Is
"co-ouderschap" in het
belang van het kind?
Op
03.06.95 is de "wet op
de gezamenlijke
uitoefening van het
ouderlijk gezag" in
voege getreden. Deze wet
wordt door vele juristen
de wet op het
co-ouderschap genoemd
[i]Vrouwenraad,
derde trimester 1997,
blz. 36-41: blz.38./.
Deze wet heeft, zoals
haar naam duidelijk
aangeeft, inderdaad een
wettelijke basis gegeven
aan wat men het
juridische
gezags-co-ouderschap
zou kunnen noemen, nl.
aan het principe, dat
beide ouders gezamenlijk
de beslissingen moeten
nemen betreffende hun
kinderen; het
co-beslissingsrecht zou
men het dus ook kunnen
noemen, of
gezamenlijk gezag.
De term "co-ouderschap"
werd in het nederlandse
taalgebied ingevoerd
toen het amerikaanse
boek over "co-parenting"
werd vertaald
[ii]'s
Gravenhage (NL): VUGA
Uitgeverij B.V., 1985 &
1987./.
"Parenting" kon echter
niet letterlijk vertaald
worden: in het
nederlands bestaat wel
het woord bemoederen,
het woord bevaderen
eigenlijk nog niet, en
het woord beouderen
helemaal niet. Dus
"co-ouderschap". Bij dit
woord denkt het grote
publiek meestal
onmiddellijk aan "beide
ouders (...)
nemen om beurten de
volledige verzorging op
zich"
[iii]/,
meestal "een week bij
moeder en een week bij
vader". Dit is wat men,
in de nieuwe juridische
terminologie,
beurtelingse huisvesting
zou kunnen noemen, of
nog, populairder, de
co-zorg: het
opvoedkundig-relationele
verblijfs-co-ouderschap,
of, met een geleerd
klinkend neologisme, de
bilocatieregeling
[iv]Ouderschap
na echtscheiding, over
nieuwe ontwikkelingen in
regelingspraktijken bij
gescheiden ouders en hun
kinderen.
Zeist (NL): Nisso
Studies, 1985./
-d.w.z., zoals een
jong-volwassen
echtscheidingskind me
onlangs zei: "dan had ik
mij op twee plaatsen
thuis gevoeld"-. Over
dit aspekt van
co-ouderschap rept de
nieuwe wet echter met
geen woord. Alleen in
haar voorbereidende
werken wordt gezegd "dat
het (wets)voorstel
niet tegen alternerende
bewaring gekant is
(...)" "Evenzo kan de
rechtbank de uitoefening
van het recht van
bewaring verregaand
opdelen en zelfs een
alternerende bewaring
instellen."
[v]nr.
- 1430 - 4 - 93 / 94, 15
december 1994, pp. 9 &
7./
Die twee aspecten,
gezagsuitoefening en
huisvesting, moeten
nochtans duidelijk
onderscheiden worden
[vi]Het
belang van het kind bij
(echt)scheiding.
Revue Trimestrielle de
Droit Familial,
3-4/1992, pp. 227-236./.

1.
Gezamenlijke uitoefening
van het ouderlijk gezag.
Dit gezamenlijk gezag
stelt de nieuwe wet als
algemeen principe: zowel
voor (met elkaar of met
iemand anders) gehuwde
ouders als voor
ongehuwde ouders, zowel
voor samenwonende als
niet (meer) samenwonende
ouders. Hierop zijn twee
nuances ingevoerd, en
een uitzondering.
Een eerste nuance is
volgende nieuwigheid: "De
rechtbank kan een van de
(samenlevende)
ouders toestemming
verlenen alleen op te
treden voor een of meer
bepaalde handelingen."
Een tweede nuance, die
zowel voor samenlevende
ouders geldt als voor de
niet-samenlevende, is
veel belangrijker: "Ten
opzichte van derden die
ter goede trouw zijn,
wordt elke ouder geacht
te handelen met
instemming van de andere
ouder wanneer hij,
alleen, een handeling
stelt die met dat gezag
(over de persoon van het
kind) verband houdt,
behoudens de bij de wet
bepaalde uitzonderingen"
(b.v. adoptie). Een
ouder kan dus nog altijd
zijn kind laten
hospitaliseren, of
inschrijven in een
school, voor de lessen
godsdienst, in een
jeugdbeweging, voor een
kamp, ..., zonder dat de
andere ouder het weet.
Deze andere ouder mag nu
-belangrijke
nieuwigheid!- wel "bij
de andere ouder of bij
derden alle nuttige
informatie hieromtrent
(nl. omtrent de
opvoeding en het beheer
van de goederen van het
kind) inwinnen en
zich in het belang van
het kind tot de
jeugdrechtbank wenden."
[vii]/
Is de jeugdrechtbank de
oplossing die het meest
in het belang van het
kind is? Voor de rechter
zullen beide ouders hun
argumenten tegen de
beslissing of opvatting
van de andere ouder
duidelijk in de verf
zetten (of laten zetten
door hun advokaat, die
alleen maar het belang
van zijn eigen cliënt
moet verdedigen); dit
"zwartmaken" zal de
verstandhouding tussen
beide ouders eerder
verder afbreken dan
verbeteren
[viii]Het
belang van het kind bij
(echt)scheiding.
Revue Trimestrielle de
Droit Familial,
3-4/1992, pp. 227-236./,
en dat is zeker niet in
het belang van het kind.
De wetgever had dit
kunnen vermijden door,
zoals bij het huwelijk
en in de oude artikelen
374 & 377 & 385 B.W.,
een -verbeterd:
evenwichtiger-
"wettelijk stelsel" in
te voeren dat geldt
wanneer beide ouders
niet anders overeenkomen
[ix]J.
P. DE MAN:
Humanisering van de
wetgeving i.v.m.
(echt)scheiding:
synthese van de
wetsvoorstellen i.v.m.
co‑ouderschap en
aanpassing aan het
belang van het kind.
Europees Instituut voor
het Belang van het Kind,
Edegem, B, 21.11.1993./.
De ouders (en hun
rechters, advokaten en
andere hulpverleners,
zoals
scheidings-bemiddelaars)
kunnen dit nog doen,
door van in het begin
"noodoplossingen" neer
te schrijven die zullen
gelden wanneer beide
ouders niet tijdig tot
een akkoord geraken. Zo
kunnen de ouders b.v.
overeenkomen dat bij
gebrek aan akkoord over
de school- of
beroepsoriëntering het
advies van het
P.M.S.centrum zal
gevolgd worden, dat het
kind "katholieke
godsdienst" zal volgen
tenzij beide ouders
anders overeenkomen, dat
voor de
ontspanningsaktiviteiten
van hun zoon de vader en
voor die van hun dochter
de moeder de
doorslaggevende stem zal
hebben wanneer beiden en
het kind er niet tijdig
in slagen een
gezamenlijke beslissing
uit te werken, enz..
Tenslotte is er voor de
(al dan niet gehuwde)
ouders die niet (meer)
samenleven een
uitzondering voorzien op
het algemene principe
van het gezamenlijk
gezag: "Bij gebreke
van overeenstemming over
de organisatie van de
huisvesting van het
kind, over de
belangrijke beslissingen
betreffende zijn
gezondheid, zijn
opvoeding, zijn
opleiding en zijn
ontspanning en over de
godsdienstige of
levensbeschouwelijke
keuzes, of wanneer deze
overeenstemming strijdig
lijkt met het belang van
het kind, kan de
bevoegde rechter de
uitoefening van het
ouderlijk gezag
uitsluitend opdragen aan
één van beide ouders."
