|
|
verblijfsregelingen bij
jonge kinderen
Indien
genoeg steun wordt
gevonden kan op basis
van onderstaande
mogelijks een studiedag
georganiseerd worden
omtrent het toekennen
van verblijfsregelingen
bij baby, peuter of
kleuter cases.

Gebruik maken van
onderzoek naar de
ontwikkeling van
kinderen om geschikte
beslissingen over
verblijfs- en
omgangsregelingen
voor jonge
kinderen te nemen
Nederderlandse vertaling
van
FAMILY AND CONCILIATION
COURTS REVIEW, VOL. 38,
NO. 3, JULY 2000, PP.
297-311
Joan B. Kelly and
Michael E. Lamb
Met dank aan Bart Vinck
& J.P. de Man
Abstract
Beslissingen
aangaande omgangs- en
bezoekregelingen worden
vaak genomen zonder
verwijzing naar het
wetenschappelijk
onderzoek naar de
ontwikkeling van
kinderen hoewel de
onderzoeksliteratuur
bruikbaar kan zijn om
zich een beeld te vormen
van de behoeften van een
kind bij
(echt-)scheiding van de
ouders. In dit artikel
overlopen we onderzoek
over hechtingsprocessen,
verwijdering van
hechtingspersonen en de
rollen van moeders en
vader in het bevorderen
van psychologische
aanpassing. We besluiten
met een bespreking van
de implicaties voor
diverse omgangs- en
verblijfsregelingen voor
jonge kinderen.
Machtige
invloeden geven vorm aan
beslissingen over omgangs-
en verblijfsregelingen
wanneer ouders uit elkaar
gaan of uit de echt
scheiden. Ongeacht of de
ouders hun beslissingen
zelfstanding nemen dan wel
of ze een beroep doen op
therapeuten, bemiddelaars of
rechters voor aanbevelingen
en beslissingen, vaak
bepalen institutionele,
historische en culturele
krachten welke regelingen
geacht worden in het belang
van het kind te zijn. Jammer
genoeg echter zijn
jeugdrechters en
gezondheidswerkers
grotendeels onbekend met de
resultaten van verschillende
tientallen jaren aan
onderzoek over de
ontwikkeling van kinderen.
Ontwikkelingspsychologen en
zij die beslissen over
omgangs- en
verblijfsregelingen kruisen
zelden mekaars pad en het
grootste deel van de
relevante publicaties
bedoeld voor een academisch
publiek zijn ontoegankelijk
voor occasionele lezers.
In dit
artikel bespreken we het
onderzoek dat onmiddellijk
bruikbaar is voor die
aspecten van de omgangs- en
verblijfsregeling die
bepaald moeten worden
wanneer ouders uit elkaar
gaan. Omdat zovele vragen
opduiken met betrekking tot
regelingen voor jonge
kinderen leggen we de
klemtoon op
hechtingsprocessen,
verwijdering van
hechtingspersonen en de
rollen van moeders en vaders
bij het stimuleren van de
ontwikkeling van het kind.
Om de leesbaarheid te
bevorde-ren citeren we
vooral uit
overzichtsartikels; lezers
kunnen de geciteerde
artikels raadplegen voor
verwijzingen naar de
primaire literatuur.
Onderzoek
naar hechtingsprocessen
Gedurende
de afgelopen veertig jaren
is ons begrip van de eerste
sociale en emotionele
ontwikkelingen enorm
verbeterd. In het bijzonder
hebben psychologen vele
factoren geïdentificeerd die
de vorming van
hechtingsprocessen tussen
jonge kinderen en hun ouders
beïnvloeden alsook de
nefaste gevolgen voor
kinderen van ontwrichte of
uit balans gebrachte
relaties tussen ouder en
kind (Lamb, Bornstein en
Teti, ter perse; Lamb,
Thompson, Gardner en Charnov,
1985;
Thompson,
1998). De essentie van ons
groeiend begrip van deze
fenomenen wordt kort
samengevat op de volgende
bladzijden. De ontwikkeling
van hechting aan de ouders
en andere belangrijke
zorgverleners is een van de
meest kritische
verworvenheden van het
eerste levensjaar. Deze
duurzame banden spelen
essentiële vormende rollen
in het latere sociale en
emotionele functioneren.
Hechtingen tussen ouder en
baby stimuleren een gevoel
van veiligheid, de eerste
stukjes zelfvertrouwen en de
ontwikkeling van vertrouwen
in andere mensen. Bezorgd
over de verregaande
negatieve impact van lange
verwijderingen van hun
ouders op de ontwikkeling
van kinderen, was Bowlby
(1969) de eerste die het
belang van de continuïteit
van deze relaties door
middel van een theorie
trachtte te verklaren, zich
daarbij baserend op
psychoanalytische en
ethologische theorie. Van
toen af heeft het
wetenschappelijk onderzoek
zich vooral beziggehouden
met de verschillende fasen
en typen van hechting: de
veiligheid van hechting, de
stabiliteit van hechting
over de tijd, culturele
verschillen in de
hechtingsuitkomsten en de
correlatie tussen latere
persoonlijkheidseigenschappen
en verstandelijke
eigenschappen en de
verschillende typen van
hechting. Aanvankelijk
legden de onderzoekers zich
exclusief toe op de hechting
tussen moeder en kind. Die
literatuur is het best
bekend onder de gezondheids-
en welzijnswerkers. In de
laatste 20 jaren echter is
ook de betekenis en het
belang van de hechting
tussen vader en kind en van
de hechtingen tussen
kinderen en verzorgers die
niet tot het gezin behoren,
bijv. in kinderdagverblijven
en kleuterscholen,
uitgebreid onderzocht (voor
gedetailleerde overzichten,
zie Lamb, 1977a, 1998;
Thompson, 1998).
De fasen van
hechtingsprocessen
Hechtingsprocessen
zijn opgebouwd uit
wederzijdse interactieve
processen die bij het jonge
kind het vermogen stimuleren
om ouders en andere
zorgverleners te
onderscheiden, en om
emotioneel te investering in
deze zorgverleners.
Zuigelingen die gevoelige en
ontvankelijke zorg van
vertrouwde volwassenen
krijgen bij het voeden,
vasthouden, spreken, spelen,
kalmeren en bij het in het
algemeen nabij zijn, vormen
veilige hechtingsrelaties
met deze volwassenen (Thompson,
1998). Zelfs voldoende
niveaus van ontvankelijke
verzorging brengen de
vorming van hechtingen
tussen kind en ouder teweeg,
hoewel sommige van deze
relaties onveilig kunnen
zijn. Kinderen zijn
niettemin beter af met
onzekere hechtingen dan met
in het geheel geen
hechtingsrelaties. Bowlby
(1969) beschreef vier fasen
van het hechtingsproces en
aansluitend onderzoek heeft
deze fasering ruimschoots
bevestigd: (a)
niet-onderscheidende sociale
ontvankelijkheid, (b)
onderscheidende
vriendelijkheid, (c)
hechting, en (d)
doelgerichte relaties.
