|
Belagingsvormen
Onderzoek naar de
verschillende vormen van
belaging vanuit de
ervaringen en beleving van
het slachtoffer.
Eindwerk in de Agogische
wetenschappen, Sociale
Agogiek
Tim Govaerts
Promotor: Prof. dr.
Tony Van Loon
Organisatie: Beweging tegen
Geweld - Vzw ZIJN
Academiejaar 2005-2006
Inhoudstafel
Samenvatting
Dankwoord
1. Inleiding
2. Wat is belaging?
2.1. Wettelijke definities
2.2. Wetenschappelijke
definities
2.3. Besluit
3. Komt belaging veel voor?
3.1. Prevalentie studies
3.2. Besluit
4. Wat zijn de
delictkenmerken?
5. Wie zijn de slachtoffers
van belaging?
5.1. Enkele resultaten uit
onderzoeken
5.2. Classificaties van
slachtoffers
6. Wat zijn de gevolgen voor
de slachtoffers van
belaging?
6.1. Psychische gevolgen
voor het slachtoffer
6.1.1. Het isolement waarin
het slachtoffer terecht komt
6.1.2. De aanhoudende
bedreiging waaronder het
slachtoffer leeft
6.1.3. De lange duur van het
fenomeen
6.1.4. De schuldgevoelens
die het slachtoffer ervaart
6.2. Fysieke gevolgen voor
het slachtoffer
6.3. Materiële/financiële
gevolgen voor het
slachtoffer
6.4. Besluit
7. Hoe worden de
slachtoffers beschermd?
7.1. Voor de wet van 30
oktober 1998
7.2. De wet van 30 oktober
1998
7.2.1. Analyse van de wet
7.3. Sinds de wet van 10
oktober 1998
7.4. Besluit
8. Onderzoek
8.1. Aanleiding tot
onderzoek
8.2. Doelstelling
8.3. Onderzoeksmethode
8.3.1. Documentenanalyse
8.3.2. Interview
8.4. Materiaalverzameling
8.5. Onderzoeksresultaten
8.5.1. Kwantitatieve analyse
gevonniste dossiers
geseponeerde dossiers
besluit
8.5.2. Gemengde
kwalitatieve-kwantitatieve
analyse
gevolgen voor het
slachtoffer
gevolgen voor de omgeving
8.6. Conclusie / Discussie
8.7. Evaluatie
8.8. Aanbevelingen
9. Besluit
Bibliografie

Onderzoek naar de
verschillende vormen van
belaging
vanuit de
ervaringen en beleving van
het
slachtoffer
Eindwerk voorgelegd voor het
behalen van de graad van
licentiaat in de Sociale
Agogiek
door
Govaerts Tim
Academiejaar 2005-2006
Promotor: Prof. Dr. Tony Van
Loon
aantal woorden: 11 974
FACULTEIT VOOR PSYCHOLOGIE
EN EDUCATIEWETENSCHAPPEN
Richting: 2de
Licentie Sociale Agogiek

Samenvatting
Belaging is een fenomeen dat
de laatste jaren meer een
meer in de publieke
belangstelling
gekomen is. Dit komt door
een aantal bekende personen
die met belaging in
aanmerking kwamen
maar ook door enkele
tragische feiten die zich
hebben voorgedaan.
De doelstelling van het
onderzoek is de
verschillende vormen van
belaging te achterhalen
vanuit de beleving en
ervaringen van de
slachtoffers. Hierdoor wordt
het mogelijk om vanuit het
slachtofferperspectief de
meest recente ontwikkelingen
in verband met belaging op
te volgen en in kaart te
brengen.
De probleemstelling van het
onderzoek is nagaan welke
vormen van belaging de
slachtoffers
weergeven. Dit trachten we
doen door een gemengd
kwalitatief-kwantitatief
onderzoek dat
gebaseerd is op de analyse
van gerechtelijke
belagingsdossiers. In ons
uiteindelijk onderzoek
hebben we 53
belagingsdossiers weerhouden
waarvan 23 gevonniste en 30
geseponeerde uit
verschillende gerechtelijke
arrondissementen. Via de
klassieke inhoudsanalyse,
die de
kwantitatieve en de
kwalitatieve analyse van ons
onderzoeksmateriaal
overbrugt, hebben we onze
dossiergegevens verwerkt.
Hierdoor werd het mogelijk
verschillende thema’s,
categorieën en
subcategorieën van belaging
op te stellen. Via een
statistische analyse werd de
leeftijd en het geslacht van belager en van
slachtoffer, de onderlinge
relatie tussen belager en
slachtoffer en de
duur van de belaging
onderzocht. Evenals de
gevolgen voor de
slachtoffers en hun
omgeving.
Uit het onderzoek blijkt dat
we 51 vormen van belaging
kunnen onderscheiden, die we
ingedeeld
hebben in acht categorieën:
‘belaging van familie en
vrienden’, ‘bedreigingen’,
‘achtervolgen’,
‘ongewenste communicatie’,
‘huis terreur’, ‘verbale
agressie’, ‘neerhalen’ en
‘fysieke agressie’.
Bijna 50 % van alle
belagingsacties bestaat uit
ongewenste communicatie en
huisterreur. Uit ons
kwantitatief onderzoek
blijkt ondermeer dat het
percentage vrouwelijke
slachtoffers opvallend lager
ligt dan in het
literatuuronderzoek wordt
weergegeven. Ook de gevolgen
van belaging op
psychisch, fysiek en
materieel/financieel gebied
mogen niet onderschat
worden. Dit zowel voor
slachtoffer als omgeving.

Dankwoord
Een thesis schrijven is een
eenzaam en individueel werk
waar behoorlijk wat tijd in
kruipt. Dit wil
echter niet zeggen dat er
geen hulp van andere mensen
en organisaties aan te pas
is gekomen,
wel integendeel! Graag had
ik daarom een woord van dank
willen richten aan alle
mensen die me
het voorbije jaar hebben
geholpen en gesteund in deze
toch wel stresserende
periode.
Eerst en vooral wil ik mijn
ouders bedanken voor de
steun die ze mij hebben
gegeven, niet alleen
dit jaar tijdens het
schrijven van mijn thesis,
maar voor de voorbije 5 jaar
van mijn studies aan de
VUB. Zonder hun hulp, zowel
financieel als moreel was
dit nooit mogelijk geweest.
Op de tweede plaats wil ik
mijn promotor Dr. T. Van
Loon bedanken voor zijn
onvoorwaardelijke
steun, advies en geduld
zowel voor het tot stand
komen van deze thesis als
tijdens lessen en
mondelinge examens.
Bijzondere dank gaat ook uit
naar de wetenschapswinkel en
de opdrachtgever ‘Beweging
tegen
Geweld – vzw Zijn’ met name
dan Stefanie Goovaerts en
Koen de Doncker voor het
delen van hun
kennis, advies en het
vrijmaken van kostbare tijd
om deze thesis tot een goed
einde te brengen.
Dank gaat ook uit naar het
Parket van Tongeren,
Mechelen, Hasselt en Brussel
voor hun
toestemming tot inzage van
gerechtelijke dossiers.
Bedankt ook aan de
substituut van Mechelen,
Linda de Vriendt voor haar
professionele informatie.
Dank ook aan CAW Leuven voor
hun
medewerking tot oproepen van
slachtoffers van belaging en
hun kostbare tijd.
Tot slot wil ik nog enkele
mensen speciaal bedanken en
dan vooral mijn huisgenoten
voor hun
steun en begrip gedurende
het hele jaar en mijn
familie voor hun vele
aanmoedigingen en
thuishaven.

1. Inleiding
De laatste jaren is belaging
een fenomeen geworden dat
meer en meer in de publieke
belangstelling gekomen is.
Dit komt zowel door een
aantal bekende Vlamingen die
met belaging in aanraking
kwamen, als door enkele
tragische feiten die zich
hebben voorgedaan. Door deze
en
andere feiten wordt het
duidelijk dat veel mensen
slachtoffer zijn van
belaging.
Sinds 1998 bestaat er in
België een wet die belaging
strafbaar stelt. Door het
creëren van een
wettelijk kader krijgen de
slachtoffers meer rechten en
zijn ze in principe beter
beschermd.
Hierdoor wordt het voor de
slachtoffers van belaging
ook makkelijker om aangifte
te doen. Waar
vroeger alleen feiten konden
aangegeven worden die
volgens ons strafrecht
strafbaar waren
gesteld, zoals onder andere:
bedreiging, huisvredebreuk,
mishandeling,… is het nu
mogelijk ook
handelingen en gedragingen
die op zich niet strafbaar
waren, maar die door het
slachtoffer als zeer
onwelkom en bedreigend
worden ervaren ook te
bestraffen. Het is daarom
belangrijk om te kijken hoe
de wet tot stand is gekomen
en wat deze heeft
bijgedragen tot de
problematiek rond belaging.
Om een goed overheidsbeleid
hieromtrent te realiseren is
onderzoek noodzakelijk. Door
het analyseren van de
bestaande gerechtelijke
dossiers is het nu in
tegenstelling tot vroeger
mogelijk om te onderzoeken
welke verschillende
handelingen en gedragingen
als belaging worden ervaren
door het slachtoffer.
Hierdoor wordt het mogelijk
om vanuit het
slachtofferperspectief de
meest recente ontwikkelingen
in verband met belaging op
te volgen en in kaart te
brengen
(groepsstalking,
cyberstalking,…).

