| |
Intergenerationele overdracht van echtscheidingskansen
Scheidingen werken
in hun gevolgen voor
de kinderen
generaties lang
door. Uit dit CBS-onderzoek blijkt
dat personen die een
ouderlijke
echtscheiding hebben
meegemaakt een veel
grotere kans hebben
om zelf te scheiden
als personen die
geen gescheiden
ouders hebben. Dit
komt overeen komt
met resultaten uit
eerdere onderzoeken.
De
echtscheidingskans
voor echtparen
waarvan de ouders
van beide partners
gescheiden zijn is
drie keer zo groot
als voor echtparen
waarvan de ouders
van beide partners
nooit gescheiden
zijn. De
echtscheidingskans
van echtparen
waarvan één van de
partners een
ouderlijke
echtscheiding heeft
meegemaakt, is twee
keer zo groot als
die voor echtparen
met nooit gescheiden
ouders. Verder bleek
dat hoe jonger de
ouderlijke
echtscheiding wordt
meegemaakt, hoe
groter de kans van
het kind om later
zelf te scheiden.
Echtscheiding van
ouders en kinderen
Centraal Bureau voor
de Statistiek; CBS -
Bevolkingstrends,
Liesbeth Steenhof en
Kees Prins; 4e
kwartaal 2005
http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/mens-maatschappij/bevolking/publicaties/artikelen/archief/2005/2005k4b15p047-art.htm
Dit
onderzoek beschrijft
de uitkomsten van
een onderzoek naar
de
intergenerationele
overdracht van
echtscheidingskansen.
Uit eerder
survey-onderzoek is
al bekend dat de
kans op
echtscheiding voor
kinderen met
gescheiden ouders
groter is dan voor
kinderen met ouders
die bijeen zijn
gebleven. Het
huidige onderzoek
biedt nieuwe,
gedetailleerde
informatie over deze
intergenerationele
overdracht. Daarbij
wordt onderscheid
gemaakt naar onder
meer de
huwelijksgeschiedenis
van de ouders van
beide partners en de
leeftijd van het
kind bij
echtscheiding. Waar
mogelijk wordt ook
onderscheid gemaakt
naar huwelijkscohort
en huwelijksduur.
1. Inleiding
Uit verschillende
onderzoeken is
bekend dat kinderen
die een
echtscheiding van
hun ouders hebben
meegemaakt, zelf een
hogere kans hebben
om te scheiden
(onder andere McLannahan en
Bumpass, 1988). Doel
van het hier
gepresenteerde
onderzoek is nieuwe,
gedetailleerde
informatie te
verschaffen over
deze
intergenerationele
overdracht. Dit is
mogelijk doordat er
nu een uniek, zeer
groot databestand
van ouders en
kinderen beschikbaar
is, op basis van
informatie uit de
Gemeentelijke
Basisadministratie
persoonsgegevens (GBA).
Daarmee kunnen
nieuwe aspecten van
de overdracht van
echtscheiding aan
het licht worden
gebracht. Door het
grootschalige
karakter van het
databestand kunnen
gedetailleerde
resultaten worden
afgeleid en spelen
steekproeffluctuaties
geen rol. In dit
onderzoek wordt
onderscheid gemaakt
naar kenmerken als
huwelijksgeschiedenis
van de ouders van
beide partners en de
leeftijd van het
kind bij
echtscheiding. Waar
mogelijk wordt ook
onderscheid gemaakt
naar huwelijkscohort
en huwelijksduur.
Het onderzoek geeft
antwoord op de
volgende vragen:
is er verschil in
echtscheidingskans
tussen personen die
een echtscheiding
van hun ouders
hebben meegemaakt en
personen die geen
echtscheiding van de
ouders hebben
meegemaakt, maar van
wie de ouders wel in
een eerdere relatie
zijn gescheiden?
is er verschil in
echtscheidingskans
voor echtparen
waarvan de ouders
van beide partners
zijn gescheiden en
echtparen waarvan
alleen de ouders van
een van beide
partners zijn
gescheiden?
is er verschil in
echtscheidingskans
voor personen die de
echtscheiding van
hun ouders op jonge
leeftijd hebben
meegemaakt en
personen die bij
deze gebeurtenis al
ouder waren?
wordt het
meemaken van
meerdere
echtscheidingen ook
overgedragen van
ouder op kind?