Niet-onderscheidende sociale
ontvankelijkheid
Gedurende
deze fase, die zich afspeelt
gedurende de eerste twee
maanden na de geboorte,
maakt de zuigeling gebruik
van een aangeboren
repertoire aan signalen,
inclusief huilen en lachen,
om de aandacht van
zorgverleners te trekken.
Het kind begint de
zorgverleners te associëren
met het verdwijnen van
ongemak (honger of pijn).
Bovendien vormen de
gesproken taal en de
gelaatsuitdrukkingen van de
volwassenen bijkomende
gelegenheid voor sociale
interactie. Hoewel
zuigelingen in staat zijn
hun ouders aan hun stem en
geur te herkennen aanvaarden
zij gedurende de eerste
weken van hun leven zorg van
om het even welke
zorgverlener zonder
de eerste
weken
Van hun leven
zorg van om het even welke
zorgverlener zonder ongemak
of angst (Lamb et al.,
ter perse).
Onderscheidende
vriendelijkheid
De
fase van de onderscheidende
vriendelijkheid vindt plaats
tussen de leeftijd van twee
tot zeven maanden. Gedurende
deze fase beginnen baby’s
bepaalde zorgverleners te
herkennen en verkiezen zij
de interactie met hen.
Baby’s kalmeren
gemakkelijker bij deze
vertrouwde personen, richten
zich naar hen en vertonen
meer plezier wanneer ze met
hen omgaan. Deze
hechting-in-wording geeft
aan dat de respons van de
zorgverlener voldoende
tijdig en geschikt is.
Gedurende deze fase beginnen
baby’s te leren wat
reciprociteit is,
ondervinden zij een zeker
gevoel voor doelmatigheid
(‘Ik kan dingen laten
gebeuren’) en vertrouwen.
Over het algemeen
protesteren zij niet wanneer
ze gedurende deze fase van
hun ouders worden
verwijderd, maar ze worden
angstig wanneer ze het te
lang zonder menselijke
nabijheid moeten stellen.
Hechting
In de
hechtingsfase, die
plaatsvindt tussen de
leeftijden van zeven maanden
en twee jaar, geeft het kind
duidelijk te kennen dat
hechtingen zijn gevormd,
bijvoorbeeld door actief te
trachten dicht bij de
geliefde zorgverleners te
blijven. Gedrag dat op deze
hechtingen wijst omvat het
volgen van en rondhangen bij
ouders, vooral bij
vermoeidheid of ziekte, en
voorkeuren voor welbepaalde
zorgverleners als veilige
uitvalsbases voor verkenning
van de omgeving. Ergens rond
het midden van het eerste
levensjaar beginnen baby’s
te huilen of protesteren
wanneer ze gescheiden worden
van personen aan wie ze
gehecht zijn. Deze overgang
markeert de initiële
verworvenheid van het
vermogen om te beseffen dat
ouders blijven bestaan
wanneer ze niet aanwezig
zijn, een vermogen waarnaar
door Piaget als
“objectpermanentie” wordt
verwezen. Uiteraard, het
begrip van dit fundamentele
concept is aanvankelijk vrij
rudimentair en blijft
toenemen in het volgende
anderhalf jaar van het
kinderleven. Naarmate dit
begrip rijpt, kan het kind
er ook beter mee overweg te
worden gescheiden van
mensen, hoewel scheiding
voor baby’s stresserend
blijft. Jonge kinderen
kunnen de scheiding van een
hechtingspersoon duidelijk
beter aan wanneer ze bij een
andere hechtingsfiguur zijn.
Niettemin is het belangrijk
de duur van de periode
waarin jonge kinderen
gescheiden worden van hun
hechtingsfiguren te
beperken; al te lange
verwijderingen zetten de
zich ontwikkelende
hechtingsrelaties al te zeer
onder druk. In het geval dat
het kind gehecht is aan
beide ouders, zoals de
meeste kinderen dat zijn,
betekent dit dat de periodes
dat het bij elke ouder
doorbrengt aangepast moet
zijn zodat de tijd dat het
gescheiden is van de andere
ouder beperkt is. Momenteel
bestaat aanzienlijke
bewijsmateriaal (voor een
overzicht, zie Lamb, 1997a)
dat documenteert dat de
meeste zuigelingen
betekenisvolle hechtingen
vormen met hun beide ouders
vanaf ongeveer dezelfde
leeftijd (6 tot 7 maanden).
Dit is zo hoewel in onze
cultuur vele vaders minder
tijd aan hun kinderen
besteden dan moeders. Dit
wijst erop dat de tijd die
besteed wordt aan omgang
niet de enige factor die
bepalend is in de
ontwikkeling van hechtingen,
hoewel een minimum aan
hechting cruciaal is. De
meeste zuigelingen
ontwikkelen een voorkeur
voor de ouder die de
voornaamste
verantwoordelijkheid voor
hun zorg op zich neemt
(typisch de moeder) maar dit
betekent niet dat hun
relaties met de andere ouder
niet belangrijk zijn. De
voorkeur voor de voornaamste
verzorger lijkt af te nemen
met de leeftijd en vanaf 18
maanden is de voorkeur
dikwijls verdwenen. Kortom,
de manieren waarop moeders
en vaders relaties vormen en
de ontwikkeling van hun
kinderen beïnvloeden zijn
vrij gelijkaardig. Hoewel
veel aandacht is besteed aan
onderzoek dat aantoont dat
vaders en moeders op
verschillende wijzen omgaan
met hun kinderen, zijn de
verschillen in stijl in
wezen vrij klein en schijnen
ze niet van groot belang te
zijn (Lamb, 1997a). De
voordelen van het
onderhouden van contact met
beide ouders overstijgen
elke behoefte aan relaties
met mannelijke of
vrouwelijke ouders. De
empirische literatuur toont
ook aan dat zuigelingen en
peuters behoefte hebben aan
regelmatige omgang met hun
beide ouders om hun
hechtingen te behouden en
uit te breiden (Lamb e.a.,
ter perse). Langdurige
verwijderingen van een ouder
zijn onwenselijk omdat ze
onnodig de zich
ontwikkelende
hechtingsrelaties in het
gedrang brengen. Bovendien
is het noodzakelijk dat de
omgang met de beide ouders
plaatsvindt binnen een brede
waaier van contexten
(voeden, spelen, luiers
verversen, kalmeren, in bed
stoppen, enz.) om te
verzekeren dat de relaties
geconsolideerd en gesterkt
worden. Bij afwezigheid van
gelegenheid voor geregelde
omgang binnen een brede
waaier aan contexten zullen
de relaties tussen kind en
ouder zich niet verder
ontwikkelen en zelfs
verzwakken. Het is bijzonder
moeilijk relaties met
zuigelingen of jonge
kinderen en hun ouders te
herstellen wanneer deze
relaties verstoord werden.
