|
Bijlage nr. 1
van open brief nr.5
Parlementaire
vraag aan Minister Laurette
Onkelinx
van Sabien
Lahaye-Battheu (VLD):

Vraag 1: van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "het uitblijven
van een prioritair
opvolgbeleid inzake klachten
over het niet naleven van
het bezoekrecht en het niet
betalen van onderhoudsgeld"
(nr. 4245) 16/11/04
Mevrouw de
minister, uit cijfers die u
bezorgde aan mevrouw Taelman
in een schriftelijk
antwoord,blijkt dat tussen 1
januari 2001 en 31 december
2003, dus gedurende 3 jaar,
niet minder dan 68.146
klachten werden ingediend
over het niet betalen van
onderhoudsgeld - dat wordt
familieverlating genoemd -,
het verwaarlozen van
kinderen en het niet afgeven
van
Dat zijn dus
bijna 70.000 klachten op 3
jaar in deze problematiek.
De meeste van die klachten,
74%, gaan over het niet
naleven van bezoekrecht en
23% gaat over het niet
betalen van onderhoudsgeld.
Spijtig genoeg blijkt uit
die cijfers ook dat in
België 40,8% van die
klachten werd geseponeerd.
Slechts 3,13% van die
klachten komt tot een
dagvaarding voor de
correctionele rechtbank. Dat
is dus een heel laag cijfer
in verhouding tot de omvang
van het probleem. Door het
uitblijven van een
prioritair opvolgbeleid door
de parketten van die
klachten raken steeds meer
kinderen vervreemd van een
van hun ouders en vaak is
dat de vader. Wanneer wij
hierbij even stilstaan,
moeten wij ons realiseren
dat zulks niet alleen voor
psychische problemen zorgt
bij de kinderen nu maar ook
later wanneer zij volwassen
zijn. Ik hoef u geen schets
te maken bij de
familiedrama's ten gevolge
daarvan. Dergelijke
problemen nu kunnen dus over
tientallen jaren nog tot
geschillen leiden over onder
andere erfenissen en de zorg
voor de ouders. Daaruit
moeten wij besluiten dat wij
vandaag kort op de bal
moeten spelen en dat wij
werkelijk iets aan die
problemen moeten doen.
Ik weet dat
de
echtscheidingsproblematiek
niet alleen een zaak van
Justitie is, maar ook van
Onderwijs en van Welzijn,
materies die op
gemeenschapsniveau worden
beheerd. Die drie
departementen zouden
constructief moeten
samenwerken en de problemen
niet altijd naar elkaar
doorschuiven.
Ik heb in dit
verband de volgende concrete
vragen, mevrouw de minister.
We zien in de cijfers
bevestigd dat vier op de
tien dossiers worden
geseponeerd en amper 3,13
procent tot een dagvaarding
en behandeling voor de
rechtbank leidt. Bent u van
plan om in te gaan tegen dat
sepotbeleid van de
parketten, eventueel door
met hen aan tafel te gaan
zitten daaromtrent of door
het rondsturen van een
omzendbrief?
Ik heb nog
een tweede vraag. Erkent u
dat de departementen van
Justitie, Welzijn en
Onderwijs vaak elkaar met de
vinger wijzen voor dat
probleem? Bent u bereid om
overleg te voeren met die
departementen en op een
constructieve manier samen
te werken? Wat is uw
standpunt over dit voorstel?
Minister Laurette Onkelinx:

Mijnheer
de voorzitter, ik ben mij
ten volle bewust van de
ernst van het probleem dat
bepaalde ouders de regeling
inzake bezoekrecht en
betaling van onderhoudsgeld
niet naleven. Het probleem
ligt evenwel niet bij het
seponeringsbeleid van de
parketten. Zoals ik reeds
voorheen antwoordde op de
schriftelijke vragen van de
heer Bourgeois en mevrouw
Taelman en op de vraag om
uitleg van mevrouw de
Bethune, betekent seponering
niet dat geen gevolg werd
gegeven aan de klacht. In 30
procent van de gevallen werd
de situatie geregulariseerd.
In 14 procent van de
situaties is de seponering
te wijten aan een gebrek aan
bewijs en 21 procent van de
klachten werd geseponeerd,
omdat er geen delict was
gepleegd.
In nog geen 5
procent van de gevallen was
de seponering te wijten aan
het feit dat andere
prioriteiten werden gekozen.