Hoe dikwijls zullen de
rechters deze
uitsluitende uitoefening
van het ouderlijk gezag
nog blijven uitspreken?
Om dit te voorkomen,
doen ouders die hun
ouderlijk gezag verder
(geheel of gedeeltelijk)
gezamenlijk willen
uitoefenen, er
veiligheidshalve dus
goed aan, hun (al dan
niet met de hulp van een
scheidingsbemiddelaar
uitgewerkte)
overeenkomsten over die
6 punten (organisatie
van de huisvesting, ...)
op papier te zetten en
desgevallend aan de
rechter voor te leggen.
Ook hier heeft de wet de
nieuwigheid van de deels
gezamenlijke, deels
uitsluitende
gezagsuitoefening
voorzien: "Hij
(de rechter) kan
eveneens bepalen welke
beslissingen met
betrekking tot de
opvoeding alleen met
instemming van beide
(niet samenlevende)
ouders kunnen worden
genomen." Die
rechter zal dat graag
doen op voorlegging van
een overeenkomst die
beide ouders hem of haar
voorleggen. De wet
verplicht die rechter nu
ook "de wijze (te
bepalen) waarop de
ouder die niet het
ouderlijk gezag
uitoefent, persoonlijk
contact met het kind
onderhoudt." Die
overeenkomst bevat dus
ook best een nauwkeurige
omschrijving van de
dagen en uren warop dat
contactrecht zal
uitgeoefend worden. Bij
een echtscheiding door
onderlinge toestemming
zijn de ouders er
trouwens toe verplicht,
"hun overeenkomst
(...) bij geschrift
vast te leggen"
omtrent dat "recht op
persoonlijk contact",
evenals over dat "gezag
over de persoon en het
beheer van de goederen
van de kinderen", en
bovendien over "de
bijdrage van elk van
beide echtgenoten in het
levensonderhoud, de
opvoeding en de passende
opleiding van voornoemde
(minderjarige, niet
ontvoogde, ...)
kinderen".

2.
Beurtelingse
huisvesting.
"Men vraagt zich
dikwijls af of al dat
verhuizen wel goed is
voor de kinderen."
[x]/
Wie zich dat afvraagt
beseft blijkbaar niet
dat kinderen die
beurtelings één week bij
elk van hun ouders
verblijven, even vaak
verhuizen als kinderen
die, zoals traditioneel
gebruikelijk, één
weekeinde op twee naar
hun niet-inwonende ouder
gaan: nl. tweemaal per
veertien dagen (tijdens
het schooljaar). Alleen
duurt het verblijf bij
deze ouder dan een volle
week in plaats van
slechts een weekeinde.
Wat men zich moet
afvragen is dus, welke
verblijfsduur (een
weekeinde of een week om
de veertien dagen) het
beste is voor de
kinderen. De ervaring
leert: "Zo worden
vaders met een klassieke
omgangsregeling
gemakkelijk in de
positie van 'suikeroom'
geduwd, waarin ze zich
voortdurend afvragen wat
ze kunnen doen om hun
kinderen te plezieren,
terwijl vaders met een
co-ouderschapsregeling
(met een beurtelingse
huisvesting) gewoon
met hun kinderen
samenwonen en een
natuurlijke band met hen
onderhouden"
[xi]/
en behouden. En deze
relationele stabiliteit
is belangrijker dan de
stabiliteit van de
verblijfplaats, zo
blijkt uit objektief
wetenschappelijk
onderzoek
[xii]/.
Logisch toch? Want ook
een kind (door zijn
materiële
afhankelijkheid nog meer
dan een volwassene)
verliest niet graag een
bron van affectie en
waardering; en om
vertrouwen in anderen te
leren hebben (en
houden!), moet een kind
ervaren dat de
affectieve
ouder-kind-band toch wel
blijft duren
(niettegenstaande de
echtelijke liefdesband
blijkbaar wel kan
verdwijnen). Alleen een
kind van minder dan zo'n
negen maand oud heeft de
materiële stabiliteit
van zijn omgeving nodig,
omdat het daardoor het
onderscheid tussen
zichzelf en de
buitenwereld moet leren.
Maar ik heb afgeleerd,
een uitleg die logisch
klinkt daarom als bewijs
van waarheid te
aanvaarden: ik heb al te
dikwijls moeten
vaststellen dat een
"logische" verwachting
niet bewaarheid wordt
door de feiten, en dat
men voor twee
tegengestelde stellingen
een even logisch
klinkende uitleg kan
geven (b.v.
"pleegkinderen kan je
best aan een pleeggezin
met eigen kinderen
geven, omdat dit al
opvoedingservaring
heeft" tegenover
"pleeggezinnen zonder
eigen kinderen zullen
het pleegkind niet
kunnen vergelijken met
hun eigen kinderen, die
het, door hun beter
verleden, beter doen,
wat dus nadelig uitvalt
voor het pleegkind").
Wat zijn dan de feiten
in verband met
beurtelingse huisvesting
en het traditionele "éénouderschap"
na scheiding? Wat kunnen
we hieromtrent leren uit
objektief empirisch
wetenschappelijk
onderzoek naar de
ervaringen in de
praktijk?
2.1. Wetenschappelijk
onderzoek.
Wanneer men de
resultaten van
verscheidene
wetenschappelijke
onderzoeken naast elkaar
legt, lijken die elkaar
soms tegen te spreken.
Dit is meestal te wijten
aan te vergaand
veralgemenen van de
resultaten. De
resultaten van een
wetenschappelijk
onderzoek hangen immers
af van zijn methodes:
o.a. van de gegevens die
men verzamelt (wanneer
men het aantal beenderen
telt zal men geen
verschil vinden tussen
afrikanen en europeanen,
wanneer men "kroeshaar"
en "sluik haar" als
gegevens noteert wel),
en van welke
steekproeven men
onderzoekt (dit verschil
zal men toch niet vinden
wanneer men alleen
universiteits-studenten
uit Kaapstad en
Amsterdam in het
onderzoek opneemt; maar
dit is geen bewijs dat
er helemaal geen
verschil is tussen
europeanen en
afrikanen). Aan
ogenschijnlijk
tegengestelde resultaten
mag men dus niet meer
belang hechten dan
verantwoord. Maar
wanneer vele
onderzoeks-resultaten
elkaar bevestigen, en
weinig of niet
"tegengesproken" worden
door andere, kan men
niet beter doen dan zich
daarop baseren.
2.2.
Eénouderschap.
Zo deskundig beschouwd,
heeft het empirisch
wetenschappelijk
onderzoek al wel met
voldoende klaarheid aan
het licht gebracht dat
de traditionele
hoede-bezoek-regelingen
tot te veel ongewenste
resultaten leiden
[xiii]Het
belang van het kind bij
(echt)scheiding.
Revue Trimestrielle de
Droit Familial,
3-4/1992, pp. 227-236./.
