| |
Kinderrechtenverdrag
Het
kinderrechtenverdrag kan je
best bekijken op de site van
het
Kinderrechtencommissariaat
Link naar het
Kinderrechtencommissariaat

***************************************************************************

 |
Aangenomen
door
de
Algemene
Vergadering
van
de
Verenigde
Naties
Op
20
november
1989
|
Officiële
Nederlandse
vertaling
|

 |
Officiële tekst |
|

 |
Officieuze samenvatting van de belangrijkste bepalingen |
|
|
|
Preambule |
|
De
Staten
die
partij
zijn
bij
dit
Verdrag,
Overwegende
dat,
in
overeenstemming
met
de
in
het
Handvest
van
de
Verenigde
Naties
verkondigde
beginselen,
erkenning
van
de
waardigheid
inherent
aan,
alsmede
van
de
gelijke
en
onvervreemdbare
rechten
van
alle
leden
van
de
mensengemeenschap
de
grondslag
is
voor
vrijheid,
gerechtigheid
en
vrede
in
de
wereld,
Indachtig
dat
de
volkeren
van
de
Verenigde
Naties
in
het
Handvest
hun
vertrouwen
in
de
fundamentele
rechten
van
de
mens
en
in
de
waardigheid
en
de
waarde
van
de
mens
opnieuw
hebben
bevestigd
en
hebben
besloten
sociale
vooruitgang
en
een
hogere
levensstandaard
in
grotere
vrijheid
te
bevorderen,
Erkennende
dat
de
Verenigde
Naties
in
de
Universele
Verklaring
van
de
Rechten
van
de
Mens
en
in
de
Internationale
Verdragen
inzake
de
Rechten
van
de
Mens
hebben
verkondigd
en
zijn
overeengekomen
dat
eenieder
recht
heeft
op
alle
rechten
en
vrijheden
die
daarin
worden
beschreven
zonder
onderscheid
van
welke
aard
ook,
zoals
naar
ras,
huidskleur,
geslacht,
taal,
godsdienst,
politieke
of
andere
overtuiging,
nationale
of
sociale
afkomst,
eigendom,
geboorte
of
andere
status,
Eraan
herinnerende
dat
de
Verenigde
Naties
in
de
Universele
Verklaring
van
de
Rechten
van
de
Mens
hebben
verkondigd
dat
kinderen
recht
hebben
op
bijzondere
zorg
en
bijstand,
Ervan
overtuigd
dat
aan
het
gezin,
als
de
kern
van
de
samenleving
en
de
natuurlijke
omgeving
voor
de
ontplooiing
en
het
welzijn
van
al
haar
leden
en
van
kinderen
in
het
bijzonder,
de
nodige
bescherming
en
bijstand
dient
te
worden
verleend
opdat
het
zijn
verantwoordelijkheden
binnen
de
gemeenschap
volledig
kan
dragen,
Erkennende
dat
het
kind,
voor
de
volledige
en
harmonische
ontplooiing
van
zijn
(of
haar)
persoonlijkheid,
dient
op
te
groeien
in
een
gezinsomgeving,
in
een
sfeer
van
geluk,
liefde
en
begrip,
Overwegende
dat
het
kind
volledig
dient
te
worden
voorbereid
op
het
leiden
van
een
zelfstandig
leven
in
de
samenleving,
en
dient
te
worden
opgevoed
in
de
geest
van
de
in
het
Handvest
van
de
Verenigde
Naties
verkondigde
idealen,
en
in
het
bijzonder
in
de
geest
van
vrede,
waardigheid,
verdraagzaamheid,
vrijheid,
gelijkheid
en
solidariteit,
Indachtig
dat
de
noodzaak
van
het
verlenen
van
bijzondere
zorg
aan
het
kind
is
vermeld
in
de
Verklaring
van
Genève
inzake
de
Rechten
van
het
Kind
van
1924
en
in
de
Verklaring
van
de
Rechten
van
het
Kind,
aangenomen
door
de
Algemene
Vergadering
van
de
Verenigde
Naties
op
20
november
1959
en
is
erkend
in
de
Universele
Verklaring
van
de
Rechten
van
de
Mens,
in
het
Internationaal
Verdrag
inzake
Burgerrechten
en
Politieke
Rechten
(met
name
in
de
artikelen
23
en
24),
in
het
Internationaal
Verdrag
inzake
Economische,
Sociale
en
Culturele
Rechten
(met
name
in
artikel
10)
en
in
de
statuten
en
desbetreffende
akten
van
gespecialiseerde
organisaties
en
internationale
organisaties
die
zich
bezighouden
met
het
welzijn
van
kinderen,
Indachtig
dat,
zoals
aangegeven
in
de
Verklaring
van
de
Rechten
van
het
Kind,
"het
kind
op
grond
van
zijn
lichamelijke
en
geestelijke
onrijpheid
bijzondere
bescherming
en
zorg
nodig
heeft,
met
inbegrip
van
geëigende
wettelijke
bescherming,
zowel
voor
als
na
zijn
geboorte",
Herinnerende
aan
de
bepalingen
van
de
Verklaring
inzake
Sociale
en
Juridische
Beginselen
betreffende
de
Bescherming
en
het
Welzijn
van
Kinderen,
in
het
bijzonder
met
betrekking
tot
Plaatsing
in
een
Pleeggezin
en
Adoptie,
zowel
Nationaal
als
Internationaal;
de
Standaard
Minimumregels
van
de
Verenigde
Naties
voor
de
Toepassing
van
het
Recht
op
Jongeren
(de
Beijingregels);
en
de
Verklaring
inzake
de
Bescherming
van
Vrouwen
en
Kinderen
in
Noodsituaties
en
Gewapende
Conflicten,
Erkennende
dat
er,
in
alle
landen
van
de
wereld,
kinderen
zijn
die
in
uitzonderlijk
moeilijke
omstandigheden
leven,
en
dat
deze
kinderen
bijzondere
aandacht
behoeven,
Op
passende
wijze
rekening
houdend
met
het
belang
van
de
tradities
en
culturele
waarden
die
ieder
volk
hecht
aan
de
bescherming
en
harmonische
ontwikkeling
van
het
kind,
Het
belang
erkennende
van
internationale
samenwerking
ter
verbetering
van
de
levensomstandigheden
van
kinderen
in
ieder
land,
in
het
bijzonder
in
de
ontwikkelingslanden,
Zijn
het
volgende
overeengekomen:
|
De
preambule:
Herinnert
aan
de
basisprincipes
van
de
Verenigde
Naties
evenals
aan
specifieke
bepalingen
van
sommige
relevante
mensenrechtenverdragen
en
verklaringen;
herbevestigt
het
feit
dat
kinderen
omwille
van
hun
kwetsbaarheid
nood
hebben
aan
bijzondere
zorg
en
bescherming;
legt
bijzondere
nadruk
op
de
primaire
verantwoordelijkheid
van
het
gezin
voor
de
zorg
voor
en
de
bescherming
van
het
kind,
de
noodzaak
van
wettelijke
en
andere
bescherming
voor
het
kind
voor
en
na
de
geboorte,
het
belang
van
het
respect
voor
de
culturele
waarden
van
de
gemeenschap
waarin
het
kind
leeft
en
de
vitale
rol
van
internationale
samenwerking
met
het
oog
op
de
effectuering
van
de
rechten
van
het
kind.
|
|
|
art. 1 I.V.R.K.
art. 2 I.V.R.K.
art. 3 I.V.R.K.
art. 4 I.V.R.K.
art. 5 I.V.R.K.
art. 6 I.V.R.K.
art. 7 I.V.R.K.
art. 8 I.V.R.K.
art. 9 I.V.R.K.
art. 10 I.V.R.K.
art. 11 I.V.R.K.
art. 12 I.V.R.K.
art. 13 I.V.R.K.
art. 14 I.V.R.K.
art. 15 I.V.R.K.
art. 16 I.V.R.K.
art. 17 I.V.R.K.
art. 18 I.V.R.K.
art. ..
art. 54 I.V.R.K.
Deel
I |
|
Artikel
1
Voor
de
toepassing
van
dit
Verdrag
wordt
onder
een
kind
verstaan
ieder
mens
jonger
dan
achttien
jaar,
tenzij
volgens
het
op
het
kind
van
toepassing
zijnde
recht
de
meerderjarigheid
eerder
wordt
bereikt.
|
Definitie
van
het
begrip
kind
Elke
persoon
jonger
dan
18,
tenzij
de
meerderjarigheidsgrens
volgens
de
wet
vroeger
valt.
|
|
Artikel
2
1.
De
Staten
die
partij
zijn
bij
dit
Verdrag,
eerbiedigen
en
waarborgen
de
in
het
Verdrag
beschreven
rechten
voor
ieder
kind
onder
hun
rechtsbevoegdheid
zonder
discriminatie
van
welke
aard
ook,
ongeacht
ras,
huidskleur,
geslacht,
taal,
godsdienst,
politieke
of
andere
overtuiging,
nationale,
etnische
of
maatschappelijke
afkomst,
vermogen,
handicap,
geboorte
of
andere
omstandigheid
van
het
kind
of
van
zijn
(of
haar)
ouder
of
wettige
voogd.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
maatregelen
om
te
waarborgen
dat
het
kind
wordt
beschermd
tegen
alle
vormen
van
discriminatie
of
bestraffing
op
grond
van
de
status
of
de
activiteiten
van,
de
meningen
geuit
door
of
de
overtuigingen
van
de
ouders,
wettige
voogden
of
familieleden
van
het
kind.
|
Non-discriminatie
Het
principe
dat
alle
rechten
van
toepassing
zijn
op
alle
kinderen
zonder
enige
uitzondering,
en
de
verplichting
van
de
Staat
om
kinderen
tegen
om
het
even
welke
vorm
van
discriminatie
te
beschermen.
De
Staat
mag
geen
enkel
recht
schenden
en
moet
positieve
acties
ondernemen
om
alle
rechten
te
bevorderen.
|
|
Artikel
3
1.
Bij
alle
maatregelen
betreffende
kinderen,
ongeacht
of
deze
worden
genomen
door
openbare
of
particuliere
instellingen
voor
maatschappelijk
welzijn
of
door
rechterlijke
instanties,
bestuurlijke
autoriteiten
of
wetgevende
lichamen,
vormen
de
belangen
van
het
kind
de
eerste
overweging.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
verbinden
zich
ertoe
het
kind
te
verzekeren
van
de
bescherming
en
de
zorg
die
nodig
zijn
voor
zijn
of
haar
welzijn,
rekening
houdend
met
de
rechten
en
plichten
van
zijn
of
haar
ouders,
wettige
voogden
of
anderen
die
wettelijk
verantwoordelijk
voor
het
kind
zijn,
en
nemen
hiertoe
alle
passende
wettelijke
en
bestuur
maatregelen.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen
dat
de
instellingen,
diensten
en
voorzieningen
die
verantwoordelijk
zijn
voor
de
zorg
voor
of
de
bescherming
van
kinderen
voldoen
aan
de
door
de
bevoegde
autoriteiten
vastgestelde
normen,
met
name
ten
aanzien
van
de
veiligheid,
de
gezondheid,
het
aantal
personeelsleden
en
hun
geschiktheid,
alsmede
bevoegd
toezicht.
|
Het
belang
van
het
kind
Alle
acties
met
betrekking
tot
het
kind
dienen
ten
volle
rekening
te
houden
met
zijn
of
haar
belang.
