70
dienstencheques
toegekend per dossier
moederschapshulp zei U.
En
hoeveel is het dan per
dossier voor
vaderschapshulp?
Schriftelijke vraag
3-5776 van
Brotcorne Christian
(CDH) d.d. 3 augustus
2006 :
|
Mannelijke
zelfstandigen -
Geboortepremie -
Vaderschapshulp
-
Dienstencheques.
|
minister van
Middenstand en Landbouw
Vraag
Het
koninklijk besluit van
17 januari 2006 "tot
invoering van een
stelsel van uitkeringen
voor moederschapshulp
ten gunste van
vrouwelijke
zelfstandigen en tot
wijziging van het
koninklijk besluit van
12 december 2001
betreffende de
dienstencheques"
voorziet in de
toekenning aan de
vrouwelijke zelfstandige,
met inachtneming van de
voorwaarden vastgesteld
bij dit besluit, van 70
dienstencheques waarvan
de aankoopprijs ten
laste wordt genomen door
het sociaal
verzekeringsfonds
waarbij ze is
aangesloten.
Als de
vrouwelijke zelfstandige
zes weken
bevallingsverlof neemt,
kan ze bovendien 1.800 ą
2.000 euro kraamgeld
krijgen.
Voor
de mannelijke
zelfstandige liggen de
zaken anders: een
mannelijke werknemer
krijgt vaderschapsverlof,
maar een mannelijke
zelfstandige ontvangt
geen enkele hulp of
verlofvergoeding.
Nochtans nemen vaders
hoe langer hoe meer
huishoudelijke en
gezinstaken op zich. Het
is voor een mannelijke
zelfstandige die pas
vader is geworden vaak
heel moeilijk zijn
beroepsleven en zijn
huishoudelijke taken te
combineren met het
vaderschap.
Graag
kreeg ik een antwoord op
de volgende vragen:
1. Kan niet worden
overwogen een
geboortepremie toe te
kennen aan de mannelijke
zelfstandige opdat hij
de moeder na de
bevalling kan bijstaan
en die belangrijke
momenten ten volle met
haar kan delen? Het feit
dat de vader zijn
verantwoordelijkheid
opneemt en de kans
krijgt zijn belangrijke
rol als vader te spelen,
komt ook het kind ten
goede.
2. Zou het niet
opportuun zijn de
mannelijke zelfstandige
vaderschapshulp toe te
kennen in de vorm van
dienstencheques?
Antwoord ontvangen
op 11 september 2006 :
Antwoord : Alvorens te
antwoorden op de vragen
gesteld door het geachte
lid, verwijs ik voor de
algemene filosofie
achter het systeem van moederschapshulp naar
mijn antwoord op de
vraag 3-5768 van het
geachte lid.
In
antwoord op de gestelde
vragen heb ik de eer het
geachte lid het volgende
mee te delen.
1 en
2. Ik begrijp de
bekommernis van het
geachte lid.
De invoering van de
moederschapshulp is,
zoals reeds aangehaald
in mijn antwoord op uw
vraag nr. 3-5768,
een volledig nieuwe
uitkering die specifiek
bedoeld is om de
situatie te verbeteren
van moeders die, na de
bevalling en na een
periode van minimale
bevallingsrust, hun
zelfstandige activiteit
hervatten en die
tegelijk hun huishouden
moeten beheren en voor
hun kind moeten zorgen.
Momenteel worden er 70
dienstencheques
toegekend per dossier
moederschapshulp.
Wat de mogelijkheid
betreft om deze
specifieke uitkering uit
te breiden naar een
totaal andere doelgroep,
met name naar de
mannelijke zelfstandigen
die vader worden en
bijgevolg een uitkering
« vaderschapshulp » in
het leven te roepen,
verwijs ik naar mijn
antwoord
op de vraag 3-5770
(tweede vraag) in
verband met de
budgettaire impact van
deze maatregel op het
globaal beheer van het
sociaal statuut der
zelfstandigen.
Elke mogelijke
uitbreiding van het
systeem van
moederschapshulp, en dus
zeker ook de mogelijke
invoering van een
uitkering « vaderschapshulp »
dient niet te licht
overwogen te worden en
is afhankelijk van de
financiėle draagkracht
van het globaal beheer
van het sociaal statuut
der zelfstandigen.
...er
inderdaad geen einddatum
voorzien. Het is
namelijk niet mogelijk
om te voorzien wanneer
een vrouwelijke
zelfstandige alle
voorwaarden van artikel 3
van dit koninklijk
besluit effectief
vervult. Het is mijn
bekommernis zo veel
mogelijk vrouwelijke
zelfstandigen van deze
uitkering te laten
genieten. Ik wou dan
ook het risico niet
lopen om, door een
welbepaalde einddatum
voor deze betaling te
voorzien, een bepaalde
vrouwelijke zelfstandige
van de moederschapshulp
uit te sluiten.
Richtlijn 2002/73/EG van het
Europees Parlement en de
Raad van 23 september 2002
tot wijziging van Richtlijn
76/207/EEG van de Raad
betreffende de
tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke
behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de
toegang tot het
arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de
promotiekansen, en ten
aanzien van de
arbeidsvoorwaarden