Maar gelukkiglijk worden
niet alle
scheidings-kinderen
delinquent, asociaal,
ziek, slechte
leerlingen, ... . Wat
maakt het verschil
tussen een goede
verwerking van de
scheiding en een
ongunstige evolutie?
Wanneer zijn de risico's
hierop het kleinst? Ook
op die vraag geeft het
wetenschappelijk
onderzoek meer en meer
duidelijke antwoorden.
Het grootste aantal
elkaar bevestigende
onderzoeken hebben
ontdekt dat "regelmatige
contacten van
de "afwezige" ouder met
het kind
[xiv]-
J.S. WALLERSTEIN & J.B.
KELLY: Effects of
Divorce on the Visiting
Father‑Child
relationship.
American Journal of
Orthopsychiatry
137 (1980), 1534‑1539
(b)./
(...) de cognitieve,
sociale en emotionele
aanpassing van de
kinderen positief
beïnvloeden"
[xv]L.A.
KURDEK: An Integrative
Perspective on
Children's Divorce
Adjustement, American
Psychologist 36
(1981), 856‑866./.
Aan deze voorwaarde
voldoet beurtelingse
huisvesting alvast wel.
Dat betekent ook dat het
"contactrecht" zeker in
het belang van het kind
is; de nieuwe wet stelt
dus terecht: "Dat
persoonlijk contact kan
enkel om bijzonder
ernstige redenen worden
geweigerd." Dat
betekent bovendien dat
de "hoofdverblijf-ouder"
die contacten niet
alleen moet aanvaarden,
maar zelfs sutimuleren;
en dat het in het belang
van het kind zou zijn,
het niet langer
hoofdzakelijk bij die
niet-stimulerende ouder
te laten verblijven,
maar bij de ouder die
het meest open staat
voor contacten met de
andere ouder.
Voorts ontdekken
wetenschappelijke
onderzoeken telkens weer
dat voor een goede
afloop van het
gebruikelijke
éénouderschap vereist
zijn:
"‑ een laag niveau
van ouderlijke
conflicten voor en
na de scheiding
[xvi]New
York: Basic Books 1980
(a)./,
‑ een evenwichtige en
steungevende relatie
tussen de
ex‑echtgenoten,
‑ een emotioneel
gezinsklimaat dat het
bespreken van de
problemen in verband met
de scheiding, toelaat en
bevordert
[xvii]Journal
of Divorce
2 (1978), 175‑194 (c)./;
‑ een hoge mate van
overeenstemming, ook
tussen de gescheiden
ouders, betreffende
opvoedings-methodes en
discipline‑maatregelen
[xviii]/,"
[xix]L.A.
KURDEK: An Integrative
Perspective on
Children's Divorce
Adjustement, American
Psychologist 36
(1981), 856‑866./

2.3. Beurtelingse
huisvesting.
Al de voorwaarden voor
een goede afloop van een
beurtelingse
huisvesting, nl. "dat
de ouders hun echtelijke
conflicten opzij kunnen
zetten in functie van
hun ouderlijke
verantwoordelijkheden.
Hun relatie moet
gebaseerd zijn op
wederzijds vertrouwen en
respect. Ze hoeven dus
niet noodzakelijk
vrienden te zijn, maar
ze moeten wel een
positieve houding hebben
tegenover de relatie die
de ex-partner met de
kinderen heeft. Iedere
ouder moet in staat zijn
een zinvolle actieve
relatie te ontwikkelen
met de kinderen, zonder
de voortdurende controle
of kritiek van de ander.
(...) Dit vraagt
soms een grote
inspanning van de
ex-partners, daar
gevoelens van agressie,
woede, schuld en
machteloosheid, die
tijdens de scheiding
vaak opkomen, opzij
moeten gezet worden.
(... De) ouders zijn
genoodzaakt van bij het
begin een aantal
afspraken te maken om de
regeling goed te laten
draaien. Deze afspraken
zullen meestal na
verloop van tijd
wijzigingen ondergaan
naargelang de concrete
situatie waarin de beide
gezinnen zich bevinden.
Het is belangrijk dat
deze mogelijkheid wordt
ingecalculeerd, opdat
niet, telkens er iets
gewijzigd dient te
worden, conflicten
zouden ontstaan tussen
de ex-echtgenoten.
(...) Het wonen in
elkaars buurt is
aangewezen in verband
met de kinderen. Op die
manier kunnen ze
(...) dezelfde clubs
en vriendenkringen
behouden, telkens ze van
het ene huis naar het
andere gaan. (...)
Omtrent de financies
dienen eveneens concrete
regelingen getroffen te
worden. (...)
Meestal zal men een
bijdrage vaststellen,
evenredig aan het
inkomen. (...)
Veranderingen in de
financiën kunnen
eveneens ingecalculeerd
worden, bijvoorbeeld bij
salaris-verhoging
(en -verlaging) van
één van de partners.
(...) Om de regeling
te doen slagen moeten
beiden (er) ècht
(in) geloven
(...). Aldus zal een
regeling die onder druk
werd bereikt, weinig
effect sorteren. Beide
ouders dienen hun
kinderen te steunen in
hun contact met de
andere ouder. Indien men
niet kan verdragen dat
de andere ouder een
eigen relatie heeft met
de kinderen, of indien
men de kinderen gebruikt
als spion, (...)
zal er van de bedoelde
regeling weinig
(goeds) in huis
komen. Een minimum aan
eensgezindheid is dus
gewenst."
[xx]Rondom
Gezin,
9e jrg., nr. 1, april
1988, p. 23-26./
- al deze voorwaarden
zijn voor een goede
afloop van het
gebruikelijke "éénouderschap"
dus evenzeer vereist als
voor een beurtelingse
huisvesting (en des te
meer voor een
gezamenlijke uitoefening
van het ouderlijk
gezag).
[ Dat de ouders
voortdurend ruzie maken
is trouwens niet alleen
slecht voor hun kinderen
bij éénouderschap en bij
beurtelingse huisvesting
(en maakt gezamenlijke
uitoefening van hun
ouderlijk gezag volledig
onmogelijk), maar is ten
minste even slecht
wanneer beide ouders
samenleven. Anders
gezegd: een "slecht
huwelijk" met samenwonen
is niet beter voor de
kinderen dan een
echtscheiding,
"samenblijven voor de
kinderen" kan hen meer
kwaad doen dan goed.
Kortom: voortdurend
ruzieënde ouders zijn
altijd slecht voor hun
kinderen. Het meest in
het belang van de
kinderen is dus, hun
ouders deskundig te
helpen hun ruzies om te
turnen in
probleemoplossende
gedachtenuitwisselingen
(en vrijblijvend
meedelen van gevoelens).
Een beter onderbouwde
deskundige hulpverlening
is dus sterk aan te
bevelen. ]
Welke regeling is dan
het meest in het belang
van het kind wanneer al
de mogelijke
hulpverlening,
(echt)scheidingsbemiddeling
incluis, niet helpt, en
de ouders toch (nog)
niet akkoord geraken
over hoe het gezin in
twee huizen verder moet
leven? Welk is dan het
minste kwaad:
éénouderschap of
beurtelingse
huisvesting, een
weekeinde of een volle
week om de veertien
dagen? Op die vraag heb
ik tien jaar lang naar
een antwoord gezocht dat
overeenstemt met
objectieve
ervaringsfeiten.
2.3.1. Vergelijking van
onderzoeken.