2. Wat is belaging?
Stalking is afgeleid van het
Engelse werkwoord ‘to stalk’
en betekent letterlijk
‘jager die zijn prooi
besluipt’ (Perez, 1993). De
betekenis van het woord
‘stalker’ of ‘belager’ zoals
wij het gebruiken
luidt: ‘een persoon die
iemand anders voortdurend
achtervolgt en lastig valt’
(Groenen, 2000).
In onze Nederlandse taal
wordt stalking officieel als
belaging omschreven. Echter
in de volksmond
wordt nog vaak gebruik
gemaakt van de populaire
term stalking. Aangezien dit
een
wetenschappelijk onderzoek
betreft, hebben we geopteerd
de term “belaging” te
gebruiken.
Alvorens het fenomeen
belaging verder toe te
lichten, is het belangrijk
om het begrip belaging te
definiëren. In de literatuur
zijn er heel wat
verschillende definities
voorhanden, maar een
éénduidige definitie
ontbreekt. Wel vindt men in
de verschillende definities
gemeenschappelijke
kenmerken terug zoals: een
ongewenst gedragspatroon
waardoor inbreuk wordt
gepleegd op de
privacy van een ander
persoon, van dit
gedragspatroon gaat een
impliciete of expliciete
dreiging uit en het
slachtoffer ervaart angst
(Meloy, 1998).
Zowel wetenschappelijke als
wettelijke definities worden
gehanteerd afhankelijk van
de reden
waarvoor ze aangewend
worden. Zo zijn
wetenschappelijke definities
van belaging makkelijker te
operationaliseren en
makkelijker meetbaar dan
wettelijke definities
(Meloy, 1998).

2.1. Wettelijke definities
Aan het eind van de jaren
tachtig en het begin van de
jaren negentig trokken een
aantal
belagingsprocessen in de
Verenigde Staten de aandacht
van de media en politici. In
al deze
gevallen ging het bijna
zonder uitzondering om
beroemdheden. Zo was er
Rebecca Schaeffer, een
ster die weigerde zich terug
te trekken in een wereld
afgeschermd van gewone
stervelingen. Ze
woonde in een onopvallende
buurt in Los Angeles en had
er geen moeite mee om er te
winkelen en te wandelen.
Veel mensen herkenden haar
door haar hoofdrol in de
tv-serie “My Sister Sam”.
Maar niemand viel haar
lastig. Tot de schizofreen
Robert Bardo haar begon te
stalken. Bardo was pas
zeventien, twee jaar jonger
dan Rebecca, wanneer zijn
obsessie voor de actrice
startte. In de
zomer van 1989, als Bardo
negentien is, betaalt hij
een privédetective 250
dollar voor Rebecca's
adres. De volgende ochtend
belt hij aan en wordt hij
afgewezen. Even later belde
hij opnieuw aan, duwde de
deur open, nam zijn revolver
en schoot haar dood
(http://www.crimelibrary.com).Naar aanleiding van
verschillende opvallende
belagingszaken, zoals deze
van Rebecca Schaeffer, in
welke de dader uiteindelijk
het slachtoffer doodde, werd
in 1990 in California de
eerste antistalkingwet
goedgekeurd. Pas toen begon
men de term stalking te
gebruiken om dergelijk
gedrag
te beschrijven. Onder
invloed van de media
aandacht die deze zaak kreeg
werd deze antistalkingwet
een voorbeeld voor andere
landen.
De Anti-stalkingswet is
sinds 30 oktober 1998
ingevoerd in België. Pas dan
werd stalking als
afzonderlijk misdrijf
strafbaar gesteld. In het
artikel 442 bis van het
Strafwetboek staat:
« Art. 442 bis. Hij die een
persoon heeft belaagd
terwijl hij wist of had
moeten weten dat hij door
zijn gedrag de rust van die
bewuste persoon ernstig zou
verstoren, wordt gestraft
met
gevangenisstraf van vijftien
dagen tot twee jaar en met
geldboete van vijftig frank
tot driehonderd frank of met
een van die straffen alleen.
Tegen het in dit artikel
bedoelde misdrijf kan alleen
vervolging worden ingesteld
op een klacht van de persoon
die beweert te worden
belaagd » (B.S., art 442
bis, 1998).
Hierbij kan opgemerkt worden
dat er in deze wet geen
sprake moet zijn van een
gedragspatroon
om strafbaar te zijn. Een
handeling is voldoende om
strafbaar te worden gesteld
voor belaging.

2.2. Wetenschappelijke
definities
Bij het wetenschappelijke
definiëren (voornamelijk
klinisch psychologisch en
psychiatrisch) van
belaging is het belangrijk
uit te gaan van hoe het
slachtoffer de ongewenste
aandacht ervaart en
niet uit te gaan van de
intenties van de belager
(Mullen, Pathé & Purcell,
2000). Dit biedt op
termijn een betere houvast
aan politionele en/of
gerechtelijke instanties om
te weten hoe en
wanneer ze moeten ingrijpen
(O’Connor & Rosenfeld,
2004).
Meloy en Gothard (1995)
vestigen de aandacht op
gedragingen die
herhaaldelijk voorkomen en
als onwenselijk worden
ervaren door het slachtoffer
van de achtervolging. Zij
omschrijven het
‘obsessioneel volgen’ als
‘een abnormaal of langdurig
patroon van bedreiging of
getreiter tegen een
welbepaald individu’.
Waarbij ze de bedreiging
definiëren als ‘meer dan één
openlijke daad of
ongewenste achtervolging die
door het slachtoffer als
getreiter wordt ervaren’.
Pathé en Mullen (1997)
poogden een definitie op te
stellen die
geoperationaliseerd kon
worden en
die afhangt van
observeerbare variabelen met
de voorwaarde dat de
gestelde gedragingen als
ongewenst ervaren worden
door het slachtoffer. In een
latere publicatie voegen de
auteurs hieraan toe dat het
gedrag op zijn minst uit 10
inbreuken en ongewenste
berichten moet bestaan,
verspreid over een periode
van 4 weken (Mullen, Pathé,
Purcell & Stuart, 1999). Hun
definitie
luidde als volgt: ‘een
verzameling van gedragingen
waarin een individu een
ander teistert met
herhaaldelijke ongewenste
inbreuken en boodschappen’.
Westrup en Fremouw (1998)
formuleerden een definitie
die de criteria
overeenkomstig met de
vierde editie van de
Diagnostic and Statistical
Manual of Mental Disorders
(DSM-IV) mee opneemt.
Volgende definitie werd
geformuleerd:
‘stalkingsgedrag is een
gedrag of een groep van
gedragingen die direct
gericht en herhaaldelijk
gericht zijn tot een
specifiek individu
(doelwit), door het doelwit
worden ervaren als ongewenst
en indringend, en uitgevoerd
worden om angst en
bezorgdheid bij het doelwit
te veroorzaken’.
Als we deze analyse maken
van mogelijke definities van
belaging is het niet
verwonderlijk dat het
Leuvense BASTA-project
(Beveiliging door Anti
Stalking – Alarm) de
volgende definitie hanteert
:
‘stalking is het
opzettelijk, willens en
wetens, herhaaldelijk
lastigvallen en achtervolgen
van een
persoon zodat deze vreest
voor zijn/haar veiligheid’
(Groenen, Huysmans &
Stevens, 2002).

2.3. Besluit
De moeilijkheid om te komen
tot één integrale definitie
geeft aan dat zowel
wetenschappelijk
onderzoek naar belaging als
de uitspraken die men
hieromtrent formuleert met
de nodige
omzichtigheid dienen te
gebeuren. Immers door het
hanteren van verschillende
definities bereikt
men een andere populatie,
andere onderzoeksresultaten,
enz. (Debruyne, Dillen &
Cosyns, 2002).
Het is dan ook aangewezen
dat universeel dezelfde
definitie zou worden
gehanteerd om het
wetenschappelijk onderzoek
naar belaging te stimuleren.

3. Komt belaging veel voor?
Een beeld krijgen van de
totale omvang van het
fenomeen belaging is zeer
moeilijk. Dit komt
onder meer omdat het meten
van de omvang van belaging
sterk verbonden is met hoe
het begrip
gedefinieerd wordt. Door
verschillen in definitie
loopt het percentage
slachtoffers van belaging op
de totale bevolking bij
verschillende onderzoeken
uiteen (Finch, 2001).
Daar komt bij dat belaging
een klachtmisdrijf1 is. Door
politie en justitie worden
dus alleen die
gevallen van belaging
geregistreerd waarbij het
slachtoffer zelf aangifte
heeft gedaan. Bij een lage
aangiftebereidheid geeft dit
dus een verkeerd beeld. Ook
het aantal aangemelde
slachtoffers bij specifieke
hulporganisaties leveren
geen volledige cijfers
omwille van dezelfde
redenen. Daarnaast bevat
belaging ook een subjectief
element, wat voor de ene
persoon als belaging ervaren
wordt zal daarom niet steeds
door een ander persoon als
belaging ervaren worden.

