| |
Een Vaderloze
cultuur vol
losbandigheid
Britse psychiater en
schrijver Theodore
Dalrymple houdt
Westen
onverbiddelijke
spiegel voor Titel:
”Beschaving of wat
ervan over is”
Egoïsme,
normloosheid, het
uiteenvallen van
gezinnen, seksuele
losbandigheid,
geweld. De Britse
psychiater en
schrijver Theodore
Dalrymple houdt het
Westen, in het
bijzonder Engeland,
een onthutsende
spiegel voor. Voor
het verlies aan
hogere cultuur en
beschaving houdt hij
niet alleen de
onderklasse
verantwoordelijk,
maar evenzeer de
Britse intellectuele
elite. Ze
koketteerden met de
teloorgang van de
moraal en goede
smaak, onder het mom
van ”alles moet
kunnen”.
Dalrymple werkte als
arts in een
gevangenis en in een
ziekenhuis van een
Engelse sloppenwijk.
Wat hij daar
dagelijks waarnam
aan geestelijke
armoede was
schrijnender dan de
ergste fysieke
armoede die hij in
Afrika en Azië als
arts van dichtbij
had gezien. „Ik
werkte in een
ziekenhuis waar 1200
zelfmoordpogingen
per jaar werden
gedaan.” Gedurende
dertien jaar was hij
ook columnist voor
de Londense
Spectator en schreef
hij voor het
Amerikaanse City
Journal.
Dalrymple
(pseudoniem van
Anthony Daniels)
heeft zich al eerder
intensief
beziggehouden met de
uitzichtloze
situatie van de
maatschappelijke
onderklasse. In het
boek ”Leven aan de
onderkant. Het
systeem dat de
onderklasse in stand
houdt” (2004) levert
hij kritiek op
gebrek aan
verantwoordelijkheidsbesef
in deze kringen.
Want deskundigen
menen dat misdaad en
wangedrag
voortvloeien uit de
sociale
omstandigheden
waarin de dader
leeft. Als iemand
zijn inkomen
besteedt aan drank
of drugs, spreek er
dan geen kwaad van,
want hij is het
product van sociale
omstandigheden. Je
mag zeker niet over
hem oordelen. Door
de onderklasse te
wijzen op de eigen
verantwoordelijkheid,
kan die groep
volgens Dalrymple
weer uitzicht
krijgen op
verbetering van het
leven. Zij moet
worden afgebracht
van het idee van
slachtofferschap.
Teloorgang gezin
Het nieuwe boek
borduurt verder op
dit spoor. Dalrymple
levert een
fundamentele
cultuurkritiek, met
name op het punt van
de seksuele
losbandigheid, de
teloorgang van het
gezin, de
criminaliteit, het
volstrekte egoïsme.
Volgens Dalrymple
ontbreekt het de
mensen die in de
onderklasse leven
niet aan materiële
welvaart. Ze hebben
genoeg geld om te
eten en te drinken,
maar zij haten een
geregeld burgerlijk
leven.
Hun levens zijn leeg
en doelloos, zij
leven voor de kick
van het moment:
spanning, seksueel
geweld, drank- en
drugsgebruik. Vooral
funest is het
ontbreken van
stabiele gezinnen:
de meeste kinderen
worden geboren in
gezinnen waarin het
woord ”vader” geen
betekenis meer
heeft, behalve dan
in strikt
biologische zin.
Veertig procent van
de kinderen in
Groot-Britannië
wordt buiten het
huwelijk geboren.
Echtscheiding is
eerder norm dan
uitzondering.
Dalrymple
constateert dat meer
dan de helft van de
Engelse huizen geen
eettafel meer heeft.
Schokkend citaat:
„Ik vroeg de
jongeman of zijn
moeder ooit voor hem
gekookt had. ”Niet
sinds mijn
stiefvader
verscheen. Zij
kookte voor hem,
weet je, maar niet
voor ons kinderen.”
Ik vroeg
hem wat zij -hij en
zijn broertjes en
zusjes- gegeten
hadden en hoe ze het
gegeten hadden. ”We
aten gewoon wat er
was,” zei hij. ”We
gingen naar iets op
zoek als we honger
hadden.” ”En wat was
er dan?” ”Brood,
cornflakes, chocola,
dat soort dingen.”
”Dus je zat nooit
aan tafel om samen
te eten?” ”Nee.” Hij
vertelde me zelfs
dat hij de laatste
vijftien jaar nooit
met anderen aan
tafel had gegeten.