In het wetenschappelijk
onderzoek dat ik daartoe
ijverig verzamelde,
merkte ik vooreerst op
dat "veruit de meeste
onderzoeken bij het
traditionele
éénouderschap hebben
vastgesteld dat "echt-scheidingskinderen
inderdaad onder
beduidende
aanpassingsproblemen
lijden.(...) In
tegenstelling met die
bevindingen, hebben de
minder talrijke studies
over echte co‑ouderschaps-relaties
telkens weer slechts
minimale
aanpassingsproblemen
gevonden bij de
kinderen. Steinman
[xxi]American
Journal of
Orthopsychiatry
51: 403‑414, 1981./
vond dat kinderen in co‑ouderschap-situaties
geen last hadden van de
loyauteits-konflikten
die Goldstein et al.
hadden voorspeld
[xxii]/
(...). Misschien is het
nog belangrijker dat
(...) deze kinderen niet
het verpletterende
gevoel van verwerping
ervaarden dat men vond
bij kinderen in de meer
gebruikelijke regeling
na echtscheiding van
moeders met hoederecht
en afwezige vaders."
[xxiii]
American Journal of
Orthopsychiatry
49: 320‑329, 1979./
"Twee bevindingen worden
telkens weer bevestigd
door de enkele
onderzoeken die gegevens
over de kinderen
behandelen: een
minderheid van kinderen
vertonen in zekere mate
moeilijkheden om zich
aan te passen aan de
eisen van hun
beurtelingse
huisvesting; en het
percentage van zulke
kinderen en de ernst van
hun problemen waren
nooit erger dan die bij
kinderen uit
alleen-hoederecht-gezinnen,
en waren soms beter.
Bij voorbeeld, stellen
verschillende
onderzoekers een "goede"
aanpassing van de
kinderen aan hun
beurtelingse huisvesting
vast, gekoppeld aan een
"hoge" graad van
tevredenheid van de
beurtelings gehuisveste
kinderen en slechts
"geringe" moeilijkheden
in de overgangsfase
[xxiv]Family
Relations
1981, 30, 474-479./.
De moeilijkheden die
verwacht werden voort te
komen uit het verhuizen
van één huishouden naar
het andere en van het
samenleven met ouders
met uiteenlopende
levensstijlen, kwamen in
werkelijkheid niet voor
in de meeste gevallen."
[xxv]volume
27, number 2 / december
1989, 21-35, p. 24./
De door de tegenstanders
gevreesde gevolgen
van de "nadelen" van
beurtelingse huisvesting
‑zoals het "telkens
moeten verhuizen" van de
kinderen‑ blijken dus in
het algemeen niet
door te wegen tegenover
de voordelen ‑ zoals
het niet verliezen van
één affectieve
ouder‑kind‑relatie, het
niet moeten "kiezen"
tussen zijn beide
geliefde ouders, die als
part‑time‑ouders minder
gefrustreerd zijn, enz.
... ‑ .
Dat wekt de verwachting
dat de beurtelingse
huisvesting in het
algemeen meer in het
belang van de kinderen
is dan het
traditionele
éénouderschap."
[xxvi]
2.3.2.
Vergelijkend algemeen
onderzoek.
Is
dit feitelijk ook zo? Om
deze vraag te
beantwoorden, is
onderzoek nodig dat de
twee verblijfsregelingen
met elkaar vergelijkt.
"De resultaten van
dit onderzoek tonen aan
dat beurtelings
gehuisveste jongens
emotioneel
significant beter
aangepast zijn dan
jongens uit
alleenhoederecht, en
(ook dan jongens) uit de
groep met ongelukkig
gehuwde (nog
samen-wonende) ouders
(...). Er waren geen
significante
verschillen, op geen
enkele totale test of
subtest, tussen jongens
uit alleenhoederecht en
jongens met ongelukkig
gehuwde ouders. (...)
Omgekeerd ondersteunen
de resultaten de
mogelijkheid dat de
situatie kan verbeteren
door van een ongelukkig
gehuwde situatie te
veranderen naar
echtscheiding met
co‑ouderschap."
[xxvii]Emotional
Adjustment of Boys in
Sole Custody and Joint
Custody Divorces
Compared with Adjustment
of Boys in Happy and
Unhappy Marriages.
Abstract of the
Disserrtation, Presented
to the Faculty (of
Psychology) of the
California Graduate
Institute, USA, July
1981./
Een "goede"
echtscheiding met
beurtelingse huisvesting
blijkt voor de kinderen
dus beter te zijn dan
een voortdurend "slecht"
huwelijk. "(...) in
een ander onderzoek werd
ontdekt dat beurtelings
gehuisveste jongens in
de latentie-fase, beter
aangepast gedrag
vertoonden en minder
overstuur waren
tengevolge van de
echtscheiding en de
conflicten tussen hun
ouders dan de "alleenhoede-jongens"
[xxviii]-
V.M. SHILLER: Loyalty
conflicts and family
relationships in latency
boys: A comparison of
joint and maternal
custody.
Journal of Divorce,
9(4), (1986b),
17-38./."
[xxix]/
"Uit de beschikbare
gegevens blijkt het
voornaamste voordeel van
beurtelingse huisvesting
te zijn dat deze
verblijfsregeling
minder vaak mislukt,
en aldus een positieve
ervaring na de scheiding
geeft aan een groter
deel van de betrokken
kinderen."
[xxx]Family
and conciliation courts
review
/ volume 27, number 2 /
december 1989, 21-35, p.
24./
"Dit onderzoek toonde
aan dat co‑ouders
minder konflikten
hadden dan alleenhoede‑ouders
met hun ex‑echtgenoten.
(...) Niet dat co‑ouders
geen verschillen van
mening hadden; zij
hadden
meningsverschillen,
(...) maar zij waren in
staat op een meer
beschaafde manier van
mening te verschillen
dan hun tegenhangers met
alleenhoederecht."
[xxxi]/
"Bovendien werd
vastgesteld
[xxxii]/
dat "co-moeders" hun
ex-echtgenoten vaker
begripvol en steungevend
vonden, en vaker hun
opvoeders-kwalieiten
respecteerden. (...)
Beurtelings huisvestende
vaders waren in hoge
mate betrokken
bij hun vaderschap na
hun echtscheiding
[xxxiii]American
Journal of
Orthopsychiatry
1979, 49, 311-319./;
de graad van
betrokkenheid is
significant hoger dan
bij vaders zonder
hoederecht (65%
tegenover 23%)
[xxxiv]Journal
of Marriage and the
Family
1985, 47, 481-488./;
en, de continuïteit van
de betrokkenheid blijkt
de norm te zijn
[xxxv]American
Journal of
Orthopsychiatry
1979, 49, 311-319./.
Verder (...) waren
co-ouders, in
tegenstelling tot
alleen-hoederecht-ouders,
beter ingelicht over hun
kinderen, hadden zij
meer invloed op hun
leven, en waren zij meer
tevreden over de mate
waarin zij die invloed
hadden
[xxxvi]Conciliation
Courts Review
1983, 21, 81-87./.
(...) beurtelings
huisvestende moeders
melden tevens een
vermindering van hun
belasting door de zorg
voor hun kinderen
[xxxvii]-
H.H. IRVING & M.
