f4j.be » informatie over (co-)ouderschap en (echt)scheiding is co- ouderschap in het belang van het kind?      :: Ga naar  
 

f4j.be home

Bron     Jan Piet De Man
Datum  15/10/06

 

Is "co-ouderschap" in het belang van het kind?

 

 

PDF

Is "co-ouderschap" in het belang van het kind?

Jan Piet De Man
WORD

Is "co-ouderschap" in het belang van het kind?

Jan Piet De Man

Op 03.06.95 is de "wet op de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag" in voege getreden. Deze wet wordt door vele juristen de wet op het co-ouderschap genoemd [i]/. Deze wet heeft, zoals haar naam duidelijk aangeeft, inderdaad een wettelijke basis gegeven aan wat men het juridische gezags-co-ouderschap zou kunnen noemen, nl. aan het principe, dat beide ouders gezamenlijk de beslissingen moeten nemen betreffende hun kinderen; het co-beslissingsrecht zou men het dus ook kunnen noemen, of gezamenlijk gezag.

De term "co-ouderschap" werd in het nederlandse taalgebied ingevoerd toen het amerikaanse boek over "co-parenting" werd vertaald [ii]/. "Parenting" kon echter niet letterlijk vertaald worden: in het nederlands bestaat wel het woord bemoederen, het woord bevaderen eigenlijk nog niet, en het woord beouderen helemaal niet. Dus "co-ouderschap". Bij dit woord denkt het grote publiek meestal onmiddellijk aan "beide ouders (...) nemen om beurten de volledige verzorging op zich" [iii]/, meestal "een week bij moeder en een week bij vader". Dit is wat men, in de nieuwe juridische terminologie, beurtelingse huisvesting zou kunnen noemen, of nog, populairder, de co-zorg: het opvoedkundig-relationele verblijfs-co-ouderschap, of, met een geleerd klinkend neologisme, de bilocatieregeling [iv]/ -d.w.z., zoals een jong-volwassen echtscheidingskind me onlangs zei: "dan had ik mij op twee plaatsen thuis gevoeld"-. Over dit aspekt van co-ouderschap rept de nieuwe wet echter met geen woord. Alleen in haar voorbereidende werken wordt gezegd "dat het (wets)voorstel niet tegen alternerende bewaring gekant is (...)" "Evenzo kan de rechtbank de uitoefening van het recht van bewaring verregaand opdelen en zelfs een alternerende bewaring instellen." [v]

Die twee aspecten, gezagsuitoefening en huisvesting, moeten nochtans duidelijk onderscheiden worden [vi]/.

 

 
   

 

1. Gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag.

 Dit gezamenlijk gezag stelt de nieuwe wet als algemeen principe: zowel voor (met elkaar of met iemand anders) gehuwde ouders als voor ongehuwde ouders, zowel voor samenwonende als niet (meer) samenwonende ouders. Hierop zijn twee nuances ingevoerd, en een uitzondering.

 Een eerste nuance is volgende nieuwigheid: "De rechtbank kan een van de (samenlevende) ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor een of meer bepaalde handelingen."

 Een tweede nuance, die zowel voor samenlevende ouders geldt als voor de niet-samenlevende, is veel belangrijker: "Ten opzichte van derden die ter goede trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag (over de persoon van het kind) verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen" (b.v. adoptie). Een ouder kan dus nog altijd zijn kind laten hospitaliseren, of inschrijven in een school, voor de lessen godsdienst, in een jeugdbeweging, voor een kamp, ..., zonder dat de andere ouder het weet. Deze andere ouder mag nu -belangrijke nieuwigheid!- wel "bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent (nl. omtrent de opvoeding en het beheer van de goederen van het kind) inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden." [vii]/

Is de jeugdrechtbank de oplossing die het meest in het belang van het kind is? Voor de rechter zullen beide ouders hun argumenten tegen de beslissing of opvatting van de andere ouder duidelijk in de verf  zetten (of laten zetten door hun advokaat, die alleen maar het belang van zijn eigen cliënt moet verdedigen); dit "zwartmaken" zal de verstandhouding tussen beide ouders eerder verder afbreken dan verbeteren [viii]/, en dat is zeker niet in het belang van het kind. De wetgever had dit kunnen vermijden door, zoals bij het huwelijk en in de oude artikelen 374 & 377 & 385 B.W., een -verbeterd: evenwichtiger- "wettelijk stelsel" in te voeren dat geldt wanneer beide ouders niet anders overeenkomen [ix]/. De ouders (en hun rechters, advokaten en andere hulpverleners, zoals scheidings-bemiddelaars) kunnen dit nog doen, door van in het begin "noodoplossingen" neer te schrijven die zullen gelden wanneer beide ouders niet tijdig tot een akkoord geraken. Zo kunnen de ouders b.v. overeenkomen dat bij gebrek aan akkoord over de school- of beroepsoriëntering het advies van het P.M.S.centrum zal gevolgd worden, dat het kind "katholieke godsdienst" zal volgen tenzij beide ouders anders overeenkomen, dat voor de ontspanningsaktiviteiten van hun zoon de vader en voor die van hun dochter de moeder de doorslaggevende stem zal hebben wanneer beiden en het kind er niet tijdig in slagen een gezamenlijke beslissing uit te werken, enz..

 Tenslotte is er voor de (al dan niet gehuwde) ouders die niet (meer) samenleven een uitzondering voorzien op het algemene principe van het gezamenlijk gezag: "Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes, of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders." Hoe dikwijls zullen de rechters deze uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag nog blijven uitspreken? Om dit te voorkomen, doen ouders die hun ouderlijk gezag verder (geheel of gedeeltelijk) gezamenlijk willen uitoefenen, er veiligheidshalve dus goed aan, hun (al dan niet met de hulp van een scheidingsbemiddelaar uitgewerkte) overeenkomsten over die 6 punten (organisatie van de huisvesting, ...) op papier te zetten en desgevallend aan de rechter voor te leggen. Ook hier heeft de wet de nieuwigheid van de deels gezamenlijke, deels uitsluitende gezagsuitoefening voorzien: "Hij (de rechter) kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide (niet samenlevende) ouders kunnen worden genomen." Die rechter zal dat graag doen op voorlegging van een overeenkomst die beide ouders hem of haar voorleggen. De wet verplicht die rechter nu ook "de wijze (te bepalen) waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt." Die overeenkomst bevat dus ook best een nauwkeurige omschrijving van de dagen en uren warop dat contactrecht zal uitgeoefend worden. Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming zijn de ouders er trouwens toe verplicht, "hun overeenkomst (...) bij geschrift vast te leggen" omtrent dat "recht op persoonlijk contact", evenals over dat "gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen", en bovendien over "de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van voornoemde (minderjarige, niet ontvoogde, ...) kinderen".