Eten was voor hem
een noodzakelijk
kwaad, iets wat je
bijna stiekem deed,
waar geen plezier in
zat en zeker geen
sociaal gebeuren
was. De straat was
zijn voornaamste
eetkamer en ook zijn
vuilnisemmer: wat
voedsel betrof was
hij eerder een
jager-verzamelaar
dan iemand die in
een hoogontwikkelde
samenleving leefde.”
Dalrymple ziet een
nauw verband tussen
vitaminegebrek en
asociaal gedrag en
hij verwijst naar
een experiment in de
gevangenis van
Birmingham waar hij
werkte. Ondervoede
gevangenen die
geregeld vitaminen
kregen, gedroegen
zich socialer en
minder gewelddadig.
De Britse schrijver
legt de schuld van
de teloorgang van
moraal en beschaving
bij het gebrek aan
verantwoordelijkheidsbesef
in de
verzorgingsstaat.
Veertig procent van
de Britten is
afhankelijk van
overheidssubsidies.
De staat is een
vader voor het kind.
„Er is een
onzalig verbond
ontstaan tussen
degenen ter
linkerzijde die
menen dat de mens
wel rechten, maar
geen plichten heeft,
en liberalen van
rechts die menen dat
keuzevrijheid van de
consument het
antwoord is op alle
sociale
vraagstukken.”
Liefdadigheid waarop
men recht meent te
hebben, haalt het
motief voor
menselijke
solidariteit en
plichtsgevoel
onderuit.
Ook hogere
cultuur
In 25 artikelen
kritiseert Dalrymple
niet alleen de
lagere maar ook de
hogere cultuur.
Intellectuelen als
de schrijfster
Virginia Woolf
(1882-1941)
ondermijnden volgens
hem de traditionele
waarden van gezin en
burgerlijkheid en de
klassieke deugden
van de westerse
cultuur. Woolf legt
hij de volgende
uitspraak in de
mond: „De beschaving
mag ten onder gaan
als mijn ego maar
bevredigd wordt!” In
haar drang tot
literaire
vernieuwingen haatte
Woolf alleen maar
alles wat zich vóór
haar tijd had
afgespeeld, aldus
Dalrymple.
Schrijvers als D. H.
Lawrence en Marilyn
Manson
verheerlijkten de
seksuele drang van
de mens boven alle
normen en waarden.
Schokkend is
Lawrences boek,
getiteld ”Lady
Chatterley’s Lover”.
Dalrymple geeft een
beschrijving van de
inhoud. Seksuele
obsceniteit is tot
norm verheven en
openlijk wordt de
draak gestoken met
kuisheid. Het boek
werd razend populair
onder Britten. Een
kwart van alle
huishoudens kreeg
het in
bezit. „De geest was
helemaal uit de
fles, het aanbod had
een vraag gecreëerd,
en al etende kreeg
men trek.”
Dalrymple beschrijft
ook de shockerende
expositie
”Sensation” die in
de Royal Academy in
Londen werd
gehouden. Daarin was
een levensgroot
portret van de
kindermoordenares
Myra Hindley te
zien. Het protest
van demonstrerende
moeders buiten het
museum mocht niet
baten. „De
tentoonstelling
belichaamde ten
volle het meest
wezenlijke kenmerk
van de moderne
Britse beschaving:
extreme
vulgariteit.”
Dalrymple is vooral
fel naar de
intellectuelen en de
media die alles maar
goedkeuren en een
knieval doen voor de
slechte smaak. Ze
hebben voortdurend
de neiging om steeds
maar te provoceren,
taboes te doorbreken
en af te geven op
zogenaamde
kleinburgerlijke
deugden. Dalrymple
zegt dat de
verloedering nergens
zo ver is
voortgeschreden als
in Engeland: „Een
natie die nog niet
zo lang geleden
bekendstond om haar
beheerste manieren,
is nu berucht
vanwege haar grove
smaak en de asociale
activiteiten om haar
lusten te
bevredigen. De
massale dronkenschap
die in de weekenden
in de centra van de
Britse steden te
zien is, gaat hand
in hand met de
schrikbarend ruwe,
gewelddadige en
oppervlakkige
betrekkingen tussen
de beide seksen.”
Kwaad in de mens
Dalrymple is geen
christen, maar hij
weet van het kwaad
in de mens. Hij komt
dicht bij het
christelijke
zondebesef: „Er moet
wel iets mis zijn
met het hart van de
mensen dat zij zich
op zo’n ontaarde
manier gedragen
- - de erfenis van
de erfzonde om een
beeldspraak te
gebruiken.” Hij
leert
van Shakespeare,
Toergenjev en Stefan
Zweig dat de mens
niet van nature
geneigd is tot het
goede.