De
Staat
is
verplicht
adequate
zorgen
te
verlenen
wanneer
ouders
of
andere
verantwoordelijken
ter
zake
in
gebreke
blijven.
|
|
Artikel
4
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
nodige
wettelijke,
bestuurlijke
en
andere
maatregelen
om
de
in
dit
Verdrag
erkende
rechten
te
verwezenlijken.
Ten
aanzien
van
economische,
sociale
en
culturele
rechten
nemen
de
Staten
die
partij
zijn
deze
maatregelen
in
de
ruimste
mate
waarin
de
hun
ter
beschikking
staande
middelen
dit
toelaten
en,
indien
nodig,
in
het
kader
van
internationale
samenwerking.
|
De
effectuering
van
rechten
De
verplichting
van
de
Staat
o.
de
rechten
uit
dit
Verdrag
in
werkelijkheid
om
te
zetten.
|
|
Artikel
5
De
Staten
die
partij
zijn,
eerbiedigen
de
verantwoordelijkheden,
rechten
en
plichten
van
de
ouders
of,
indien
van
toepassing,
van
de
leden
van
de
familie
in
ruimere
zin
of
de
gemeenschap
al
naar
gelang
het
plaatselijk
gebruik,
van
wettige
voogden
of
anderen
die
wettelijk
verantwoordelijk
zijn
voor
het
kind,
voor
het
voorzien
in
passende
leiding
en
begeleiding
bij
de
uitoefening
door
het
kind
van
de
in
dit
Verdrag
erkende
rechten,
op
een
wijze
die
verenigbaar
is
met
de
zich
ontwikkelende
vermogens
van
het
kind.
|
De
leiding
door
ouders
en
de
groeiende
capaciteiten
van
het
kind
De
plicht
van
de
Staat
tot
respect
voor
de
rechten
en
verantwoordelijkheden
van
ouders
en
de
ruimere
familie
om
het
kind
leiding
te
geven
overeenkomstig
zijn
groeiende
capaciteiten.
|
|
Artikel
6
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
dat
ieder
kind
het
inherente
recht
op
leven
heeft.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen
in
de
ruimst
mogelijke
mate
de
mogelijkheden
tot
overleven
en
de
ontwikkeling
van
het
kind.
|
Overleven
en
ontwikkelen
Het
inherente
recht
op
leven,
en
de
plicht
van
de
Staat
het
overleven
en
de
ontwikkeling
van
het
kind
te
garanderen.
|
|
Artikel
7
1.
Het
kind
wordt
onmiddellijk
na
de
geboorte
ingeschreven
en
heeft
vanaf
de
geboorte
het
recht
op
een
naam,
het
recht
een
nationaliteit
te
verwerven
en,
voor
zover
mogelijk,
het
recht
zijn
of
haar
ouders
te
kennen
en
door
hen
te
worden
verzorgd.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen
de
verwezenlijking
van
deze
rechten
in
overeenstemming
met
hun
nationale
recht
en
hun
verplichtingen
krachtens
de
desbetreffende
internationale
akten
op
dit
gebied,
in
het
bijzonder
wanneer
het
kind
anders
staatloos
zou
zijn.
|
Naam
en
nationaliteit
Het
recht
vanaf
de
geboorte
een
naam
te
hebben
en
een
nationaliteit
te
verwerven.
|
|
Artikel
8
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
verbinden
zich
tot
eerbiediging
van
het
recht
van
het
kind
zijn
of
haar
identiteit
te
behouden,
met
inbegrip
van
nationaliteit,
naam
en
familiebetrekkingen
zoals
wettelijk
erkend,
zonder
onrechtmatige
inmenging.
2.
Wanneer
een
kind
op
niet
rechtmatige
wijze
wordt
beroofd
van
enige
of
alle
bestanddelen
van
zijn
of
haar
identiteit,
verlenen
de
Staten
die
partij
zijn
passende
bijstand
en
bescherming,
teneinde
zijn
identiteit
zo
snel
mogelijk
te
herstellen.
|
Behoud
van
identiteit
De
verplichting
van
de
Staat
om
de
basale
aspecten
van
de
identiteit
van
het
kind
(naam,
nationaliteit
en
familiebanden)
te
beschermen
en,
zo
nodig,
te
herstellen.
|
|
Artikel
9
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen
dat
een
kind
niet
wordt
gescheiden
van
zijn
of
haar
ouders
tegen
hun
wil,
tenzij
de
bevoegde
autoriteiten
onder
voorbehoud
van
de
mogelijkheid
van
rechterlijke
toetsing,
in
overeenstemming
met
het
toepasselijk
recht
en
de
toepasselijke
procedures,
beslissen
dat
deze
scheiding
noodzakelijk
is
in
het
belang
van
het
kind.
Een
dergelijke
beslissing
kan
noodzakelijk
zijn
in
een
bepaald
geval,
zoals
wanneer
er
sprake
is
van
misbruik
of
verwaarlozing
van
het
kind
door
de
ouders,
of
wanneer
de
ouders
gescheiden
leven
en
er
een
beslissing
moet
worden
genomen
ten
aanzien
van
de
verblijfplaats
van
het
kind.
2.
In
procedures
ingevolge
het
eerste
lid
van
dit
artikel
dienen
alle
betrokken
partijen
de
gelegenheid
te
krijgen
aan
de
procedures
deel
te
nemen
en
hun
standpunten
naar
voren
te
brengen.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
eerbiedigen
het
recht
van
het
kind
dat
van
een
ouder
of
beide
ouders
is
gescheiden,
op
regelmatige
basis
persoonlijke
betrekkingen
en
rechtstreeks
contact
met
beide
ouders
te
onderhouden,
tenzij
dit
in
strijd
is
met
het
belang
van
het
kind.
4.
Indien
een
dergelijke
scheiding
voortvloeit
uit
een
maatregel
genomen
door
een
Staat
die
partij
is,
zoals
de
inhechtenisneming,
gevangenneming,
verbanning,
deportatie,
of
uit
een
maatregel
het
overlijden
ten
gevolge
hebbend
(met
inbegrip
van
overlijden,
door
welke
oorzaak
ook,
terwijl
de
betrokkene
door
de
Staat
in
bewaring
wordt
gehouden)
van
één
ouder
of
beide
ouders
of
van
het
kind,
verstrekt
die
Staat,
op
verzoek,
aan
de
ouders,
aan
het
kind
of,
indien
van
toepassing,
aan
een
ander
familielid
van
het
kind
de
noodzakelijke
inlichtingen
over
waar
het
afwezige
lid
van
het
gezin
zich
bevindt
of
waar
de
afwezige
leden
van
het
gezin
zich
bevinden,
tenzij
het
verstrekken
van
die
inlichtingen
het
welzijn
van
het
kind
zou
schaden.
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen
voorts
dat
het
indienen
van
een
dergelijk
verzoek
op
zich
geen
nadelige
gevolgen
heeft
voor
de
betrokkene(n).
|
Van
de
ouders
gescheiden
worden
Het
recht
van
het
kind
om
met
zijn/haar
ouders
samen
te
leven,
tenzij
geoordeeld
wordt
in
overeenstemming
met
de
toepasselijke
procedures
dat
dit
onverenigbaar
is
met
zijn/haar
belang;
Het
recht
van
alle
betrokken
partijen
om
aan
deze
procedures
deel
te
nemen;
Het
recht
om
contact
te
onderhouden
met
beide
ouders,
wanneer
het
kind
gescheiden
leeft
van
één
of
beide
ouders;
De
plichten
van
de
Staten
in
die
gevallen
waar
een
dergelijke
scheiding
het
resultaat
is
van
een
actie
door
de
Staat.
|
|
Artikel
10
1.
In
overeenstemming
met
de
verplichting
van
de
Staten
die
partij
zijn
krachtens
artikel
9,
eerste
lid,
worden
aanvragen
van
een
kind
of
van
zijn
ouders
om
een
Staat
die
partij
is,
voor
gezinshereniging
binnen
te
gaan
of
te
verlaten,
door
de
Staten
die
partij
zijn
met
welwillendheid,
menselijkheid
en
spoed
behandeld.
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen
voorts
dat
het
indienen
van
een
dergelijke
aanvraag
geen
nadelige
gevolgen
heeft
voor
de
aanvragers
of
hun
familieleden.
2.
Een
kind
van
wie
de
ouders
in
verschillende
Staten
verblijven,
heeft
het
recht
op
regelmatige
basis,
behalve
in
uitzonderlijke
omstandigheden,
persoonlijke
betrekkingen
en
rechtstreekse
contacten
met
beide
ouders
te
onderhouden.
Hiertoe,
en
in
overeenstemming
met
de
verplichting
van
de
Staten
die
partij
zijn
krachtens
artikel
9,
tweede
lid,
eerbiedigen
de
Staten
die
partij
zijn
het
recht
van
het
kind
en
van
zijn
of
haar
ouders
welk
land
ook,
met
inbegrip
van
het
eigen
land,
te
verlaten,
en
het
eigen
land
binnen
te
gaan.
Het
recht
welk
land
ook
te
verlaten
is
slechts
onderworpen
aan
de
beperkingen
die
bij
de
wet
zijn
voorzien
en
die
nodig
zijn
ter
bescherming
van
de
nationale
veiligheid,
de
openbare
orde,
de
volksgezondheid
of
de
goede
zeden,
of
van
de
rechten
en
vrijheden
van
anderen,
en
verenigbaar
zijn
met
de
andere
in
dit
Verdrag
erkende
rechten.
|
Gezinshereniging
Het
recht
van
kinderen
en
hun
ouders
om
het
even
welk
land
te
verlaten
en
hun
eigen
land
terug
binnen
te
komen
met
het
oog
op
hereniging
of
om
de
ouder-kind
relatie
te
onderhouden.
|
|
Artikel
11
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
maatregelen
ter
bestrijding
van
de
ongeoorloofde
overbrenging
van
kinderen
naar
en
het
niet
doen
terugkeren
van
kinderen
uit
het
buitenland.
2.
Hiertoe
bevorderen
de
Staten
die
partij
zijn
het
sluiten
van
bilaterale
of
multilaterale
overeenkomsten
of
het
toetreden
tot
bestaande
overeenkomsten.
|
Ongeoorloofde
overbrenging
en
het
niet
doen
terugkeren
De
plicht
van
de
Staat
om
te
trachten
kidnapping
of
het
vasthouden
van
kinderen
in
het
buitenland
door
een
ouder
of
door
derden
te
voorkomen
of
ongedaan
te
maken.
|
|
Artikel
12
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
verzekeren
het
kind
dat
in
staat
is
zijn
of
haar
eigen
mening
te
vormen,
het
recht
die
mening
vrijelijk
te
uiten
in
alle
aangelegenheden
die
het
kind
betreffen,
waarbij
aan
de
mening
van
het
kind
passend
belang
wordt
gehecht
in
overeenstemming
met
zijn
of
haar
leeftijd
en
rijpheid.
2.
Hiertoe
wordt
het
kind
met
name
in
de
gelegenheid
gesteld
te
worden
gehoord
in
iedere
gerechtelijke
en
bestuurlijke
procedure
die
het
kind
betreft,
hetzij
rechtstreeks,
hetzij
door
tussenkomst
van
een
vertegenoordiger
of
een
daarvoor
geschikte
instelling,
op
een
wijze
die
verenigbaar
is
met
de
procedureregels
van
het
nationale
recht.
|
De
mening
van
het
kind
Het
recht
van
het
kind
om
zijn
mening
te
kennen
te
geven
en
het
recht
op
het
feit
dat
met
deze
mening
rekening
wordt
gehouden
in
elke
aangelegenheid
of
procedure
die
het
kind
betreft.
|
|
Artikel
13
1.