 
   

 

2. Beurtelingse huisvesting.

 "Men vraagt zich dikwijls af of al dat verhuizen wel goed is voor de kinderen." [x]/ Wie zich dat afvraagt beseft blijkbaar niet dat kinderen die beurtelings één week bij elk van hun ouders verblijven, even vaak verhuizen als kinderen die, zoals traditioneel gebruikelijk, één weekeinde op twee naar hun niet-inwonende ouder gaan: nl. tweemaal per veertien dagen (tijdens het schooljaar). Alleen duurt het verblijf bij deze ouder dan een volle week in plaats van slechts een weekeinde.

Wat men zich moet afvragen is dus, welke verblijfsduur (een weekeinde of een week om de veertien dagen) het beste is voor de kinderen. De ervaring leert: "Zo worden vaders met een klassieke omgangsregeling gemakkelijk in de positie van 'suikeroom' geduwd, waarin ze zich voortdurend afvragen wat ze kunnen doen om hun kinderen te plezieren, terwijl vaders met een co-ouderschapsregeling (met een beurtelingse huisvesting) gewoon met hun kinderen samenwonen en een natuurlijke band met hen onderhouden" [xi]/ en behouden. En deze relationele stabiliteit is belangrijker dan de stabiliteit van de verblijfplaats, zo blijkt uit objektief wetenschappelijk onderzoek [xii]/. Logisch toch? Want ook een kind (door zijn materiële afhankelijkheid nog meer dan een volwassene) verliest niet graag een bron van affectie en waardering; en om vertrouwen in anderen te leren hebben (en houden!), moet een kind ervaren dat de affectieve ouder-kind-band toch wel blijft duren (niettegenstaande de echtelijke liefdesband blijkbaar wel kan verdwijnen). Alleen een kind van minder dan zo'n negen maand oud heeft de materiële stabiliteit van zijn omgeving nodig, omdat het daardoor het onderscheid tussen zichzelf en de buitenwereld moet leren.

 Maar ik heb afgeleerd, een uitleg die logisch klinkt daarom als bewijs van waarheid te aanvaarden: ik heb al te dikwijls moeten vaststellen dat een "logische" verwachting niet bewaarheid wordt door de feiten, en dat men voor twee tegengestelde stellingen een even logisch klinkende uitleg kan geven (b.v. "pleegkinderen kan je best aan een pleeggezin met eigen kinderen geven, omdat dit al opvoedingservaring heeft" tegenover "pleeggezinnen zonder eigen kinderen zullen het pleegkind niet kunnen vergelijken met hun eigen kinderen, die het, door hun beter verleden, beter doen, wat dus nadelig uitvalt voor het pleegkind").

Wat zijn dan de feiten in verband met beurtelingse huisvesting en het traditionele "éénouderschap" na scheiding? Wat kunnen we hieromtrent leren uit objektief empirisch wetenschappelijk onderzoek naar de ervaringen in de praktijk?

 
   

 

2.1. Wetenschappelijk onderzoek.

 Wanneer men de resultaten van verscheidene wetenschappelijke onderzoeken naast elkaar legt, lijken die elkaar soms tegen te spreken. Dit is meestal te wijten aan te vergaand veralgemenen van de resultaten. De resultaten van een wetenschappelijk onderzoek hangen immers af van zijn methodes: o.a. van de gegevens die men verzamelt (wanneer men het aantal beenderen telt zal men geen verschil vinden tussen afrikanen en europeanen, wanneer men "kroeshaar" en "sluik haar" als gegevens noteert wel), en van welke steekproeven men onderzoekt (dit verschil zal men toch niet vinden wanneer men alleen universiteits-studenten uit Kaapstad en Amsterdam in het onderzoek opneemt; maar dit is geen bewijs dat er helemaal geen verschil is tussen europeanen en afrikanen). Aan ogenschijnlijk tegengestelde resultaten mag men dus niet meer belang hechten dan verantwoord. Maar wanneer vele onderzoeks-resultaten elkaar bevestigen, en weinig of niet "tegengesproken" worden door andere, kan men niet beter doen dan zich daarop baseren.

 
   

 

 2.2. Eénouderschap.

 Zo deskundig beschouwd, heeft het empirisch wetenschappelijk onderzoek al wel met voldoende klaarheid aan het licht gebracht dat de traditionele hoede-bezoek-regelingen tot te veel ongewenste resultaten leiden [xiii] /. Maar gelukkiglijk worden niet alle scheidings-kinderen delinquent, asociaal, ziek, slechte leerlingen, ... . Wat maakt het verschil tussen een goede verwerking van de scheiding en een ongunstige evolutie? Wanneer zijn de risico's hierop het kleinst? Ook op die vraag geeft het wetenschappelijk onderzoek meer en meer duidelijke antwoorden.

 Het grootste aantal elkaar bevestigende onderzoeken hebben ontdekt dat "regelmatige contacten van de "afwezige" ouder met het kind [xiv]/ (...) de cognitieve, sociale en emotionele aanpassing van de kinderen positief beïnvloeden" [xv] /. Aan deze voorwaarde voldoet beurtelingse huisvesting alvast wel. Dat betekent ook dat het "contactrecht" zeker in het belang van het kind is; de nieuwe wet stelt dus terecht: "Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd." Dat betekent bovendien dat de "hoofdverblijf-ouder" die contacten niet alleen moet aanvaarden, maar zelfs sutimuleren; en dat het in het belang van het kind zou zijn, het niet langer hoofdzakelijk bij die niet-stimulerende ouder te laten verblijven, maar bij de ouder die het meest open staat voor contacten met de andere ouder.

 Voorts ontdekken wetenschappelijke onderzoeken telkens weer dat voor een goede afloop van het gebruikelijke éénouderschap vereist zijn:

"‑ een laag niveau van ouderlijke conflicten voor en na de scheiding [xvi] /,

‑ een evenwichtige en steungevende relatie tussen de ex‑echtgenoten,

‑ een emotioneel gezinsklimaat dat het bespreken van de problemen in verband met de scheiding, toelaat en bevordert [xvii] /;

‑ een hoge mate van overeenstemming, ook tussen de gescheiden ouders, betreffende opvoedings-methodes en discipline‑maatregelen [xviii]/," [xix] /

 
   

 