Wel ligt het probleem bij
het tekort aan wettelijke
middelen om onmiddellijk op
te treden wanneer een ouder
in gebreke blijft. Om die
reden heb ik een voorontwerp
van wet uitgewerkt dat ik
weldra aan de Ministerraad
zal voorleggen. Ik zal
daarin voorstellen om de
partijen op een eenvoudige,
snelle en goedkope manier
toe te laten voor de rechter
te komen met het oog op
nieuwe maatregelen,
bijvoorbeeld een herziening
van de regeling inzake
materiële bewaring. Voor
uitzonderlijke gevallen zal
ik een dwanguitvoering per
gerechtsdeurwaarder
voorstellen, maar ik
beklemtoon dat het belang
van het kind steeds dient te
primeren en dat elk risico
op een trauma moet worden
vermeden. Daarom zal ik
bepalen dat de
gerechtsdeurwaarder in die
uitzonderlijke gevallen
steeds vergezeld zal zijn
van een maatschappelijk
werker of assistent in de
psychologie. Ook zullen er
modaliteiten kunnen worden
bepaald, zoals een
tijdelijke opvang van het
kind op een neutrale plaats
of de aanstelling van een
vertrouwenspersoon.
Daarnaast is het raadzaam om
de efficiëntie te verhogen
van de regeling van de
dwangsom die wordt opgelegd
om de ouder te dwingen om
het kind zo snel mogelijk af
te geven. Ik stel voor om
een beslag op het inkomen
van de schuldenaar mogelijk
te maken, zoals dat vandaag
reeds mogelijk is met het
oog op de betaling van het
onderhoudsgeld.Ten tweede,
in geval een van de ouders
de ander verhindert om zijn
omgangsrecht uit te oefenen,
wordt steeds in eerste
instantie getracht om op
burgerrechtelijk vlak tot
een oplossing te komen,
bijvoorbeeld via
gezinsbemiddeling. Hiervoor
is het van belang dat
effectief nauw wordt
samengewerkt met de
Gemeenschappen. Ook de
ontmoetingsruimten spelen in
dit verband een belangrijke
rol. Ik zal contact nemen
met de bevoegde
gemeenschapsministers, maar
ik wens geen inbreuk te
plegen op hun exclusieve
bevoegdheden terzake, zoals
de Raad van State heeft
bevestigd in zijn advies van
11 februari 2002. Ik zal de
Gemeenschappen daarom
uitnodigen om me te
informeren over welke
inhoudelijke punten ze tot
samenwerking bereid zijn.
Sabien
Lahaye-Battheu (VLD):
Mevrouw de
minister, uw antwoord
bewijst dat u de ernst van
het probleem inziet. U hebt
een hele opsomming gegeven
van maatregelen die er
zullen komen. U hebt in het
begin gezegd dat niet het
sepotbeleid er de oorzaak
van is dat ouders worden
verhinderd met hun kinderen
om te gaan. Ik zou dat toch
enigszins tegenspreken. U
zegt dat 30 procent is
geregulariseerd na
tussenkomst van het parket.
Mijn ervaring
leert toch dat als een ouder
klacht indient omdat hij
zijn kind of kinderen voor
de zoveelste keer niet
gezien heeft, het parket
niet de eerste weken of
maanden reageert, maar dat
het soms jaren duurt
vooraleer er initiatief
genomen wordt.
Parketmagistraten zeggen mij
letterlijk dat dat niet hun
prioriteit is, dat het
zichzelf misschien wel zal
oplossen of dat de ouders
maar naar de jeugdrechter
moeten gaan. Volgens mij is
de realiteit toch wel dat
het sepotbeleid bestaat en
in stand gehouden wordt.
U zegt dat er
een voorontwerp van wet zal
komen om de mogelijkheid te
geven aan partijen om op een
snelle manier naar de
rechtbank te gaan als er
iets misloopt met de
uitoefening van dat
bezoekrecht. Ik meen dat dat
ontwerp dan een beetje zal
aansluiten bij het
wetsvoorstel dat de VLD
heeft ingediend en dat erop
neerkomt dat als een ouder
twee keer zijn kinderen niet
ziet, de zaak opnieuw voor
de bevoegde rechter gebracht
kan worden die eventueel de
verblijfsregeling kan
omkeren. Ik denk dus dat wij
op die piste samen verder
kunnen gaan. Ik kijk ook uit
naar de realisatie van uw
voorstel om een dwangmiddel
in te passen, in die zin dat
de deurwaarder met de
vertrouwenspersoon ter
plaatse zal gaan om het kind
of de kinderen mee te nemen
naar de andere ouder. Over
de verhoging van de
efficiëntie van de inning
van de dwangsom – u zegt dat
die dwangsom ook geïnd moet
kunnen worden op het inkomen
van degene die moet betalen
– vraag ik mij het volgende
af. Is dat dan met een
onbeperkte beslagbaarheid
zoals met onderhoudsgeld nu,
of hoe ziet u dat? Voor de
inhouding van onderhoudsgeld
kan men het loon nu
onbeperkt in beslag nemen.