2. Eerder
onderzoek
Tot dusver was
onderzoek naar
intergenerationele
overdracht van
echtscheiding
gebaseerd op
steekproeven. De
meeste van deze
onderzoeken richtten
zich op de
relatievorming en
-ontbinding van
degenen die
opgroeiden in een
eenoudergezin (na
scheiding) en van
degenen die
opgroeiden in een
tweeoudergezin.
McLannahan en
Bumpass (1988)
vinden op basis van
een grote
Amerikaanse
steekproef dat
vrouwen uit
eenoudergezinnen die
zijn ontstaan door
echtscheiding een
grotere kans hebben
om hun huwelijk in
een scheiding te
zien eindigen dan
vrouwen uit
tweeoudergezinnen.
Dat
intergenerationele
overdracht van
echtscheiding een
wijdverbreid
fenomeen is,
bewijzen Diekman en
Schmidheiny (2004)
in hun
steekproefonderzoek
in 15 landen in
West- en Oost-Europa
en in Noord-Amerika.
In al deze landen is
een significante
intergenerationele
overdracht van
echtscheiding
gevonden. Gemiddeld
hebben kinderen met
gescheiden ouders in
dit onderzoek een
scheidingskans die
twee keer zo groot
is als die van
kinderen van wie de
ouders niet
gescheiden zijn. De
Graaf (1996, 2002)
onderschrijft deze
bevindingen op basis
van het Nederlandse
Onderzoek
Gezinsvorming. Uit
zijn onderzoek
blijkt dat personen
die een
echtscheiding van
hun ouders hebben
meegemaakt in
Nederland een
anderhalf keer zo
grote kans hebben om
zelf een
relatieverbreking
mee te maken dan
personen die geen
echtscheiding van
hun ouders hebben
meegemaakt. Hij
voegt hieraan toe
dat personen uit
gezinnen waarin de
ouders vaak ruzie
hebben even vaak een
relatie beeindigen
als personen die
thuis een
echtscheiding van de
ouders hebben
meegemaakt. De kans
om uit elkaar te
gaan is voor
personen uit
gezinnen met
ouderlijke
conflicten ongeveer
twee keer zo groot
als voor personen
uit
niet-conflictueuze
gezinnen. Zijn
conclusie is dan ook
dat de afwezigheid
van een stabiele
omgeving in het
ouderlijk gezin
belangrijker is dan
de vraag of de
ouders wel of niet
uit elkaar gaan.
Fischer en De Graaf
(2001) onderzochten
of het verband
tussen een
ouderlijke
echtscheiding en de
levensloop van
kinderen werkelijk
het gevolg is van
echtscheiding. Zij
hielden rekening met
de gezinssituatie
zoals die vóór de
scheiding bestond,
en kwamen tot de
conclusie dat het
standhouden van de
eigen relatie
negatief wordt
beïnvloed door een
ouderlijke
echtscheiding. Dit
effect wordt kleiner
als gecorrigeerd
wordt voor
conflicten tussen de
ouders, maar
verdwijnt niet
geheel.
Uit
literatuuronderzoek
van Spruijt et al.
(2002) blijkt dat de
leeftijd van het
kind ten tijde van
de scheiding in het
algemeen geen groot
verschil maakt,
omdat in alle
leeftijdsgroepen de
negatieve effecten
van scheiding
zichtbaar zijn. Met
betrekking tot
sociaal gedrag zijn
er geen verschillen
gevonden tussen
kinderen die de
scheiding op jonge
en op latere
leeftijd hebben
meegemaakt. Op basis
van deze
onderzoeksresultaten
zou men kunnen
aannemen dat de
leeftijd van het
kind bij
echtscheiding van de
ouders weinig
uitmaakt voor de
eigen
echtscheidingskans.
McLannahan en
Bumpass (1988)
zetten drie
belangrijke
verklaringen voor de
overdracht van
echtscheiding van
ouders op kinderen
naast elkaar. De
eerste verklaring is
de ‘economische
deprivatie-theorie’.