2.3. Beurtelingse huisvesting.

 Al de voorwaarden voor een goede afloop van een beurtelingse huisvesting, nl. "dat de ouders hun echtelijke conflicten opzij kunnen zetten in functie van hun ouderlijke verantwoordelijkheden. Hun relatie moet gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen en respect. Ze hoeven dus niet noodzakelijk vrienden te zijn, maar ze moeten wel een positieve houding hebben tegenover de relatie die de ex-partner met de kinderen heeft. Iedere ouder moet in staat zijn een zinvolle actieve relatie te ontwikkelen met de kinderen, zonder de voortdurende controle of kritiek van de ander. (...) Dit vraagt soms een grote inspanning van de ex-partners, daar gevoelens van agressie, woede, schuld en machteloosheid, die tijdens de scheiding vaak opkomen, opzij moeten gezet worden. (... De) ouders zijn genoodzaakt van bij het begin een aantal afspraken te maken om de regeling goed te laten draaien. Deze afspraken zullen meestal na verloop van tijd wijzigingen ondergaan naargelang de concrete situatie waarin de beide gezinnen zich bevinden. Het is belangrijk dat deze mogelijkheid wordt ingecalculeerd, opdat niet, telkens er iets gewijzigd dient te worden, conflicten zouden ontstaan tussen de ex-echtgenoten. (...) Het wonen in elkaars buurt is aangewezen in verband met de kinderen. Op die manier kunnen ze (...) dezelfde clubs en vriendenkringen behouden, telkens ze van het ene huis naar het andere gaan. (...) Omtrent de financies dienen eveneens concrete regelingen getroffen te worden. (...) Meestal zal men een bijdrage vaststellen, evenredig aan het inkomen.

(...) Veranderingen in de financiën kunnen eveneens ingecalculeerd worden, bijvoorbeeld bij salaris-verhoging (en -verlaging) van één van de partners. (...) Om de regeling te doen slagen moeten beiden (er) ècht (in) geloven (...). Aldus zal een regeling die onder druk werd bereikt, weinig effect sorteren. Beide ouders dienen hun kinderen te steunen in hun contact met de andere ouder. Indien men niet kan verdragen dat de andere ouder een eigen relatie heeft met de kinderen, of indien men de kinderen gebruikt als spion, (...) zal er van de bedoelde regeling weinig (goeds) in huis komen. Een minimum aan eensgezindheid is dus gewenst." [xx]/ - al deze voorwaarden zijn voor een goede afloop van het gebruikelijke "éénouderschap" dus evenzeer vereist als voor een beurtelingse huisvesting (en des te meer voor een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag).

 [ Dat de ouders voortdurend ruzie maken is trouwens niet alleen slecht voor hun kinderen bij éénouderschap en bij beurtelingse huisvesting (en maakt gezamenlijke uitoefening van hun ouderlijk gezag volledig onmogelijk), maar is ten minste even slecht wanneer beide ouders samenleven. Anders gezegd: een "slecht huwelijk" met samenwonen is niet beter voor de kinderen dan een echtscheiding, "samenblijven voor de kinderen" kan hen meer kwaad doen dan goed. Kortom: voortdurend ruzieënde ouders zijn altijd slecht voor hun kinderen. Het meest in het belang van de kinderen is dus, hun ouders deskundig te helpen hun ruzies om te turnen in probleemoplossende gedachtenuitwisselingen (en vrijblijvend meedelen van gevoelens). Een beter onderbouwde deskundige hulpverlening is dus sterk aan te bevelen. ]

 Welke regeling is dan het meest in het belang van het kind wanneer al de mogelijke hulpverlening, (echt)scheidingsbemiddeling incluis, niet helpt, en de ouders toch (nog) niet akkoord geraken over hoe het gezin in twee huizen verder moet leven? Welk is dan het minste kwaad: éénouderschap of beurtelingse huisvesting, een weekeinde of een volle week om de veertien dagen? Op die vraag heb ik tien jaar lang naar een antwoord gezocht dat overeenstemt met objectieve ervaringsfeiten.

 
   

 

2.3.1. Vergelijking van onderzoeken.

 In het wetenschappelijk onderzoek dat ik daartoe ijverig verzamelde, merkte ik vooreerst op dat "veruit de meeste onderzoeken bij het traditionele éénouderschap hebben vastgesteld dat "echt-scheidingskinderen inderdaad onder beduidende aanpassingsproblemen lijden.(...) In tegenstelling met die bevindingen, hebben de minder talrijke studies over echte co‑ouderschaps-relaties telkens  weer slechts minimale aanpassingsproblemen gevonden bij de kinderen. Steinman [xxi]/ vond dat kinderen in co‑ouderschap-situaties geen last hadden van de loyauteits-konflikten die Goldstein et al. hadden voorspeld [xxii]/ (...). Misschien is het nog belangrijker dat (...) deze kinderen niet het verpletterende gevoel van verwerping ervaarden dat men vond bij kinderen in de meer gebruikelijke regeling na echtscheiding van moeders met hoederecht en afwezige vaders." [xxiii]/ "Twee bevindingen worden telkens weer bevestigd door de enkele onderzoeken die gegevens over de kinderen behandelen: een minderheid van kinderen vertonen in zekere mate moeilijkheden om zich aan te passen aan de eisen van hun beurtelingse huisvesting; en het percentage van zulke kinderen en de ernst van hun problemen waren nooit erger dan die bij kinderen uit alleen-hoederecht-gezinnen, en waren soms beter.

Bij voorbeeld, stellen verschillende onderzoekers een "goede" aanpassing van de kinderen aan hun beurtelingse huisvesting vast, gekoppeld aan een "hoge" graad van tevredenheid van de beurtelings gehuisveste kinderen en slechts "geringe" moeilijkheden in de overgangsfase [xxiv]/. De moeilijkheden die verwacht werden voort te komen uit het verhuizen van één huishouden naar het andere en van het samenleven met ouders met uiteenlopende levensstijlen, kwamen in werkelijkheid niet voor in de meeste gevallen." [xxv]/

 De door de tegenstanders gevreesde gevolgen van de "nadelen" van beurtelingse huisvesting ‑zoals het "telkens moeten verhuizen" van de kinderen‑ blijken dus in het algemeen niet door te wegen tegenover de voordelen ‑ zoals het niet verliezen van één affectieve ouder‑kind‑relatie, het niet moeten "kiezen" tussen zijn beide geliefde ouders, die als part‑time‑ouders minder gefrustreerd zijn, enz. ... ‑ .

Dat wekt de verwachting dat de beurtelingse huisvesting in het algemeen meer in het belang van de kinderen is dan het traditionele éénouderschap." [xxvi]/

 
   

 

2.3.2. Vergelijkend algemeen onderzoek.

 Is dit feitelijk ook zo? Om deze vraag te beantwoorden, is onderzoek nodig dat de twee verblijfsregelingen met elkaar vergelijkt.