In de plaats daarvan is het
voor iedereen die erbij
betrokken is aanzienlijk
beter zulke verstoringen te
vermijden. Gedurende deze
fase worden de kinderen
mobieler, verkennen ze de
wereld meer, starten ze meer
sociale omgang en
ontwikkelen ze uitgebreide
en gesofisticeerde
linguïstische en
verstandelijke capaciteiten.
Deze verwezenlijkingen
verhogen de angst van het
kind voor scheiding van
belangrijke zorgverleners en
deze angst uit zich in
krachtige vocale en
lichamelijke tekenen van
verzet tegen de scheiding,
vooral tot aan ongeveer de
leeftijd van 18 maanden.
Daarom is het heel gewoon
voor kinderen tussen de
leeftijd van 15 tot 24
maanden om zich te verzetten
tegen de overgangen van het
huis van hun moeder naar het
huis van hun vader na de
(echt-)scheiding ook al
hebben de kinderen goede
hechtingsrelaties met beide
ouders. Eens ze echter
verwijderd zijn uit de
omgeving van de moeder
functioneren deze jonge
kinderen goed bij hun vaders
en vice versa. Wanneer
geplande verwijderingen kort
van tevoren op een kalme en
zakelijke manier worden
aangekondigd, met de
verzekering dat de ouder (of
het kind) zal terugkeren,
kunnen de angsten verminderd
worden. Vanaf de leeftijd
van 24 maanden ondervinden
de meerderheid van de
kinderen niet langer
scheidingsangsten, hoewel
kinderen met erg onzekere
hechtingen en diegenen wier
belangrijkste
hechtingspersonen hun eigen
problemen in verband met de
scheiding te verwerken
hebben, nog blijk kunnen
blijven geven van angst.
Doelgerichte relaties
Ten
slotte volstrekt zich tussen
de leeftijd van 24 tot 36
maanden de fase van de
doelgerichte relatie. In
deze fase beginnen kinderen
en ouders gezamenlijk
plannen te maken; de
kinderen zijn meer en meer
in staat compromissen te
sluiten en enigszins met de
behoeften van hun ouders
rekening te houden. Kinderen
kunnen nu enigszins
begrijpen waarom hun ouders
komen en gaan en ze kunnen
hun terugkeer voorspellen.
Hun primitieve besef van
tijd maakt het voor
tweejarigen echter moeilijk
om veel meer te begrijpen
dan vandaag en morgen en dit
heeft zo zijn gevolgen voor
de duur van de verwijdering
van belangrijke
hechtingsfiguren waar ze mee
overweg kunnen. Samengevat,
wanneer hen de gelegenheid
geboden wordt, zullen
peuters zich aan meerdere
personen hechten en iedere
hechting zal unieke
emotionele betekenis en
belang hebben. Fysische
zorgverlening is kritisch
voor de overleving en de
gezondheid, maar eveneens
belangrijk is de sociale en
emotionele input van diverse
hechtingsfiguren. Kinderen
met meerdere hechtingen
lijken een hiërarchie van
zorgverleners te creëren,
waarbij ze op zoek gaan naar
de zorgverleners die het
meest beantwoordt aan hun
behoeften en
gemoedsgesteldheden, hoewel
ze bereid zijn van iedere
belangrijke hechtingsfiguur
troost en geruststelling te
aanvaarden wanneer ze
verstoord of angstig zijn en
wanneer zorgverleners die
meer de voorkeur genieten
ontbreken. Er is echter geen
bewijs dat gedurende de
eerste twee levensjaren het
voorhanden zijn van meerdere
hechtingsfiguren de sterkte
van de hechting aan de
belangrijkste
hechtingsfiguur of
hechtingsfiguren vermindert.
Individuele
verschillen in de veiligheid
van hechting
Uitgebreid
onderzoek naar het
gecontroleerd scheiden van
en herenigen met ouders
(gebruik makende van de “Vreemde-Situatie”-procedure)
heeft geleid tot de
classificatie van de
verschillende soorten van
hechting, in veilige en
onveilige types. Onveilige
hechting wordt verder
opgedeeld in ontwijkende,
weerstandige en
ongeorganiseerde types (Ainsworth,
Belhar,Waters en Wall, 1978;
Lamb e.a., 1985, ter perse;
Thompson, 1998). Baby’s met
een veilige vorm van
hechting verkiezen ouders
boven vreemden, zullen
mogelijk huilen bij
scheiding en zoeken
onmiddellijk omgang of
contact met de ouders,
evenals een gevoel van
bevestiging en verzekering
wanneer deze terug keren.
Ongeveer twee derde van de
kinderen in de Amerikaanse
middenklasse zijn op een
veilige manier gehecht,
vermoedelijk omdat hun
ouders reageren op gehuil en
de noden van het kind en
psychologisch beschikbaar
zijn voor het kind. Ongeveer
20% van de hechtingen tussen
kind en ouder in de gezinnen
van de Amerikaanse
middenklasse zijn ontwijkend
onveilig. Deze baby’s lijken
een scheiding niet op te
merken, vermijden de
terugkerende ouders te
groeten, maar bieden geen
weerstand bij fysisch
contact. Baby’s met een
weerstandig onveilige
hechting (10% tot 12%)
vertonen boos en agressief
gedrag bij de hereniging en
kunnen na de verwijdering
niet gemakkelijk door de
ouders worden getroost. Een
klein aantal (ongeveer 5%)
van de baby’s vertonen
verward gedrag na de
scheiding en werden
geclassificeerd als
ongeorganiseerd/
gedesoriënteerd. Hun
tegenstrijdig gedrag bij de
hereniging omvat weg staren
wanneer ze worden
vastgehouden, vreemde
houdingen en afwezige
gezichtsuitdrukkingen.
