geval
dat aanvullende hulp
nodig is.
Als de
oudere man of vrouw geen
partner heeft zijn de
kinderen als regel de
eerst aangewezenen om
(informele) hulp te
verschaffen. Zoals
blijkt uit de tabel is
dat bij mensen van wie
ooit de partner overleed
in veel sterkere mate
het geval dan bij mensen
die ooit scheidden. Van
de weduwen die problemen
hebben met de dagelijkse
activiteiten en daarom
hulp behoeven, noemt 53
procent de kinderen als
bron van hulp, van de
weduwnaren is dat 47
procent. Bij de
ooit-gescheidenen gaat
het echter om
respectievelijk 23 en 13
procent. De kinderen van
een zeer belangrijk deel
van de verweduwden
zonder partner blijken
dus veel sterker
betrokken bij de hulp
aan hun vader of moeder
dan die van ooit
gescheiden vrouwen en
vooral mannen. Behalve
dat vaders vlak na de
scheiding vaak minder
contact met hun
kind(eren) hebben, heeft
die gebeurtenis
blijkbaar ook ernstige
gevolgen voor de relatie
met de kinderen op de
langere termijn.
Strikt
genomen kunnen andere
verschillen tussen de
ondervraagde
ooit-verweduwden en
ooit-gescheidenen een
rol spelen. Mogelijk
waren de
ooit-gescheidenen die in
het onderzoek werden
betrokken gemiddeld wat
jonger en gezonder en
was hun behoefte aan
hulp daardoor minder
groot. Mogelijk hadden
ze gemiddeld minder
kinderen dan de
ooit-verweduwden.
Het
aantal kinderen dat nog
in leven is uit het
huwelijk dat in
echtscheiding eindigde,
blijkt in dit verband
voor gescheiden moeders
van groot belang. Voor
vaders is dat meer het
aantal kinderen dat nog
in leven is uit een
volgend huwelijk (of
relatie). De kans dat
ooit gescheiden moeders
onvoldoende hulp krijgen
van de kinderen en een
beroep moeten doen op
(aanvullende) formele
hulp neemt toe wanneer
de moeder minder
kinderen heeft uit het
huwelijk dat tot
echtscheiding leidde. De
kans dat een ooit
gescheiden vader
onvoldoende hulp krijgt
van zijn kinderen en een
beroep moet doen op
(aanvullende) formele
hulp is daarentegen
direct gerelateerd aan
het aantal kinderen dat
de vader heeft uit een
ander huwelijk (of
relatie) dan het
huwelijk dat op
echtscheiding uitliep.
Met andere woorden, bij
ooit gescheiden moeders
vervullen de kinderen
uit het huwelijk dat is
verbroken een centrale
rol, bij ooit gescheiden
mannen zijn de kinderen
uit een vervolghuwelijk
vooral belangrijk. Deze
bevindingen
weerspiegelen de
consequenties van het
feit dat moeders na de
scheiding nog steeds
vaak de dagelijkse zorg
voor de kinderen krijgen
toegewezen, en dat veel
gescheiden vaders
hertrouwen en ook
kinderen hebben uit deze
tweede relatie.
Klaarblijkelijk zijn de
vaders er wel in
geslaagd goede relaties
met de kinderen uit het
tweede huwelijk op te
bouwen, maar niet met
die uit het eerste. De
kans is daardoor groot
dat in het sociale
netwerk van oudere
gescheiden mannen
essentiële relaties
ontbreken en dat de
steun van de kinderen
wordt gemist op het
moment dat die nodig is.
LITERATUUR
Engbersen, G., Vrooman,
J.C. & Snel, E. (red.),
De Kwetsbaren; Tweede
jaarrapport armoede en
sociale uitsluiting.
Amsterdam: Amsterdam
University Press, 1997.
de
Jong Gierveld, J. &
Dykstra, P.A., The
longterm consequences of
divorce for the care of
elderly fathers.
Paper gepresenteerd op
de 23e
IUSSP-conferentie,
Beijing, oktober 1997.
Prof. dr
J. Gierveld en dr P.A.
Dykstra, NIDI
Leefvormen en
sociale
netwerken van
ouderen
De gegevens
waarvan gebruik
is gemaakt, zijn
in 1992
verzameld in het
kader van het
onderzoeksprogramma
'Leefvormen en
sociale
netwerken van
ouderen'. Dit
onderzoeksprogramma
is uitgevoerd
door de
vakgroepen
'Sociologie en
Sociale
Gerontologie' en
'Methoden en
Technieken van
Sociaal-Wetenschappelijk
Onderzoek' aan
de Vrije
Universiteit te
Amsterdam en
door het NIDI.
Het onderzoek is
mede mogelijk
gemaakt door een
bijdrage in het
kader van het
Nederlandse
Stimuleringsprogramma
Ouderenonderzoek
(NESTOR),
gesubsidieerd
door de
ministeries van
Onderwijs,
Cultuur en
Wetenschappen en
van
Volksgezondheid,
Welzijn en
Sport.
De centrale
onderzoeksvragen
in het
NIDI-onderzoek
luidden: in
hoeverre
springen
kinderen van
ooit gescheiden
oudere vaders en
moeders bij,
wanneer deze
ouders hulp
behoeven bij het
verrichten van
dagelijkse
activiteiten? Is
daarin een
verschil te
herkennen ten
opzichte van
ouders die een
andere
huwelijksgeschiedenis
achter de rug
hebben?
Er werden in
totaal 4494
Nederlandse
mannen en
vrouwen van 55
tot 89 jaar
mondeling
ondervraagd. Uit
deze totale
steekproef
werden die
mannen en
vrouwen
geselecteerd die
één of meer
problemen
ondervonden bij
dagelijkse
activiteiten als
traplopen,
buitenshuis
lopen over een
afstand van meer
dan 5 minuten,
gaan zitten en
opstaan uit een
stoel, aan- en
uitkleden,
inclusief het
dichtknopen van
schoenveters,
het sluiten van
ritsen en
dergelijke, en
die daarom hulp
nodig hadden.
Vervolgens
werden de mensen
met (nog
levende)
kinderen eruit
gelicht. Op deze
manier bleven er
1122
respondenten
over, van wie
werd nagegaan of
ze getrouwd
waren (eerste
huwelijk), dan
wel ooit het
overlijden van
hun partner
hadden
meegemaakt en/of
ooit waren
gescheiden. De
nooit-gehuwden
werden vrijwel
allen
uitgeselecteerd
omdat zij zelden
kinderen hebben.
Verder is
nagegaan of de
respondenten
werden geholpen
bij hun
dagelijkse
activiteiten, en
zoja door wie.
Daarbij werd
onderscheid
gemaakt tussen
informele
hulp, door de
partner, de
kinderen die het
ouderlijk huis
hebben verlaten,
door overige
familieleden,
buren, vrienden
en kennissen, en
formele
hulp, verleend
door een
particuliere
verpleegster,
door de wijk,
door
vrijwilligers en
dergelijke.
Ook werd
onderzocht of
sprake was van
een partner in
het huishouden,
buiten het
huishouden
(bijvoorbeeld in
geval van een
LAT-relatie).
Daarnaast werd
het aantal
kinderen dat nog
in leven was,
inbegrepen
adoptie- en
stiefkinderen,
vastgesteld.
Voor de
ooit-gescheidenen
is daarbij
afzonderlijk
nagegaan hoeveel
kinderen ze
hadden uit het
huwelijk dat in
echtscheiding
eindigde en
hoeveel uit een
ander huwelijk
of een andere
relatie.
|