Gescheiden ouders
hebben minder tijd
en minder geld om
aan hun kinderen te
besteden, waardoor
zij minder kansen
krijgen qua
opleiding en beroep.
Deze slechtere
economische
omstandigheden
kunnen de kans op
echtscheiding
vergroten. Een
andere verklaring is
de
‘socialisatietheorie’.
Socialisatie in het
ouderlijk gezin
leidt tot bepaalde
waarden, normen en
gedrag bij de
kinderen. Kinderen
nemen het gedrag van
de ouders over,
inclusief het gedrag
binnen een relatie,
waardoor kinderen
met gescheiden
ouders zelf een
grotere kans hebben
om te scheiden. De
derde verklaring is
de ‘stresstheorie’.
In deze theorie
vormt de stress
waarmee de
echtscheiding van de
ouders gepaard gaat
een ‘push’ factor
voor de kinderen om
jong uit huis te
gaan, jong te
trouwen en jong
kinderen te krijgen.
Dit verhoogt de kans
op een
echtscheiding.
Naast deze drie
theorieën dient nog
de
‘erfelijkheidstheorie’
te worden genoemd.
Uit verscheidene
onderzoeken is
gebleken dat naast
de omgevingsfactoren
genetische factoren
een rol spelen in de
kans op
echtscheiding.
Bepaalde
karaktereigenschappen
vergroten de kans op
echtscheiding,
terwijl andere
karaktereigenschappen
deze kans juist
verkleinen. McGue en
Lykken (1992) vonden
in een onderzoek
onder Amerikaanse
een- en twee-eiige
tweelingen dat de
mate waarin broers
en zussen scheiden
meer overeenkomt bij
eeneiige dan bij
twee-eiige
tweelingen. In een
latere studie met
Jockin (1996) vonden
ze dat neurotisch en
extravert gedrag
positief correleren
met echtscheiding,
terwijl geremdheid
en echtscheiding
negatief correleren.
Ook Cramer (1993)
vond in
Groot-Brittannië
soortgelijke
resultaten, maar
alleen voor vrouwen.
De mate van
extravert en
neurotisch gedrag
was onder gescheiden
vrouwen groter dan
onder
niet-gescheiden
vrouwen.
Dat echtscheiding
in een bepaalde mate
‘geërfd’ wordt, is
duidelijk, en dit
effect zal nog
groter zijn als de
ouders van beide
partners gescheiden
zijn. Op grond van
de
socialisatietheorie
en de
erfelijkheidstheorie
maakt het voor de
overdraagbaarheid
van echtscheiding
niet veel uit of de
kinderen de
echtscheiding wel of
niet hebben
meegemaakt. Ouders
hebben bepaalde
karaktereigenschappen
of gaan op een
bepaalde manier met
elkaar om, waardoor
de kans op
echtscheiding
vergroot is. Deze
vergrote kans geven
ze door aan hun
kinderen. Het is op
grond van deze
theorieën te
verwachten dat een
kind dat geen
echtscheiding van de
ouders heeft
meegemaakt, maar van
wie de ouders wel
een eerdere relatie
ontbonden, eveneens
een verhoogde kans
heeft om zelf te
scheiden. Ook de
kans om meerdere
keren te scheiden
zal volgens deze
theorieën verhoogd
zijn voor kinderen
met ouders die vaker
gescheiden zijn.
3.
Methode
3.1
Het
ouder-kind-bestand
Het grote
databestand dat als
basis heeft gediend
voor dit onderzoek
naar de
intergenerationele
overdracht van
echtscheiding, wordt
aangeduid als
ouder-kind-bestand.
Dit door het CBS
samengestelde
bestand bevat, in
eerste instantie
voor de toestand op
1 januari 2002, voor
zoveel mogelijk
inwoners van
Nederland behalve
het eigen A-nummer,
die van de beide
ouders. Het A-nummer
is een uniek
identificatienummer
dat aan iedere
persoon die in de
GBA is ingeschreven,
wordt toegekend. Dit
bestand biedt de
mogelijkheid om
gegevens van ouders
en kinderen,
voorzover bekend,
met elkaar in
verband te brengen.
Daarbij kan het gaan
om verbanden tussen
demografische
variabelen, zoals
kindertal,
verhuisgedrag en
leeftijd bij
overlijden, maar ook
om toepassingen
buiten de
demografie.