Vooral Shakespeare
is voor Dalrymple
een gids voor het
kennen van de
driften en slechte
begeerten in de
mens. Deze
belangrijke Engelse
schrijver zou de
huidige seksuele
vrijheid hebben
verafschuwd.
„Shakespeare is geen
aanhanger van de
edele wilde die
louter instinctmatig
leeft: het wilde in
de mens vreest en
verafschuwt hij
eerder.” Het kwaad
zit in elk
mensenhart, zo leert
Dalrymple van
Shakespeare, waarbij
beschaving nodig is
om driften te
beteugelen en in
vrijheid te leven.
Waarden als gezin,
moraal en
verantwoordelijkheid
zijn onmisbaar om de
leegte en innerlijke
uitholling tegen te
gaan.
Onder beschaving
verstaat Dalrymple
„de som van alle
activiteiten
waardoor mensen hun
louter biologische
bestaan kunnen
overstijgen en
reiken naar een
rijker geestelijk,
esthetisch,
materieel en
spiritueel
leven.” En: „Een
eerste vereiste voor
beschaving is dat
mensen bereid
zijn hun laagste
instincten en
begeerten te
onderdrukken: als ze
daar niet in slagen,
dan worden ze,
vanwege hun
intelligentie, veel
erger dan dieren.”
Met een
parafrasering op de
Britse filosoof
Edmund Burke zegt
Dalrymple dat de
beschaafde mensen de
laatste tientallen
jaren niet alleen de
barbaren hebben
laten begaan, maar
ermee zijn gaan
heulen. „Zij hebben
het primaat ontkend
van grootse
culturele prestaties
van de mens boven
het meest
kortstondige en
vulgaire vermaak.”
En: „Geluk en een
goed leven worden
voorgesteld als een
soort verlengde
sensuele extase en
niets anders.”
Ondeelbaar gezag
Het boek bevat onder
meer het artikel ”De
ineenstorting van de
islam”, door The New
York Times tot het
beste krantenartikel
uit 2004 itgeroepen.
Daarin beschrijft
Dalrymple
onthutsende verhalen
over uitgehuwelijkte
of uitgestoten
moslimmeisjes, die
voorwerp van
eerwraak werden. Het
probleem van de
islam is volgens hem
dat er een
ondeelbaar
gezag is, zonder
onderscheid tussen
wereldlijk en
religieus gezag. De
islam bleef daardoor
hopeloos achter in
de moderne tijd.
Toch gelooft
Dalrymple in de
ineenstorting van de
islam. De Britse
gevangenissen puilen
uit van de jonge
moslimmannen, maar
ze zijn volledig
geseculariseerd. Als
ze zich bekeren tot
de radicale islam,
is dat puur uit haat
tegen de westerse
maatschappij. De
fundamentalistische
islam zal nog wel
een tijdje
gevaarlijk zijn,
maar zal verdwijnen,
is
Dalrymples
overtuiging. „De
fanatici en
bommenleggers
vertegenwoordigen
geen heropleving van
de niet-hervormde,
fundamentalistische
islam, maar de
doodsreutel.”
Dalrymples boek
prikkelt tot
nadenken over onze
cultuur, die steeds
verder wegzinkt in
normloosheid, afkeer
van beschaving en
moreel besef. Het
feit dat Dalrymple
geen christen is,
doet niets af van de
waarde van
de diagnose die hij
stelt. Hoe je het
wendt of keert: we
zitten nu met de
gevolgen van de
bevrijdingsideologie
van de jaren zestig
en zeventig. „Geen
enkele beschaving
die publiek
gesanctioneerde
genotzucht tot
hoogste goed maakt,
kan lang in stand
blijven”, stelt
Dalrymple terecht.
Erg populair is hij
met zijn werken in
Engeland niet
geworden. Van hem
geldt: een profeet
wordt in zijn
vaderland niet
geëerd. Terwijl
Engelse uitgevers
weigerden zijn boek
over het leven van
de onderklasse uit
te
geven is het in
Amerika en ook in
Nederland een
succes. ”Leven aan
de onderkant”
beleeft hier
inmiddels zijn derde
druk.
Auteur: Theodore
Dalrymple;
Uitgeverij Nieuw
Amsterdam,
Amsterdam, 2005
ISBN 90 4680 004 0
Pagina’s: 352
Prijs: € 24,95.
| |
|
|
|
|
|