"De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat beurtelings gehuisveste jongens emotioneel significant beter aangepast zijn dan jongens uit alleenhoederecht, en (ook dan jongens) uit de groep met ongelukkig gehuwde (nog samen-wonende) ouders (...). Er waren geen significante verschillen, op geen enkele totale test of subtest, tussen jongens uit alleenhoederecht en jongens met ongelukkig gehuwde ouders. (...) Omgekeerd ondersteunen de resultaten de mogelijkheid dat de situatie kan verbeteren door van een ongelukkig gehuwde situatie te veranderen naar echtscheiding met co‑ouderschap." [xxvii]/ Een "goede" echtscheiding met beurtelingse huisvesting blijkt voor de kinderen dus beter te zijn dan een voortdurend "slecht" huwelijk. "(...) in een ander onderzoek werd ontdekt dat beurtelings gehuisveste jongens in de latentie-fase, beter aangepast gedrag vertoonden en minder overstuur waren tengevolge van  de echtscheiding en de conflicten tussen hun ouders dan de "alleenhoede-jongens" [xxviii]/." [xxix]/

"Uit de beschikbare gegevens blijkt het voornaamste voordeel van beurtelingse huisvesting te zijn dat deze verblijfsregeling minder vaak mislukt, en aldus een positieve ervaring na de scheiding geeft aan een groter deel van de betrokken kinderen." [xxx] /

"Dit onderzoek toonde aan dat co‑ouders minder konflikten hadden dan alleenhoede‑ouders met hun ex‑echtgenoten. (...) Niet dat co‑ouders geen verschillen van mening hadden; zij hadden meningsverschillen, (...) maar zij waren in staat op een meer beschaafde manier van mening te verschillen dan hun tegenhangers met alleenhoederecht." [xxxi]/ "Bovendien werd vastgesteld [xxxii]/ dat "co-moeders" hun ex-echtgenoten vaker begripvol en steungevend vonden, en vaker hun opvoeders-kwalieiten respecteerden. (...)

Beurtelings huisvestende vaders waren in hoge mate betrokken bij hun vaderschap na hun echtscheiding [xxxiii]/; de graad van betrokkenheid is significant hoger dan bij vaders zonder hoederecht (65% tegenover 23%) [xxxiv]/; en, de continuïteit van de betrokkenheid blijkt de norm te zijn [xxxv]/. Verder (...) waren co-ouders, in tegenstelling tot alleen-hoederecht-ouders, beter ingelicht over hun kinderen, hadden zij meer invloed op hun leven, en waren zij meer tevreden over de mate waarin zij die invloed hadden [xxxvi]/. (...) beurtelings huisvestende moeders melden tevens een vermindering van hun belasting door de zorg voor hun kinderen [xxxvii]/.

Tenslotte (...) voelden beurtelings gehuisveste kinderen zich meer op hun gemak om hun gevoelens te uiten (zowel de positieve als de negatieve), en fantaseerden zij tevens minder vaak over een verzoening van hun ouders [xxxviii]/. (...)

Gelet op de intensiteit van de conflicten die typisch is voor alleen-hoederecht-ouders [xxxix] /, is het opmerkenswaardig dat beurtelings huisvestende ouders het opstellen van een verblijfsregeling significant minder vaak een "ernstig probleem" vonden [xl]     - M. BENJAMIN & H.H. IRVING, H.H. Comparison of the experience of satisfied and dissatisfied shared parents. Journal of Divorce 1989, 14./." [xli]American Psychologist 36 (1981), 856‑866./.

"De kwestie van de tevredenheid van co-ouders en hun kinderen werd uitvoerig onderzocht. De consensus is dat zowel de beurtelings huisvestende ouders als hun kinderen een "hoge" mate van tevredenheid meedelen, met percentages die oplopen van 67% [xlii]/ tot 84% [xliii]2nd Ed. Washington, D.C.: Bureau of National Affairs and Association of Family & Conciliation Courts, 1989./. Bovendien waren beurtelings huisvestende ouders (en vooral de vaders) significant meer tevreden dan ouders met een alleenhoederecht-regeling [xliv]"Fathers, children, and joint custody." American Journal of Orthopsychiatry 1979, 49, 311-319./. (...) co-ouders meldden veel minder problemen, en minder erge problemen. (...) beurtelings huisvestende vaders waren significant meer tevreden dan hun tegenhangers zonder hoederecht (87% tegenover 64%) (...) Verder correleerde de tevredenheid van de kinderen hoog met die van hun ouders. [xlv]/ Tenslotte waren de co-ouders en hun kinderen tevreden om verschillende redenen: de ouders omwille van het gezamenlijk beslissen en een positieve aanpassing van de kinderen aan de echtscheiding; de kinderen omwille van de continuïteit van de relaties met hun leeftijdsgenoten, de vermindering van de spanningen, en het gevoel dat zij niet langer deel uitmaakten van het gevecht tussen de echtgenoten. Er was nochtans één punt waarover ouders en kinderen het eens waren: de continuïteit van de ouder-kind-relaties. Voor de vaders betekende dit continuïteit van de betrokkenheid als ouders en van de ouder-kind-interacties. Voor de kinderen betekende het, het gevoel gewenst te zijn en twee ouders te hebben. Bijgevolg beveelden de meeste co-ouders en "co-kinderen" de beurtelingse huisvesting aan [xlvi]Canadian Family Law Quarterly 1986, 1, 79-103./.

(...) Bij de vrouwen met alleenhoederecht is het een veel voorkomend probleem , dat de onderhouds-uitkeringen onregelmatig of helemaal niet betaald worden [xlvii]/, hetgeen bijdraagt tot de armoede bij een groot deel van deze moeders en hun kinderen [xlviii]/. (...) In tegenstelling daarmee rapporteren de meeste onderzoeken van co-ouders regelmatige betalingen door de vaders [xlix]/ (...) Co-ouders meldden vaker dan de alleenhoederecht-ouders regelmatige betalingen der onderhoudsuitkeringen (vaders: 88% tegenover 61%; moeders: 83% tegenover 61%) [l]/." [li]/ In een ander onderzoek "kreeg de helft van de alleenhoederecht‑moeders slechts gedeeltelijk, onregelmatig, of helemaal geen onderhoudsgeld voor de kinderen. Deze gegevens worden bevestigd door de bevindingen van andere onderzoeken. (...) In dit onderzoek waren de "co‑vaders", in tegenstelling tot de "éénouderschap‑vaders", betrouwbare betalers van onderhoudsgeld voor hun kinderen. (...) Het is mogelijk dat "co‑vaders" blijven betalen voor hun kinderen omdat zij zich op andere manieren volledig betrokken voelen, en niet alsof zij hun kinderen verloren aan hun ex‑echtgenote." [lii]/ Die regelmatige betalingen zijn in het belang van de betrokken kinderen, vermits ook "het zeker stellen van voldoende financiële inkomsten [liii]New York: Basic Books 1980 (a)./" "de cognitieve, sociale en emotionele aanpassing van de kinderen positief beïnvloedt" [liv]American Psychologist 36 (1981), 856‑866./.