3.1. Prevalentie studies
Uit het Australisch
onderzoek door het
Australian Bureau of
Statistics in 1996 bleek dat
2,4% van
de vrouwen van boven de 18
in één jaar tijd slachtoffer
is geweest van belaging
(Verkaik &
Pemperton, 2001).
Purcell, Pathé en Mullen
(2002) deden later eveneens
uitspraken over de
prevalentie van belaging
in Australië. Bij een
toepassing van een strikte
definitie kwamen ze tot de
conclusie dat 14,9 % van de
vrouwen en 6,1 % van de
mannen ooit in hun leven
slachtoffer werden van
belaging. Bij het hanteren
van een ruimere definitie
werd reeds 32,4 % van de
vrouwen en 12,8% van de
mannen belaagd.
Amerikaans onderzoek van
Tjaden en Thoeness (1998)
wees uit dat 8.1% van de
Amerikaanse
vrouwen en 2.2% van de
mannen in de Verenigde
Staten ooit in hun leven
slachtoffer werden van
belaging. Ze merkten op dat
bij het gebruik van een
ruimere definitie de
prevalentie dramatisch
stijgt. Hieruit blijkt dat
er dan reeds 12% van de
vrouwen en 4 % van de mannen
ooit slachtoffer
werden van belaging.
1 Een klachtmisdrijf is een
misdrijf dat wordt geacht
dermate een individueel
belang te raken dat een
strafrechtelijke reactie
integraal afhangt van de
wens van het betrokken
individu om op te treden.
Beklaagt de betrokkene zich
niet, of overlijdt hij/zij
alvorens zich te beklagen,
dan kan het openbaar
ministerie geen
strafvervolging instellen,
tenzij in de wetsbepalingen
inzake het klachtmisdrijf
uitdrukkelijk in een
uitzondering
wordt voorzien.
In Groot-Brittanië kwamen
Budd en Mattinson (2000) tot
de vaststelling dat 16,1%
vrouwen en
6,8% mannen reeds te maken
kregen met aanhoudende en
ongewenste aandacht.
Walby en Allen (2004) vonden
in hun onderzoek dat 18,9%
van de vrouwen en 11,6% van
de
mannen ooit slachtoffer
werden van belaging.
Ook in België zijn vooral
vrouwen slachtoffer van
belaging. Drievierde van de
slachtoffers die zich
aanmelden zijn vrouwen
volgens Groenen (2000). Wat
de leeftijd betreft kunnen
we zeggen dat in ons land
zich personen tussen 16 en
70 jaar, met een gemiddelde
leeftijd van 44 jaar,
aanmelden bij de stichting
anti-stalking.

3.2. Besluit
Een voorzichtig vergelijk
van grootschalige studies
die prevalentiegegevens
bevatten, is slechts
mogelijk indien rekening
wordt gehouden met o.a. de
gehanteerde definities
(ruim, strikt, …), de
duurtijd van de bevraagde
periode (afgelopen jaar,
levenslang, …), de methode
van ondervraging
(face-to-face interview,
telefonische bevraging,
schriftelijke enquête, …),
de aard van de steekproef
(hele populatie, specifieke
steekproef, …), enz.
Wel kan men uit bovenstaande
onderzoeken afleiden dat
ongeveer 1/5 van de
bevolking vroeg of
laat in aanraking komt met
belaging en dat binnen deze
groep ongeveer 2/3 van de
slachtoffers
vrouwen zijn. Het is dus
duidelijk dat belaging
wereldwijd een
maatschappelijk probleem
vormt.

4. Wat zijn de
delictkenmerken ?
Belaging kan bestaan uit
veel verschillende
gedragingen en handelingen
die zeer storend, ergerlijk
zijn voor het slachtoffer en
het leven van het
slachtoffer en soms ook dit
van de omgeving van het
slachtoffer grondig
verpesten (SASAM).
Resultaten uit
internationale studies
(Amerikaanse, Europese,
Australische) in verband met
delictkenmerken worden door
ons in onderstaande tabellen
overzichtelijk samengevat.
De aard en de frequentie van
de handelingen en
gedragingen die stalkers
stellen variëren erg.

Meestal beperkt de belager
zich niet tot één van de
hierboven vermelde
technieken, maar maakt
hij/zij gebruik van meerdere
van de hierboven opgesomde
technieken om zijn
slachtoffer te
belagen (SASAM).
Tjaden en Thoennes (1998)
ondervonden dat vrouwen en
mannen anders rapporteren
over de aard
van handelingen.


5. Wie zijn de slachtoffers
van belaging?
5.1. Enkele resultaten uit
onderzoeken
Uit verschillende studies
blijkt dat de overgrote
meerderheid van de
slachtoffers vrouwen zijn.
De
resultaten variëren van 73%
bij Budd en Mattinson
(2000), 75% bij Purcell e.a.
(2002), 78% bij
Tjaden en Thoennes (1998),
tot zelfs 92 % bij Sheridan
e.a (2001).
Jongeren en jongvolwassenen
blijken meer kans te hebben
om belaagd te worden dan
ouderen
(Baas, 2000).
Het is niet bekend of er een
verband bestaat tussen de
kans het slachtoffer van
belaging te
worden en
sociaal-economische
omstandigheden. Wél is
duidelijk dat slachtoffers
van
belaging in alle rangen en
standen voorkomen (Baas,
2000).
Er is geen duidelijk verband
gevonden tussen etniciteit
en slachtofferschap (Baas,
1998).
Er is bij vrouwen in
Groot-Brittannië een verband
gevonden tussen enerzijds
hun burgerlijke
staat en gezinssamenstelling
en anderzijds de kans die
zij lopen het slachtoffer te
worden
van kwaadwillige
telefoontjes. Alleenstaande
vrouwen en vooral gescheiden
vrouwen met
kinderen in huis lopen de
meeste kans daarvan het
slachtoffer te worden
(Tseloni en Pease,1996).

5.2. Classificaties van
slachtoffers
(Boon & Sheridan, 2002) ;
(Mullen, Pathé & Purcell,
2000)
Vanaf begin de jaren ’90
zijn er veel pogingen
ondernomen om slachtoffers
van belaging in te
delen, meestal gesteund op
relationele banden (Zona et
al., 1993 ; Harmon et al.,
1995 ; Meloy &
Gothard, 1995 ; Meloy, 1996
; Emerson et al., 1998).
Michelle Pathé en Paul
Mullen (2000) ontwikkelden
een classificatie gebaseerd
op de voornaamste
relatie tussen slachtoffer
en belager, de context in
welke de belaging
plaatsgreep en op de
typologie van de belager.
Zij verdelen de slachtoffers
in 6 groepen naargelang de
relatie tussen
slachtoffer en belager: ex
relaties; vrienden en
kennissen; professionele
contacten; collega’s;
vreemden; beroemdheden.
Ex-relaties - Verschillende
studies suggereren dat dit
de grootste groep is. Deze
groep omvat:vroegere echtgenoten,
vroegere samenwonenden en
vroegere verkeringen maar
het kan ook gaan
om vroegere vertrouwelijke
verhoudingen van niet
seksuele aard zoals bij
goede vrienden. De
meeste slachtoffers binnen
deze groep zijn vrouwen. De
onderzoekers stellen dat in
de helft van de gevallen het
slachtoffer reeds belaagd
werd tijdens de relatie en
dat de dader dit na de breuk
gewoon verder zet.
Vrienden en kennissen - Bij
deze slachtoffers is de
oorzaak van de belaging
meestal een sociaal
conflict zoals een
burenruzie of een verbroken
vriendschap. De meerderheid
van de mannelijke
slachtoffers behoren tot
deze groep. Kenmerkend voor
deze groep is dat de
belaging meestal
geweldloos en van korte duur
is.
Professionele contacten -
Sommige beroepen zoals
psychiaters, psychologen,
advocaten,
leerkrachten,
maatschappelijk werkers en
andere hulpverleners lopen
een groter risico om belaagd
te worden. Dit doordat de
cliënt/patiënt de
(therapeutische) relatie in
stand wil houden. Bij deze
vorm van belaging wordt
weinig gebruik gemaakt van
fysiek geweld en gaat het
vaak om
telefoontjes, brieven, …
Toch veroorzaakt dit
frustraties bij de
slachtoffers en leidt dit in
sommige
gevallen zelfs tot
stopzetting van het beroep.
Collega’s - Ook op de
werkvloer kan men belaging
terugvinden, meestal tussen
werkgever en
werknemer, tussen werknemers
onderling of tussen
vertegenwoordiger en klant.
De laatste jaren
kent deze groep van
slachtoffers een grote
groei. Het belagen kan
ontstaan om te verleiden,
maar
ook uit bijvoorbeeld
jaloezie om een bepaalde
functie in het bedrijf.
Vreemden - De slachtoffers
kennen hun belager niet,
toch heeft de belager de
intentie een
intieme relatie te starten
omwille van hun fysieke
aantrekkelijkheid of sociale
status. De
slachtoffers in deze groep
kunnen zowel mannen, vrouwen
als kinderen zijn. De
belager aanvaardt geen
afwijzing waardoor vaak de
belaging in één of andere
vorm van geweld eindigt.
Beroemdheden - Elke publieke
figuur is een potentieel
slachtoffer. Hoe groter de
bekendheid hoe
groter het risico om belaagd
te worden door meerdere
personen. De media werkt
deze vorm van
belaging in de hand, door de
beroemdheden zeer
aantrekkelijk voor te
stellen en alle details van
hun privé-leven openbaar te
maken. Zo vervaagt de grens
tussen fantasie en
werkelijkheid voor de
belager met alle risico’s
van dien (bv: moord op
Rebecca Shaeffer).
Zeer recentelijk hebben
Mohandie, Meloy, McGowan en
Williams (2006) een nieuwe
typologie van
belaging RECON
(relaties-context)
voorgesteld. Deze typologie
is gebaseerd op de
hoofdrelatie
tussen belager en
slachtoffer en de context
waarbinnen deze belaging
zich afspeelt:
1. Voormalige relaties in
privé sfeer
a) intieme relaties:
huwelijk, samenwonen,
seksuele contacten (50%)
b) kennissenkring:
collega’s, vriendenkring,
cliënten (13%)
2. Geen belangrijke relatie
of beperkte toevallige
contacten
a) zowel de belager als het
slachtoffer bevinden zich in
de openbare sfeer (27%)
b) zowel de belager als het
slachtoffer bevinden zich in
de privé sfeer (10%)
Deze nieuwe typologie is het
resultaat van een
grootschalig
wetenschappelijk onderzoek
uit Noord
Amerika waarin 1005
slachtoffers werden
betrokken. Deze bevindingen
komen niet in conflict met
vorige typologieën maar zijn
hierop een uitbreiding en
bevestiging.
Het is aangewezen dat de
cross validiteit van deze
typologie in andere landen
wordt onderzocht.
Dit kan een aanleiding zijn
tot nieuw onderzoek
hieromtrent.