De kracht van het
ouder-kind-bestand
is gelegen in de
omvang. Sinds de
laatste volkstelling
in 1971 heeft het
CBS niet langer de
beschikking gehad
over een bestand dat
op vrijwel integrale
basis
intergenerationeel
onderzoek mogelijk
maakt. Het huidige
onderzoek, dat
betrekking heeft op
het verband tussen
de huwelijkshistorie
van personen en
die van hun ouders,
is in Nederland nog
niet eerder op deze
schaal uitgevoerd.
In de GBA worden al
relaties tussen
personen gelegd.
Behalve over een
persoon zelf bevat
de GBA namelijk
gegevens over diens
ouder(s), de
(ex-)partner(s) en
de kinderen. Deze
mensen staan bekend
onder de
verzamelterm ‘gerelateerden’.
Van een gerelateerde
worden onder meer de
naam, de
geboortedatum, het
geslacht en het
geboorteland
opgenomen. Ook wordt
het A-nummer
vermeld, mits
voldaan is aan de
voorwaarde dat de
gerelateerde ooit is
ingeschreven in de
GBA en dat de
persoon en de
gerelateerde op enig
moment na 1 oktober
1994 waren
ingeschreven in
dezelfde gemeente.
Laatstgenoemde
voorwaarde heeft
ermee te maken dat
gemeenten alleen
verbanden hoeven te
leggen tussen
persoonslijsten die
in hun eigen
basisadministratie
aanwezig zijn. Een
persoonslijst is het
geheel van de
gegevens die over
een persoon in de
GBA zijn vastgelegd.
Een en ander leidt
ertoe dat niet van
iedere persoon in de
GBA de A-nummers van
de ouders bekend
zijn. Van veel
oudere mensen zijn
de ouders al voor 1
oktober 1994
overleden. Ook
degenen die vóór 1
oktober 1994 het
ouderlijk huis
hebben verlaten en
in een andere
gemeente zijn gaan
wonen, missen op hun
persoonslijst de
A-nummers van de
ouders. Van
immigranten van wie
de ouders niet in
Nederland komen
wonen, ontbreekt op
de persoonslijst
eveneens de
A-nummerverwijzing
naar de ouders. In
voorkomende gevallen
worden de A-nummers
op enig moment
alsnog toegevoegd,
bijvoorbeeld als
door verhuizing of
door een
gemeentelijke
herindeling ouders
en kind (weer) in
dezelfde gemeente
terechtkomen, of als
de ouders van de
immigrant zich bij
hun kind in
Nederland vestigen.
Het zoeken naar de
ouders kon worden
geconcentreerd rond
de mensen die vóór
1980 zijn geboren.
Een gelukkige
omstandigheid is dat
in die jaren de
buitenechtelijke
vruchtbaarheid nog
zeer beperkt was.
Van vrijwel iedereen
die voor 1980 is
geboren, waren de
ouders dus met
elkaar getrouwd. De
eerste stap van het
zoekproces bestond
daarom uit het
formeren van
echtparen, inclusief
echtparen van wie
het huwelijk is
ontbonden. De
echtparen zijn
samengesteld op
basis van de
huwelijksdatum en de
geboortedatum van de
partner. Van
iedereen die in de
GBA is ingeschreven,
zijn deze gegevens
immers bekend.
De tweede stap van
het zoekproces
bestond uit het
vinden van een
ouderpaar bij een
kind. Langs deze weg
is een bestand van
7,3 miljoen personen
gecreëerd waarin
behalve het eigen
A-nummer de
A-nummers van de
beide ouders zijn
vastgelegd.
De kwaliteit van
het bestand is
nagegaan met behulp
van de
leeftijdsverdeling,
de buitenechtelijke
vruchtbaarheid, het
leeftijdsverschil
met de moeder, het
aantal vrouwen naar
kindertal, het
aantal personen naar
aantal gesloten
huwelijken en het
leeftijdsverschil
tussen de
huwelijkspartners.
Deze controle wees
uit dat de kwaliteit
van het bestand hoog
is (Prins, 2004).