"Meer dan een derde van de co‑ouderschaps-gezinnen zeiden dat zij bijna uitsluitend op de andere ouder beroep deden voor opvang van de kinderen. In tegenstelling daarmee vermeldden de alleenhoederecht‑ouders de opvang als één van hun grootste problemen. Vooral de alleenhoederecht-moeders waren, door hun laag inkomen, dikwijls verplicht op hun gezin van afkomst beroep te doen voor opvang terwijl zij werkten, hetgeen de grootouders dikwijls overbelastte. (...) In tegenstelling daarmee was het voor de co-ouders een groot voordeel, altijd te weten dat hun kinderen ergens terecht konden wanneer zijzelf waren gaan werken of naar een sociale aktiviteit, en dat dit geen kosten met zich meebracht. (...)

Alle alleenhoederecht‑ouders meldden het gevoel, nogal eens overbelast te zijn door het alleen opvoeden, zonder iemand om mee te overleggen, en zonder vrije tijd. Beurtelingse ouders hebben een ingebouwde vrije tijd. Zonder het te moeten vragen of speciale plannen te moeten maken, hebben zij een gedeelte van de week (of dag of jaar) zonder kinderlast. (...)

Men mag redelijkerwijs besluiten dat beurtelingse huisvesting op zijn best beter is dan alleenhoederecht op zijn best." [lv]/

 
   

 

2.3.3. Opgelegde beurtelingse huis-vesting.

En wat wanneer de omstandigheden niet op hun best zijn, wanneer de ouders niet akkoord gaan over co‑ouderschap of over éénouderschap, wanneer zelfs professionele (echt)scheidingsbemiddelaars er niet in slagen hen tot een vergelijk te brengen, zodat de rechter moet beslissen en dus een regeling moet opleggen? Is beurtelingse huisvesting dan wel in het belang van het kind?

In Noord‑Amerika zijn er wetten die een voorkeur voor co‑ouderschap voorschrijven, en waar de rechter co‑ouderschap met beurtelingse huisvesting kan opgeleggen. "Alhoewel de ouders in elk van de types van verblijfsregelingen (beurtelingse huisvesting, hoofdverblijf bij moeder, bij vader) vergelijkbare niveau's van verbaal redeneren beschreven bij het begin van het onderzoek (= op het ogenblik van het gevecht voor de rechtbank, gemiddeld 4,5 jaar na de scheiding) rapporteerden de ouders met (opgelegde) beurtelingse huisvesting bij de follow‑up (= gemiddeld 29 maand later) significant meer redelijke verbale omgang (met elkaar) dan de ouders met alleenhoederecht. Er waren geen significante verschillen tussen (opgelegde) beurtelingse huisvesting en éénouderschap inzake agressie, (door de ouders) geuit bij het begin noch bij de follow‑up. (...)

Klinisch gestoorde kinderen bleken bij (opgelegde) beurtelingse huisvesting niet vaker voor te komen dan bij (opgelegd) alleenhoederecht.(...)

Slechts 1 ouder met (opgelegde) beurtelingse huisvesting (3%) verbrak het kontakt met haar kind, terwijl 12 ouders van alleenhoederecht-kinderen (18%) van het toneel verdwenen." [lvi]"Ongoing Postdivorce Conflict: Effects on Children of Joint Custody and Frequent Access.", Amer. J. Orthopsychiat. 59(4), October 1989, p. 582-583./

"Over een periode van twee jaar, meldden beurtelings huisvestende ouders half zo vaak (16%) dat zij een nieuw gerechtelijk geding aanspanden dan die met alleenhoederecht (32%) [lvii]/. Zelfs wanneer de beurtelingse huisvesting bij vonnis was opgelegd zonder instemming van beide ouders, verschilde het aantal nieuwe gedingen (33%) niet van dat bij alleenhoederecht-ouders. (...) Beurtelings huisvestende ouders bereikten hun hoederecht-overeenkomst vaker met onderlinge overeenkomst, en, eens dat deze in voege was, brachten zij er vaker informeel dan via de rechtbank veranderingen aan aan [lviii]/." [lix]/

 
   

3. Besluit.

3.1. Algemene regel

Uit de ervaring in de realiteit blijkt dus beurtelingse huisvesting meer in het belang van de kinderen te zijn dan de traditionele hoofdverblijf‑contact‑regeling, zelfs wanneer de ouders niet akkoord geraken over een verblijfsregeling (beurtelingse huisvesting of één enkele "hoofdverblijf-ouder"), ook niet met de hulp van een professionele (echt)scheidingsbemiddelaar.

3.2. Voorzorgsmaatregelen.

Bij erg ruzieënde ouders (en preventief dus best altijd) kan men voorzorgsmaatregelen nemen in het belang van de kinderen.

2.3.2.1. Kontakten tussen ouders vermijden.

 "Een aantal co‑vaders vertelden dat zij een kwade, vijandige relatie hadden met hun ex‑echtgenoten. Sommige gezinnen gebruiken de school liever dan de woning van de ouders, om er hun kinderen naartoe te brengen, zodat er maanden kunnen voorbijgaan zonder dat de ouders elkaar moeten zien of spreken, en zodoende hevige uitbarstingen in het bijzijn van het kind vermeden worden." [lx]49(2) Am. J. Orthopsychiatry 311, 318 (1979)./

2.3.2.2. Machtsevenwicht.

Bij een hoofdverblijfregeling krijgt de "hoofdverblijf-ouder" alle beslissingsmacht, zodat zij/hij te gemakkelijk in verleiding komt er misbruik van te maken. Om zulk machtsmisbruik, dat nadelig is voor de relaties tussen ouders en kinderen, te vermijden, kan men de verschillende onderdelen van het ouderlijk gezag zo evenwichtig mogelijk verdelen over beide ouders. Zulk een machtsevenwicht kan gemakkelijk gerealiseerd worden wanneer er b.v. twee gemeenschappelijke kinderen zijn: het volstaat, aan de moeder b.v. de doorslaggevende stem te geven wanneer beide ouders niet tijdig akkoord geraken over een beslissing betreffende hun dochter, en aan de vader wanneer het hun zoon betreft. Wanneer er maar één gemeenschappelijk kind is, kan men andere oplossingen bedenken: bij gebrek aan akkoord tussen de ouders, zal de moeder de doorslaggevende stem hebben tot de negende verjaardag van het kind, en de vader nadien; of nog: aan de moeder het gezag over de persoon, en aan de vader het beheer van de goederen der kinderen geven.