6. Wat zijn de gevolgen voor
de slachtoffers van
belaging ?
(SASAM)
We onderscheiden hier drie
categorieën:
a) psychisch
b) fysiek
c) materieel/financieel

6.1. Psychische gevolgen
voor het slachtoffer
De meeste slachtoffers van
belaging ontwikkelen
posttraumatische
stressstoornissen (PTSS).
Deze vinden hun oorsprong in
de opeenvolging van de
ondergane belagingen. Deze
PTSS zijn
kenmerkend voor slachtoffers
van gewelddelicten. Het zijn
angststoornissen die hun
ontstaan
vinden in een traumatische
gebeurtenis. Onder
traumatische gebeurtenissen
verstaan we
onaangename, onvoorziene,
schokkerende gebeurtenissen
die een gevoel van
radeloosheid,
machteloosheid en
frustraties met zich
meebrengen en daarenboven
samengaan met hevige
emoties en/of intense
angstgevoelens.
De ernst van de PTSS is
afhankelijk van de mate
waarin het slachtoffer de
gebeurtenissen
ingeschat heeft als
levensbedreigend. Het
slachtoffer zal dan ook vaak
geconfronteerd worden met
ontkennings- , vermijdings-
en herbelevingssymptomen.
Het slachtoffer heeft
flashbacks, waarbij de
gehele gebeurtenis
herbeleefd wordt.
Paniekaanvallen, gevoelens
van ontreddering, alsook
algemene gevoelens van
verdoving en apathie
overvallen het slachtoffer.
Belangrijk om weten is dat
voor slachtoffers van
belaging een individueel
feit meestal niet zo erg is,
maar wel de constante
bedreiging die het
slachtoffer moet ondergaan.
Het is dan ook zo dat het
geheel van de belaging een
enorme weerslag kan hebben
op de fysieke en psychische
gezondheidstoestand van het
slachtoffer. Het kan zelfs
zo ver gaan dat het
slachtoffer na verloop van
tijd dag en nacht vreest
voor zijn leven. De
psychische schade die het
slachtoffer oploopt of
ervaart, is meestal groter
dan deze opgelopen door
slachtoffers van andere
geweldsdelicten zoals
verkrachting, overvallen,
kapingen, enz…
Hieronder sommen we een
viertal specifieke kenmerken
van het mogelijk trauma
veroorzaakt door belaging
op:

6.1.1. HET ISOLEMENT WAARIN
HET SLACHTOFFER TERECHT KOMT
Door toedoen van zijn
belager:
·
Het slachtoffer heeft
regelmatig te maken met
onbegrip vanuit zijn
omgeving.
·
De omgeving van het
slachtoffer reageert ook
vaak met ongeloof.
·
De belager probeert elke
vorm van contact van het
slachtoffer met de
buitenwereld af te
snijden.
·
De belager slaagt er vaak in
bij de omgeving van het
slachtoffer de indruk te
wekken dat
het slachtoffer problemen
ziet die er niet zijn.
·
Soms slaagt de belager er
zelfs in de omgeving van het
slachtoffer te laten geloven
dat het
slachtoffer eigenlijk de
belager is.
Door toedoen van zichzelf:
·
Het slachtoffer wordt vaak
fundamenteel wantrouwig
tegenover buitenstaanders.
·
Sommige slachtoffers
vermijden contacten met
familie, vrienden en
kennissen uit angst
dat de belager ook deze
personen zou lastig vallen.
·
Het mijden van bepaalde
plaatsen, het niet meer
kunnen of durven aangaan van
een
nieuwe relatie, geen nieuwe
sociale contacten meer
willen opbouwen, het nooit
meer echt
ontspannen zijn, … Hierdoor
isoleert het slachtoffer
zichzelf.
6.1.2. DE AANHOUDENDE
BEDREIGING WAARONDER HET
SLACHTOFFER LEEFT
Het slachtoffer is immer
"the sitting duck". Hij/zij
leeft immers in een
voortdurende bedreiging en
angst. Het is de belager die
alle touwtjes in handen
heeft, hij/zij bepaalt wat
en wanneer er iets
gebeurt. Het slachtoffer
leeft dan ook in een 24 uur
op 24 uur, 7 dagen op 7
dagen durende
angstpsychose.
6.1.3. DE LANGE DUUR VAN HET
FENOMEEN BELAGING
Het slachtoffer ondergaat
een langdurige belaging van
zijn belager. Dit maakt de
psychische
gevolgen voor het
slachtoffer extra zwaar. Het
slachtoffer loopt immers
niet 1 trauma op, maar
verschillende. Het zijn
vooral de opeenvolgende
gebeurtenissen en niet
zozeer een afzonderlijke
gebeurtenis op zich, die
maken dat het slachtoffer
zich onveilig, nooit gerust
voelt.
6.1.4. DE SCHULDGEVOELENS
DIE HET SLACHTOFFER ERVAART
Uiteraard zijn deze
schuldgevoelens onterecht,
maar het is de dader die
probeert deze
schuldgevoelens bij het
slachtoffer op te wekken.
Het feit dat de omgeving van
het slachtoffer vaak
reageert met onbegrip en
ongeloof, maakt dat deze
schuldgevoelens bij het
slachtoffer versterkt
worden.