Het
kind
heeft
het
recht
op
vrijheid
van
meningsuiting;
dit
recht
omvat
mede
de
vrijheid
inlichtingen
en
denkbeelden
van
welke
aard
ook
te
vergaren,
te
ontvangen
en
door
te
geven,
ongeacht
de
landsgrenzen
hetzij
mondeling,
hetzij
in
geschreven
of
gedrukte
vorm,
in
de
vorm
van
kunst,
of
met
behulp
van
andere
media
naar
zijn
of
haar
keuze.
2.
De
uitoefening
van
dit
recht
kan
aan
bepaalde
beperkingen
worden
gebonden,
doch
alleen
aan
de
beperkingen
die
bij
de
wet
zijn
voorzien
en
die
nodig
zijn:
a)
voor
de
eerbiediging
van
de
rechten
of
de
goede
naam
van
anderen;
of
b)
ter
bescherming
van
de
nationale
veiligheid
of
van
de
openbare
orde,
de
volksgezondheid
of
de
goede
zeden.
|
Vrijheid
van
meningsuiting
Het
kind
heeft
het
recht
informatie
te
verkrijgen
of
bekend
te
maken
en
zijn
of
haar
mening
uit
te
drukken,
tenzij
dit
de
rechten
van
anderen
zou
schenden.
|
|
Artikel
14
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
eerbiedigen
het
recht
van
het
kind
op
vrijheid
van
gedachte,
geweten
en
godsdienst.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
eerbiedigen
de
rechten
en
plichten
van
ouders
en,
indien
van
toepassing,
van
de
wettige
voogden,
om
het
kind
te
leiden
in
de
uitoefening
van
zijn
of
haar
recht
op
een
wijze
die
verenigbaar
is
met
de
zich
ontwikkelende
vermogens
van
het
kind.
3.
De
vrijheid
van
eenieder
zijn
(of
haar)
godsdienst
of
levensovertuiging
tot
uiting
te
brengen
kan
slechts
in
die
mate
worden
beperkt
als
wordt
voorgeschreven
door
de
wet
en
noodzakelijk
is
ter
bescherming
van
de
openbare
veiligheid,
de
openbare
orde,
de
volksgezondheid
of
de
goede
zeden,
of
van
de
fundamentele
rechten
en
vrijheden
van
anderen.
|
Vrijheid
van
gedachte,
geweten
en
godsdienst
Het
recht
van
het
kind
op
vrijheid
van
gedachte,
geweten
en
godsdienst,
onderworpen
aan
de
passende
leiding
van
de
ouders
en
aan
de
nationale
wetten.
|
|
Artikel
15
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
de
rechten
van
het
kind
op
vrijheid
van
vereniging
en
vrijheid
van
vreedzame
vergadering.
2.
De
uitoefening
van
deze
rechten
kan
aan
geen
andere
beperkingen
worden
onderworpen
dan
die
welke
in
overeenstemming
met
de
wet
worden
opgelegd
en
die
in
een
democratische
samenleving
geboden
zijn
in
het
belang
van
de
nationale
veiligheid,
de
openbare
orde,
de
bescherming
van
de
volksgezondheid
of
de
goede
zeden,
of
de
bescherming
van
de
rechten
en
vrijheden
van
anderen.
|
Vrijheid
van
vereniging
Het
recht
van
kinderen
met
anderen
samen
te
komen
en
verenigingen
op
te
richten
of
er
zich
bij
aan
te
sluiten,
tenzij
dit
de
rechten
van
anderen
zou
schenden.
|
|
Artikel
16
1.
Geen
enkel
kind
mag
worden
onderworpen
aan
willekeurige
of
onrechtmatige
inmenging
in
zijn
of
haar
privé-leven,
in
zijn
of
haar
gezinsleven,
zijn
of
haar
woning
of
zijn
of
haar
correspondentie,
noch
aan
enige
onrechtmatige
aantasting
van
zijn
of
haar
eer
en
goede
naam.
2.
Het
kind
heeft
recht
op
bescherming
door
de
wet
tegen
zodanige
inmenging
of
aantasting.
|
Bescherming
van
de
privacy
Het
recht
te
worden
beschermd
tegen
inmenging
in
de
privacy,
het
gezinsleven,
de
woning
en
de
correspondentie,
evenals
tegen
smaad
en
laster.
|
|
Artikel
17
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
de
belangrijke
functie
van
de
massamedia
en
waarborgen
dat
het
kind
toegang
heeft
tot
informatie
en
materiaal
uit
een
verscheidenheid
van
nationale
en
internationale
bronnen,
in
het
bijzonder
informatie
en
materiaal
gericht
op
het
bevorderen
van
zijn
of
haar
sociale,
psychische
en
morele
welzijn
en
zijn
of
haar
lichamelijke
en
geestelijke
gezondheid.
Hiertoe
dienen
de
Staten
die
partij
zijn:
a)
de
massamedia
aan
te
moedigen
informatie
en
materiaal
te
verspreiden
die
tot
sociaal
en
cultureel
nut
zijn
voor
het
kind
en
in
overeenstemming
zijn
met
de
strekking
van
artikel
29;
b)
internationale
samenwerking
aan
te
moedigen
bij
de
vervaardiging,
uitwisseling
en
verspreiding
van
dergelijke
informatie
en
materiaal
uit
een
verscheidenheid
van
culturele,
nationale
en
internationale
bronnen;
c)
de
vervaardiging
en
verspreiding
van
kinderboeken
aan
te
moedigen;
d)
de
massamedia
aan
te
moedigen
in
het
bijzonder
rekening
te
houden
met
de
behoeften
op
het
gebied
van
de
taal
van
het
kind
dat
tot
een
minderheid
of
tot
de
oorspronkelijke
bevolking
behoort;
e)
de
ontwikkeling
aan
te
moedigen
van
passende
richtlijnen
voor
de
bescherming
van
het
kind
tegen
informatie
en
materiaal
die
schadelijk
zijn
voor
zijn
of
haar
welzijn,
indachtig
de
bepalingen
van
de
artikelen
13
en
18.
|
Toegang
tot
passende
informatie
De
rol
van
de
media
inzake
het
verspreiden
van
informatie
onder
kinderen
op
een
wijze
die
in
overeenstemming
is
met
het
moreel
welzijn,
met
wederzijdse
kennis
en
begrip
onder
de
volkeren
en
die
de
culturele
achtergrond
van
het
kind
respecteert.
De
Staat
dient
maatregelen
te
treffen
om
dit
aan
te
moedigen
en
om
kinderen
te
beschermen
tegen
schadelijk
materiaal.
|
|
Artikel
18
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
doen
alles
wat
in
hun
vermogen
ligt
om
de
erkenning
te
verzekeren
van
het
beginsel
dat
beide
ouders
de
gezamenlijke
verantwoordelijkheid
dragen
voor
de
opvoeding
en
de
ontwikkeling
van
het
kind.
Ouders
of,
al
naar
gelang
het
geval,
wettige
voogden,
hebben
de
verantwoordelijkheid
voor
de
opvoeding
en
de
ontwikkeling
van
het
kind.
Het
belang
van
het
kind
is
hun
allereerste
zorg.
2.
Om
de
toepassing
van
de
in
dit
Verdrag
genoemde
rechten
te
waarborgen
en
te
bevorderen,
verlenen
de
Staten
die
partij
zijn
passende
bijstand
aan
ouders
en
wettige
voogden
bij
de
uitoefening
van
hun
verantwoordelijkheden
die
de
opvoeding
van
het
kind
betreffen,
en
waarborgen
zij
de
ontwikkeling
van
instellingen,
voorzieningen
en
diensten
voor
kinderzorg.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
maatregelen
om
te
waarborgen
dat
kinderen
van
werkende
ouders
recht
hebben
op
gebruikmaking
van
diensten
en
voorzieningen
voor
kinderzorg
waarvoor
zij
in
aanmerking
komen.
|
Verantwoordelijkheden
van
ouders
Het
principe
dat
beide
ouders
gezamenlijk
de
eerste
verantwoordelijken
zijn
voor
de
opvoeding
van
hun
kinderen,
en
dat
de
Staat
hen
bij
deze
taak
dient
te
ondersteunen.
|
|
Artikel
19
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
wettelijke
en
bestuurlijke
maatregelen
en
maatregelen
op
sociaal
en
opvoedkundig
gebied
om
het
kind
te
beschermen
tegen
alle
vormen
van
lichamelijk
of
geestelijk
geweld,
letsel
of
misbruik,
lichamelijke
of
geestelijke
verwaarlozing
of
nalatige
behandeling,
mishandeling
of
exploitatie,
met
inbegrip
van
seksueel
misbruik,
zolang
het
kind
onder
de
hoede
is
van
de
ouder(s),
wettige
voogd(en)
of
iemand
anders
die
de
zorg
voor
het
kind
heeft.
2.
Deze
maatregelen
ter
bescherming
dienen,
indien
van
toepassing,
doeltreffende
procedures
te
omvatten
voor
de
invoering
van
sociale
programma's
om
te
voorzien
in
de
nodige
ondersteuning
van
het
kind
en
van
diegenen
die
de
zorg
voor
het
kind
hebben,
alsmede
procedures
voor
andere
vormen
van
voorkoming
van
gevallen
van
kindermishandeling
zoals
hierboven
beschreven,
en
voor
opsporing,
melding,
verwijzing
onderzoek,
behandeling
en
follow-up
van
zodanige
gevallen,
en,
indien
van
toepassing,
voor
inschakeling
van
rechterlijke
instanties.
|
Bescherming
tegen
mishandeling
en
verwaarlozing
De
verplichting
van
de
Staat
om
kinderen
te
beschermen
tegen
elke
vorm
van
mishandeling
door
ouders
of
door
andere
personen
die
verantwoordelijkheid
dragen
voor
de
zorg
voor
het
kind,
en
om
in
verband
hiermee
preventieve
maatregelen
te
nemen
en
behandelingsprogramma's
op
te
zetten.
|
|
Artikel
20
1.
Een
kind
dat
tijdelijk
of
blijvend
het
leven
in
het
gezin
waartoe
het
behoort
moet
missen,
of
dat
men
in
zijn
of
haar
eigen
belang
niet
kan
toestaan
in
het
gezin
te
blijven,
heeft
recht
op
bijzondere
bescherming
en
bijstand
van
staatswege.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen,
in
overeenstemming
met
hun
nationale
recht,
een
andere
vorm
van
zorg
voor
dat
kind.
3.
Deze
zorg
kan,
onder
andere,
plaatsing
in
een
pleeggezin
omvatten,
kafalah
volgens
het
Islamitisch
recht,
adoptie,
of,
indien
noodzakelijk,
plaatsing
in
geschikte
instellingen
voor
kinderzorg.
Bij
het
overwegen
van
oplossingen
wordt
op
passende
wijze
rekening
gehouden
met
de
wenselijkheid
van
continuïteit
in
de
opvoeding
van
het
kind
en
met
de
etnische,
godsdienstige
en
culturele
achtergrond
van
het
kind
en
met
zijn
of
haar
achtergrond
wat
betreft
de
taal.
|
Bescherming
van
kinderen
buiten
hun
gezin
De
plicht
van
de
Staat
om
kinderen
die
niet
in
hun
gezinsmilieu
kunnen
leven
bijzondere
bescherming
te
bieden,
en
om
er
voor
te
zorgen
dat
voor
hen
een
beroep
kan
gedaan
worden
op
gepaste
alternatieve
gezinsopvang
of
op
plaatsing
in
een
instelling.