 

Jan Piet DE MAN
kinder- en gezinspsycholoog
Werkgroep Co-ouderschap
en Beurtelingse Huisvesting
Europees Instituut voor het Belang van het Kind
Ter Voortlaan 58, 2650 Edegem 2
tel. ('s namiddags) & fax: 03.4405326
 
   

 
Datum   Type Titel Bron
27/01/06 document Het verslag "gelijkmatig verdeelde huisvesting" subcommissie familie (331 blz. PDF) De kamer
13/04/95 document Verslag Subcommissie echtscheiding co- ouderschapswet-93blz- (Wet van 13/04/1995) De kamer
03/12/04 document Welzijn van het kind. De ministerraad bekent schending EVRM en IVRK ! Ministerraad
04/09/06 document De bilocatiewet van 18 juli 2006 Staatsblad

 


[i]/ Cf. o.a.:

- P. SENAEVE (ed.): Co-ouderschap en Omgangsrecht. Commentaar op de Wet van 13 april 1995. Maklu Uitgevers, Antwerpen-Apeldoorn, 1995.

- MOSSELMANS, MARTINE:

Een verouderd familierecht.

(In: Dossier Nieuw-samengestelde Gezinnen.)

Vrouwenraad, derde trimester 1997, blz. 36-41: blz.38.

 

[ii]/ - M. GALPER: Co-ouderschap. Een gids voor ouders die na de scheiding hun kind samen willen blijven opvoeden. Baexem (NL): Gamma Publicaties, 1980. Oorspronkelijke titel: Co-parenting. Running Press, 1978.

- Eerste boek van nederlandse auteurs:

P. VAN DER LOOS & R. WITTINK:

Twee ouders, twee huizen. Co-ouderschap na scheiding. 's Gravenhage (NL): VUGA Uitgeverij B.V., 1985 & 1987.

 

[iii]/ Cf. B.R.T.-OMMEKAAR: Kiezen voor delen. Co-ouderschap. Ommekaar, maandblad, februari 1986.

[iv]/ J. PARLEVLIET: Ouderschap na echtscheiding, over nieuwe ontwikkelingen in regelingspraktijken bij gescheiden ouders en hun kinderen.

Zeist (NL): Nisso Studies, 1985.

 

[v]/ G. SWENNEN:

Verslag namens de Commissie voor de Justitie.

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers,

nr. - 1430 - 4 - 93 / 94, 15 december 1994, pp. 9 & 7.

 

[vi]/ J.P. DE MAN: Het belang van het kind bij (echt)scheiding. Revue Trimestrielle de Droit Familial, 3-4/1992, pp. 227-236.

 

[vii]/ Artt. 374 en 376 B.W., die gelden voor de "ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent". Wanneer de ouders hun gezag (juridisch gezien) nog wel gezamenlijk uitoefenen, geeft dit hen ipso facto ook het recht informatie in te winnen - en dan niet alleen over die opvoeding en dat goederenbeheer -. Dat (al dan niet beperkte) informatierecht geldt dus voor alle ouders.

[viii]/ Cf. Robert F. COCHRAN: Reconciling the Primary Caretaker Preference, the Joint Custody Preference, and the Case‑by‑Case Rule. in: JAY FOLBERG (ed.): Joint Custody & Shared Parenting., New York & London, The Guilford Press, 1991, p.220‑222 & 229 & 232;

geciteerd in:J.P. DE MAN: Het belang van het kind bij (echt)scheiding. Revue Trimestrielle de Droit Familial, 3-4/1992, pp. 227-236.

 

[ix]/ B.v. zoals gesuggereerd in: J. P. DE MAN: Humanisering van de wetgeving i.v.m. (echt)scheiding: synthese van de wetsvoorstellen i.v.m. co‑ouderschap en aanpassing aan het belang van het kind.

Europees Instituut voor het Belang van het Kind, Edegem, B, 21.11.1993.

 

[x]/ H. DE LEERSNIJDER: Co-ouderschap na echtscheiding. Een kritische benadering van een actueel probleem. Rondom Gezin, 9e jrg., nr. 1, april 1988, p. 30.

[xi]/ H. DE LEERSNIJDER: Co-ouderschap na echtscheiding. Een kritische benadering van een actueel probleem.

Rondom Gezin, 9e jrg., nr. 1, april 1988, p. 29.

[xii]/ J.P. DE MAN: Het belang van het kind bij (echt)scheiding. Revue Trimestrielle de Droit Familial, 3-4/1992, pp. 227-236.

[xiii]/ J.P. DE MAN: Het belang van het kind bij (echt)scheiding. Revue Trimestrielle de Droit Familial, 3-4/1992, pp. 227-236.

 

[xiv]/ - R.D. HESS & K.A. CAMARA:

Post‑Divorce Family Relationships as Mediating Factors in the Consequences of Divorce for Children.

Journal of Social Issues 35 (1979), 79‑96.

‑ E.M. HETHERINGTON, M. COX & R. COX: Divorced Fathers. Family Coordinator 25 (1976), 417‑428.

‑ E.M. HETHERINGTON, M. COX & R. COX: The Aftermath of Divorce. In: STEVENS, J.H. & MATHEWS, M. (Eds.): Mother‑Child, Father‑Child Relationships. National Association for the Education of Young Children, 1978, 149‑176.

- D.S. JACOBSEN: The Impact of Marital Separation/Divorce on Children: I. Parent‑Children Separation and Child Adjustement.

Journal of Divorce 1 (1978), 341‑360 (a).

- R. ROSEN: Some Crucial Issues Concerning Children of Divorce. Journal of Divorce 3 (1979), 19‑25.

- J.S. WALLERSTEIN & J.B. KELLY: Surviving the Breakup: How Children and Parents Cope with Divorce. New York: Basic Books 1980 (a).

- J.S. WALLERSTEIN & J.B. KELLY: Effects of Divorce on the Visiting Father‑Child relationship. American Journal of Orthopsychiatry 137 (1980), 1534‑1539 (b).

 

[xv]/ J.P. DE MAN: Echtscheiding en de gevolgen voor het kind. Wanneer is de scheiding het minst nadelig voor het kind? Edegem (B): eigen uitgave, 1989.

Bewerkte gedeeltelijke vertaling uit:

W.A. FTHENAKIS, R. NIESEL & H.‑R. KUNZE: Ehescheidung; Konsequenzen für Eltern und Kinder. München‑Wien‑Baltimore: Urban & Schwarzenberg, 1982. Verwijzend naar: L.A. KURDEK: An Integrative Perspective on Children's Divorce Adjustement, American Psychologist 36 (1981), 856‑866.

 

[xvi]/ B. ‑ Berg & R. Kelly: The Measured Self‑Esteem of Children from Broken, Rejected, and Accepted Families.

Journal of Divorce 2 (1979), 363‑370.