BENJAMIN: Shared
parenting in Canada:
Questions answers, and
implications.
Canadian Family Law
Quarterly
1986, 1, 79-103./.
Tenslotte (...) voelden
beurtelings gehuisveste
kinderen zich
meer op hun gemak om hun
gevoelens te uiten
(zowel de positieve
als de negatieve), en
fantaseerden zij tevens
minder vaak over een
verzoening van hun
ouders
[xxxviii]/.
(...)
Gelet op de intensiteit
van de conflicten die
typisch is voor
alleen-hoederecht-ouders
[xxxix]Toronto:
Carswell, 1987./,
is het opmerkenswaardig
dat beurtelings
huisvestende ouders het
opstellen van een
verblijfsregeling
significant minder vaak
een "ernstig probleem"
vonden
[xl]
- M. BENJAMIN & H.H.
IRVING, H.H. Comparison
of the experience of
satisfied and
dissatisfied shared
parents.
Journal of Divorce
1989, 14./."
[xli]American
Psychologist
36 (1981), 856‑866./.
"De kwestie van de
tevredenheid van
co-ouders en hun
kinderen werd uitvoerig
onderzocht. De consensus
is dat zowel de
beurtelings huisvestende
ouders als hun kinderen
een "hoge" mate van
tevredenheid meedelen,
met percentages die
oplopen van 67%
[xlii]/
tot 84%
[xliii]2nd
Ed.
Washington, D.C.: Bureau
of National Affairs and
Association of Family &
Conciliation Courts,
1989./.
Bovendien waren
beurtelings huisvestende
ouders (en vooral de
vaders) significant meer
tevreden dan ouders met
een
alleenhoederecht-regeling
[xliv]"Fathers,
children, and joint
custody."
American Journal of
Orthopsychiatry
1979, 49, 311-319./.
(...) co-ouders meldden
veel minder problemen,
en minder erge
problemen. (...)
beurtelings huisvestende
vaders waren significant
meer tevreden dan hun
tegenhangers zonder
hoederecht (87%
tegenover 64%) (...)
Verder correleerde de
tevredenheid van de
kinderen hoog met die
van hun ouders.
[xlv]/
Tenslotte waren de
co-ouders en hun
kinderen tevreden om
verschillende redenen:
de ouders omwille van
het gezamenlijk
beslissen en een
positieve aanpassing van
de kinderen aan de
echtscheiding; de
kinderen omwille van de
continuïteit van de
relaties met hun
leeftijdsgenoten, de
vermindering van de
spanningen, en het
gevoel dat zij niet
langer deel uitmaakten
van het gevecht tussen
de echtgenoten. Er was
nochtans één punt
waarover ouders en
kinderen het eens waren:
de continuïteit van
de ouder-kind-relaties.
Voor de vaders betekende
dit continuïteit van de
betrokkenheid als ouders
en van de
ouder-kind-interacties.
Voor de kinderen
betekende het, het
gevoel gewenst te zijn
en twee ouders te
hebben. Bijgevolg
beveelden de meeste
co-ouders en
"co-kinderen" de
beurtelingse huisvesting
aan
[xlvi]Canadian
Family Law Quarterly
1986, 1, 79-103./.
(...) Bij de vrouwen met
alleenhoederecht is het
een veel voorkomend
probleem , dat de
onderhouds-uitkeringen
onregelmatig of
helemaal niet betaald
worden
[xlvii]/,
hetgeen bijdraagt tot de
armoede bij een groot
deel van deze moeders en
hun kinderen
[xlviii]/.
(...) In tegenstelling
daarmee rapporteren de
meeste onderzoeken van
co-ouders regelmatige
betalingen door de
vaders
[xlix]/
(...) Co-ouders meldden
vaker dan de
alleenhoederecht-ouders
regelmatige betalingen
der
onderhoudsuitkeringen
(vaders: 88% tegenover
61%; moeders: 83%
tegenover 61%)
[l]/."
[li]/
In een ander onderzoek "kreeg
de helft van de
alleenhoederecht‑moeders
slechts gedeeltelijk,
onregelmatig, of
helemaal geen
onderhoudsgeld voor de
kinderen. Deze gegevens
worden bevestigd door de
bevindingen van andere
onderzoeken. (...) In
dit onderzoek waren de
"co‑vaders", in
tegenstelling tot de "éénouderschap‑vaders",
betrouwbare betalers
van onderhoudsgeld
voor hun kinderen. (...)
Het is mogelijk dat
"co‑vaders" blijven
betalen voor hun
kinderen omdat zij zich
op andere manieren
volledig betrokken
voelen, en niet alsof
zij hun kinderen
verloren aan hun
ex‑echtgenote."
[lii]/
Die regelmatige
betalingen zijn in het
belang van de betrokken
kinderen, vermits ook "het
zeker stellen van
voldoende financiële
inkomsten
[liii]New
York: Basic Books 1980
(a)./"
"de cognitieve, sociale
en emotionele aanpassing
van de kinderen positief
beïnvloedt"
[liv]American
Psychologist 36 (1981),
856‑866./.
"Meer dan een derde
van de co‑ouderschaps-gezinnen
zeiden dat zij bijna
uitsluitend op de andere
ouder beroep deden voor
opvang van de
kinderen. In
tegenstelling daarmee
vermeldden de
alleenhoederecht‑ouders
de opvang als één van
hun grootste problemen.
Vooral de
alleenhoederecht-moeders
waren, door hun laag
inkomen, dikwijls
verplicht op hun gezin
van afkomst beroep te
doen voor opvang terwijl
zij werkten, hetgeen de
grootouders dikwijls
overbelastte. (...) In
tegenstelling daarmee
was het voor de
co-ouders een groot
voordeel, altijd te
weten dat hun kinderen
ergens terecht konden
wanneer zijzelf waren
gaan werken of naar een
sociale aktiviteit, en
dat dit geen kosten met
zich meebracht. (...)
Alle alleenhoederecht‑ouders
meldden het gevoel,
nogal eens overbelast
te zijn door het alleen
opvoeden, zonder iemand
om mee te overleggen, en
zonder vrije tijd.
Beurtelingse ouders
hebben een ingebouwde
vrije tijd. Zonder het
te moeten vragen of
speciale plannen te
moeten maken, hebben zij
een gedeelte van de week
(of dag of jaar) zonder
kinderlast. (...)
Men mag redelijkerwijs
besluiten dat
beurtelingse huisvesting
op zijn best
beter is dan
alleenhoederecht op
zijn best."
[lv]/
2.3.3. Opgelegde
beurtelingse
huis-vesting.
En wat wanneer de
omstandigheden niet op
hun best zijn, wanneer
de ouders niet
akkoord gaan over
co‑ouderschap of over
éénouderschap, wanneer
zelfs professionele
(echt)scheidingsbemiddelaars
er niet in slagen hen
tot een vergelijk te
brengen, zodat de
rechter moet beslissen
en dus een regeling moet
opleggen? Is
beurtelingse huisvesting
dan wel in het belang
van het kind?