Daarbij
dient
rekening
te
worden
gehouden
met
de
culturele
achtergrond
van
het
kind.
|
|
Artikel
21
De
Staten
die
partij
zijn
en
die
de
methode
van
adoptie
erkennen
en/of
toestaan,
waarborgen
dat
het
belang
van
het
kind
daarbij
de
voornaamste
overweging
is,
en:
a)
waarborgen
dat
de
adoptie
van
een
kind
slechts
wordt
toegestaan
mits
daartoe
bevoegde
autoriteiten,
in
overeenstemming
met
de
van
toepassing
zijnde
wetten
en
procedures
en
op
grond
van
alle
van
belang
zijnde
en
betrouwbare
gegevens,
bepalen
dat
de
adoptie
kan
worden
toegestaan
gelet
op
de
verhoudingen
van
het
kind
met
zijn
of
haar
ouders,
familieleden
en
wettige
voogden,
en
mits,
indien
vereist,
de
betrokkenen,
na
volledig
te
zijn
ingelicht,
op
grond
van
de
adviezen
die
noodzakelijk
worden
geacht,
daarmee
hebben
ingestemd;
b)
erkennen
dat
interlandelijke
adoptie
kan
worden
overwogen
als
andere
oplossing
voor
de
zorg
voor
het
kind,
indien
het
kind
niet
in
een
pleeg-
of
adoptiegezin
kan
worden
geplaatst
en
op
geen
enkele
andere
passende
wijze
kan
worden
verzorgd
in
het
land
van
zijn
of
haar
herkomst;
c)
verzekeren
dat
voor
het
kind
dat
bij
een
interlandelijke
adoptie
is
betrokken
waarborgen
en
normen
gelden
die
gelijkwaardig
zijn
aan
die
welke
bestaan
bij
adoptie
in
het
eigen
land;
d)
nemen
alle
passende
maatregelen
om
te
waarborgen
dat,
in
het
geval
van
interlandelijke
adoptie,
de
plaatsing
niet
leidt
tot
ongepast
geldelijk
voordeel
voor
de
betrokkenen;
e)
bevorderen,
wanneer
passend,
de
verwezenlijking
van
de
doeleinden
van
dit
artikel
door
het
aangaan
van
bilaterale
of
multilaterale
regelingen
of
overeenkomsten,
en
spannen
zich
in
om,
in
het
kader
daarvan
te
waarborgen
dat
de
plaatsing
van
het
kind
in
een
ander
land
wordt
uitgevoerd
door
bevoegde
autoriteiten
of
instellingen.
|
Adoptie
In
landen
waar
adoptie
wordt
erkend
en/of
toegestaan
mag
het
enkel
worden
toegepast
in
het
belang
van
het
kind,
met
alle
noodzakelijke
waarborgen
voor
het
kind
en
mits
goedkeuring
door
de
bevoegde
overheden.
Interlandelijke
adoptie
kan
worden
overwogen
nadat
de
mogelijkheden
in
het
land
van
oorsprong
van
het
kind
zijn
uitgeput.
Ook
in
het
geval
van
interlandelijke
adoptie
dienen
alle
noodzakelijke
waarborgen
te
worden
gerespecteerd.
|
|
Artikel
22
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
passende
maatregelen
om
te
waarborgen
dat
een
kind
dat
de
vluchtelingenstatus
wil
verkrijgen
of
dat
in
overeenstemming
met
het
toepasselijke
internationale
recht
en
de
toepasselijke
procedures
als
vluchteling
wordt
beschouwd,
ongeacht
of
het
al
dan
niet
door
zijn
of
haar
ouders
of
door
iemand
anders
wordt
begeleid,
passende
bescherming
en
humanitaire
bijstand
krijgt
bij
het
genot
van
de
van
toepassing
zijnde
rechten
beschreven
in
dit
Verdrag
en
in
andere
internationale
akten
inzake
de
rechten
van
de
mens
of
humanitaire
akten
waarbij
de
bedoelde
Staten
partij
zijn.
2.
Hiertoe
verlenen
de
Staten
die
partij
zijn,
naar
zij
passend
achten,
hun
medewerking
aan
alle
inspanningen
van
de
Verenigde
Naties
en
andere
bevoegde
intergouvernementele
organisaties
of
niet-gouvernementele
organisaties
die
met
de
Verenigde
Naties
samenwerken,
om
dat
kind
te
beschermen
en
bij
te
staan
en
de
ouders
of
andere
gezinsleden
op
te
sporen
van
een
kind
dat
vluchteling
is,
teneinde
de
nodige
inlichtingen
te
verkrijgen
voor
hereniging
van
het
kind
met
het
gezin
waartoe
het
behoort.
In
gevallen
waarin
geen
ouders
of
andere
familieleden
kunnen
worden
gevonden,
wordt
aan
het
kind
dezelfde
bescherming
verleend
als
aan
ieder
ander
kind
dat,
om
welke
reden
ook,
blijvend
of
tijdelijk
het
leven
in
een
gezin
moet
ontberen.
|
Vluchtelingenkinderen
Kinderen
die
als
vluchteling
worden
beschouwd
of
die
de
status
van
vluchteling
hebben
aangevraagd
dienen
een
bijzondere
bescherming
te
genieten.
De
Staat
heeft
de
plicht
samen
te
werken
met
bevoegde
instanties
die
een
dergelijke
bescherming
en
bijstand
bieden.
|
|
Artikel
23
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
dat
een
geestelijk
of
lichamelijk
gehandicapt
kind
een
volwaardig
en
behoorlijk
leven
dient
te
hebben,
in
omstandigheden
die
de
waardigheid
van
het
kind
verzekeren,
zijn
zelfstandigheid
bevorderen
en
zijn
actieve
deelneming
aan
het
gemeenschapsleven
vergemakkelijken.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
het
gehandicapte
kind
op
bijzondere
zorg,
en
stimuleren
en
waarborgen
dat
aan
het
daarvoor
in
aanmerking
komende
kind
en
degenen
die
verantwoordelijk
zijn
voor
zijn
of
haar
verzorging,
afhankelijk
van
de
beschikbare
middelen,
de
bijstand
wordt
verleend
die
is
aangevraagd
en
die
passend
is
gezien
de
gesteldheid
van
het
kind
en
de
omstandigheden
van
de
ouders
of
anderen
die
voor
het
kind
zorgen.
3.
Onder
erkenning
van
de
bijzondere
behoeften
van
het
gehandicapte
kind,
dient
de
in
overeenstemming
met
het
tweede
lid
geboden
bijstand,
wanneer
mogelijk,
gratis
te
worden
verleend,
rekening
houdend
met
de
financiële
middelen
van
de
ouders
of
anderen
die
voor
het
kind
zorgen.
Deze
bijstand
dient
erop
gericht
te
zijn
te
waarborgen
dat
het
gehandicapte
kind
daadwerkelijk
toegang
heeft
tot
onderwijs,
opleiding,
voorzieningen
voor
gezondheidszorg
en
revalidatie,
voorbereiding
voor
een
beroep,
en
recreatiemogelijkheden,
op
een
wijze
die
ertoe
bijdraagt
dat
het
kind
een
zo
volledig
mogelijke
integratie
in
de
maatschappij
en
persoonlijke
ontwikkeling
bereikt,
met
inbegrip
van
zijn
of
haar
culturele
en
intellectuele
ontwikkeling.
4.
De
Staten
die
partij
zijn,
bevorderen,
in
de
geest
van
internationale
samenwerking,
de
uitwisseling
van
passende
informatie
op
het
gebied
van
preventieve
gezondheidszorg
en
van
medische
en
psychologische
behandeling
van,
en
behandeling
van
functionele
stoornissen
bij
gehandicapte
kinderen,
met
inbegrip
van
de
verspreiding
van
en
de
toegang
tot
informatie
betreffende
revalidatiemethoden,
onderwijs
en
beroepsopleidingen,
met
als
doel
de
Staten
die
partij
zijn,
in
staat
te
stellen
hun
vermogens
en
vaardigheden
te
verbeteren
en
hun
ervaring
op
deze
gebieden
te
verruimen.
Wat
dit
betreft
wordt
in
het
bijzonder
rekening
gehouden
met
de
behoeften
van
ontwikkelingslanden.
|
Gehandicapte
kinderen
Het
recht
van
gehandicapte
kinderen
op
bijzondere
zorg,
onderwijs
en
training,
bedoeld
om
hen
te
helpen
de
grootst
mogelijke
zelfstandigheid
te
bereiken
en
een
volwaardig
en
actief
leven
te
leiden
in
de
samenleving.
|
|
Artikel
24
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
het
kind
op
het
genot
van
de
grootst
mogelijke
mate
van
gezondheid
en
op
voorzieningen
voor
de
behandeling
van
ziekte
en
het
herstel
van
de
gezondheid.
De
Staten
die
partij
zijn,
streven
ernaar
te
waarborgen
dat
geen
enkel
kind
zijn
of
haar
recht
op
toegang
tot
deze
voorzieningen
voor
gezondheidszorg
wordt
onthouden.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
streven
de
volledige
verwezenlijking
van
dit
recht
na
en
nemen
passende
maatregelen,
met
name:
a)
om
baby-
en
kindersterfte
te
verminderen;
b)
om
de
verlening
van
de
nodige
medische
hulp
en
gezondheidszorg
aan
alle
kinderen
te
waarborgen
met
nadruk
op
de
ontwikkeling
van
de
eerste-lijnsgezondheidszorg;
c)
om
ziekte,
ondervoeding
en
slechte
voeding
te
bestrijden,
mede
binnen
het
kader
van
de
eerste-lijnsgezondheidszorg,
door
onder
andere
het
toepassen
van
gemakkelijk
beschikbare
technologie
en
door
het
voorzien
in
voedsel
met
voldoende
voedingswaarde
en
zuiver
drinkwater,
de
gevaren
en
risico's
van
milieuverontreiniging
in
aanmerking
nemend;
d)
om
passende
pre-
en
postnatale
gezondheidszorg
voor
moeders
te
waarborgen;
e)
om
te
waarborgen
dat
alle
geledingen
van
de
samenleving,
met
name
ouders
en
kinderen,
worden
voorgelicht
over,
toegang
hebben
tot
onderwijs
over,
en
worden
gesteund
in
het
gebruik
van
de
fundamentele
kennis
van
de
gezondheid
en
de
voeding
van
kinderen,
de
voordelen
van
borstvoeding,
hygiëne
en
sanitaire
voorzieningen
en
het
voorkomen
van
ongevallen;
f)
om
preventieve
gezondheidszorg,
begeleiding
voor
ouders,
en
voorzieningen
voor
en
voorlichting
over
gezinsplanning
te
ontwikkelen.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
doeltreffende
en
passende
maatregelen
teneinde
traditionele
gebruiken
die
schadelijk
zijn
voor
de
gezondheid
van
kinderen
af
te
schaffen.
4.
De
Staten
die
partij
zijn,
verbinden
zich
ertoe
internationale
samenwerking
te
bevorderen
en
aan
te
moedigen
teneinde
geleidelijk
de
algehele
verwezenlijking
van
het
in
dit
artikel
erkende
recht
te
bewerkstelligen.
Wat
dit
betreft
wordt
in
het
bijzonder
rekening
gehouden
met
de
behoeften
van
ontwikkelingslanden.
|
Gezondheid
en
gezondheidszorg
Het
recht
op
de
hoogst
mogelijke
graad
van
gezondheid
en
het
recht
op
toegang
tot
gezondheidszorg
en
medische
voorzieningen
met
bijzondere
nadruk
op
eerstelijnsgezondheidszorg
en
preventieve
gezondheidszorg,
op
gezondheidsvoorlichting
en
-educatie
en
op
de
vermindering
van
de
kindersterfte.