Ziet u dat ook zo voor die
dwangsom? (Instemming)
Bedankt.
Het incident
is gesloten.
Parlementaire
vraag aan Minister Patrick
Dewael
van Sabien
Lahaye-Battheu (VLD):
Vraag 2:
van mevrouw Sabien
Lahaye-Battheu aan de
minister van Binnenlandse
Zaken over "de functie,
bevoegdheden en opdrachten
van de politieassistenten in
het kader van het niet
toelaten van omgangsrecht" (nr.
4246) 10/11/04
Sabien
Lahaye-Battheu (VLD)
Mijnheer
de voorzitter, mijnheer de
minister, ik heb een vraag
over politieassistenten en
het niet toelaten van het
omgangsrecht met kinderen.
Een ouder die bijvoorbeeld
op vrijdagavond de kinderen
mag afhalen bij de
ex-partner en aldaar op
verzet stuit of voor een
gesloten deur staat, kan
vandaag nergens heen. Die
persoon kan dit wel melden
bij de politie, maar die zal
in het beste geval een PV
opstellen, vaak met weinig
enthousiasme. Daarmee is het
probleem echter niet
opgelost. Vandaag zijn er
weinig efficiënte middelen
voorhanden en er is zeker
geen cultuur om in zo’n
geval onmiddellijk in te
grijpen. Veel leed bij
kinderen en ouders zou
nochtans kunnen worden
voorkomen door in te grijpen
en de weigering onmiddellijk
ongedaan te maken. Ik stelde
minister Onkelinx in de
maand juni voor om een
dienst in het leven te
roepen waar men op die
momenten zou kunnen
aankloppen. Ik wees er meer
bepaald op dat de
justitiehuizen deze taak op
zich zouden kunnen nemen. De
minister sloot deze
mogelijkheid echter uit,
omdat de justitiehuizen een
specifieke opdracht hebben.
Zij werken bij wijze van
spreken met een mandaat dat
hen werd gegeven door de
rechtbank. Tijdens mijn
zoektocht naar een oplossing
in dergelijke situaties vond
ik de ministeriële
rondzendbrief van 6 mei 2002
betreffende de functie,
bevoegdheden en opdrachten
van de politieassistenten.
Ik heb de volgende concrete
vragen daarover.
Mijnheer
de minister, uit de
functiebeschrijving, de
opdrachten en de
bevoegdheden van
politieassistenten maak ik
op dat bij hun opdrachten
onder andere ook de globale
problematiek van de
gezinsconflicten staat:
echtelijke problemen en
relatieproblemen tussen
samenwonenden,
echtscheidingsproblemen en
conflicten die daarmee
gerelateerd zijn.
Mag ik
aannemen dat een ouder die
bij de ex-partner de
kinderen wil ophalen en ze
niet meekrijgt,
op dat
ogenblik
een beroep kan doen
op een politieassistent?
Gaat u
ermee akkoord dat een
politieassistent in een
dergelijk geval meer moet
doen dan een PV opstellen en
ook moet bemiddelen om het
omgangsrecht wel te kunnen
laten doorgaan? In de
rondzendbrief staat, ik
citeer: “In het verleden
werd de functie van
politieassistent niet in
alle gemeentelijke
politiekorpsen ingevuld.
Vooral de kleinere korpsen
waren niet steeds in de
mogelijkheid om een
assistent in hun
organisatietabellen op te
nemen. Anderzijds was er
geen dwingende maatregel en
stond het de korpsleiding
vrij om al dan niet de
functie in te vullen.
Rekeninghoudend met de
missie van de politie kan
het niet anders dan dat elk
lokaal politiekorps alles in
het werk moet stellen om
over minstens één assistent
te beschikken”. Mijnheer de
minister, werden door alle
lokale politiekorpsen
intussen een of meer
assistenten aangeworven die
in een permanentiesysteem
kunnen instappen?
Minister
Patrick Dewael:

Mijnheer
de voorzitter, collega's, er
werden achtereenvolgens
verschillende vragen
gesteld.