- D.S. JACOBSEN: The Impact of Marital Separation/Divorce on Children: II. Interparent Hostility and Child Adjustement.

Journal of Divorce 2 (1978), 3‑19 (b).

‑ J.S. LOWENSTEIN & E.J. KOOPMAN: A Comparison of the Self‑Esteem Between Boys Living with Single‑Parent Mothers and Single‑Parent Fathers.

Journal of Divorce 2 (1978), 195‑208.

‑ R. ROSEN: Some Crucial Issues Concerning Children of Divorce. Journal of Divorce 3 (1979), 19‑25.

- J.S. WALLERSTEIN & J.B. KELLY: Surviving the Breakup: How Children and Parents Cope with Divorce. New York: Basic Books 1980 (a).

 

[xvii]/ - D.S. JACOBSEN:

The Impact of Marital Separation/Divorce on Children: II. Interparent Hostility and Child Adjustement.

Journal of Divorce 2 (1978), 3‑19 (b).

- D.S. JACOBSEN: The Impact of Marital Separation/Divorce on Children: III. Parent-Communication and Child Adjustement, and Regression Analysis of Findings from Overall Study.

Journal of Divorce 2 (1978), 175‑194 (c).

 

[xviii]/ E.M. HETHERINGTON, M. COX & R. COX: The Aftermath of Divorce. In: STEVENS, J.H. & MATHEWS, M. (Eds.): Mother‑Child, Father‑Child Relationships. National Association for the Education of Young Children, 1978, 149‑176.

[xix]/ J.P. DE MAN: Echtscheiding en de gevolgen voor het kind. Wanneer is de scheiding het minst nadelig voor het kind? Edegem (B): eigen uitgave, 1989.

Bewerkte gedeeltelijke vertaling uit:

W.A. FTHENAKIS, R. NIESEL & H.‑R. KUNZE: Ehescheidung; Konsequenzen für Eltern und Kinder. München‑Wien‑Baltimore: Urban & Schwarzenberg, 1982. Verwijzend naar: L.A. KURDEK: An Integrative Perspective on Children's Divorce Adjustement, American Psychologist 36 (1981), 856‑866.

 

[xx]/ H. DE LEERSNIJDER:

Co-ouderschap na echtscheiding. Een kritische benadering van een actueel probleem.

Rondom Gezin, 9e jrg., nr. 1, april 1988, p. 23-26.

 

[xxi]/  S. STEINMAN: The experience of children in a joint‑custody arrangement: A report of a study. American Journal of Orthopsychiatry 51: 403‑414, 1981.

 

[xxii]/  J. GOLDSTEIN, A. FREUD, & A.J. SOLNIT: Beyond the best interest of the child.

The Free Press, New York (USA) 1973.

[xxiii]/ D. COLLER: Joint Custody: Research, Theory, and Policy. Fam. Proc. 27: 459‑469, 1988; op grond van:

‑ J. GOLDSTEIN, A. FREUD & A. SOLNIT: Beyond the best interests of the child. New York: Free Press, 1973.

‑ A. ABARBANEL: Shared parenting after separation and divorce: A study of joint custody. American Journal of Orthopsychiatry 49: 320‑329, 1979.

 

[xxiv]/ - A. ABARBANEL: Shared parenting after separation and divorce: A study of joint custody. American Journal of Orthopsychiatry 1979, 49, 320-329.

- N.M. NEHLS & M. MORGENBESSER:

Joint custody: An exploration of the issues.

Family Process 1980, 19, 117-125.

- M.A. WATSON: Custody alternatives: Defining the best interests of the children.

Family Relations 1981, 30, 474-479.

 

[xxv]/ M. BENJAMIN & H.H. IRVING:

Shared parenting: Critical review of the research literature.

Family and conciliation courts review volume 27, number 2 / december 1989, 21-35, p. 24.

 

[xxvi]/ J.P. DE MAN: Het belang van het kind bij (echt)scheiding. Uitgebreide en geactualiseerde versie.

Edegem: Europees Instituut voor het Belang van het Kind, 1995.

[xxvii]/ E.Q. POJMAN: Emotional Adjustment of Boys in Sole Custody and Joint Custody Divorces Compared with Adjustment of Boys in Happy and Unhappy Marriages. Abstract of the Disserrtation, Presented to the Faculty (of Psychology) of the California Graduate Institute, USA, July 1981.

 

[xxviii]/ - V.M. SHILLER: Joint versus maternal physical custody for families with latency age boys: Parent characteristics and child adjustment. American Jouirnal of Orthopsychiatry, 56, (1986), 486-489.

- V.M. SHILLER:

Loyalty conflicts and family relationships in latency boys: A comparison of joint and maternal custody.

Journal of Divorce, 9(4), (1986b), 17-38.

 

[xxix]/ J.R. JOHNSTON., M. KLINE, J.M. TSHANN: Ongoing Postdivorce Conflict: Effects on Children of Joint Custody and Frequent Access. Amer. J. Orthopsychiat. 59(4), October 1989, 576-592, p. 577.

[xxx]/ M. BENJAMIN & H.H. IRVING: Shared parenting: Critical review of the research literature.

Family and conciliation courts review / volume 27, number 2 / december 1989, 21-35, p. 24.

 

[xxxi]/ D.A. LUEPNITZ: A Comparison of Maternal, Paternal, and Joint Custody: Understanding the Varieties of Post‑Divorce Family Life. Journal of Divorce, 9:3, Spring 1986; reprinted in: J. FOLBERG (ed.): Joint Custody & Shared Parenting. New York & London, The Guilford Press, 1991, p.109‑110 & 113.

[xxxii]/ SHILLER

[xxxiii]/ J.B. GREIF: Fathers, children, and joint custody. American Journal of Orthopsychiatry 1979, 49, 311-319.

 

[xxxiv]/ H.H. Irving & M. Benjamin: Shared parenting in Canada: Questions answers, and implications.

Canadian Family Law Quarterly 1986, 1, 79-103.

M.E. BOWMAN & C.R. AHRONS: Impact of legal custody status on father's parenting postdivorce.

Journal of Marriage and the Family 1985, 47, 481-488.

 

[xxxv]/ J.B. GREIF: Fathers, children, and joint custody.

American Journal of Orthopsychiatry 1979, 49, 311-319.

 

[xxxvi]/ A. D'ANDREA: Joint custody as related to paternal involvement and paternal self-esteem.

Conciliation Courts Review 1983, 21, 81-87.

 

[xxxvii]/ - D. LEUPNITZ:

A comparison of maternal, paternal and joint custody: Understanding the varieties of post-divorce family life.

Journal of Divorce 9 (3): 1-12, 1986.

- H.H. IRVING & M. BENJAMIN: Shared parenting in Canada: Questions answers, and implications.