De
verplichting
van
de
Staat
om
te
werken
in
de
richting
van
het
uitbannen
van
schadelijke
traditionele
praktijken.
De
nood
aan
internationale
samenwerking
met
het
oog
op
het
realiseren
van
dit
recht
wordt
beklemtoond.
|
|
Artikel
25
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
een
kind
dat
door
de
bevoegde
autoriteiten
uit
huis
is
geplaatst
ter
verzorging,
bescherming
of
behandeling
in
verband
met
zijn
of
haar
lichamelijke
of
geestelijke
gezondheid,
op
een
periodieke
evaluatie
van
de
behandeling
die
het
kind
krijgt
en
van
alle
andere
omstandigheden
die
verband
houden
met
zijn
of
haar
plaatsing.
|
Periodieke
herziening
van
een
plaatsing
Het
recht
van
het
kind,
dat
ter
verzorging,
bescherming
of
behandeling
door
de
Staat
geplaatst
is,
op
een
regelmatige
evaluatie
van
alle
aspecten
ervan.
|
|
Artikel
26
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
voor
ieder
kind
het
recht
de
voordelen
te
genieten
van
voorzieningen
voor
sociale
zekerheid,
met
inbegrip
van
sociale
verzekering,
en
nemen
de
nodige
maatregelen
om
de
algehele
verwezenlijking
van
dit
recht
te
bewerkstelligen
in
overeenstemming
met
hun
nationaal
recht.
2.
De
voordelen
dienen,
indien
van
toepassing,
te
worden
verleend,
waarbij
rekening
wordt
gehouden
met
de
middelen
en
de
omstandigheden
van
het
kind
en
de
personen
die
verantwoordelijk
zijn
voor
zijn
of
haar
onderhoud,
alsmede
iedere
andere
overweging
die
van
belang
is
voor
de
beoordeling
van
een
verzoek
daartoe
dat
door
of
namens
het
kind
wordt
ingediend.
|
Sociale
zekerheid
Het
recht
van
kinderen
om
van
sociale
zekerheid
te
genieten.
|
|
Artikel
27
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
ieder
kind
op
een
levensstandaard
die
toereikend
is
voor
de
lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke
en
maatschappelijke
ontwikkeling
van
het
kind.
2.
De
ouder(s)
of
anderen
die
verantwoordelijk
zijn
voor
het
kind,
hebben
de
primaire
verantwoordelijkheid
voor
het
waarborgen,
naar
vermogen
en
binnen
de
grenzen
van
hun
financiële
mogelijkheden,
van
de
levensomstandigheden
die
nodig
zijn
voor
de
ontwikkeling
van
het
kind.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen,
in
overeenstemming
met
de
nationale
omstandigheden
en
met
de
middelen
die
hun
ten
dienste
staan,
passende
maatregelen
om
ouders
en
anderen
die
verantwoordelijk
zijn
voor
het
kind
te
helpen
dit
recht
te
verwezenlijken,
en
voorzien,
indien
de
behoefte
daaraan
bestaat,
in
programma's
voor
materiële
bijstand
en
ondersteuning,
met
name
wat
betreft
voeding,
kleding
en
huisvesting.
4.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
maatregelen
om
het
verhaal
te
waarborgen
van
uitkeringen
tot
onderhoud
van
het
kind
door
de
ouders
of
andere
personen
die
de
financiële
verantwoordelijkheid
voor
het
kind
dragen,
zowel
binnen
de
Staat
die
partij
is
als
vanuit
het
buitenland.
Met
name
voor
gevallen
waarin
degene
die
de
financiële
verantwoordelijkheid
voor
het
kind
draagt,
in
een
andere
Staat
woont
dan
die
van
het
kind,
bevorderen
de
Staten
die
partij
zijn
de
toetreding
tot
internationale
overeenkomsten
of
het
sluiten
van
dergelijke
overeenkomsten,
alsmede
het
treffen
van
andere
passende
regelingen.
|
Levensstandaard
Het
recht
van
kinderen
om
een
passende
levensstandaard
te
genieten,
de
primaire
verantwoordelijkheid
van
de
ouders
hiervoor,
en
de
plicht
van
de
Staat
om
er
voor
te
zorgen
dat
deze
verantwoordelijkheid
kan
opgenomen
worden
en
ook
opgenomen
wordt,
zonodig
door
het
innen
van
onderhoudsgeld.
|
|
Artikel
28
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
het
kind
op
onderwijs,
en
teneinde
dit
recht
geleidelijk
en
op
basis
van
gelijke
kansen
te
verwezenlijken,
verbinden
zij
zich
er
met
name
toe:
a)
primair
onderwijs
verplicht
te
stellen
en
voor
iedereen
gratis
beschikbaar
te
stellen;
b)
de
ontwikkeling
van
verschillende
vormen
van
voortgezet
onderwijs
aan
te
moedigen,
met
inbegrip
van
algemeen
onderwijs
en
beroepsonderwijs,
deze
vormen
voor
ieder
kind
beschikbaar
te
stellen
en
toegankelijk
te
maken,
en
passende
maatregelen
te
nemen
zoals
de
invoering
van
gratis
onderwijs
en
het
bieden
van
financiële
bijstand
indien
noodzakelijk;
c)
met
behulp
van
alle
passende
middelen
hoger
onderwijs
toegankelijk
te
maken
voor
een
ieder
naar
gelang
zijn
capaciteiten;
d)
informatie
over
en
begeleiding
bij
onderwijs-
en
beroepskeuze
voor
alle
kinderen
beschikbaar
te
stellen
en
toegankelijk
te
maken;
e)
maatregelen
te
nemen
om
regelmatig
schoolbezoek
te
bevorderen
en
het
aantal
kinderen
dat
de
school
vroegtijdig
verlaat,
te
verminderen.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
maatregelen
om
te
verzekeren
dat
de
wijze
van
handhaving
van
de
discipline
op
scholen
verenigbaar
is
met
de
menselijke
waardigheid
van
het
kind
en
in
overeenstemming
is
met
dit
Verdrag.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
bevorderen
en
stimuleren
internationale
samenwerking
in
aangelegenheden
die
verband
houden
met
onderwijs,
met
name
teneinde
bij
te
dragen
tot
de
uitbanning
van
onwetendheid
en
analfabetisme
in
de
gehele
wereld,
en
de
toegankelijkheid
van
wetenschappelijke
en
technische
kennis
en
moderne
onderwijsmethoden
te
vergroten.
In
dit
opzicht
wordt
met
name
rekening
gehouden
met
de
behoeften
van
de
ontwikkelingslanden.
|
Onderwijs
Het
recht
van
het
kind
op
onderwijs
en
de
plicht
van
de
Staat
er
voor
te
zorgen
dat
tenminste
lager
onderwijs
gratis
en
verplicht
is.
De
discipline
op
school
moet
gehandhaafd
worden
op
een
wijze
die
de
menselijke
waardigheid
van
het
kind
weerspiegelt.
De
noodzaak
van
internationale
samenwerking
met
het
oog
op
het
realiseren
van
dit
recht
wordt
benadrukt.
|
|
Artikel
29
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
komen
overeen
dat
het
onderwijs
aan
het
kind
dient
gericht
te
zijn
op:
a)
de
zo
volledig
mogelijke
ontplooiing
van
de
persoonlijkheid,
talenten
en
geestelijke
en
lichamelijke
vermogens
van
het
kind;
b)
het
bijbrengen
van
eerbied
voor
de
rechten
van
de
mens
en
de
fundamentele
vrijheden,
en
voor
de
in
het
Handvest
van
de
Verenigde
Naties
vastgelegde
beginselen;
c)
het
bijbrengen
van
eerbied
voor
de
ouders
van
het
kind,
voor
zijn
of
haar
eigen
culturele
identiteit,
taal
en
waarden,
voor
de
nationale
waarden
van
het
land
waar
het
kind
woont,
het
land
waar
het
is
geboren,
en
voor
andere
beschavingen
dan
de
zijne
of
de
hare;
d)
de
voorbereiding
van
het
kind
op
een
verantwoord
leven
in
een
vrije
samenleving,
in
de
geest
van
begrip,
vrede,
verdraagzaamheid,
gelijkheid
van
geslachten,
en
vriendschap
tussen
alle
volken,
etnische,
nationale
en
godsdienstige
groepen
en
personen
behorend
tot
de
oorspronkelijke
bevolking;
e)
het
bijbrengen
van
eerbied
voor
de
natuurlijke
omgeving.
2.
Geen
enkel
gedeelte
van
dit
artikel
of
van
artikel
28
mag
zo
worden
uitgelegd
dat
het
de
vrijheid
aantast
van
individuele
personen
en
rechtspersonen
om
onderwijsinstellingen
op
te
richten
en
daaraan
leiding
te
geven,
evenwel
altijd
met
inachtneming
van
de
in
het
eerste
lid
van
dit
artikel
vervatte
beginselen,
en
van
het
vereiste
dat
het
aan
die
instellingen
gegeven
onderwijs
voldoet
aan
de
door
de
Staat
vastgelegde
minimumnormen.
|
Doel
van
het
onderwijs
De
erkenning
door
de
Staat
dat
het
onderwijs
dient
gericht
te
zijn
op
de
ontplooiing
van
de
persoonlijkheid
en
de
talenten
van
het
kind
en
op
de
voorbereiding
van
het
kind
op
een
actief
leven
als
volwassene.
Het
onderwijs
moet
ook
gericht
zijn
op
het
bevorderen
van
respect
voor
de
grondrechten
van
de
mens
en
op
het
ontwikkelen
van
respect
voor
de
culturele
en
nationale
waarden
van
het
kind
zelf
en
van
anderen.
|
|
Artikel
30
In
de
Staten
waarin
etnische
of
godsdienstige
minderheden,
taalminderheden
of
personen
behorend
tot
de
oorspronkelijke
bevolking
voorkomen,
wordt
het
kind
dat
daartoe
behoort
niet
het
recht
ontzegd
te
zamen
met
andere
leden
van
zijn
of
haar
groep
zijn
of
haar
cultuur
te
beleven,
zijn
of
haar
godsdienst
te
belijden
en
ernaar
te
leven,
of
zich
van
zijn
of
haar
eigen
taal
te
bedienen.
|
Kinderen
van
minderheden
of
de
oorspronkelijke
bevolking
Het
recht
van
kinderen
van
minderheden
en
de
oorspronkelijke
bevolking
hun
eigen
cultuur
en
godsdienst
te
beleven
en
hun
eigen
taal
te
gebruiken.
|
|
Artikel
31
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
het
kind
op
rust
en
vrije
tijd,
op
deelneming
aan
spel
en
recreatieve
bezigheden
passend
bij
de
leeftijd
van
het
kind,
en
op
vrije
deelneming
aan
het
culturele
en
artistieke
leven.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
eerbiedigen
het
recht
van
het
kind
volledig
deel
te
nemen
aan
het
culturele
en
artistieke
leven,
bevorderen
de
verwezenlijking
van
dit
recht,
en
stimuleren
het
bieden
van
passende
en
voor
ieder
gelijke
kansen
op
culturele,
artistieke
en
creatieve
bezigheden
en
vrijetijdsbesteding.
|
Vrije
tijd,
ontspanning
en
culturele
activiteiten
Het
recht
van
het
kind
op
vrije
tijd,
spel
en
deelname
aan
culturele
en
artistieke
activiteiten.
|
|
Artikel
32
l.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
het
kind
te
worden
beschermd
tegen
economische
exploitatie
en
tegen
het
verrichten
van
werk
dat
naar
alle
waarschijnlijkheid
gevaarlijk
is
of
de
opvoeding
van
het
kind
zal
hinderen,
of
schadelijk
zal
zijn
voor
de
gezondheid
of
de
lichamelijke,
geestelijke,
intellectuele,
zedelijke
of
maatschappelijke
ontwikkeling
van
het
kind.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
wettelijke,
bestuurlijke
en
sociale
maatregelen
en
maatregelen
op
onderwijsterrein
om
de
toepassing
van
dit
artikel
te
waarborgen.