In Noord‑Amerika zijn er
wetten die een voorkeur
voor co‑ouderschap
voorschrijven, en waar
de rechter co‑ouderschap
met beurtelingse
huisvesting kan
opgeleggen. "Alhoewel
de ouders in elk van de
types van
verblijfsregelingen
(beurtelingse
huisvesting,
hoofdverblijf bij
moeder, bij vader)
vergelijkbare niveau's
van verbaal redeneren
beschreven bij het begin
van het onderzoek (=
op het ogenblik van het
gevecht voor de
rechtbank, gemiddeld 4,5
jaar na de scheiding)
rapporteerden de ouders
met (opgelegde)
beurtelingse huisvesting
bij de follow‑up (=
gemiddeld 29 maand
later) significant
meer redelijke verbale
omgang (met
elkaar) dan de ouders
met alleenhoederecht. Er
waren geen significante
verschillen tussen
(opgelegde)
beurtelingse huisvesting
en éénouderschap inzake
agressie,
(door de ouders)
geuit bij het begin noch
bij de follow‑up. (...)
Klinisch gestoorde
kinderen bleken bij
(opgelegde)
beurtelingse huisvesting
niet vaker voor te komen
dan bij (opgelegd)
alleenhoederecht.(...)
Slechts 1 ouder met
(opgelegde)
beurtelingse huisvesting
(3%) verbrak het
kontakt met haar kind,
terwijl 12 ouders van
alleenhoederecht-kinderen
(18%) van het
toneel verdwenen."
[lvi]"Ongoing
Postdivorce Conflict:
Effects on Children of
Joint Custody and
Frequent Access.",
Amer. J. Orthopsychiat.
59(4),
October 1989, p.
582-583./
"Over een periode van
twee jaar, meldden
beurtelings huisvestende
ouders half zo vaak
(16%) dat zij een
nieuw gerechtelijk
geding aanspanden
dan die met
alleenhoederecht (32%)
[lvii]/.
Zelfs wanneer de
beurtelingse huisvesting
bij vonnis was opgelegd
zonder instemming van
beide ouders, verschilde
het aantal nieuwe
gedingen (33%) niet van
dat bij
alleenhoederecht-ouders.
(...) Beurtelings
huisvestende ouders
bereikten hun
hoederecht-overeenkomst
vaker met onderlinge
overeenkomst, en, eens
dat deze in voege was,
brachten zij er vaker
informeel dan via de
rechtbank veranderingen
aan aan
[lviii]/."
[lix]/

3.
Besluit.
3.1. Algemene regel
Uit de ervaring in de
realiteit blijkt dus
beurtelingse huisvesting
meer in het belang van
de kinderen te zijn
dan de traditionele
hoofdverblijf‑contact‑regeling,
zelfs wanneer de ouders
niet akkoord geraken
over een
verblijfsregeling (beurtelingse
huisvesting of één
enkele "hoofdverblijf-ouder"),
ook niet met de hulp van
een professionele
(echt)scheidingsbemiddelaar.
3.2.
Voorzorgsmaatregelen.
Bij erg ruzieënde ouders
(en preventief dus best
altijd) kan men
voorzorgsmaatregelen
nemen in het belang van
de kinderen.
2.3.2.1. Kontakten
tussen ouders vermijden.
"Een aantal co‑vaders
vertelden dat zij een
kwade, vijandige relatie
hadden met hun
ex‑echtgenoten. Sommige
gezinnen gebruiken de
school liever dan de
woning van de ouders, om
er hun kinderen naartoe
te brengen, zodat er
maanden kunnen
voorbijgaan zonder dat
de ouders elkaar moeten
zien of spreken, en
zodoende hevige
uitbarstingen in het
bijzijn van het kind
vermeden worden."
[lx]49(2)
Am. J. Orthopsychiatry
311, 318 (1979)./
2.3.2.2.
Machtsevenwicht.
Bij een
hoofdverblijfregeling
krijgt de "hoofdverblijf-ouder"
alle beslissingsmacht,
zodat zij/hij te
gemakkelijk in
verleiding komt er
misbruik van te maken.
Om zulk machtsmisbruik,
dat nadelig is voor de
relaties tussen ouders
en kinderen, te
vermijden, kan men de
verschillende onderdelen
van het ouderlijk gezag
zo evenwichtig mogelijk
verdelen over beide
ouders. Zulk een
machtsevenwicht kan
gemakkelijk gerealiseerd
worden wanneer er b.v.
twee gemeenschappelijke
kinderen zijn: het
volstaat, aan de moeder
b.v. de doorslaggevende
stem te geven wanneer
beide ouders niet tijdig
akkoord geraken over een
beslissing betreffende
hun dochter, en aan de
vader wanneer het hun
zoon betreft. Wanneer er
maar één
gemeenschappelijk kind
is, kan men andere
oplossingen bedenken:
bij gebrek aan akkoord
tussen de ouders, zal de
moeder de
doorslaggevende stem
hebben tot de negende
verjaardag van het kind,
en de vader nadien; of
nog: aan de moeder het
gezag over de persoon,
en aan de vader het
beheer van de goederen
der kinderen geven.

Jan Piet DE MAN
kinder- en
gezinspsycholoog
Werkgroep Co-ouderschap
en Beurtelingse
Huisvesting
Europees Instituut voor
het Belang van het Kind
Ter Voortlaan 58, 2650
Edegem 2
tel. ('s namiddags) &
fax: 03.4405326

[i]/
Cf. o.a.:
- P. SENAEVE (ed.):
Co-ouderschap en
Omgangsrecht.
Commentaar op de Wet
van 13 april 1995.
Maklu Uitgevers,
Antwerpen-Apeldoorn,
1995.
- MOSSELMANS,
MARTINE: Een
verouderd
familierecht.
(In: Dossier
Nieuw-samengestelde
Gezinnen.)
[ii]/
- M. GALPER:
Co-ouderschap. Een
gids voor ouders die
na de scheiding hun
kind samen willen
blijven opvoeden.
Baexem (NL): Gamma
Publicaties, 1980.
Oorspronkelijke
titel:
Co-parenting.
Running Press, 1978.
- Eerste boek van
nederlandse auteurs:
P. VAN DER LOOS & R.
WITTINK:
Twee ouders, twee
huizen.
Co-ouderschap na
scheiding.
[iii]/
Cf. B.R.T.-OMMEKAAR:
Kiezen voor delen.
Co-ouderschap.
Ommekaar,
maandblad, februari
1986.
[v]/
G. SWENNEN:
Verslag namens de
Commissie voor de
Justitie.
Belgische Kamer van
Volksvertegenwoordigers,
[vii]/
Artt. 374 en 376 B.W.,
die gelden voor de "ouder
die niet het
ouderlijk gezag
uitoefent".
Wanneer de ouders
hun gezag (juridisch
gezien) nog wel
gezamenlijk
uitoefenen, geeft
dit hen ipso facto
ook het recht
informatie in te
winnen - en dan niet
alleen over die
opvoeding en dat
goederenbeheer -.
Dat (al dan niet
beperkte)
informatierecht
geldt dus voor alle
ouders.
[viii]/
Cf. Robert F.
COCHRAN: Reconciling
the Primary
Caretaker
Preference, the
Joint Custody
Preference, and the
Case‑by‑Case Rule.
in: JAY FOLBERG
(ed.): Joint
Custody & Shared
Parenting., New
York & London, The
Guilford Press,
1991, p.220‑222 &
229 & 232; geciteerd
in:J.P. DE MAN:
[ix]/
B.v. zoals
gesuggereerd in:
[x]/
H. DE LEERSNIJDER:
Co-ouderschap na
echtscheiding. Een
kritische benadering
van een actueel
probleem. Rondom
Gezin, 9e jrg.,
nr. 1, april 1988,
p. 30.