Hoewel men ooit dacht dat
veilige en onveilige vormen
van hechting vaststaand en
onveranderlijk in de tijd
waren, lijkt dit enkel zo te
zijn wanneer het kind in een
redelijk stabiele familiale
situatie zit gedurende de
eerste twee levensjaren (Lamb
e.a., ter perse; Thompson,
1998). Factoren die de
veiligheid en stabiliteit
van een hechting kunnen
beïnvloeden zijn onder
andere armoede, geweld
binnen het huwelijk, een
hoog conflictniveau tussen
de ouders en grote
veranderingen in het leven
zoals een scheiding, een
sterfgeval, of de geboorte
van een broer of zus. Met
elk van deze gevallen gaat
een groeiende onveiligheid
in de hechting met het kind
gepaard. Onveilige vormen
van hechting zijn duidelijk
verbonden met een
ontoereikende stijl van
ouderlijke zorgverlening die
de kwaliteit van de hechting
met het kind beïnvloedt,
zoals een verstoorde
familiale omgang, afwijzing
door de ouders, onvoldoende
ontvankelijke of
ongeorganiseerde vormen van
ouderlijke zorgverlening,
verwaarlozing en misbruik.
Het moet worden opgemerkt
dat hechtingen tussen kind
en ouder vaak onveilig
worden als reactie op de
(echt-)scheiding van de
ouders, tenminste voor een
bepaalde periode, en daarna,
wanneer de kinderen een
terugval van de ouderlijke
ruzies ervaren, terug
veiliger worden (Cummings en
Davies, 1994). Dus, hoewel
kinderen uit een gezin met
een hoog conflictniveau
tussen de ouders initieel
een onveilige hechting
kunnen hebben, zal hun
relatie met beide ouders
veiliger worden als het
conflictniveau daalt. Het is
ook duidelijk dat
interculturele verschillen
in de stijl van ouderschap
en de gestelde verwachtingen
geassocieerd zijn met
verschillende
hechtingspatronen. Er zijn
belangrijke individuele
verschillen wat betreft de
veiligheid van hechtingen.
Vergeleken met kinderen die
initieel onveilig waren,
zijn veilig gehechte
kinderen later meer
zelfstandig, sociaal
vaardig, onderzoekend, tot
samenwerking bereid en
meevoelend met anderen; zij
hebben een hogere
zelfwaardering en leggen
meer doorzettingsvermogen en
flexibiliteit aan de dag bij
het oplossen van problemen.
Deze verschillende
uitkomsten lijken niet
alleen toe te schrijven aan
de initiële verschillen in
de veiligheid van de
hechtingen maar ook aan de
blijvende verschillen in de
kwaliteit van de ouderlijke
zorgen (voor overzichten en
analyses over dit onderwerp,
zie Lamb e.a., 1985, ter
perse; Thompson, 1998).
Implicaties
van onderzoek naar bindingen
voor omgangs- en
verblijfsregelingen
Het
onderhouden van de bindingen
van de kinderen na (echt-)
scheiding
Wanneer de
ouders voor de scheiding
hebben samengeleefd en de
relaties tussen het kind en
de beide ouders op zijn
minst van voldoende
kwaliteit en ondersteuning
getuigden dan is de centrale
uitdaging de beide bindingen
tussen kind en ouder na de
scheiding te onderhouden.
Wanneer er bezorgdheid
bestaat over
kindermishandeling,
druggebruik, mentale ziekte
of geweld tussen de ouders,
dan zijn evaluaties van de
geschiktheid van de ouders
uiteraard essentieel en
kunnen beperkte bezoeken
onder toezicht nodig zijn om
te vermijden dat de
veiligheid en de
ontwikkeling van het kind in
het gedrang komt. Ook,
wanneer de ouders nooit
samengeleefd hebben, en het
kind niet de mogelijkheid
heeft gehad om zich te
binden aan een van de
ouders, zoals gewoonlijk het
geval is wanneer het
ouderschap via gerechtelijke
procedure komt vast te
liggen, zijn speciale
inspanningen nodig om de
ontwikkeling van
bindingsrelaties te
bevorderen. Dit valt echter
buiten de scoop van dit
artikel. Over het algemeen
spelen de relaties met de
ouders een cruciale rol bij
het vorm geven aan de
sociale, emotionele,
persoonlijke en
verstandelijke ontwikkeling
van het kind en er bestaat
een uitgebreide literatuur
die de nefaste gevolgen
documenteert van verstoorde
relaties tussen ouder en
kind op de ontwikkeling en
de psychologische aanpassing
van kinderen (Lamb, 1999;
Lamb, Hwang, Ketterlinus en
Fracasso, 1999). Deze
literatuur toont ook aan dat
kinderen die betekenisvolle
relaties met een van hun
ouders afgebroken zagen, een
groter psychosociaal risico
lopen, zelfs wanneer ze in
staat zijn hun relatie met
de andere ouder te behouden.
Anders gezegd, er bestaat
aanzienlijk bewijsmateriaal
dat aantoont dat kinderen
meer geneigd zijn hun
psychologisch potentieel te
bereiken wanneer zij
betekenisvolle relaties met
hun beide ouders kunnen
ontwikkelen en in stand te
houden, of de twee ouders nu
samenleven of niet. De
meeste courante praktijk bij
beslissingen over gezags- en
omgangsregelingen is de
nadruk te leggen op de
relatie tussen moeder en
kind en de continuïteit van
deze relatie te waarborgen
door kinderen bij hun
moeders te laten wonen en ze
beperkt contact met hun
vaders te laten hebben.
Bijgevolg zal het jonge kind
dat gewoon was zijn beide
ouders elke dag te zien
abrupt één ouder, meestal de
vader, slecht een keer per
week (of een keer per twee
weken) beginnen te zien en
dat slechts voor een paar
uurtjes. Deze regeling werd
dikwijls voorgesteld door
gezondheids- en
welzijnswerkers als zijnde
in het beste belang van het
kind door een verkeerd
begrip, gebaseerd op
Bowlby’s vroegste
speculaties, dat het jonge
kind slechts één
significante of voornaamste
binding hebben. Als gevolg
hiervan werd het onderzoek
naar de ontwikkeling van
jonge kinderen gebaseerd op
niet-geteste
psychoanalytische theorieën
en focuste het zich alleen
op moeders en hun jonge
kinderen in de
veronderstelling dat de
vaders van geringe betekenis
waren en onnodig voor de
ontwikkeling en de
psychologische aanpassing
van kinderen. De gezags- en
omgangsregelingen die op
basis hiervan uitgesproken
werden offerden de
continuïteit van de relaties
tussen vader en kind op met
lange-termijn
sociaal-emotionele en
economische gevolgen voor de
kinderen. Vandaag
documenteert zeer
uitgebreide
onderzoeksliteratuur de
kwalijke gevolgen van
gehavende relaties tussen
vader en kind, alsook de
positieve bijdragen die
vaders leveren bij de
ontwikkeling van hun
kinderen (voor een
overzicht, zie Lamb, 1997b).