Canadian Family Law Quarterly 1986, 1, 79-103.

 

[xxxviii]/ V.M. SHILLER: Loyalty conflicts and family relationships in latency boys: A comparison of joint and maternal custody. Journal of Divorce, 9(4), (1986b), 17-38.

[xxxix]/ H.H. IRVING & M. BENJAMIN: Family Mediation: Theory and Practice of Dispute Resolution.

Toronto: Carswell, 1987.

 

[xl]/  - H.H. IRVING & BENJAMIN: Shared parenting in Canada: Questions, answers, and implications.

Canadian Family Law Quarterly 1986, 1, 79-103.

 

[xli]/ J.P. DE MAN: Echtscheiding en de gevolgen voor het kind. Wanneer is de scheiding het minst nadelig voor het kind? Edegem (B): eigen uitgave, 1989.

Bewerkte gedeeltelijke vertaling uit:

W.A. FTHENAKIS, R. NIESEL & H.‑R. KUNZE: Ehescheidung; Konsequenzen für Eltern und Kinder.

München‑Wien‑Baltimore: Urban & Schwarzenberg, 1982. Verwijzend naar:

L.A. KURDEK: An Integrative Perspective on Children's Divorce Adjustement,

 

[xlii]/ B. ROTHBERG: Joint custody: Parental problems and satisfaction. Family Process 1983, 22, 43-52.

[xliii]/ - C. AHRONS: Joint custody arrangements in the post-divorce family. Journal of Divorce 3(3): 189-205, 1980.

- H.H. IRVING & M. BENJAMIN: Shared parenting project: Overview and implications.

in: J. Folberg (ed.): Joint Custody and Shared Parenting.

 

[xliv]/ - Ahrons, C.:

Joint custody arrangements in the post-divorce family.

Journal of Divorce 3(3): 189-205, 1980.

                - D'Andrea, A. "Joint custody as related to paternal involvement and paternal self-esteem." Conciliation Courts Review1983, 21, 81-87.

            - Greif, J.B.

 

[xlv]/ Irving & Benjamin

[xlvi]/ - Greif, J.B. "Fathers, children, and joint custody." American Journal of Orthopsychiatry 1979, 49, 311-319.

                -  Irving, H.H. & Benjamin, M.

"Shared parenting in Canada: Questions answers, and implications."

 

[xlvii]/ - Weitzman, L.J. The Divorce Revolution: The unexpected Social and Economic Consequences for Women and Children in America.

New York: Free Press, 1985.

                - Wallerstein, J.S. & Blakeslee, S. Second Chances: Men, Women, and Children a Decade after Divorce. NY: Ticknor & Fields, 1988.

[xlviii]/ Irving, H.H. & Benjamin, M. Family Mediation: Theory and Practice of Dispute Resolution. Toronto: Carswell, 1987.

[xlix]/ - Ahrons, C.R.: "The coparental divorce: Preliminary research findings and polcy implications." In A.L. Milne (ed.) Joint custody: A Handbook for Judges, Lawyers, and Counsellors. Portland, OR: Association of Family Conciliation Courts, 1979.

                - Leupnitz, D.:

A comparison of maternal, paternal and joint custody: Understanding the varieties of post-divorce family life.

Journal of Divorce 9(3): 1-12, 1986.

                - Steinman, S.D.

"The experience of children in a joint custody arrangement: A report of a study." American Journal of Orthopsychiatry 1981, 51, 403-414.

[l]/ Irving & Benjamin.

[li]/ Benjamin, Michael & Howard H. Irving: Shared parenting: Critical review of the research literature.

Family and conciliation courts review / volume 27, number 2 / december 1989, 21-35, p. 24-26.

[lii]/ Deborah Anna Luepnitz: "A Comparison of Maternal, Paternal, and Joint Custody: Understanding the Varieties of Post‑Divorce Family Life." Journal of Divorce, 9:3, Spring 1986; reprinted in: Jay Folberg (ed.): "Joint Custody & Shared Parenting.", New York & London, The Guilford Press, 1991, p.109‑110 & 113.

[liii]/ ‑ Desimone‑Luis, J., O'Mahoney, K. & Hunt, D.: Children of Separation and Divorce: Factors Influencing Adjustement.

Journal of Divorce 3 (1979), 37‑42.

                ‑ Wallerstein, J.S. & Kelly, J.B.: Surviving the Breakup: How Children and Parents Cope with Divorce.

 

[liv]/ J.P. de Man: Echtscheiding en de gevolgen voor het kind. Wanneer is de scheiding het minst nadelig voor het kind? Edegem (B): eigen uitgave, 1989. Bewerkte gedeeltelijke vertaling uit: W.A. Fthenakis, R. Niesel & H.‑R. Kunze: Ehescheidung; Konsequenzen für Eltern und Kinder. München‑Wien‑Baltimore: Urban & Schwarzenberg, 1982. Verwijzend naar: L.A. Kurdek: An Integrative Perspective on Children's Divorce Adjustement,

 

[lv]/  Deborah Anna Luepnitz: "A Comparison of Maternal, Paternal, and Joint Custody: Understanding the Varieties of Post‑Divorce Family Life." Journal of Divorce, 9:3, Spring 1986; reprinted in: Jay Folberg (ed.): "Joint Custody & Shared Parenting.", New York & London, The Guilford Press, 1991, p.109‑110 & 113.

[lvi]/  Johnston, Janet R., Marsha Kline, Jeanne M.Tshann:

 

[lvii]/ Luepnitz, D.A. Child Custody: A Study of Families After Divorce. Lexington, MA: Lexington, 1982; referring to: Ilfeld, F.W.Jr., Ilfeld, H.Z. & Alexander, J.R. "Does Joint custody work? A first look at outcome data or relitigation." American Journal of Psychiatry 1982, 131 (#1), 62-66.

[lviii]/ Irving & Benjamin.

[lix]/ Benjamin, Michael & Howard H. Irving: Shared parenting: Critical review of the research literature.

Family and conciliation courts review / volume 27, number 2 / december 1989, 21-35, p. 24.

[lx]/ Greif:

"Fathers, Children, and Joint Custody"

 

      

Verwante links::

 
Datum   Type Titel Bron
27/01/06 document Het verslag "gelijkmatig verdeelde huisvesting" subcommissie familie (331 blz. PDF) De kamer
13/04/95 document Verslag Subcommissie echtscheiding co- ouderschapswet-93blz- (Wet van 13/04/1995) De kamer
03/12/04 document Welzijn van het kind. De ministerraad bekent schending EVRM en IVRK ! Ministerraad
04/09/06 document De bilocatiewet van 18 juli 2006 Staatsblad

 

      

  E-mail deze pagina naar een kennis