6.2. Fysieke gevolgen voor
het slachtoffer
Hier kunnen we twee soorten
onderscheiden: de
rechtstreeks toegebrachte
verwondingen door de
dader en de onrechtstreekse
fysieke consequenties zoals
daar zijn:
concentratieproblemen,
spierpijn, eet- en
slaapstoornissen,
duizeligheid, maag- en
darmklachten,
zenuwstoornissen,
hartklachten, epilepsie,
bloeddrukproblemen,
depressie, migraine, …

6.3. Materiële/financiële
gevolgen voor het
slachtoffer
De hierboven vermelde
fysieke problemen kunnen
leiden tot een groter
werkabsenteïsme,
professionele fouten in de
werkomgeving (t.g.v.
concentratiestoornissen) of
de overlast die de
belaging op hun werk
veroorzaakt waardoor in
sommige gevallen het
slachtoffer zijn baan
verliest,
met alle financiële gevolgen
van dien.
Ook het aanbrengen van
herstellingen ten gevolge
van materiële schade die de
belager aanricht,
brengen extra kosten voor
het slachtoffer met zich
mee.
De kosten voor het
aanbrengen van extra
beveiligingsmaatregelen
zoals aanvragen van geheim
telefoonnummer, plaatsen van
veiligheidssloten,
omheining, extra
verlichting, huren van een
postbus enz…
Medische kosten ten
gevolge van de fysieke
klachten die het slachtoffer
ervaart. Heel vaak
moeten slachtoffers in
therapie gaan, ook dit
brengt heel wat ongevraagde
kosten met zich mee.
Slachtoffers die voor de
kinderen moeten zorgen en
door hun ex-partner belaagd
worden, door
bijvoorbeeld geen
alimentatiegeld te willen
betalen.
Slachtoffers die hulp gaan
zaken bij hulporganisaties,
deze moeten ook werken en
vragen vaak
een kleine ledenbijdrage.
Als het slachtoffer dan
een gerechtelijke procedure
opstart tegen zijn belager,
zal hij/zij ook zijn
jurist en/of advocaat moeten
betalen.
De kosten verbonden aan
het verzamelen van bewijzen
tegen de belager.
Slachtoffers die zich
genoodzaakt voelen te
verhuizen, ook dit brengt
kosten met zich mee.
In 2002 besprak Abrams de
resultaten van verschillende
onderzoekers naar de
gevolgen van
belaging voor de
slachtoffers.
Pathé & Mullen stelden in
hun onderzoek met
Australische slachtoffers
van belaging vast dat 83%
een verhoogde ongerustheid
ondervond met
paniekaanvallen en
hyperventilatie. In deze
groep had 54%
slaapstoornissen, 55%
flashbacks, 48%
eetstoornissen, 24%
zelfmoordneigingen en 40%
van de slachtoffers
vertoonden symptomen van een
posttraumatische
stressstoornis. Bij een
nationale telefonische
bevraging van 145
belagingsslachtoffers kwam
Hall tot de vaststelling dat
de slachtoffers agressiever,
meer paranoïde,
gemakkelijker bang werden en
waakzamer ten opzichte van
derden. Van de ondervraagden
rapporteerde 83% dat hun
persoonlijkheid als
resultaat van de belaging
veranderde. Een derde van de
vrouwen en één vijfde mannen
hadden nood aan
psychologische bijstand als
gevolg van de belaging.
Financiële en materiële
gevolgen werden ook door
Pathé & Mullen in hun
onderzoek vastgesteld.
Van de 100 slachtoffers
ondervond de meerderheid
beroepshinder. Slechts 6%
meldde een
drastische wijziging in hun
levensstijl. 82% van de
slachtoffers vermijdt
plaatsen waar de belager
zich zou kunnen voordoen en
53% van de slachtoffers gaf
melding van een daling of
onderbreking
van werk of schoolopkomst
als gevolg van de belaging.
Hall merkte hierbij op dat
enkelen zelfs hun job hadden
opgegeven naar aanleiding
van het
verschijnen van de belager
op de werkvloer.
De NVAW (National Violence
Against Women) rapporteerde
dat 25% van alle
belagingsslachtoffers hun
werk tijdelijk opgaven
waarvan 7% niet meer
terugkeerden naar hun job.

6.4.
Besluit
Uiteraard kan dit alles ook
leiden tot
gezondheidsklachten. Wie
gepest wordt krijgt
psychosomatische klachten en
psychosociale problemen.
Eigen aan slachtoffers van
belaging is dat ze – in
tegenstelling tot voor de
feiten – overreageren, en af
te rekenen krijgen met een
aantal van volgende
problemen: depressieve
stemmingsstoornissen,
angststoornissen,
eetstoornissen en
slaapstoornissen.
Naargelang het trauma dat de
slachtoffers aan belaging
overhouden, kan men ze
indelen in twee
types die zich ongeveer
gelijk tot elkaar verhouden
(Raes, 2000).
Een eerste type van
slachtoffers is het
lethargische type. Tot deze
groep behoren alle
slachtoffers
die een totale depressie
overhouden aan de belaging
en zich totaal hulpeloos
voelen. Na al die
jaren van achtervolging en
bedreiging hebben ze de
kracht niet meer om zich te
verweren en
ondergaan ze gewoon hun
ellende. Vaak vertonen deze
slachtoffers zware
ziekteverschijnselen aan het
hart en de maag ten gevolge
van de stress.
Een tweede type van
slachtoffers is het
agressieve type. In
tegendeel tot de
slachtoffers in de
vorige groep laten zij zich
niet doen door de belager,
maar gaan ze in de
tegenaanval. Hier is
eerder sprake van
vergelding. In dergelijke
vergeldingsacties is het
echter moeilijk te
achterhalen
wie de belager of de
aanstichter is. Bovendien
leiden deze tegenreacties
niet altijd tot positieve
resultaten.

7. Hoe worden de
slachtoffers beschermd?
7.1. Voor de wet van 30
oktober 1998
In België moest er voor de
anti-stalkingswetgeving
beroep gedaan worden op de
bestaande
wetgeving. De handelingen
die de belager stelde,
vielen onder het
toepassingsgebied van andere
strafbepalingen. Zo was het,
en is het nog steeds,
mogelijk stalkers te
veroordelen op basis van
onder meer volgende
strafbare feiten:
bedreigingen (art. 327-329
Sw.), beledigingen (art. 444
en
448 Sw.), laster en eerroof
(art. 443 en 444 Sw.),
huisvredebreuk (art. 439
Sw.), beschadiging
(art.510 tot 546 Sw.),
diefstal (art. 461 Sw.) en
misbruik van
telecommunicatiemiddelen. In
zulke gevallen is er sprake
van een ééndaadse samenloop,
dit doet zich voor wanneer
een feit in meer dan één
strafbepaling valt. De
strafbepaling met de
zwaarste hoofdstraf zal dan
worden toegepast.
Deze artikels uit het
strafwetboek zijn integraal
terug te vinden in bijlage
1.
Ondanks al deze
mogelijkheden om vele
stalkingsgedragingen en
handelingen strafbaar te
stellen, was een
anti-stalkingswetgeving niet
overbodig. Bij belaging gaat
het vaak om handelingen die
afzonderlijk niet strafbaar
zijn. Denk maar aan de
belager die voortdurend
bloemen laat afgeven bij
zijn slachtoffer of de
belager die buiten iemand
opwacht aan zijn/haar werk.
Wel kan de politie overgaan
tot een bemiddelend gesprek,
maar dit levert niet steeds
het gewenste resultaat op.
Burgerrechtelijk waren er
wel maatregelen zoals straat
-en contactverbod
voorhanden. Deze
middelen misten echter vaak
hun effect door de zware
bewijslast waarmee het
slachtoffer te
kampen had.

7.2. De wet van 30 oktober
1998
(cf. supra)
In Artikel 442 van het
Strafwetboek werd voor het
eerst een bepaalde vorm van
belaging strafbaar gesteld
zonder echter de term
belaging te gebruiken.
Artikel 442 van het
Strafwetboek stelt: ‘Met
gevangenisstraf van vijftien
dagen tot twee jaar en
met geldboete van
zesentwintig frank tot
driehonderd frank wordt
gestraft hij die, zonder
toestemming van de eigenaar
of van de huurder, in de bij
artikel 439 aangewezen
plaatsen
binnendringt en daar bij
nacht wordt aangetroffen.’
Om alle vormen van belaging
ook strafrechterlijk te
kunnen aanpakken was er dus
nood aan een
specifieke wetgeving. In mei
1997 werd een wetsvoorstel
ingediend om belaging
strafbaar te
stellen. Dit leidde tot de
wet van 30 oktober 1998.
Artikel 442 bis van het
Strafwetboek stelt: 'Hij die
een persoon heeft belaagd
terwijl hij wist of had
moeten weten dat hij door
zijn gedrag de rust van die
bewuste persoon ernstig zou
verstoren, wordt gestraft
met een gevangenisstraf van
vijftien dagen tot twee jaar
en met een geldboete van
vijftig frank tot
driehonderd frank, of met
één van die straffen
alleen.Tegen het in dit
artikel bedoelde misdrijf
kan alleen vervolging worden
ingesteld op een klacht van
de persoon die beweert te
worden belaagd.’
Deze straf maakt zowel
voorlopige hechtenis als
strafbemiddeling mogelijk
(Stevens, 1998).
Voorlopige hechtenis is
mogelijk omdat de strafmaat
tot twee jaar kan bedragen;
maar anderzijds
door dat de
maximumhoofdstraf twee jaar
correctionele
gevangenisstraf bedraagt is
ook
strafbemiddeling mogelijk.
Door de wet van 10 februari
1994 werd in het Belgische
Strafprocesrecht een
procedure voor bemiddeling
in strafzaken ingevoerd.
Deze wet kadert in een
tendens waarbij meer en meer
gestreefd wordt naar een
buitengerechtelijke
afhandeling van
strafzaken, dit wil zeggen
dat zaken, die tot
strafrechtelijke vervolging
en bestraffing zouden
kunnen leiden, buiten de
strafrechter om worden
afgehandeld (Van Den
Wijngaert, 1994).