Het onderzoek uitgevoerd
onder leiding van Bowlby
(1973) geeft aan dat het
verlies of de aantasting van
betekenisvolle relaties in
de kindertijd de oorzaak kan
zijn voor angst en een
diepgeworteld gevoel van
verlies, in het bijzonder
wanneer het gebeurt
gedurende de eerste twee
levensjaren wanneer kinderen
beperkte cognitieve en
communicatieve middelen
hebben om het verlies te
verwerken. Zowel conflicten
tussen de ouders als het
plotse vertrek van een ouder
uit het dagelijkse leven van
het kind kan de hechtingen
van het kind onveilig maken
en zou dus vermeden moeten
worden. Om te beantwoorden
aan de psychologische
behoeften van het kind
zouden omgangsregelingen
voor kinderen jonger dan 2
of 3 jaar eerder meer dan
minder overgangen moeten
bevatten om de continuïteit
van de beide relaties en de
veiligheid en het gemak van
het kind in een periode van
grote veranderingen te
waarborgen. Ideaal ware dat
zuigelingen en peuters de
mogelijkheden hebben om elke
dag of om de twee dagen met
beide ouders te contact te
hebben en dit in een brede
waaier van functionele
contexten (voeden, spelen,
disciplinering,
basisverzorging, grenzen
stellen, in bed steken, enz.)
Om de schadelijke impact van
uitgebreide verwijderingen
van elke ouder te
minimaliseren, zouden er
meer overgangen moeten zijn
dan misschien bij oudere
kinderen wenselijk is.
Wanneer kinderen de leeftijd
van twee jaar bereiken
kunnen ze met langere
verwijderingen overweg en de
meeste peuters kunnen dan
zonder stress overweg met
twee opeenvolgende
overnachtingen bij iedere
ouder. Omgangsregelingen met
langere periodes, zoals vijf
tot zeven dagen, zouden
vermeden moeten worden omdat
kinderen van deze leeftijd
nog altijd kribbig en
ongemakkelijk worden wanneer
ze te lang van een van beide
ouders verwijderd zijn. Er
is omvangrijk
bewijsmateriaal dat aantoont
dat jonge kinderen gewoon
worden aan regelmatige
overdrachten zoals deze die
gepaard gaan met verblijf in
verschillende crèches zonder
dat dit kwalijke gevolgen
heeft voor de kwaliteit van
de bindingen met hun ouders
(Lamb, 1998). Hetzelfde zou
moeten gelden voor wat
betreft verwijderingen in
het raam van scheiding
tussen de ouders.
Zuigelingen en peuters
zouden dus meerdere
contacten per week met beide
ouders moeten hebben op hun
scheidingsangst te
minimaliseren en de
continuïteit van de
hechtingen van het kind te
onderhouden. Jammerlijk
genoeg, is het belang van
plaatsverbonden stabiliteit
(één thuis, één bed) ten
onrechte te zeer benadrukt
voor zuigelingen en peuters
zonder dat de nodige
aandacht werd besteed aan
het grotere belang voor het
kind van de emotionele,
sociale en cognitieve
bijdragen van de beide
relaties tussen ouder en
kind. Op een plaats wonen
(geografische stabiliteit)
verzekert slechts één vorm
van stabiliteit. Stabiliteit
wordt voor jonge kinderen
(en ook voor oudere
kinderen) ook gecreëerd door
het voorspelbare komen en
gaan van de beide ouders,
regelmatige eet- en
slaapgewoonten, consistente
en aangepaste verzorging en
affectie en aanvaarding (Kelly,
1997). Meer nog, omgangs- en
verblijfsregelingen na
scheiding die voorspelbaar
zijn en door de jonge
kinderen zonder veel stress
kunnen worden nageleefd,
voorzien in stabiliteit na
de scheiding.
Overnachtingen bij de
niet-residentiële ouder
Als gevolg
van de historische focus op
het waarborgen van de
hechting tussen moeder en
kind en van een exclusieve
thuis, werden overnachtingen
bij of uitgebreide bezoeken
aan de andere ouder (meestal
de vader) lange tijd
verboden of ten strengste
afgeraden door rechters,
raadgevers, therapeuten,
gezondheidswerkers,
advocaten in familierecht,
en niet verrassend, door
vele moeders (bijv., Garrity
en Baris, 1992; Goldstein,
Freud en Solnit, 1973;
Goldstein, Freud, Sol-nit en
Goldstein, 1986; Hodges,
1991). Hodges (1991)
bijvoorbeeld beweerde dat
voor kinderen jonger dan zes
maanden, “overnachtingen
wellicht niet in het belang
van het kind zijn, omdat de
eet- en slaapgewoonten van
de zuigeling zo stabiel
mogelijk zouden moeten
zijn.” (p. 175). Voor
peuters tussen zes en
achttien maanden zouden
overnachtingen als “minder
dan wenselijk moeten worden
beschouwd” (p. 176). Hoewel
Hodges het belang van
verscheidene bezoeken per
week voor oudere kinderen
die gehecht waren aan hun
vaders erkende, raadde hij
aan dat deze beperkt bleven
tot enkele uren. Hodges
stelde dat kinderen slechts
in staat zouden kunnen zijn
“zonder schade” buitenshuis
te overnachten van zodra ze
de leeftijd van drie jaren
hadden bereikt (p. 177).
Zulke onnodig restrictieve
en normatieve richtlijnen
waren niet gebaseerd op
onderzoek naar de
ontwikkelingspsychologie bij
jonge kinderen en
weerspiegelden een gedateerd
begrip van de relaties
tussen een kind en zijn
ouders. Meer nog, zulke
aanbevelingen hielden geen
rekening met de kwaliteit
van de relaties tussen vader
en kind en tussen moeder en
kind, de aard van de
betrokkenheid van de beide
ouders, en de behoefte van
het kind om de relaties met
de beide ouders na de
scheiding te behouden en te
versterken (Lamb, Sternberg
en Thompson, 1997).
Onderzoek en ervaringen in
kinderdagverblijven,
peutertuinen en andere
regelmatig terugkerende
omgevingen geven aan dat
jonge kinderen zich snel
aanpassen aan deze
overgangen en ook goed
slapen van zodra ze
vertrouwd zijn. Inderdaad,
een kind gedijt ook sociaal,
emotioneel en verstandelijk
als de organisatie van de
zorgverlening voorspelbaar
is en wanneer ouders zowel
gevoelig zijn voor de
fysische noden als de
ontwikkelingsnoden van het
kind en emotioneel
beschikbaar zijn (Horner en
Guyer, 1993; Lamb, 1998).