Hiertoe,
en
de
desbetreffende
bepalingen
van
andere
internationale
akten
in
acht
nemend,
verbinden
de
Staten
die
partij
zijn
zich
er
in
het
bijzonder
toe:
a)
een
minimumleeftijd
of
minimumleeftijden
voor
toelating
tot
betaald
werk
voor
te
schrijven;
b)
voorschriften
te
geven
voor
een
passende
regeling
van
werktijden
en
arbeidsvoorwaarden;
c)
passende
straffen
of
andere
maatregelen
voor
te
schrijven
ter
waarborging
van
de
daadwerkelijke
uitvoering
van
dit
artikel.
|
Kinderarbeid
De
plicht
van
de
Staat
om
kinderen
te
beschermen
tegen
tewerkstelling
in
werkzaamheden
die
een
bedreiging
vormen
voor
hun
gezondheid,
opvoeding
en
ontwikkeling,
om
minimumleeftijden
voor
toegang
tot
tewerkstelling
voor
te
schrijven
en
om
de
arbeidsomstandigheden
te
reglementeren.
|
|
Artikel
33
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
maatregelen,
met
inbegrip
van
wettelijke,
bestuurlijke
en
sociale
maatregelen
en
maatregelen
op
onderwijsterrein,
om
kinderen
te
beschermen
tegen
het
illegale
gebruik
van
verdovende
middelen
en
psychotrope
stoffen
zoals
omschreven
in
de
desbetreffende
internationale
verdragen,
en
om
inschakeling
van
kinderen
bij
de
illegale
productie
van
en
de
sluikhandel
in
deze
middelen
en
stoffen
te
voorkomen.
|
Drugmisbruik
Het
recht
van
het
kind
te
worden
beschermd
tegen
het
gebruik
van
narcotica
en
psychotrope
drugs
en
tegen
betrokkenheid
bij
hun
produktie
of
distributie.
|
|
Artikel
34
De
Staten
die
partij
zijn,
verbinden
zich
ertoe
het
kind
te
beschermen
tegen
alle
vormen
van
sexuele
exploitatie
en
sexueel
misbruik.
Hiertoe
nemen
de
Staten
die
partij
zijn
met
name
alle
passende
nationale,
bilaterale
en
multilaterale
maatregelen
om
te
voorkomen
dat:
a)
een
kind
ertoe
wordt
aangespoord
of
gedwongen
deel
te
nemen
aan
onwettige
sexuele
activiteiten;
b)
kinderen
worden
geëxploiteerd
in
de
prostitutie
of
andere
onwettige
sexuele
praktijken;
c)
kinderen
worden
geëxploiteerd
in
pornografische
voorstellingen
en
pornografisch
materiaal.
|
Sexuele
uitbuiting
Het
recht
van
het
kind
te
worden
beschermd
tegen
sexuele
uitbuiting
en
sexueel
misbruik,
met
inbegrip
van
prostitutie
en
betrokkenheid
bij
pornografie.
|
|
Artikel
35
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
nationale,
bilaterale
en
multilaterale
maatregelen
ter
voorkoming
van
de
ontvoering
of
de
verkoop
van
of
de
handel
in
kinderen
voor
welk
doel
ook
of
in
welke
vorm
ook.
|
Verkoop,
handel
en
ontvoering
De
plicht
van
de
Staat
al
het
mogelijke
te
doen
om
verkoop,
handel
en
ontvoering
van
kinderen
te
voorkomen.
|
|
Artikel
36
De
Staten
die
partij
zijn,
beschermen
het
kind
tegen
alle
vormen
van
exploitatie
die
schadelijk
zijn
voor
enig
aspect
van
het
welzijn
van
het
kind.
|
Andere
vormen
van
exploitatie
Het
recht
van
het
kind
op
bescherming
tegen
alle
vormen
van
uitbuiting
die
niet
vermeld
zijn
in
de
artikelen
32,
33,
34
en
35.
|
|
Artikel
37
De
Staten
die
partij
zijn,
waarborgen
dat:
a)
geen
enkel
kind
wordt
onderworpen
aan
foltering
of
aan
een
andere
wrede,
onmenselijke
of
onterende
behandeling
of
bestraffing.
Doodstraf
noch
levenslange
gevangenisstraf
zonder
de
mogelijkheid
van
vervroegde
invrijheidstelling
wordt
opgelegd
voor
strafbare
feiten
gepleegd
door
personen
jonger
dan
achttien
jaar;
b)
geen
enkel
kind
op
onwettige
of
willekeurige
wijze
van
zijn
of
haar
vrijheid
wordt
beroofd.
De
aanhouding,
inhechtenisneming
of
gevangenneming
van
een
kind
geschiedt
overeenkomstig
de
wet
en
wordt
slechts
gehanteerd
als
uiterste
maatregel
en
voor
de
kortst
mogelijke
duur;
c)
ieder
kind
dat
van
zijn
of
haar
vrijheid
is
beroofd,
wordt
behandeld
met
menselijkheid
en
met
eerbied
voor
de
waardigheid
inherent
aan
de
menselijke
persoon,
en
zodanig
dat
rekening
wordt
gehouden
met
de
behoeften
van
een
persoon
van
zijn
of
haar
leeftijd.
Met
name
wordt
ieder
kind
dat
van
zijn
of
haar
vrijheid
is
beroofd,
gescheiden
van
volwassenen
tenzij
het
in
het
belang
van
het
kind
wordt
geacht
dit
niet
te
doen,
en
heeft
ieder
kind
het
recht
contact
met
zijn
of
haar
familie
te
onderhouden
door
middel
van
correspondentie
en
bezoeken,
behalve
in
uitzonderlijke
omstandigheden;
d)
ieder
kind
dat
van
zijn
of
haar
vrijheid
is
beroofd
het
recht
heeft
onverwijld
te
beschikken
over
juridische
en
andere
passende
bijstand,
alsmede
het
recht
de
wettigheid
van
zijn
vrijheidsberoving
te
betwisten
ten
overstaan
van
een
rechter
of
een
andere
bevoegde,
onafhankelijke
en
onpartijdige
autoriteit,
en
op
een
onverwijlde
beslissing
ten
aanzien
van
dat
beroep.
|
Foltering
en
vrijheidsberoving
Het
verbod
op
foltering,
wrede
behandeling
of
bestraffing,
doodstraf,
levenslange
gevangenisstraf
en
onwettige
gevangenschap
of
vrijheidsberoving.
De
principes
van
gepaste
behandeling,
scheiding
van
volwassen
gedetineerden,
contact
met
de
familie
en
toegang
tot
rechtshulp
en
andere
bijstand.
|
|
Artikel
38
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
verbinden
zich
ertoe
eerbied
te
hebben
voor
en
de
eerbiediging
te
waarborgen
van
tijdens
gewapende
conflicten
op
hen
van
toepassing
zijnde
regels
van
internationaal
humanitair
recht
die
betrekking
hebben
op
kinderen.
2.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
uitvoerbare
maatregelen
om
te
waarborgen
dat
personen
jonger
dan
vijftien
jaar
niet
rechtstreeks
deelnemen
aan
vijandelijkheden.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
onthouden
zich
ervan
personen
jonger
dan
vijftien
jaar
in
hun
strijdkrachten
op
te
nemen
of
in
te
lijven.
Bij
het
opnemen
of
inlijven
van
personen
die
de
leeftijd
van
vijftien
jaar
hebben
bereikt,
maar
niet
de
leeftijd
van
achttien
jaar,
streven
de
Staten
die
partij
zijn
ernaar
voorrang
te
geven
aan
diegenen
die
het
oudste
zijn.
4
. In
overeenstemming
met
hun
verplichtingen
krachtens
het
internationale
humanitaire
recht
om
de
burgerbevolking
te
beschermen
in
gewapende
conflicten,
nemen
de
Staten
die
partij
zijn
alle
uitvoerbare
maatregelen
ter
waarborging
van
de
bescherming
en
de
verzorging
van
kinderen
die
worden
getroffen
door
een
gewapend
conflict.
|
Gewapende
conflicten
De
plicht
van
de
Staat
om
de
op
kinderen
van
toepassing
zijnde
regels
van
humanitair
recht
te
respecteren
en
te
doen
respecteren.
Het
principe
dat
geen
enkel
kind
beneden
de
leeftijd
van
15
jaar
direct
betrokken
mag
worden
bij
vijandelijkheden
of
in
het
leger
mag
ingelijfd
worden,
en
dat
alle
kinderen
die
slachtoffer
zijn
van
gewapende
conflicten
moeten
kunnen
genieten
van
bescherming
en
verzorging.
|
|
Artikel
39
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
alle
passende
maatregelen
ter
bevordering
van
het
lichamelijk
en
geestelijk
herstel
en
de
herintegratie
in
de
maatschappij
van
een
kind
dat
het
slachtoffer
is
van
welke
vorm
ook
van
verwaarlozing,
exploitatie
of
misbruik
foltering
of
welke
andere
vorm
ook
van
wrede,
onmenselijke
of
onterende
behandeling
of
bestraffing
of
gewapende
conflicten.
Dit
herstel
en
deze
herintegratie
vinden
plaats
in
een
omgeving
die
bevorderlijk
is
voor
de
gezondheid,
het
zelfrespect
en
de
waardigheid
van
het
kind.
|
Zorg
voor
herintegratie
De
plicht
van
de
Staat
er
voor
te
zorgen
dat
kinderen
die
het
slachtoffer
geweest
zijn
van
gewapende
conflicten,
foltering,
verwaarlozing,
mishandeling
of
uitbuiting,
een
aangepaste
behandeling
krijgen
met
het
oog
op
hun
herstel
en
hun
herintegratie
in
de
maatschappij.
|
|
Artikel
40
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
erkennen
het
recht
van
ieder
kind
dat
wordt
verdacht
van,
vervolgd
wegens
of
veroordeeld
omwille
van
het
begaan
van
een
strafbaar
feit,
op
een
wijze
van
behandeling
die
geen
afbreuk
doet
aan
het
gevoel
van
waardigheid
en
eigenwaarde
van
het
kind,
die
de
eerbied
van
het
kind
voor
de
rechten
van
de
mens
en
de
fundamentele
vrijheden
van
anderen
vergroot,
en
waarbij
rekening
wordt
gehouden
met
de
leeftijd
van
het
kind
en
met
de
wenselijkheid
van
het
bevorderen
van
de
herintegratie
van
het
kind
en
van
de
aanvaarding
door
het
kind
van
een
opbouwende
rol
in
de
samenleving.
2.