7.2.1. ANALYSE VAN DE WET
(Stevens, 1999)
hij die een persoon heeft
belaagd - Het begrip belagen
wordt door de wetgever niet
gedefinieerd. Het is een
open begrip. De rechtspraak
zal dus in de praktijk zelf
een invulling aan dit begrip
moeten geven. Belaging is in
feite een vorm van psychisch
geweld. De dader creëert met
zijn of haar handelingen een
toestand die door het
slachtoffer als
vrijheidsbeperkend en/of
bedreigend ervaren wordt.
Het kernprobleem bij het
strafbaar stellen van
belaging is - net zoals bij
andere vormen van psychisch
geweld - dat bij de
beoordeling van het gedrag
van de dader het
effect van dat gedrag op het
slachtoffer een belangrijke
rol speelt. Voor de eerste
keer pakt de
wetgever ook psychisch
geweld aan terwijl hij wist
of had moeten weten - Voor
de toepassing van het
wetsartikel is vereist dat
de dader ‘wist of had moeten
weten’ dat hij de rust
verstoorde. M.a.w. niet
alleen het wetens en willens
ernstig verstoren van de
rust van een persoon door
deze te belagen is
strafbaar, maar ook het
bewust stellen van
handelingen wanneer de dader
redelijkerwijze had kunnen
weten dat zijn of haar
gedrag de rust van dat
bewuste slachtoffer ernstig
zou verstoren is strafbaar.
van die bewuste persoon -
M.a.w een hulporganisatie
kan hier niet in rechte
optreden en het gedrag van
mensen die één of meerdere
willekeurige personen
aanklampen – bv. bedelaars,
huisaan- huis verkopers,
vertegenwoordigers van
sekten – valt buiten het
toepassingsgebied van het
misdrijf.
de rust ernstig zou
verstoren - Deze vereiste
werd ingevoegd om de drempel
voor de
strafbaarheid van belagend
gedrag hoger te leggen en zo
het toepassingsgebied van
het misdrijf te beperken.
Spijtig genoeg ontbreekt een
objectivering van het
misdrijf ‘belaging’ en van
woorden als ‘rust’ en
‘ernstig’. Immers, net zoals
de rust van de ene persoon
veel sneller verstoord is
dan die van een andere, zal
ook de rust van de ene
persoon veel sneller
‘ernstig’ verstoord zijn dan
die van de andere.
wordt gestraft met een
gevangenisstraf van vijftien
dagen tot twee jaar en met
een
geldboete van vijftig frank
tot driehonderd frank, of
met één van die straffen
alleen -
Deze straf laat zowel een
voorlopige hechtenis van de
dader als strafbemiddeling
toe. Het in
voorlopige hechtenis nemen
van een dader van
kwaadwillige oproepen bij
excessief gedrag is
mogelijk omdat eerder reeds
gebleken is dat dit een
effectief middel is om de
dader de ernst van
zijn gedragingen te doen
inzien.
Hierbij kan opgemerkt worden
dat, aangezien het misdrijf
voorzien in artikel 442bis
van het
Strafwetboek een
klachtmisdrijf is, een
intrekking van de klacht
vóór de instelling van de
strafvordering als gevolg
zal hebben dat zowel de
dader, als een eventuele
deelnemer ontsnappen
aan bestraffing.
Een poging tot belaging
daarentegen is niet
strafbaar.De partnerband wordt niet in
aanmerking genomen voor
verzwaring van de straf.
Mededaders en medeplichtigen
aan belaging zijn eveneens
strafbaar op grond van de
principes van strafbare
deelneming (art.66 tot 69
van het strafwetboek).
Bij herhaling kan de belager
met nog zwaardere straffen
geconfronteerd worden dan
deze voorzien
in art. 442 bis SWB. De
straf kan verdubbeld worden
wanneer de belager reeds
eerder definitief
veroordeeld was voor een
misdaad (dit betekent voor
een van de zwaarste
misdrijven) of reeds
veroordeeld was voor een
eerder wanbedrijf (minder
zwaar vergrijp) wegens een
feit waarvoor
minstens één jaar straf werd
uitgesproken en waarbij het
nieuwe feit gepleegd is
alvorens 5 jaar
verstreken is sinds het
ondergaan of de verjaring
van de straf waarvoor het
eerste feit werd
opgelegd.
N.B: door de invoering van
de euro bedragen de boetes
nu : 1,24 € (50 BEF) tot
7,44 € (300 BEF).
tegen het in dit artikel
bedoelde misdrijf kan alleen
vervolging worden ingesteld
op een
klacht van de persoon - Het
misdrijf belaging is een
klachtmisdrijf, omdat
(sommige van) de
handelingen die door
stalkers gesteld worden
binnen een normale - al dan
niet intieme - relatie
volkomen aanvaardbaar
lijken, een heel ander
karakter krijgen zodra er
geen sprake (meer) is van
een relatie. Wanneer precies
de verstoring van de rust
een ernstig karakter kreeg,
is een
feitenkwestie, die
beoordeeld moet worden in
het licht van de in casu
door de dader gestelde
handelingen en het effect
dat zij sorteerden bij het
slachtoffer.
Eveneens blijkt uit de
parlementaire
voorbereidingen en de
rechtspraak dat het niet
vereist is dat
het ongewenste gedrag een
repetitief karakter heeft.
Slechts één handeling is
voldoende om dit
artikel te kunnen laten
gelden als maar de rust van
het slachtoffer ernstig
verstoord wordt. Hierbij
wordt uitgegaan van de
beleving van het
slachtoffer, zonder enige
objectivering in te lassen.
Een reeks van belangende
handelingen kan bestaan uit
verschillende malen dezelfde
handeling of
uit allerlei verschillende
handelingen.
Ook werd er tijdens de
parlementaire voorbereiding
gesteld dat er los van een
eventuele
bedreiging met geweld of met
een geweldsdelict eveneens
sprake kan zijn van
belaging. Evenmin
blijft het misdrijf beperkt
tot gevallen van seksuele
belaging.

7.3. Sinds de wet van 10
oktober 1998
Op 14 oktober 2002 diende
mevrouw Mia De Schamphelaere
een wetsvoorstel in tot
aanvulling van artikel
442bis van het Strafwetboek.
Op 10 april 2003 verviel het
dossier door ontbinding van
de kamers. Op 29 augustus
2003 werd opnieuw het
wetsvoorstel van 14 oktober
2002 ingediend en verzonden
naar commissie van justitie
waar het nu nog steeds ligt.
Artikel 442bis, tweede lid,
van het Strafwetboek,
ingevoegd bij de wet van 30
oktober 1998, wordt
aangevuld als volgt:
«Indien die persoon
overleden is zonder een
klacht te hebben ingediend
of zonder daarvan te
hebben afgezien, kan de
vervolging niet geschieden
dan op klacht van een
erfgenaam tot en met
de derde graad.»
Dit betekent dat een
aanpassing van het
Strafwetboek nodig is om de
nabestaanden het recht te
geven om namens het
slachtoffer klacht in te
dienen. De indieners steunen
op artikel 450 van het
Strafwetboek inzake laster
en eerroof. Net als belaging
zijn laster en eerroof
klachtmisdrijven,
maar de nabestaanden hebben
het recht om na het
overlijden van het
slachtoffer zelf klacht in
te
dienen. Men moet immers
vermijden dat daders die
zich schuldig maken aan
ernstige vormen van
mentaal geweld — dat in
bepaalde gevallen het
slachtoffer tot zelfmoord
kan dwingen — vrijuit
zouden kunnen gaan. De
aanvulling van artikel
442bis van het Strafwetboek
is op zich vrij
eenvoudig en zal in de
toekomst pijnlijke situaties
voor de naasten van het
slachtoffer vermijden
(wetsvoorstel 2002, De
Schamphelaere).
Op 27 maart 2003 ging
artikel 442 ter van kracht:
Artikel 442 ter van het
Strafwetboek stelt: ‘In
gevallen bepaald in artikel
442bis kan het minimum
van de bij dit artikel
bepaalde correctionele
straffen worden verdubbeld,
wanneer een van de
drijfveren van het
wanbedrijf bestaat in de
haat tegen, het misprijzen
van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst,
zijn nationale of etnische
afstamming, zijn geslacht,
zijn seksuele geaardheid,
zijn burgerlijke staat, zijn
geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een
handicap of een fysieke
eigenschap.’
Het artikel stelt dat de
strafmaat bij belaging kan
worden verdubbeld wanneer er
sprake is van
discriminatie.