Vanaf ongeveer
leeftijd 20 wordt
het percentage
personen met twee
gevonden ouders met
het oplopen van de
leeftijd steeds
kleiner. Tussen
leeftijd 35 en 40
neemt dit percentage
fors af. Voor ruim
de helft van de
35-jarigen zijn twee
ouders gevonden,
terwijl dit voor de
40-jarigen nog maar
een op de drie is.
3.2
Gegevens
Voor deze analyse
zijn de
huwelijksgeschiedenissen
van alle personen
(kinderen en ouders)
in het
ouder-kind-bestand
bijeengezocht.
Vervolgens zijn
alleen de personen
(kinderen) die ooit
gehuwd, maar nooit
verweduwd zijn, met
ooit-gehuwde ouders
geselecteerd. Er
blijven 1,6 miljoen
van de 7,3 miljoen
kinderen in het
ouder-kindbestand
over.
Ondanks de
grootschaligheid van
het
ouder-kind-bestand
moet er bij deze
echtscheidingsanalyses
toch rekening worden
gehouden met enige
selectiviteit van de
groep personen uit
het
ouder-kind-bestand.
Vooral oudere
geboortecohorten, en
dus oude
huwelijkscohorten,
zijn
ondervertegenwoordigd
in het bestand. Hoe
ouder een persoon
is, hoe groter de
kans dat één of
beide ouders niet
meer in leven
is/zijn en deze
personen dus niet
meer deel uitmaken
van het
ouder-kind-bestand.
Jonge geboorte- en
huwelijkscohorten
zijn wel goed
vertegenwoordigd.

Staat
1 toont de verdeling
voor de
huwelijkscohorten
van de personen
(kinderen) in het
ouder-kind-bestand
en voor totaal
Nederland. De
aantallen voor
totaal Nederland
zijn gebaseerd op
het aantal huwende
personen in een
bepaald jaar.
Personen kunnen in
de tussenliggende
periode overleden of
geëmigreerd zijn.
Deze cijfers zijn
daarom niet volledig
vergelijkbaar met de
aantallen in het
ouder-kind-bestand,
maar geven wel een
indicatie van de
vertegenwoordiging
per huwelijkscohort.
Naast een
ondervertegenwoordiging
van de oude
huwelijkscohorten
ligt ook een
ondervertegenwoordiging
van het aantal
gescheiden ouders
voor de hand.
Gescheiden ouders
zullen vaker niet
meer te traceren en
te combineren zijn
dan ouders die nooit
gescheiden zijn. Van
gescheiden ouders
zal een deel naar
het buitenland
verhuisd en dus niet
meer vindbaar zijn,
terwijl nog steeds
gehuwde ouders voor
het merendeel op
hetzelfde adres
wonen. Omdat er een
relatie bestaat
tussen echtscheiding
van de ouders en de
kinderen, betekent
dit dus ook dat het
aantal gescheiden
kinderen
ondervertegenwoordigd
zal zijn in het
ouder-kind-bestand.
Aangenomen dat de
groep van gescheiden
ouders die geen deel
uitmaken van het
ouder-kind-bestand
niet selectief is,
zal het verschil in
echtscheidingskans
tussen kinderen met
en zonder gescheiden
ouders hierdoor niet
beïnvloed worden.
Ondanks deze
ondervertegenwoordiging
is het totale aantal
nog steeds zeer
groot (staat 2). In
het
ouder-kind-bestand
zijn 212 duizend
kinderen (13
procent) ooit
gescheiden. Bijna
190 duizend van de
kinderen hebben
minstens één ouder
die ooit gescheiden
is. Bij 163 duizend
van hen betreft het
een scheiding tussen
beide ouders (deze
kinderen hebben dus
daadwerkelijk een
scheiding van hun
ouders meegemaakt).

4. Onderzoeksresultaten
Omdat huwelijksduur
een belangrijke
onderscheidende
variabele is, wordt
in de analyses
onderscheid gemaakt
naar
huwelijkscohorten.
In dit artikel is,
voor de
overzichtelijkheid
en om
toevalsfluctuaties
te verminderen,
ervoor gekozen om de
resultaten van een
selectie van
5-jaars-huwelijkscohorten
te presenteren.