Hiertoe,
en
met
inachtneming
van
de
desbetreffende
bepalingen
van
internationale
akten,
waarborgen
de
Staten
die
partij
zijn
met
name
dat:
a)
geen
enkel
kind
wordt
verdacht
van,
vervolgd
wegens
of
veroordeeld
omwille
van
het
begaan
van
een
strafbaar
feit
op
grond
van
enig
handelen
of
nalaten
dat
niet
volgens
het
nationale
of
internationale
recht
verboden
was
op
het
tijdstip
van
het
handelen
of
nalaten;
b)
ieder
kind
dat
wordt
verdacht
van
of
vervolgd
wegens
het
begaan
van
een
strafbaar
feit,
ten
minste
de
volgende
garanties
heeft:
(i)
dat
het
voor
onschuldig
wordt
gehouden
tot
zijn
of
haar
schuld
volgens
de
wet
is
bewezen;
(ii)
dat
het
onverwijld
en
rechtstreeks
in
kennis
wordt
gesteld
van
de
tegen
hem
of
haar
ingebrachte
beschuldigingen
of
indien
van
toepassing
door
tussenkomst
van
zijn
of
haar
ouders
of
wettige
voogd,
en
dat
de
juridische
of
andere
passende
bijstand
krijgt
in
de
voorbereiding
en
het
voeren
van
zijn
of
haar
verdediging;
(iii)
dat
de
aangelegenheid
zonder
vertraging
wordt
beslist
door
een
bevoegde,
onafhankelijke
en
onpartijdige
autoriteit
of
rechterlijke
instantie
in
een
eerlijke
behandeling
overeenkomstig
de
wet
in
aanwezigheid
van
een
rechtskundige
of
anderszins
deskundige
raadsman
of
-vrouw,
en,
tenzij
dit
wordt
geacht
niet
in
het
belang
van
het
kind
te
zijn,
met
name
gezien
zijn
of
haar
leeftijd
of
omstandigheden,
in
aanwezigheid
van
zijn
of
haar
ouders
of
wettige
voogden;
(iv)
dat
het
er
niet
toe
wordt
gedwongen
een
getuigenis
af
te
leggen
of
schuld
te
bekennen;
dat
het
getuigen
à
charge
kan
ondervragen
of
doen
ondervragen
en
dat
het
de
deelneming
en
ondervraging
van
getuigen
à
decharge
onder
gelijke
voorwaarden
kan
doen
geschieden;
(v)
indien
het
schuldig
wordt
geacht
aan
het
begaan
van
een
strafbaar
feit,
dat
dit
oordeel
en
iedere
maatregel
die
dientengevolge
wordt
opgelegd,
opnieuw
wordt
beoordeeld
door
een
hogere
bevoegde,
onafhankelijke
en
onpartijdige
autoriteit
of
rechterlijke
instantie
overeenkomstig
de
wet;
(vi)
dat
het
kind
kosteloze
bijstand
krijgt
van
een
tolk
indien
het
de
gebruikelijke
taal
niet
verstaat
of
spreekt;
(vii)
dat
zijn
of
haar
privé-leven
volledig
wordt
geëerbiedigd
tijdens
alle
stadia
van
het
proces.
3.
De
Staten
die
partij
zijn,
streven
ernaar
de
totstandkoming
te
bevorderen
van
wetten,
procedures,
autoriteiten
en
instellingen
die
in
het
bijzonder
bedoeld
zijn
voor
kinderen
die
worden
verdacht
van,
vervolgd
wegens
of
veroordeeld
omwille
van
het
begaan
van
een
strafbaar
feit,
en,
in
het
bijzonder:
a)
de
vaststelling
van
een
minimumleeftijd
onder
welke
kinderen
niet
in
staat
worden
geacht
een
strafbaar
feit
te
begaan;
b)
de
invoering,
wanneer
passend
en
wenselijk,
van
maatregelen
voor
de
handelwijze
ten
aanzien
van
deze
kinderen
zonder
dat
men
zijn
toevlucht
neemt
tot
gerechtelijke
stappen,
mits
de
rechten
van
de
mens
en
de
wettelijke
garanties
volledig
worden
geëerbiedigd.
4.
Een
verscheidenheid
van
regelingen,
zoals
rechterlijke
bevelen
voor
zorg,
begeleiding
en
toezicht,
adviezen,
jeugdreclassering,
pleegzorg,
programma's
voor
onderwijs
en
beroepsopleiding
en
andere
alternatieven
voor
institutionele
zorg
dient
beschikbaar
te
zijn
om
te
verzekeren
dat
de
handelwijze
ten
aanzien
van
kinderen
hun
welzijn
niet
schaadt
en
in
de
juiste
verhouding
staat
zowel
tot
hun
omstandigheden
als
tot
het
strafbare
feit.
|
Aanpak
van
jeugdmisdadigheid
Het
recht
van
kinderen,
die
worden
verdacht
van
of
veroordeeld
wegens
het
plegen
van
een
misdrijf,
op
respect
voor
hun
mensenrechten
en,
in
het
bijzonder,
op
het
genot
van
alle
aspecten
van
een
eerlijke
rechtspleging,
met
inbegrip
van
rechtsbijstand
en
andere
bijstand
bij
de
voorbereiding
en
het
voeren
van
zijn
of
haar
verdediging.
Het
principe
dat
het
gebruik
van
gerechtelijke
procedures
en
van
plaatsing
in
een
inrichting
moeten
worden
vermeden
telkens
wanneer
dit
mogelijk
en
passend
is.
|
|
Artikel
41
Geen
enkele
bepaling
van
dit
Verdrag
tast
bepalingen
aan
die
meer
bijdragen
tot
de
verwezenlijking
van
de
rechten
van
het
kind
en
die
zijn
vervat
in:
a)
het
recht
van
een
Staat
die
partij
is;
of
b)
het
in
die
Staat
geldende
internationale
recht.
|
Eerbied
voor
bestaande
regels
Het
principe
dat,
indien
er
in
de
nationale
regelgeving
of
andere
van
toepassing
zijnde
internationale
regels
strengere
normen
gelden
dan
in
het
Verdrag,
het
de
strengste
norm
is
die
geldt.
|
|
|
Deel
II |
|
Artikel
42
De
Staten
die
partij
zijn,
verbinden
zich
ertoe
de
beginselen
en
de
bepalingen
van
dit
Verdrag
op
passende
en
doeltreffende
wijze
algemeen
bekend
te
maken,
zowel
aan
volwassenen
als
aan
kinderen.
|
Uitvoering
en
inwerkingtreding
De
bepalingen
van
de
artikelen
42
tot
54
behandelen
het
volgende:
(i)
De
plicht
van
de
Staat
om
de
rechten
uit
dit
Verdrag
ruime
bekendheid
te
geven
bij
volwassenen
en
kinderen.
(ii)
De
installatie
van
een
Comité
voor
de
Rechten
van
het
Kind,
bestaande
uit
tien
experten,
dat
de
rapporten
moet
behandelen
die
de
Staten
die
partij
zijn
bij
het
Verdrag
moeten
indienen
twee
jaar
nadat
zij
het
Verdrag
ratificeerden,
en
vervolgens
elke
vijf
jaar.
Het
Verdrag
treedt
in
werking
nadat
20
landen
het
hebben
geratificeerd.
(iii)
Staten
die
partij
zijn
moeten
hun
rapporten
op
ruime
schaal
bekend
maken
bij
het
publiek.
(iv)
Het
Comité
kan
voorstellen
dat
gespecialiseerde
studies
worden
uitgevoerd
betreffende
specifieke
thema's
die
betrekking
hebben
op
de
rechten
van
het
kind,
en
kan
zijn
bedenkingen
formuleren
ten
aanzien
van
elke
Staat
die
partij
is
en
ten
aanzien
van
de
Algemene
Vergadering
van
de
VN.
(v)
Met
het
oog
op
het
bevorderen
van
een
effectieve
toepassing
van
dit
Verdrag
en
om
internationale
samenwerking
aan
te
moedigen,
kunnen
de
gespecialiseerde
organisaties
(zoals
de
IAO,
de
Wereld
Gezondheidsorganisatie,
UNESCO
en
het
Kinderfonds
van
de
Verenigde
Naties
de
bijeenkomsten
van
het
Comité
bijwonen.
Samen
met
om
het
even
welke
andere
als
competent
erkende
organisatie,
met
inbegrip
van
NGO's
die
een
consultatieve
status
bij
de
Verenigde
Naties
hebben,
en
met
andere
VN-organen,
zoals
de
Commissie
Mensenrechten,
kunnen
ze
het
Comité
relevante
informatie
verstrekken
of
om
advies
worden
gevraagd
betreffende
een
optimale
toepassing
van
het
Verdrag.
|
|
Artikel
43
1.
Ter
beoordeling
van
de
voortgang
die
de
Staten
die
partij
zijn,
boeken
bij
het
nakomen
van
de
in
dit
Verdrag
aangegane
verplichtingen,
wordt
een
Comité
voor
de
Rechten
van
het
Kind
ingesteld,
dat
de
hieronder
te
noemen
functies
uitoefent.
2.
Het
Comité
bestaat
uit
tien
deskundigen
van
hoog
zedelijk
aanzien
en
met
erkende
bekwaamheid
op
het
gebied
dat
dit
Verdrag
bestrijkt.
De
leden
van
het
Comité
worden
door
de
Staten
die
partij
zijn,
gekozen
uit
hun
onderdanen,
en
treden
op
in
hun
persoonlijke
hoedanigheid,
waarbij
aandacht
wordt
geschonken
aan
een
evenredige
geografische
verdeling,
alsmede
aan
de
vertegenwoordiging
van
de
voornaamste
rechtsstelsels.
3.
De
leden
van
het
Comité
worden
bij
geheime
stemming
gekozen
van
een
lijst
van
personen
die
zijn
voorgedragen
door
de
Staten
die
partij
zijn.
Iedere
Staat
die
partij
is,
mag
één
persoon
voordragen,
die
onderdaan
van
die
Staat
is.
4.
De
eerste
verkiezing
van
het
Comité
wordt
niet
later
gehouden
dan
zes
maanden
na
de
datum
van
inwerkingtreding
van
dit
Verdrag,
en
daarna
iedere
twee
jaar.
Ten
minste
vier
maanden
vóór
de
datum
waarop
de
verkiezing
plaatsvindt,
richt
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties
aan
de
Staten
die
partij
zijn
een
schriftelijk
verzoek
hun
voordrachten
binnen
twee
maanden
in
te
dienen.
De
Secretaris-Generaal
stelt
vervolgens
een
alfabetische
lijst
op
van
alle
aldus
voorgedragen
personen,
onder
aanduiding
van
de
Staten
die
partij
zijn
die
hen
hebben
voorgedragen,
en
legt
deze
voor
aan
de
Staten
die
partij
zijn
bij
dit
Verdrag.
5.
De
verkiezingen
worden
gehouden
tijdens
de
vergaderingen
van
de
Staten
die
partij
zijn,
belegd
door
de
Secretaris-Generaal,
ten
hoofdkantoren
van
de
Verenigde
Naties.
Tijdens
die
vergaderingen,
waarvoor
twee
derde
van
de
Staten
die
partij
zijn
het
quorum
vormen,
zijn
degenen
die
in
het
Comité
worden
gekozen
die
voorgedragen
personen
die
het
grootste
aantal
stemmen
op
zich
verenigen
alsmede
een
absolute
meerderheid
van
de
stemmen
van
de
aanwezige
vertegenwoordigers
van
de
Staten
die
partij
zijn
en
die
hun
stem
uitbrengen.
6.
De
leden
van
het
Comité
worden
gekozen
voor
een
ambtstermijn
van
vier
jaar.
Zij
zijn
herkiesbaar
indien
zij
opnieuw
worden
voorgedragen.
De
ambtstermijn
van
vijf
van
de
leden
die
bij
de
eerste
verkiezing
zijn
gekozen,
loopt
na
twee
jaar
af;
onmiddellijk
na
de
eerste
verkiezing
worden
deze
vijf
leden
bij
loting
aangewezen
door
de
Voorzitter
van
de
vergadering.
7.