7.4. Besluit
De wet op de belaging is
ondertussen zeven jaar oud.
Men stelt vast dat de mensen
steeds vaker
een klacht indienen wegens
belaging. In 2000 telde de
politie net geen 5.000
klachten, in 2004
waren het al 20.935. Dit
komt onder meer omdat de wet
nu beter ingeburgerd is, de
registratie
vlotter verloopt, maar ook
omdat we vandaag relaties
anders beschouwen. We
tolereren niet
langer inbreuken op onze
integriteit of onze privacy.
Onze tolerantiedrempel is
verlaagd en we
dienen dan ook sneller een
klacht in. Aangezien onze
wetgeving een zeer brede
interpretatie van
het begrip ‘belaging’
toelaat, heeft ze eerder een
symbolisch karakter, wat
misbruik in de hand kan
werken. Het is nodig de
aangiften goed te screenen,
zodat het gerecht zich
alleen met ernstige vormen
van belaging kan
bezighouden.
8. Onderzoek
(Baarda, 2005)
8.1. Aanleiding tot
onderzoek
Dit onderzoek wordt gevoerd
in opdracht van - de
beweging tegen geweld - Vzw
ZIJN en in
samenwerking met de
wetenschapswinkel. Vzw Zijn
tracht preventief en duidend
op te treden
tegen geweld en misbruik
binnen elke
vertrouwensrelatie. De Vzw
beoogt inzichtverwerving,
attitudeverandering,
waardebesef en biedt een
meerwaarde aan ten opzichte
van de curatieve
werking van de
hulpverlening. Stalking of
belaging is een concreet
voorbeeld van geweld en
misbruik al dan niet binnen
een vertrouwensrelatie.
Zelf sprak het onderwerp van
belaging mij erg aan, maar
vooral dan bekeken door de
ogen van het slachtoffer.
Dit omdat de beleving en
ervaringen van slachtoffers
van elke vorm van geweld tot
het domein behoren van de
sociale agogiek.

8.2. Doelstelling
In het onderzoek willen we
nagaan welke verschillende
vormen van belaging
voorkomen vanuit het
slachtofferperspectief. We
zullen vooral de ervaring en
beleving van de slachtoffers
van belaging trachten te
achterhalen. Daarom opteren
we voor een gemengd
kwalitatief – kwantitatief
onderzoek.

8.3. Onderzoeksmethode
Het onderwerp belaging ligt
zeer gevoelig en behoort
bovendien volledig tot de
privé-sfeer,
waardoor het zeer moeilijk
wordt om de juiste
informatie te verkrijgen
nodig voor het onderzoek.
Dit komt enerzijds door de
ervaringen van slachtoffers
die vaak zware inbreuken
hebben gekend
op hun privacy waardoor ze
deze sterk willen
beschermen. Anderzijds is
het bij dit soort onderzoek
moeilijk om inzicht te
krijgen in dossiers van
zowel het gerecht als van
slachtofferhulporganisaties,
door het beroepsgeheim waar
deze mensen aan verbonden
zijn. Het is dus van belang
dat alle betrokken partijen
eerst vertrouwen in mij, de
student-onderzoeker, zullen
moeten stellen vooraleer ze
de informatie willen/kunnen
verstrekken.
We opteren om gebruik te
maken van documentenanalyse
en een aantal interviews.

8.3.1. DOCUMENTENANALYSE
Voor de documentenanalyse
maken we gebruik van
gerechtelijke dossiers en
dossiers van
hulpverlenende instanties.
Deze dossiers hebben
allemaal betrekking op het
fenomeen belaging.
Een van de voordelen van
documenten is dat ze
‘geduldig’ zijn; de
onderzoeker kan gemakkelijk
voor een tweede of derde
keer al dan niet vanuit een
andere invalshoek de
documenten bevragen. Een
respondent meerdere keren
over hetzelfde bevragen is
minder evident. Een nadeel
is echter dat het gaat over
informatie uit de tweede
hand. Documenten zijn
opgetekend met een bepaald
doel voor ogen en hierdoor
kan kostbare informatie voor
de onderzoeker weggevallen
zijn.

8.3.2. INTERVIEW
Om respondenten te vinden
hebben we verschillende
Centra Algemeen Welzijnswerk
aangeschreven
(slachtofferhulp). Dit
zonder enig resultaat.
Wel werd er in samenspraak
met de organisatie CAW
Leuven een brief opgesteld
gericht aan
slachtoffers van belaging.
Een veertigtal brieven
werden verstuurd waarop tot
heden (7 mei 2006) geen
reactie is verkregen. Daarom
beperken we ons tot een
analyse van de gerechtelijke
dossiers. De
onderzoekbaarheid van ons
probleem is echter ook nog
afhankelijk van een aantal
andere factoren:
Ethische verantwoording -
Bij analyse van de dossiers
wordt volledige anonimiteit
van
betrokkenen, feiten, data of
andere gegevens strikt
gegarandeerd.
Afbakening van het onderwerp
- Naar afbakening van het
onderwerp hebben we gekozen
om onderzoek te doen naar de
ervaring en beleving van het
slachtoffer van belaging.
Beschikken over tijd en geld
- Zowel het zoeken naar
respondenten en het trachten
toegang te
krijgen tot dossiers en
dossieranalyses zijn zeer
tijdsintensief en
geldverslindend.

8.4. Materiaalverzameling
Het documentenonderzoek
heeft een eerste aanzet
gekend met het schrijven van
een brief aan de
Procureur des Konings van
alle veertien gerechtelijke
arrondissementen in
Vlaanderen. Eveneens
werd dit schrijven gericht
aan Minister van Justitie
Laurette Onkelinx. Deze
brieven werden
verstuurd op 18 februari
2005. Positieve reacties
kwamen van de gerechtelijke
arrondissementen
Hasselt, Tongeren, Brussel,
Mechelen, Turnhout en van de
Minister van Justitie. Deze
ontvingen we in de maanden
maart en april. Vervolgens
werd persoonlijk contact
opgenomen met deze
gerechtelijke
arrondissementen en werden
de nodige afspraken gemaakt.
Het parket van Tongeren
stelde 20 belagingsdossiers
ter beschikking, waarvan 18
geseponeerde en 2
gevonniste. Het parket van
Hasselt stelde 10
belagingsdossiers ter
beschikking waarvan 0
geseponeerde en 10
gevonniste. Het parket van
Mechelen stelde 28
belagingsdossiers ter
beschikking waarvan 17
geseponeerde en 11
gevonniste. Al vlug werd
duidelijk na een gesprek met
de substituut van het
parket van Mechelen, dat het
voor het parket veel
gemakkelijker is om
geseponeerde dossiers uit
handen te geven dan
gevonniste aangezien deze
moeten aangevraagd worden
via een procedure.
In ons uiteindelijk
onderzoek hebben 53
belagingsdossiers weerhouden
waarvan 23 gevonniste en
30 geseponeerde. Voor het
documentenonderzoek werden
eveneens verschillende
Centra Algemeen Welzijnswerk
(CAW) – slachtofferhulp –
aangeschreven. Wegens
beroepsgeheim kon echter
geen van deze organisaties
op onze vraag ingaan.

8.5. Onderzoeksresultaten
8.5.1. KWANTITATIEVE ANALYSE
Voor de kwantitatieve
analyse hebben we gebruik
gemaakt van de gegevens uit
de gerechtelijke
dossiers. We zijn gaan
kijken naar de leeftijd van
de belager en van het
slachtoffer op het einde
van de periode van belaging,
naar het geslacht van
belager en slachtoffer, naar
de onderlinge
relatie tussen belager en
slachtoffer en tenslotte ook
naar de duur van de
belaging. Hierbij hebben we
een onderscheid gemaakt
tussen gevonniste dossiers
en geseponeerde dossiers.

Gevonniste dossiers
Bij de kwantitatieve analyse
kwamen we tot volgende
bevindingen:
·
bij de registratie van de
leeftijden van slachtoffers
merkten we op dat de
leeftijden
schommelden tussen 24 en 54
jaar, de gemiddelde leeftijd
37,6 jaar was en de mediaan
37. Groenen (2000) vond voor
België leeftijden tussen 16
en 70 jaar, met een
gemiddelde
van 44 jaar.
·
bij registratie van de
leeftijden van de belager
merkten we op dat de
leeftijden
schommelden tussen 21 en 67
jaar, de gemiddelde leeftijd
40,6 was en de mediaan 43.
In
69,5% van de gevallen was de
belager ouder dan het
slachtoffer.
·
bij de registratie van het
geslacht van het
slachtoffers merkten we dat
68% van de
slachtoffers vrouwen waren
en 32% mannen. Groenen
(2000) kwam in haar
onderzoek aan
75% vrouwen en 25% mannen.
·
bij de registratie van het
geslacht van de belagers
bleek de grootste groep uit
mannen te
bestaan, nl. 87,5%. Dit
wordt ook in de literatuur
zo aangegeven.
·
bij de registratie van de
relatie tussen slachtoffer
en belager bemerkten we dat
alle
belagers één of andere
relatie (91%) hadden met hun
slachtoffer van
ex-echtgenoot (-te),
ex-vriend (-in), vriend
(-in) van slachtoffer of
belager tot familielid van
slachtoffer. In de
23 dossiers was maar éénmaal
spraken van een
professionele relatie (4,5%)
(ex-patiënt)
en éénmaal van een
collegiale relatie (4,5%)
(tussen werkgever en
werknemer).