Avonden en overnachtingen
(alsook lange bezoeken met
dutjes tijdens de dag) bij
de niet-residentiële ouder
zijn voor het kind
psychologisch bijzonder
belangrijk, en dat niet
alleen voor zuigelingen maar
ook voor peuters en
kleuters. Avonden en
overnachtingen bieden
mogelijkheden voor cruciale
sociale interacties en
verzorgende activiteiten
waar bezoekjes van 1 tot 2
uren niet in kunnen
voorzien: het geven van een
badje, het kalmeren bij
kwellingen en angsten,
slaaprituelen, troosten in
het midden van de nacht, het
’s ochtends geven van
zekerheid en veiligheid aan
het kind door het na het
ontwaken te knuffelen, enz….
Deze alledaagse activiteiten
bevorderen en behouden het
vertrouwen in de ouders
terwijl ze de binding tussen
ouder en kind verdiepen en
versterken. Er bestaat in
het geheel geen bewijs dat
de psychologische aanpassing
van kinderen of de relaties
tussen kinderen en hun
ouders geschaad wordt
wanneer kinderen overnachten
bij de andere ouder. Een
vaak verkeerd geciteerde
studie van Solomon (1997)
gaf hoge niveaus van
onzekere hechtingen tussen
kind en moeder en tussen
kind en vader weer wanneer
de ouders niet samenleefden,
maar kleuters die zowel bij
hun vader als hun moeder
overnachtten hadden niet
significant meer onveilige
relaties dan kinderen die
niet bij beide ouders
overnachtten. In feite,
zoals al opgemerkt, bestaat
er aanzienlijk
wetenschappelijk bewijs van
de voordelen van deze
regelmatige ervaringen.
Naast het behouden en
verdiepen van de hechtingen,
bezorgen overnachtingen
kinderen met een diversiteit
aan sociale, emotionele en
verstandelijke stimulerende
ervaringen die hun
aanpassingsvermogen en
gezonde ontwikkeling ten
goede komen. Bovendien,
betekenisvolle relaties
tussen vader en kind kunnen
vaders aanmoedigen om
betrokken te blijven in de
levens van hun kinderen door
hen mede verantwoordelijk te
maken als ouder. Andere
voordelen van overnachtingen
zijn de normale combinatie
van plezier en “echte” tijd
die enkel door een
uitgebreide vorm van
zorgrecht wordt toegelaten,
de mogelijkheid om op de
hoogte te blijven over de
voortdurende en complexe
veranderingen die gepaard
gaan met de ontwikkeling van
het kind, mogelijkheden voor
daadwerkelijke
disciplinering en opvoeding
wat onvervreemdbaar behoort
tot goed ouderschap en
mogelijkheden om op een
betekenisvolle wijze opnieuw
contact te maken met het
kind. Korte bezoekjes van
twee uur daarentegen
herinneren het kind eraan
dat de bezoekende ouder
bestaat maar voorzien niet
in de brede waaier aan
activiteiten die de relatie
in zijn bewustzijn
verankeren. Wanneer moeders
borstvoeding geven is er
aanzienlijke aarzeling,
onbeslistheid en misschien
zelfs hevige weerstand
vanwege de moeder met
betrekking tot
overnachtingen of
uitgebreide bezoeken
gedurende de dag.
Borstvoeding is uiteraard
een van de belangrijke
contexten die hechting
bevordert, hoewel het
helemaal niet een essentiële
context is. Inderdaad, er is
geen bewijs dat baby’s die
borstvoeding hebben
ontvangen betere en
veiligere relaties met hun
ouders vormen dan baby’s die
flessenvoeding hebben
ontvangen. Een vader kan een
zuigeling voeden met de melk
die bij de moeder werd
afgetapt, in het bijzonder
van zodra de zorgroutines
vertrouwd zijn. Wanneer er
overnachtingen doorgang
vinden is het niet cruciaal
dat de twee bedden of
slaapkamers dezelfde zijn;
kinderen raken snel gewend
aan deze verschillen. Om de
stabiliteit te waarborgen is
het mogelijk belangrijker
dat de eet- en
slaapgewoonten in beide
huishoudens gelijkaardig
zijn. Ouders zouden dus
informatie moeten delen over
slaapgewoonten, nachtelijk
ontwaken, voedingsgewoontes
en voedingsschema’s,
effectieve praktijken om te
kalmeren, over ziekten en
veranderingen in de
dagelijkse routines wanneer
het kind opgroeit. Ouders
zouden door advocaten en
bemiddelaars moeten worden
aangemoedigd om
rechtstreeks, sprekend of
schrijvend, met elkaar te
communiceren. Wanneer dit
niet mogelijk is tengevolge
van de onverzettelijkheid
van een van de ouders of van
beide ouders, dan zou de
rechtbank de diensten van
bemiddelaars en
gezondheidswerkers moeten
inroepen tot de normale
woede over de scheiding
verminderd is (Emery, 1994,
1999; Kelly, 1991, 1994).
Het is ook belangrijk te
erkennen dat langdurige
procesvoering en het
schrikbeeld “winnen of
verliezen” de tempering van
het conflict uitstellen (Maccoby
en Mnookin, 1992), en dat
zulke geschillen daarom met
spoed zouden moeten worden
beslecht. Ook zou de
kwaliteit van de
communicatie niet moeten
beoordeeld worden aan de
hand van het conflictniveau
dat rond de procesvoering
hangt en erdoor wordt
opgestookt. De uitdagingen
van op het kind gefocuste
communicatie vereist een
engagement van de zijde van
de beide ouders naar het
welzijn van hun kinderen
maar zal op lange termijn
positieve gevolgen hebben
voor kinderen en voor elk
van de relaties tussen ouder
en kind. Hoewel het
duidelijk is dat een goede
samenwerking tussen de
ouders voordelig is, zouden
omgangsregelingen die
betekenisvolle relaties
tussen ouder en kind
mogelijk maken niet gemeden
mogen worden als een of
beide ouders niet in staat
is/zijn tot samenwerking.
Niet-samenwerkende ouders
kunnen effectief
functioneren in hun aparte
domeinen en zo de kinderen
helpen bij de aanpassing (Lamb
e.a., 1997; Maccoby en
Mnookin, 1992; Whiteside,
1998). Omdat een hoog niveau
van conflict geassocieerd
wordt met minder gunstige
uitkomsten na scheiding (Johnston,
1994; Kelly, ter perse;
Maccoby en Mnookin, 1992),
geniet het de voorkeur dat
overdrachten geschieden
zonder openlijk conflict.