Gezien de omvang en
de duur van de
huwelijkscohorten,
zijn de cohorten van
1977–1981 tot en met
1992–1996
geselecteerd. De
huwelijksduren van
deze cohorten liepen
op 1 januari 2002
van 20 jaar voor het
cohort 1977–1981 tot
5 jaar voor het
cohort 1992–1996.
Echtscheiding uit
een eerdere relatie
Uit staat 3 blijkt
dat voor alle
huwelijkscohorten
geldt dat de kans op
echtscheiding van
kinderen die een
echtscheiding van de
ouders hebben
meegemaakt ruim twee
keer zo groot is als
die van kinderen
zonder gescheiden
ouders. Van cohort
1977–1981 is na 20
jaar nog geen 20
procent van de
kinderen zonder
gescheiden ouders
zelf gescheiden,
tegen ruim 40
procent van de
kinderen met
gescheiden ouders.
Bij het jongste
huwelijkscohort zijn
deze aandelen na 5
jaar 7,
respectievelijk 16
procent. Deze
resultaten komen dus
zeer goed overeen
met resultaten uit
eerdere onderzoeken.

Eén
of beide ouders
kunnen ook uit een
eerdere relatie
gescheiden zijn. Na
deze scheiding zijn
ze weer hertrouwd en
hebben ze één of
meer kinderen
gekregen. Deze
kinderen hebben geen
echtscheiding van
hun ouders
meegemaakt, hoewel
ten minste één van
hun ouders wel ooit
gescheiden is. Uit
staat 3 blijkt dat
deze kinderen ook
een hogere kans
hebben om zelf een
echtscheiding mee te
maken vergeleken met
kinderen van wie de
ouders nooit
gescheiden zijn.
Deze percentages
benaderen die voor
kinderen die de
echtscheiding van
hun ouders wel
hebben meegemaakt.
Om het verschil in
niveau duidelijk te
maken, zijn in
grafiek 1 de
cumulatieve
echtscheidingspercentages
per huwelijksduur
voor twee
5-jaars-huwelijkscohorten
weergegeven.
Duidelijk is dat de
echtscheidingstrends
voor beide cohorten
gelijk is, maar dat
het niveau voor het
jongere
huwelijkscohort wel
iets boven die van
het oudere cohort
ligt.

Huwelijksgeschiedenis
ouders van beide
partners
Als voor een
individueel persoon
de
echtscheidingskans
twee keer zo groot
is als hij of zij
een ouderlijke
echtscheiding heeft
meegemaakt, hoe
groot zal de
echtscheidingskans
van een echtpaar dan
zijn als beide
partners een
echtscheiding van
hun ouders hebben
meegemaakt? Staat 4
laat zien dat deze
kans ongeveer
anderhalf keer zo
groot is als die
voor echtparen van
wie één partner een
ouderlijke
echtscheiding heeft
meegemaakt.

Na 20
jaar is ruim de
helft van de
echtparen waarvan de
ouders van beide
partners zijn
gescheiden uit
elkaar. Voor de
echtparen van wie de
ouders van één van
de partners zijn
gescheiden, ligt dit
aandeel 20
procentpunten lager,
op ruim 30 procent.
Iets meer dan 15
procent van de
echtparen waarvan
beide partners geen
echtscheiding van de
ouders hebben
meegemaakt is na 20
jaar gescheiden.
Vergeleken met
echtparen waarvan de
ouders van beide
partners nooit
gescheiden zijn,
hebben echtparen van
wie beide partners
een ouderlijke
echtscheiding hebben
meegemaakt of
waarvan één van de
partners een
ouderlijke
echtscheiding hebben
meegemaakt een ruim
drie keer,
respectievelijk ruim
twee keer zo grote
kans om zelf te
scheiden. Dit geldt
voor alle
huwelijksduren, maar
voor de kortere
huwelijksduren lijkt
het verschil iets
groter dan voor de
langere
huwelijksduren. Zo
blijkt uit grafiek 2
dat van cohort
1987–1991 11 procent
van de echtparen van
wie de ouders van
beide ouders nooit
gescheiden zijn na
tien huwelijksjaren
zijn gescheiden. Dit
aandeel ligt voor
echtparen van wie de
ouders van een van
de partners zijn
gescheiden of van
wie de ouders van
beide partners zijn
gescheiden op 26,
respectievelijk 41
procent.