Indien
een
lid
van
het
Comité
overlijdt
of
aftreedt
of
verklaart
om
welke
andere
reden
ook
niet
langer
de
taken
van
het
Comité
te
kunnen
vervullen,
benoemt
de
Staat
die
partij
is
die
het
lid
heeft
voorgedragen
een
andere
deskundige
die
onderdaan
van
die
Staat
is
om
de
taken
te
vervullen
gedurende
het
resterende
gedeelte
van
de
ambtstermijn,
onder
voorbehoud
van
de
goedkeuring
van
het
Comité.
8.
Het
Comité
stelt
zijn
eigen
huishoudelijk
reglement
vast.
9.
Het
Comité
kiest
zijn
functionarissen
voor
een
ambtstermijn
van
twee
jaar.
10.
De
vergaderingen
van
het
Comité
worden
in
de
regel
gehouden
ten
hoofdkantoren
van
de
Verenigde
Naties
of
op
iedere
andere
geschikte
plaats,
te
bepalen
door
het
Comité.
Het
Comité
komt
in
de
regel
eens
per
jaar
bijeen.
De
duur
van
de
vergaderingen
van
het
Comité
wordt
vastgesteld
en,
indien
noodzakelijk,
herzien
door
een
vergadering
van
de
Staten
die
partij
zijn
bij
dit
Verdrag,
onder
voorbehoud
van
de
goedkeuring
van
de
Algemene
Vergadering.
11.
De
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties
stelt
de
nodige
medewerkers
en
faciliteiten
beschikbaar
voor
de
doeltreffende
uitoefening
van
de
functies
van
het
Comité
krachtens
dit
Verdrag.
12.
Met
de
goedkeuring
van
de
Algemene
Vergadering
ontvangen
de
leden
van
het
krachtens
dit
Verdrag
ingesteld
Comité
emolumenten
uit
de
middelen
van
de
Verenigde
Naties
op
door
de
Algemene
Vergadering
vast
te
stellen
voorwaarden.
|
|
Artikel
44
1.
De
Staten
die
partij
zijn,
nemen
de
verplichting
op
zich
aan
het
Comité,
door
tussenkomst
van
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties,
verslag
uit
te
brengen
over
de
door
hen
genomen
maatregelen
die
uitvoering
geven
aan
de
in
dit
Verdrag
erkende
rechten,
alsmede
over
de
vooruitgang
die
is
geboekt
ten
aanzien
van
het
genot
van
die
rechten:
a)
binnen
twee
jaar
na
de
inwerkingtreding
van
het
Verdrag
voor
de
betrokken
Staat
die
partij
is;
b)
vervolgens
iedere
vijf
jaar.
2.
In
de
krachtens
dit
artikel
opgestelde
rapporten
dienen
de
factoren
en
eventuele
moeilijkheden
te
worden
aangegeven
die
van
invloed
zijn
op
de
nakoming
van
de
verplichtingen
krachtens
dit
Verdrag.
De
rapporten
bevatten
ook
voldoende
gegevens
om
het
Comité
een
goed
inzicht
te
verschaffen
in
de
toepassing
van
het
Verdrag
in
het
desbetreffende
land.
3.
Een
Staat
die
partij
is
die
een
uitvoerig
eerste
rapport
aan
het
Comité
heeft
overgelegd,
behoeft
in
de
volgende
rapporten
die
deze
Staat
in
overeenstemming
met
het
eerste
lid,
letter
b,
overlegt,
basisgegevens
die
eerder
zijn
verstrekt,
niet
te
herhalen.
4.
Het
Comité
kan
Staten
die
partij
zijn
verzoeken
om
nadere
gegevens
die
verband
houden
met
de
toepassing
van
het
Verdrag.
5.
Het
Comité
legt
aan
de
Algemene
Vergadering,
door
tussenkomst
van
de
Economische
en
Sociale
Raad,
iedere
twee
jaar
rapporten
over
aangaande
zijn
werkzaamheden.
6.
De
Staten
die
partij
zijn,
dragen
er
zorg
voor
dat
hun
rapporten
algemeen
beschikbaar
zijn
in
hun
land.
|
|
Artikel
45
Teneinde
de
daadwerkelijke
toepassing
van
het
Verdrag
te
bevorderen
en
internationale
samenwerking
op
het
gebied
dat
dit
Verdrag
bestrijkt
aan
te
moedigen:
a)
hebben
de
gespecialiseerde
organisaties,
het
Kinderfonds
van
de
Verenigde
Naties
en
andere
organen
van
de
Verenigde
Naties
het
recht
vertegenwoordigd
te
zijn
bij
het
overleg
over
de
toepassing
van
die
bepalingen
van
dit
Verdrag
welke
binnen
de
werkingssfeer
van
hun
mandaat
vallen.
Het
Comité
kan
de
gespecialiseerde
organisaties,
het
Kinderfonds
van
de
Verenigde
Naties
en
andere
bevoegde
instellingen
die
zij
passend
acht,
uitnodigen
deskundig
advies
te
geven
over
de
toepassing
van
het
Verdrag
op
gebieden
die
binnen
de
werkingssfeer
van
hun
onderscheiden
mandaten
vallen.
Het
Comité
kan
de
gespecialiseerde
organisaties,
het
Kinderfonds
van
de
Verenigde
Naties
en
andere
organen
van
de
Verenigde
Naties
uitnodigen
rapporten
over
te
leggen
over
de
toepassing
van
het
Verdrag
op
gebieden
waarop
zij
werkzaam
zijn;
b)
doet
het
Comité,
naar
zij
passend
acht,
aan
de
gespecialiseerde
organisaties,
het
Kinderfonds
van
de
Verenigde
Naties
en
andere
bevoegde
instellingen,
alle
rapporten
van
Staten
die
partij
zijn,
toekomen
die
een
verzoek
bevatten
om,
of
waaruit
een
behoefte
blijkt
aan,
technisch
advies
of
technische
ondersteuning,
vergezeld
van
eventuele
opmerkingen
en
suggesties
van
het
Comité
aangaande
deze
verzoeken
of
deze
gebleken
behoefte;
c)
kan
het
Comité
aan
de
Algemene
Vergadering
aanbevelen
de
Secretaris-Generaal
te
verzoeken
namens
het
Comité
onderzoeken
te
doen
naar
specifieke
thema's
die
verband
houden
met
de
rechten
van
het
kind;
d)
kan
het
Comité
suggesties
en
algemene
aanbevelingen
doen
gebaseerd
op
de
ingevolge
de
artikelen
44
en
45
van
dit
Verdrag
ontvangen
gegevens.
Deze
suggesties
en
algemene
aanbevelingen
worden
aan
iedere
betrokken
Staat
die
partij
is,
toegezonden,
en
medegedeeld
aan
de
Algemene
Vergadering,
vergezeld
van
eventuele
commentaren
van
de
Staten
die
partij
zijn.
|
|
|
Deel
III |
|
Artikel
46
Dit
verdrag
staat
open
voor
ondertekening
door
alle
Staten.
|
|
|
Artikel
47
Dit
Verdrag
dient
te
worden
bekrachtigd.
De
akten
van
bekrachtiging
worden
nedergelegd
bij
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties.
|
|
|
Artikel
48
Dit
Verdrag
blijft
open
voor
toetreding
door
iedere
Staat.
De
akten
van
toetreding
worden
nedergelegd
bij
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties.
|
|
|
Artikel
49
1.
Dit
Verdrag
treedt
in
werking
op
de
dertigste
dag
die
volgt
op
de
datum
van
nederlegging
bij
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties
van
de
twintigste
akte
van
bekrachtiging
of
toetreding.
2.
Voor
iedere
Staat
die
dit
Verdrag
bekrachtigt
of
ertoe
toetreedt
na
de
nederlegging
van
de
twintigste
akte
van
bekrachtiging
of
toetreding,
treedt
het
Verdrag
in
werking
op
de
dertigste
dag
na
de
nederlegging
door
die
Staat
van
zijn
akte
van
bekrachtiging
of
toetreding.
|
|
|
Artikel
50
1.
Iedere
Staat
die
partij
is,
kan
een
wijziging
voorstellen
en
deze
indienen
bij
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties.
De
Secretaris-Generaal
deelt
de
voorgestelde
wijziging
vervolgens
mede
aan
de
Staten
die
partij
zijn,
met
het
verzoek
hem
te
berichten
of
zij
een
conferentie
van
Staten
die
partij
zijn,
verlangen
teneinde
de
voorstellen
te
bestuderen
en
in
stemming
te
brengen.
Indien,
binnen
vier
maanden
na
de
datum
van
deze
mededeling,
ten
minste
een
derde
van
de
Staten
die
partij
zijn
een
dergelijke
conferentie
verlangt,
roept
de
Secretaris-Generaal
de
vergadering
onder
auspiciën
van
de
Verenigde
Naties
bijeen.
Iedere
wijziging
die
door
een
meerderheid
van
de
ter
conferentie
aanwezige
Staten
die
partij
zijn
en
die
hun
stem
uitbrengen,
wordt
aangenomen,
wordt
ter
goedkeuring
voorgelegd
aan
de
Algemene
Vergadering.
2.
Een
wijziging
die
in
overeenstemming
met
het
eerste
lid
van
dit
artikel
wordt
aangenomen,
treedt
in
werking
wanneer
zij
is
goedgekeurd
door
de
Algemene
Vergadering
van
de
Verenigde
Naties
en
is
aanvaard
door
een
meerderheid
van
twee
derde
van
de
Staten
die
partij
zijn.
3.
Wanneer
een
wijziging
in
werking
treedt,
is
zij
bindend
voor
de
Staten
die
partij
zijn
die
haar
hebben
aanvaard,
terwijl
de
andere
Staten
die
partij
zijn
gebonden
zullen
blijven
door
de
bepalingen
van
dit
Verdrag
en
door
iedere
voorgaande
wijziging
die
zij
hebben
aanvaard.
|
|
|
Artikel
51
1.
De
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties
ontvangt
de
teksten
van
de
voorbehouden
die
de
Staten
op
het
tijdstip
van
de
bekrachtiging
of
toetreding
maken,
en
stuurt
deze
rond
aan
alle
Staten.
2.
Een
voorbehoud
dat
niet
verenigbaar
is
met
doel
en
strekking
van
dit
Verdrag
is
niet
toegestaan.
3.
Een
voorbehoud
kan
te
allen
tijde
worden
ingetrokken
door
een
daartoe
strekkende
mededeling
gericht
aan
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties,
die
vervolgens
alle
Staten
hiervan
in
kennis
stelt.
Deze
mededeling
wordt
van
kracht
op
de
datum
van
ontvangst
door
de
Secretaris-Generaal.
|
|
|
Artikel
52
Een
Staat
die
partij
is,
kan
dit
Verdrag
opzeggen
door
een
schriftelijke
mededeling
aan
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties.
De
opzegging
wordt
van
kracht
één
jaar
na
de
datum
van
ontvangst
van
de
mededeling
door
de
Secretaris-Generaal.
|
|
|
Artikel
53
De
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties
wordt
aangewezen
als
de
depositaris
van
dit
Verdrag.
|
|
|
Artikel
54
Het
oorspronkelijke
exemplaar
van
dit
Verdrag,
waarvan
de
Arabische,
de
Chinese,
de
Engelse,
de
Franse,
de
Russische
en
de
Spaanse
tekst
gelijkelijk
authentiek
zijn,
wordt
nedergelegd
bij
de
Secretaris-Generaal
van
de
Verenigde
Naties.
TEN
BLIJKE
WAARVAN
de
ondertekenende
gevolmachtigden,
daartoe
behoorlijk
gemachtigd
door
hun
onderscheiden
Regeringen,
dit
Verdrag
hebben
ondertekend. |
|
|
| |