Echter, het is belangrijk om
te begrijpen hoe een hoog
conflictniveau gedefinieerd
wordt in het relevante
onderzoek, want de
resultaten worden vaak
verkeerd begrepen. Bijna per
definitie, houden geschillen
over omgangs- en
verblijfsregelingen een
conflict in, maar laat het
duidelijk zijn dat zulks
conflict op zich niet
noodzakelijkerwijze ook
schadelijk is. Het hoge
conflictniveau dat
schadelijk gevonden wordt
door onderzoekers als
Johnston (1994) bestond
typisch uit herhaald
echtelijk geweld en verbale
agressie die met hoge
intensiteit voortduurde
gedurende langere periodes
en zich vaak in het bijzijn
van het kind voltrok.
Johnston benadrukte het
belang van het niet
onderbreken van relaties met
beide ouders behalve in de
zeldzame gevallen van
intense langdurige
conflicten. Hoge
conflictniveaus bij de
overdrachten kunnen de
scheidingsangst van de
kinderen vergroten. Zelfs
zonder conflict kunnen
overdrachten vreemd en
kribbig gedrag en gehuil
veroorzaken wanneer kinderen
de ene gewoonten inruilen
voor de andere stijl van
ouderlijke zorg. Zoals
hierboven al gesteld is dit
vooral zo wanneer kinderen
tussen 15 maanden en 24
maanden oud zijn, wanneer
het vrij normaal is. Als
conflict moeilijk te
vermijden is omwille van de
vijandige opstelling van een
of van beide ouders dan
zouden de overdrachten
moeten gebeuren via
babysitters of via neutrale
plaatsen zoals
kinderdagverblijven,
neutrale bezoekruimtes of de
woonsten van grootouders die
hun medewerking willen
verlenen. In sommige
gevallen staan moeders na de
scheiding zeer vijandig
tegenover de vader als
onderdeel van een strategie
om de deelname van de vader
aan de opvoeding van het
kind te voorkomen of te
beperken. In zulke gevallen
zouden vaders niet het
gepaste contact met hun
kinderen mogen worden
ontzegd omdat er een
conflict heerst tussen de
ouders. Gelijkaardig,
wanneer vaders de moeders
hekelen bij overdrachten of
weigeren te praten over de
gedragingen van het kind
wanneer het kind bij hem
was, zullen ze blijk moeten
geven van een meer
coöperatieve opstelling om
aanspraak te kunnen maken op
meer uitgebreid contact. Het
moet aangenomen worden dat
ouders ietwat verschillende
opvoedingsstijlen hebben die
verband houden met hun eigen
opvoeding en
persoonlijkheden. Ongeacht
deze verschillen halen
kinderen (en ouders)
voordeel bij discussies over
technieken en benaderingen
bij disciplinering alsook
over vorderingen bij grote
opvoedingstaken zoals de
toilettraining. Voorts
zullen kinderen typisch
verschillende sociale
ervaringen (en
vakantiegewoonten) opdoen
bij elk ouder en met de
uitgebreide familie en
vriendenkring.
Hoelang
mag de verwijdering van
belangrijke hechtingsfiguren
duren?
De mate
waarin jonge kinderen
overweg kunnen met de
verwijdering van de
belangrijkste
hechtingsfiguren wordt
bepaald door hun leeftijd,
temperament, verstandelijke
ontwikkeling, sociale
ervaring en de aanwezigheid
van oudere broers en zussen.
Naast hun zeer onvolwassen
verstandelijke vermogens
hebben zeer jonge kinderen
geen besef van tijd om hen
scheidingen te helpen
begrijpen, hoewel hun
vermogen om overweg te
kunnen met langere
verwijderingen van
bindingsfiguren toeneemt met
hun leeftijd. Het doel van
elke omgangsregeling zou
erin moeten bestaan lange
verwijderingen van elk van
de ouders te mijden om
scheidingsangsten te
ontlopen en voldoende
frequent en uitgebreid
contact met elk van de
ouders te voorzien opdat het
kind zich veilig, vertrouwd
en comfortabel zou blijven
voelen in elke relatie.
Peuters en kleuters kunnen
beter overweg met langere
verwijderingen dan
zuigelingen en velen voelen
zich comfortabel bij
uitgebreide bezoeken tijdens
de weekends in de huizen van
elk van de ouders alsook bij
overnachtingen gedurende de
week. Over het algemeen
echter geraken de meeste
kleuters gestresseerd door
en onnodig bezorgd over
verwijderingen van elk van
de ouders wanneer deze
langer dan drie tot vier
dagen duren. Een
uitzondering vormen
misschien geplande vakanties
waarin de ouders en de
broers en zussen volledig
beschikbaar zijn om met de
jonge kinderen nieuwe
stimulerende en plezierige
activiteiten te ondernemen.
Zelfs dan zouden de meeste
ouders er goed aan doen de
lengte van deze vakanties te
beperken tot zeven dagen en
eerder verschillende
vakanties te plannen dan een
enkele lange vakantie. Van
zodra de kinderen naar de
lagere school gaan, hebben
ze aanzienlijk meer
autonomie en vergoten hun
verstandelijke, emotionele
en tijdsbewuste vermogens,
en wordt de duur van de
verwijderingen van beide
ouders vaak minder kritisch.
Dan nog, voor de leeftijd
van zeven jaar, en vaak nog
later, putten de meeste
kinderen meer plezier uit
herenigingen gedurende de
week met elke ouder dan uit
lange periodes zonder
contact. Vanaf de leeftijd
van zeven tot acht jaar
kunnen de meeste kinderen
goed overweg met
verwijderingen van hun
ouders van vijf tot zeven
dagen als onderdeel van hun
gewone routine en
veertiendaagse vakanties met
elk van de ouders.
Gerechtelijke beslissingen
over jonge kinderen die
rekening houden met de
toenemende bekwaamheid van
kinderen om overweg te
kunnen met langere
verwijderingen door via
koppeling aan
leeftijdsgrenzen een
stapsgewijze toename van de
lengte van de verwijderingen
op te leggen, sluiten het
best aan bij de belangen van
de kinderen. Vele discussie
over overblijfregelingen
hebben de nadruk gelegd op
de nood om de voornaamste
verzorger te identificeren
in een poging om vast te
stellen waar het kind het
grootste deel van zijn tijd
zou moeten doorbrengen (voor
een overzicht, zie Kelly,
1994). De uitgebreide
leefwereld van jonge
schoolgaande kinderen, de
grotere rijkdom van de
emotionele en verstandelijke
vermogens en het toenemende
belang van het sociale en
recreationele leven
buitenshuis laten velen
concluderen dat het concept
van de voornaamste verzorger
geen grote rol zou moeten
spelen bij het beslissen
over een verblijfsregeling,
echter, dit vooral echter
vanaf de leeftijd van vijf
jaar (Chambers, 1984). Zoals
in dit artikel herhaald
gesteld, worden de kinderen
verrijkt door geregelde,
gevarieerde en geschikte
interacties met twee
betrokken en emotioneel
steunverlenende ouders en
dit is niet minder het geval
voor schoolgaande kinderen
op de weg naar de
volwassenheid. Ongeacht wie
de voornaamste verzorger
was, halen kinderen hun
voordeel bij uitgebreide
persoonlijke contacten met
de beide ouders die
betekenisvolle relaties
tussen vader en kind en
moeder en kind bevorderen.