Leeftijd
kind bij
echtscheiding ouders
Staat 5 laat zien
dat er verschil is
in
echtscheidingskans
naar de leeftijd
waarop kinderen de
echtscheiding van
hun ouders meemaken.
Het meemaken van een
echtscheiding op
jonge leeftijd
verhoogt de kans van
het kind om later
zelf ook te
scheiden. Bijna de
helft van de
kinderen die jonger
waren dan 5 jaar
toen hun ouders uit
elkaar gingen, zijn
binnen 20 jaar
huwelijk zelf
gescheiden, tegen
nog geen 40 procent
van de kinderen die
al volwassen waren
toen hun ouders uit
elkaar gingen.

Tussen
de vier
onderscheiden
leeftijdsgroepen
bestaan geen grote
verschillen. De
verschillen zijn
echter zichtbaar bij
alle
huwelijkscohorten,
en het verschil
tussen de jongste en
de oudste
leeftijdsgroep is
wel aanzienlijk.
Voor alle
huwelijkscohorten
geldt een verschil
in
echtscheidingspercentage
van ongeveer 10
procentpunten tussen
kinderen die vóór
hun vijfde
verjaardag een
echtscheiding
meemaken of pas na
hun achttiende. In
grafiek 3 is te zien
dat er in dit
opzicht tussen de
verschillende
huwelijkscohorten
weinig verschil is.

Meerdere
echtscheidingen
Grafiek 4 laat zien
dat ook het aantal
echtscheidingen
lijkt te worden
‘overgedragen’ van
ouders op kinderen.
Hoewel het aandeel
kinderen dat zelf
meerdere keren een
echtscheiding heeft
meegemaakt een
kleine minderheid
betreft, is
duidelijk een
toename te zien in
de kans om meerdere
keren te scheiden
naarmate de ouders
vaker gescheiden
zijn. Van
huwelijkscohort
1977–1981 is na 20
jaar 14 procent van
de kinderen met
ouders die beiden
meer dan één keer
zijn gescheiden,
zelf ook meerdere
keren gescheiden.
Voor kinderen met
ouders die nooit
gescheiden zijn, is
dit 2 procent. Deze
aandelen zijn voor
huwelijkscohort
1987–1991 na 10 jaar
5 en 1 procent.

5.
Conclusie
Uit dit onderzoek
blijkt dat personen
die een ouderlijke
echtscheiding hebben
meegemaakt een twee
keer zo grote kans
hebben om zelf te
scheiden als
personen die geen
gescheiden ouders
hebben. Dit komt
overeen komt met
resultaten uit
eerdere onderzoeken.
Dit wijst erop dat
mogelijke
selectiviteit in het
onderzoeksbestand
voor dit onderwerp
geen overheersende
rol speelt.
Voorts blijkt dat
degenen die geen
ouderlijke
echtscheiding hebben
meegemaakt, maar van
wie minstens één
ouder wel ooit uit
een eerdere relatie
is gescheiden, ook
een bijna twee keer
zo grote kans hebben
om zelf te scheiden.
Wordt naar
echtparen gekeken,
dan is de
echtscheidingskans
voor echtparen
waarvan de ouders
van beide partners
gescheiden zijn drie
keer zo groot als
voor echtparen
waarvan de ouders
van beide partners
nooit gescheiden
zijn. De
echtscheidingskans
van echtparen
waarvan één van de
partners een
ouderlijke
echtscheiding heeft
meegemaakt, is twee
keer zo groot als
die voor echtparen
met nooit gescheiden
ouders.
Hoe jonger de
ouderlijke
echtscheiding wordt
meegemaakt, hoe
groter de kans van
het kind om later
zelf te scheiden.
Deze verschillen
naar leeftijd zijn
echter niet erg
groot. Een
aanzienlijk deel van
de kinderen die al
volwassen waren toen
hun ouders gingen
scheiden, woonde
toen niet meer
thuis, waardoor de
echtscheiding
waarschijnlijk een
veel minder grote
invloed op hun leven
heeft gehad.
Literatuur
| |
|
|
|
|
|