Eerst en
vooral de ministeriële
omzendbrief GPI 19
betreffende de
politieassistenten benadrukt
de belangrijke sociale taak
en de gemeenschapsgerichte
politiezorg die aan de
lokale politie is
opgedragen. Hoewel die
omzendbrief sterk aanbeveelt
dat in elk politiekorps een
of meerdere
politieassistenten moeten
worden voorzien, is dit
momenteel niet in alle
lokale politiekorpsen het
geval en zeker niet in de
kleinere korpsen. Wij moeten
dat onderkennen.
Politieassistenten worden
ingezet voor specifieke
taken.
Ouders die worden
geconfronteerd met problemen
van bezoekrecht kunnen op
die assistenten effectief
een beroep doen zoals u hebt
aangegeven. Indien er geen
politieassistent beschikbaar
is, kan de politie de
betrokken ouders in contact
brengen met de bevoegde,
gespecialiseerde diensten.
Wat uw tweede vraag betreft,
kan ik het volgende
meedelen. Politieassistenten
beogen juist een meer psycho-sociale benadering
van de problematiek en
zullen in de eerste plaats
via bemiddeling proberen tot
een oplossing te
komen.
Wanneer die
bemiddeling geen oplossing
oplevert, zal er uiteraard
een proces-verbaal moeten
worden opgesteld. Ik kom dan
bij uw derde vraag. Omwille
van de materiële of de
financiële toestand van
kleinere
korpsen heeft
mijn voorganger in de
omzendbrief geen dwingende
maatregel voorzien om deze
functie in elk lokaal
politiekorps in te vullen.
Intussen beschikken de
meeste zones over een of
meerdere politieassistenten.
Daarnaast zijn de zones ook
verplicht om een dienst
Slachtofferbejegening op te
richten. Heel wat zones
beschikken over een dienst
Sociale Bemiddeling. Deze
diensten kunnen indien nodig
eveneens tussen beide komen
voor een bemiddeling met
betrekking tot het laten
doorgaan van het
bezoekrecht. Samenvattend
kan ik zeggen dat er zich
voornamelijk in de kleinere
zones nog problemen
voordoen. U weet dat men in
de basispolitietaken
alleszins het aspect
slachtofferbejegening kent.
Bij kleinere korpsen worden
die diensten vaak gebruikt
voor de doelstelling die u
bekommert.
Sabien
Lahaye-Battheu (VLD):
Mijnheer de
voorzitter, ik hoor de
minister graag zeggen dat
het tot de taken van de
politieassistenten behoort
om te bemiddelen en te
proberen het omgangsrecht te
laten doorgaan. Spijtig
genoeg is het zo dat er op
het terrein al te weinig
gebeurt. Als een ouder op
vrijdagavond of
zaterdagmorgen naar de
politie stapt om zijn beklag
te doen over het feit dat
hij of zij de kinderen niet
heeft meegekregen dan is de
reflex heel vaak om daarvan
een PV op te stellen. Dit PV
wordt naar het parket
gestuurd en het parket
seponeert dit omdat uit de
cijfers blijkt dat
dergelijke misdrijven geen
prioriteit vormen. Eigenlijk
blijven de mensen in de kou
staan. Het gaat echter om
een misdrijf dat heel wat
leed veroorzaakt voor
gebroken gezinnen. Als we
onmiddellijk en op het
ogenblik zelf kunnen
ingrijpen waardoor we kunnen
vermijden dat er een
escalatie optreedt van het
herhaaldelijk niet nakomen
van het bezoekrecht, met
soms familiedrama's tot
gevolg, dan zouden we
misschien heel veel leed
kunnen besparen. Ik dank de
minister voor zijn antwoord
en ik vraag hem om er bij de
politieassistenten op aan te
dringen dit in de praktijk
te brengen.
Minister
Patrick Dewael:
Mijnheer de
voorzitter, ik wil even heel
kort aanvullen. Het ene is
een poging van de politie en
de assistenten om die zaak
in der minne te regelen en
om te bemiddelen. In het
andere geval, bij weigering
en bij herhaling dat het
bezoekrecht niet kan worden
uitgeoefend, komt men
natuurlijk bij de noodzaak
van de indiening van een
klacht. Dan is de vraag of
de parketten wel voldoende
doen, of het wel voldoende
als een prioriteit wordt
aanzien door de parketten.
Dat is natuurlijk de
competentie van mijn collega
van Justitie.
Het incident
is gesloten.
Bijkomend
document :
Omzendbrief
GPI 19 over de taken en
opdrachten van de
polititieassistenten
E-mail deze pagina naar
een vriend
|