Referenties
Ainsworth,
M.D., Blehar, M.,Waters, E.
and Wall, S. (1978).
Patterns of attachment.
Hillsdale, NJ: Lawrence
Erlbaum.
Bowlby, J.
(1969). Attachment and
loss: Vol. 1. Attachment.
New York: Basic Books.
Bowlby, J.
(1973). Attachment and
loss: Vol. 2. Separation:
Anxiety and anger.
NewYork: Ba-sic Books.
Bowlby, J.
(1988). A secure base:
Parent-child attachment and
healthy human development.
New York: Basic Books.
Chambers, D.
L. (1984). Rethinking the
substantive rules for
custody disputes in divorce.
Michigan Law Review,
83, 477-569.
Cummings, E.
and Davies, P. (1994).
Children and marital
conflict: The impact of
family dis-pute and
resolution. New York:
Guilford.
Emery, R. E.
(1994). Renegotiating
family relationships:
Divorce, child custody, and
mediation. New York:
Guilford.
Emery, R. E.
(1999). Marriage,
divorce, and children’s
adjustment (2nd ed.).
Thousand Oaks, CA: Sage.
Garrity, C.
B. and Baris, M. A. (1992).
Caught in the middle:
Protecting the children of
high conflict divorce.
San Francisco: Jossey-Bass.
Goldstein,
J., Freud, A. and Solnit, A.
J. (1973). Beyond the
best interests of the child.
New York: Free Press.
Goldstein,
J., Freud, A., Solnit, A. J.
and Goldstein, S. (1986).
In the best interests of the
child. New York: Free
Press.
Hodges,W.
(1991). Interventions for
children of divorce:
Custody, access, and
psychotherapy. New York:
John Wiley.
Horner, T. M.
and Guyer, M. J. (1993).
Infant placement and
custody. In C. Zeanah (Ed.),
Handbook of infant mental
health (pp. 462-479).
New York: Guilford.
Johnston, J.
(1994). High conflict
divorce. The Future of
Children: Children and
Divorce, 4(1),
165-182.
Kelly, J. B.
(1991). Parent interaction
after divorce: Comparison of
mediated and adversarial
divorce processes.
Behavioral Sciences and Law,
9, 387-398.
Kelly, J. B.
(1994). The determination of
child custody. The Future
of Children: Children and
Divorce, 4(1),
121-142.
Kelly, J. B.
(1997). The best interests
of the child: A concept in
search of meaning. Family
and Conciliation Courts
Review, 35(4),
377-387.
Kelly, J. B.
(ter perse). Children’s
adjustment in conflicted
marriage and divorce: A
decade re-view of research.
Journal of Child and
Adolescent Psychiatry.
Lamb, M. E.
(1997a). The development of
infant-father attachments.
In M. E. Lamb (Ed.), The
role of the father in child
development (3rd ed.,
pp. 104-120, 332-342). New
York: John Wiley.
Lamb, M. E.
(Ed.) (1997b). The role
of the father in child
development (3rd. ed.).
New York: John Wiley.
Lamb, M. E.
(1998). Nonparental
childcare: Context, quality,
correlates, and
consequences. In W. Damon,
I. E. Sigel, & K. A.
Renninger (Eds.),
Handbook of child
development: Vol. 4. Social,
emotional, and personality
development (5th ed.,
pp. 73-133). New York: John
Wiley.
Lamb, M. E.
(1999). Non-custodial
fathers and their impact on
the children of divorce. In
R. A. Thompson and P. Amato
(Eds.), The post-divorce
family: Research and policy
issues (pp. 105-125).
Thousand Oaks, CA: Sage.
Lamb, M. E.,
Bornstein, M. H. and Teti,
D. M. (in press).
Development in infancy
(4th ed.). Mahway, NJ:
Lawrence
Erlbaum.
Lamb, M.
E.,Hwang, C. P.,Ketterlinus,
R. and Fracasso, M. P.
(1999). Parent-child
relation-ships. In M. H.
Bornstein and M. E. Lamb
(Eds.), Developmental
psychology: An advanced
textbook (4th ed., pp.
411-450). Mahwah, NJ:
Lawrence Erlbaum.
Lamb, M. E.,
Sternberg, K. and Thompson,
R. A. (1997). The effects of
divorce and custody
arrangements on children’s
behavior, development, and
adjustment. Family and
Conciliation Courts Review,
35, 393-404.
Lamb, M. E.,
Thompson, R. A., Gardner, W.
P. and Charnov, E. L.
(1985). Infant-mother
at-tachment. Hillsdale,
NJ: Lawrence Erlbaum.
Maccoby, E.
and Mnookin, R. (1992).
Dividing the child.
Cambridge, MA: Harvard
University Press.
Solomon, J.
(1997). Parenting
schedules for the very young
child: Summary of a
longitudinalstudy on the
development of attachment in
separated and divorced
families. Unpublished
manuscript, Wallerstein
Center for the Family in
Transition, Corte Madera,
CA.
Thompson, R.
A. (1998). Early
sociopersonality
development. In W. Damon &
N. Eisenberg (Eds.),
Handbook of child
development: Vol. 3. Social,
emotional, and personality
development (5th ed.,
pp. 25-104). New York: John
Wiley.
Whiteside, M.
F. (1998). The parental
alliance following divorce:
An overview.
Journal of
Marital and Family Therapy,
24(1), 3-24.
Joan B. Kelly,
Ph.D., is klinisch
psycholoog en onderzoeker,
docent aan de Universiteit
van Californië te San
Francisco en was eerder
directeur van het
Noord-Californische
Bemiddelings-centrum. Ze
heeft uitgebreid
gepubliceerd over het
onderwerp scheidingskinderen
en de aanpassing van
kinderen, verblijfs- en
omgangsregelingen, en
bemiddeling in geschillen
over verblijf en
echtscheiding. Michael E.
Lamb, Ph.D., is hoofd van
het departement Sociale en
Emotionele Ontwikkeling van
het Amerikaanse Nationaal
Instituut voor het
Kinderwelzijn en de
Menselijke Ontwikkeling. Hij
heeft uitgebreid
gepubliceerd over de
ontwikkeling van kinderen
met het accent op de
relaties tussen het kind en
zijn ouders, kindverzorging
door anderen dan door de
ouders en forensische
interviewprocessen.
|
|