[xi]/
H. DE LEERSNIJDER:
Co-ouderschap na
echtscheiding. Een
kritische benadering
van een actueel
probleem.
Rondom Gezin,
9e jrg., nr. 1,
april 1988, p. 29.
[xii]/
J.P. DE MAN: Het
belang van het kind
bij (echt)scheiding.
Revue Trimestrielle
de Droit Familial,
3-4/1992, pp.
227-236.
[xiv]/
- R.D. HESS & K.A.
CAMARA: Post‑Divorce
Family Relationships
as Mediating Factors
in the Consequences
of Divorce for
Children.
Journal of Social
Issues
35 (1979), 79‑96.
‑ E.M. HETHERINGTON,
M. COX & R. COX:
Divorced Fathers.
Family Coordinator
25 (1976), 417‑428.
‑ E.M. HETHERINGTON,
M. COX & R. COX: The
Aftermath of
Divorce. In:
STEVENS, J.H. &
MATHEWS, M. (Eds.):
Mother‑Child,
Father‑Child
Relationships.
National Association
for the Education of
Young Children,
1978, 149‑176.
- D.S. JACOBSEN: The
Impact of Marital
Separation/Divorce
on Children: I.
Parent‑Children
Separation and Child
Adjustement.
Journal of Divorce
1 (1978), 341‑360
(a).
- R. ROSEN: Some
Crucial Issues
Concerning Children
of Divorce.
Journal of Divorce
3 (1979), 19‑25.
- J.S. WALLERSTEIN &
J.B. KELLY:
Surviving the
Breakup: How
Children and Parents
Cope with Divorce.
New York: Basic
Books 1980 (a).
[xv]/
J.P. DE MAN:
Echtscheiding en de
gevolgen voor het
kind. Wanneer is de
scheiding het minst
nadelig voor het
kind? Edegem
(B): eigen uitgave,
1989.
Bewerkte
gedeeltelijke
vertaling uit:
W.A. FTHENAKIS, R.
NIESEL & H.‑R. KUNZE:
Ehescheidung;
Konsequenzen für
Eltern und Kinder.
München‑Wien‑Baltimore:
Urban &
Schwarzenberg, 1982.
Verwijzend naar:
[xvi]/
B. ‑ Berg & R.
Kelly: The Measured
Self‑Esteem of
Children from
Broken, Rejected,
and Accepted
Families.
Journal of Divorce
2 (1979), 363‑370.
- D.S. JACOBSEN: The
Impact of Marital
Separation/Divorce
on Children: II.
Interparent
Hostility and Child
Adjustement.
Journal of Divorce
2 (1978), 3‑19 (b).
‑ J.S. LOWENSTEIN &
E.J. KOOPMAN: A
Comparison of the
Self‑Esteem Between
Boys Living with
Single‑Parent
Mothers and
Single‑Parent
Fathers.
Journal of Divorce
2 (1978), 195‑208.
‑ R. ROSEN: Some
Crucial Issues
Concerning Children
of Divorce.
Journal of Divorce
3 (1979), 19‑25.
- J.S. WALLERSTEIN &
J.B. KELLY:
Surviving the
Breakup: How
Children and Parents
Cope with Divorce.
[xvii]/
- D.S. JACOBSEN: The
Impact of Marital
Separation/Divorce
on Children: II.
Interparent
Hostility and Child
Adjustement.
Journal of Divorce
2 (1978), 3‑19
(b).
- D.S. JACOBSEN: The
Impact of Marital
Separation/Divorce
on Children: III.
Parent-Communication
and Child
Adjustement, and
Regression Analysis
of Findings from
Overall Study.
[xviii]/
E.M. HETHERINGTON,
M. COX & R. COX: The
Aftermath of
Divorce. In:
STEVENS, J.H. &
MATHEWS, M. (Eds.):
Mother‑Child,
Father‑Child
Relationships.
National Association
for the Education of
Young Children,
1978, 149‑176.
[xix]/
J.P. DE MAN:
Echtscheiding en de
gevolgen voor het
kind. Wanneer is de
scheiding het minst
nadelig voor het
kind? Edegem
(B): eigen uitgave,
1989.
Bewerkte
gedeeltelijke
vertaling uit:
W.A. FTHENAKIS, R.
NIESEL & H.‑R.
KUNZE:
Ehescheidung;
Konsequenzen für
Eltern und Kinder.
München‑Wien‑Baltimore:
Urban &
Schwarzenberg, 1982.
Verwijzend naar:
[xx]/
H. DE LEERSNIJDER:
Co-ouderschap na
echtscheiding. Een
kritische benadering
van een actueel
probleem.
[xxi]/
S. STEINMAN: The
experience of
children in a
joint‑custody
arrangement: A
report of a study.
[xxii]/
J. GOLDSTEIN, A.
FREUD, & A.J.
SOLNIT: Beyond
the best interest of
the child.
The Free Press, New
York (USA) 1973.
[xxiii]/
D. COLLER: Joint
Custody: Research,
Theory, and Policy.
Fam. Proc.
27: 459‑469, 1988;
op grond van:
‑ J. GOLDSTEIN, A.
FREUD & A. SOLNIT:
Beyond the best
interests of the
child. New York:
Free Press, 1973.
‑ A. ABARBANEL:
Shared parenting
after separation and
divorce: A study of
joint custody.
[xxiv]/
- A. ABARBANEL:
Shared parenting
after separation and
divorce: A study of
joint custody.
American Journal of
Orthopsychiatry
1979, 49, 320-329.
- N.M. NEHLS & M.
MORGENBESSER:
Joint custody: An
exploration of the
issues.
Family Process
1980, 19, 117-125.
- M.A. WATSON:
Custody
alternatives:
Defining the best
interests of the
children.
[xxv]/
M. BENJAMIN & H.H.
IRVING:
Shared parenting:
Critical review of
the research
literature.
Family and
conciliation courts
review
[xxvi]/
J.P. DE MAN: Het
belang van het kind
bij (echt)scheiding.
Uitgebreide en
geactualiseerde
versie.
Edegem: Europees
Instituut voor het
Belang van het Kind,
1995.
[xxviii]/
- V.M. SHILLER:
Joint versus
maternal physical
custody for families
with latency age
boys: Parent
characteristics and
child adjustment.
American Jouirnal of
Orthopsychiatry,
56, (1986), 486-489.
[xxix]/
J.R. JOHNSTON., M.
KLINE, J.M. TSHANN:
Ongoing Postdivorce
Conflict: Effects on
Children of Joint
Custody and Frequent
Access. Amer. J.
Orthopsychiat.
59(4), October 1989,
576-592, p. 577.
[xxx]/
M. BENJAMIN & H.H.
IRVING: Shared
parenting: Critical
review of the
research literature.
[xxxi]/
D.A. LUEPNITZ: A
Comparison of
Maternal, Paternal,
and Joint Custody:
Understanding the
Varieties of
Post‑Divor9ce
Family Life.
Journal of Divorce,
9:3, Spring 1986;
reprinted in: J.
FOLBERG (ed.):
Joint Custody &
Shared Paren9ting.
New York & London,
The Guilford Press,
1991, p.109‑110 &
113.
[xxxiii]/
J.B. GREIF:
Fathers, children,
and joint custody.
[xxxiv]/
H.H. Irving & M.
Benjamin: Shared
parenting in Canada:
Questions answers,
and implications.
Canadian Family Law
Quarterly
1986, 1, 79-103.
M.E. BOWMAN & C.R.
AHRONS: Impact of
legal custody status
on father's
parenting
postdivorce.
[xxxv]/
J.B. GREIF:
Fathers, children,
and joint custody.
[xxxvi]/
A. D'ANDREA: Joint
custody as related
to paternal
involvement and
paternal
self-esteem.
[xxxvii]/
- D. LEUPNITZ:
A comparison of
maternal, paternal
and joint custody:
Understanding the
varieties of
post-divorce family
life.
Journal of Divorce
9 (3): 1-12, 1986.
[xxxviii]/
V.M. SHILLER:
Loyalty conflicts
and family
relationships in
latency boys: A
comparison of joint
and maternal
custody. Journal
of Divorce,
9(4), (1986b),
17-38.
[xxxix]/
H.H. IRVING & M.
BENJAMIN: Family
Mediation: Theory
and Practice of
Dispute Resolution.
[xl]/
- H.H. IRVING &
BENJAMIN: Shared
parenting in Canada:
Questions, answers,
and implications.
Canadian Family Law
Quarterly
1986, 1, 79-103.
[xli]/
J.P. DE MAN:
Echtscheiding en de
gevolgen voor het
kind. Wanneer is de
scheiding het minst
nadelig voor het
kind? Edegem
(B): eigen uitgave,
1989.
Bewerkte
gedeeltelijke
vertaling uit:
W.A. FTHENAKIS, R.
NIESEL & H.‑R.
KUNZE:
Ehescheidung;
Konsequenzen für
Eltern und Kinder.
München‑Wien‑Baltimore:
Urban &
Schwarzenberg, 1982.
Verwijzend naar:
L.A. KURDEK: An
Integrative
Perspective on
Children's Divorce
Adjustement,
[xlii]/
B. ROTHBERG: Joint
custody: Parental
problems and
satisfaction.
Family Process
1983, 22, 43-52.
[xliii]/
- C. AHRONS: Joint
custody arrangements
in the post-divorce
family. Journal
of Divorce 3(3):
189-205, 1980.
- H.H. IRVING & M.
BENJAMIN: Shared
parenting project:
Overview and
implications.
in: J. Folberg
(ed.): Joint
Custody and Shared
Parenting.
[xliv]/
- Ahrons, C.:
Joint custody
arrangements in the
post-divorce family.
Journal of Divorce 3(3):
189-205, 1980.
-
D'Andrea, A. "Joint
custody as related
to paternal
involvement and
paternal
self-esteem."
Conciliation Courts
Review1983, 21,
81-87.
-
Greif, J.B.
[xlvi]/
- Greif, J.B.
"Fathers, children,
and joint custody."
American Journal
of Orthopsychiatry
1979, 49, 311-319.
-
Irving, H.H. &
Benjamin, M.
"Shared parenting in
Canada: Questions
answers, and
implications."
[xlvii]/
- Weitzman, L.J.
The Divorce
Revolution: The
unexpected Social
and Economic
Consequences for
Women and Children
in America.
New York: Free
Press, 1985.
-
Wallerstein, J.S. &
Blakeslee, S.
Second Chances: Men,
Women, and Children
a Decade after
Divorce. NY:
Ticknor & Fields,
1988.
[xlviii]/
Irving, H.H. &
Benjamin, M.
Family Mediation:
Theory and Practice
of Dispute
Resolution.
Toronto: Carswell,
1987.
[xlix]/
- Ahrons, C.R.: "The
coparental divorce:
Preliminary research
findings and polcy
implications." In
A.L. Milne (ed.)
Joint custody: A
Handbook for Judges,
Lawyers, and
Counsellors.
Portland, OR:
Association of
Family Conciliation
Courts, 1979.
-
Leupnitz, D.:
A
comparison of
maternal, paternal
and joint custody:
Understanding the
varieties of
post-divorce family
life.
Journal of Divorce 9(3):
1-12, 1986.
- Steinman,
S.D.
"The experience of
children in a joint
custody arrangement:
A report of a
study." American
Journal of
Orthopsychiatry
1981, 51, 403-414.
[li]/
Benjamin, Michael &
Howard H. Irving:
Shared parenting:
Critical review of
the research
literature.
Family and
conciliation courts
review
/
volume 27, number 2
/ december 1989,
21-35, p. 24-26.
[lii]/
Deborah Anna
Luepnitz: "A
Comparison of
Maternal, Paternal,
and Joint Custody:
Understanding the
Varieties of
Post‑Divorce Family
Life." Journal of
Divorce, 9:3, Spring
1986; reprinted in:
Jay Folberg (ed.):
"Joint Custody &
Shared Paren9ting.",
New York & London,
The Guilford Press,
1991, p.109‑110 &
113.
[liii]/
‑ Desimone‑Luis, J.,
O'Mahoney, K. &
Hunt, D.: Children
of Separation and
Divorce: Factors
Influencing
Adjustement.
Journal of Divorce 3
(1979), 37‑42.
‑
Wallerstein, J.S. &
Kelly, J.B.:
Surviving the
Breakup: How
Children and Parents
Cope with Divorce.
[liv]/
J.P. de Man:
Echtscheiding en de
gevolgen voor het
kind. Wanneer is de
scheiding het minst
nadelig voor het
kind? Edegem (B):
eigen uitgave, 1989.
Bewerkte
gedeeltelijke
vertaling uit: W.A.
Fthenakis, R. Niesel
& H.‑R. Kunze:
Ehescheidung;
Konsequenzen für
Eltern und Kinder.
München‑Wien‑Baltimore:
Urban &
Schwarzenberg, 1982.
Verwijzend naar:
L.A. Kurdek: An
Integrative
Perspective on
Children's Divorce
Adjustement,
[lv]/
Deborah Anna
Luepnitz: "A
Comparison of
Maternal, Paternal,
and Joint Custody:
Understanding the
Varieties of
Post‑Divorce Family
Life." Journal of
Divorce, 9:3, Spring
1986; reprinted in:
Jay Folberg (ed.):
"Joint Custody &
Shared Parenting.",
New York & London,
The Guilford Press,
1991, p.109‑110 &
113.
[lvi]/
Johnston, Janet R.,
Marsha Kline, Jeanne
M.Tshann:
[lvii]/
Luepnitz, D.A.
Child Custody: A
Study of Families
After Divorce.
Lexington, MA:
Lexington, 1982;
referring to: Ilfeld,
F.W.Jr., Ilfeld, H.Z.
& Alexander, J.R.
"Does Joint custody
work? A first look
at outcome data or
relitigation."
American Journal of
Psychiatry 1982,
131 (#1), 62-66.
[lix]/
Benjamin, Michael &
Howard H. Irving:
Shared parenting:
Critical review of
the research
literature.
Family and
conciliation courts
review
/
volume 27, number 2
/ december 1989,
21-35, p. 24.
[lx]/
Greif:
"Fathers, Children,
and Joint Custody"