·
bij de registratie van de
duur van de belaging merkten
we op dat de periodes
schommelden tussen 1 week en
6jaar3maanden, mediaan was 1
jaar. Uit onderstaande
tabel kunnen we afleiden dat
de slachtoffers in ons
onderzoek lang wachten voor
ze een
klacht indienen. Dit in
tegenstelling tot Australië
waar slachtoffers veel
sneller reageren.

13%
Geseponeerde dossiers
Bij de kwantitatieve analyse
kwamen we tot volgende
bevindingen:
·
bij de registratie van de
leeftijden van slachtoffers
merkten we op dat de
leeftijden
schommelden tussen 18 en 66
jaar, de gemiddelde leeftijd
39,3 jaar was en de mediaan
40. Groenen (2000) vond voor
België leeftijden tussen 16
en 70 jaar, met een
gemiddelde
van 44 jaar.
·
bij registratie van de
leeftijden van de belager
merkten we op dat de
leeftijden
schommelden tussen 21 en 69
jaar, de gemiddelde leeftijd
40 was en de mediaan 41. In
69% van de gevallen was de
belager ouder dan het
slachtoffer.
·
bij de registratie van het
geslacht van het
slachtoffers merkten we dat
64.5% van de
slachtoffers vrouwen waren
en 35,5% mannen. Groenen
(2000) kwam in haar
onderzoek
aan 75% vrouwen en 25%
mannen.
·
bij de registratie van het
geslacht van de belagers
bleek de grootste groep uit
mannen te
bestaan, nl. 74%.
·
bij de registratie van de
relatie tussen slachtoffer
en belager bemerkten we dat
alle
belagers één of andere
relatie (83%) hadden met hun
slachtoffer. In de 30
dossiers was
maar éénmaal spraken van een
professionele relatie (3.3%)
(klant), éénmaal van een
collegiale relatie (3.3 %)
(tussen werkgever en
werknemer) en éénmaal was de
belager
een volkomen vreemde (3.3%).
In 13.3 % van de gevallen is
de belager onbekend.



Besluit
8.5.1
Ons kleinschalig onderzoek
van gerechtelijke dossiers
(n=53), gespreid over
verschillende Vlaamse
arrondissementen, geeft
volgende resultaten:
·
het geslacht van
slachtoffers van belaging
varieert van 63.3% vrouwen
in geseponeerde
dossiers tot 69.6% vrouwen
in gevonniste dossiers. Dit
verschil is echter niet
significant
(x²(53,1) = .225 , p
>
.60). Wel kunnen we zeggen
dat de percentages in ons
onderzoek
verschillen met de
percentages in ons
literatuuronderzoek, waar
deze varieëren van 73%
tot 92%.
·
Bij de leeftijd van de
slachtoffers van belaging
valt op dat bij gevonniste
dossiers 68% van
de slachtoffers jonger zijn
dan 39 jaar. Dit komt
overeen met de bevindingen
van Baas
(2000) dat jongeren en
jongvolwassenen meer kans
blijken te hebben om belaagd
te
worden dan ouderen. Bij
geseponeerde dossiers is
slechts 48% jonger dan 39
jaar.

·
In bijna 3 kwart van de
gerechtelijke dossiers
(73.31 %) is de band tussen
slachtoffer en
belager een ex-relatie.
Waarvan 60% bij geseponeerde
dossiers en 91.31% bij
gevonniste
dossiers. Dit komt overeen
met de gegevens in ons
literatuuronderzoek. Dit
verschil is
echter niet significant ( x²
(6,53) = 9,471 , p > .05).
·
Er is een significant
verschil in duurtijd
naargelang gevonniste of
geseponeerde dossiers.
(x² (53,1) = 7,378 , p
<
.01) Bij gevonniste dossiers
is de duurtijd significant
langer dan
bij de geseponeerde
dossiers.
·
Het aantal belagingen van
één jaar of langer ligt vijf
maal hoger bij gevonniste
dossiers
(47,8%) dan bij geseponeerde
dossiers (10%). Anderzijds
ligt het aantal belagingen
van
minder dan zes maanden bijna
dubbel zo hoog bij
geseponeerde dossiers
(73,4%) dan bij
gevonniste dossiers (39%).
Een mogelijke verklaring
voor de kortere duur van
belaging in
geseponeerde dossiers zou
kunnen zijn dat de belager
zijn handelingen stopzet na
een
officiële klacht bij
politiediensten. Anderzijds,
indien de belager niet
vatbaar is voor
bemiddeling na een officiële
klacht sleept de belaging
aan wat uiteindelijk kan
aanleiding
geven tot een vonnis.
Uit ons literatuuronderzoek
blijkt dat 33% tot 55 % van
alle belagingen minder dan
één
maand duren. Dit is in
contrast met onze
bevindingen waar maar 8,7%
tot 23,3% van alle
belagingen minder dan één
maand duren. Hieruit kunnen
we besluiten dat de
slachtoffers
in Vlaanderen minder snel
klacht indienen dan in
andere landen, ondanks de
mogelijkheid
die de wet op belaging hen
geeft.

8.5.2. GEMENGDE KWALITATIEVE
– KWANTITATIEVE ANALYSE
Voor deze gemengde analyse
hebben we gebruik gemaakt
van de gerechtelijke
dossiers. We
noemen deze analyse een
gemengde analyse omdat we
enerzijds gebruik maken van
verklaringen
van slachtoffers
(kwalitatief), anderzijds
gaan we ook trachten een
beeld te geven in welke mate
de verschillende vormen van
belaging voorkomen
(kwantitatief).
Uit de dossiers worden de
voornaamste gegevens
genoteerd in een schrift,
aangezien kopiëren van de
soms omvangrijke dossiers
onmogelijk is. Later wordt
deze neerslag van de
gerechtelijke
dossiers in een
word-document geplaatst om
inhoudelijk geanalyseerd te
worden.
De verschillende vormen van
belaging die door de
slachtoffers werden vernoemd
in de 23
gevonniste dossiers hebben
geleid tot onderstaand
overzicht. In het totaal
kunnen we zo 51
verschillende vormen van
belaging onderscheiden.
Figuur 10 : De verschillende
vormen van belaging
Door de omschreven
ervaringen van de
slachtoffers over te nemen
lijkt het dat sommige vormen
meermaals voorkomen in ons
overzicht. Dit trachten we
op te vangen door al deze
vormen onder
te verdelen in acht
categorieën, namelijk:
ongewenste communicatie,
huisterreur, bedreigen,
fysieke agressie, belaging
van familie en vrienden,
verbale agressie, neerhalen
en achtervolgen.
Figuur 11:
Categorieënindeling
Categorie ‘belaging van
familie en vrienden’: het
lastig vallen van derden op
een wijze
dat deze ook worden belaagd
en hiervan hinder
ondervinden.
Categorie ‘bedreigingen’:
Het opzettelijk oproepen van
angst bij een persoon en op
deze
manier de rust een persoon
ernstig te verstoren.
Categorie ‘achtervolgen’:
Het achternagaan van een
persoon met vijandige
bedoelingen
Categorie ‘Ongewenste
communicatie’: Het contact
opnemen met een persoon,
wetende
dat deze dit als ongewild en
bedreigend ervaart.
Categorie ‘huisterreur’: De
woonplaats van een persoon
zo terroriseren dat deze
ernstig
in zijn rust verstoord is en
een sterk gevoel van
onveiligheid heeft in zijn
privé
omgeving.
Categorie ‘neerhalen’:
Handelingen stellen die
ervoor die een persoon
kwetsbaarder
maken met als gevolg dat
deze een lager zelfbeeld
ontwikkeld.

Na verdere analyse van
gevonniste dossiers
gebaseerd op deze 51
verschillende vormen van
belaging komen we tot een
resultaat van 193
belagingsacties. Dit geeft
een gemiddelde van 8,4
belagingsacties per dossier,
aangehaald door het
slachtoffer. (M = 8.39 ; SD
= 2.824)

De grafiek geeft procentueel
weer in welke mate de
verschillende categorieën
van belaging
voorkomen. Zo merken we op
dat één vierde van alle
belagingsacties bestaat uit
ongewenste
communicatie, waarvan 80%
bestaat uit telefoneren en
SMS berichten versturen. In
heel veel
gevallen gebeurd dit zelfs
dag en nacht. Meer dan 20%
van de belagingsacties
bestaat uit
huisterreur. Aangezien heel
veel belagingsacties
plaatsvinden in en rond de
woning hebben we
geopteerd deze in één
categorie onder te brengen,
in tegenstelling tot andere
onderzoeken die
hiervoor geen afzonderlijke
categorie voorzien. Uit ons
onderzoek blijkt echter dat
deze categorie
van belaging als zeer
bedreigend en
vrijheidsberovend door
slachtoffers wordt ervaren.
Vooral
aanbellen, het huis
(proberen) binnen te dringen
en in de buurt van het huis
rondhangen worden
aangehaald (60%).
Na verdere analyse van
geseponeerde dossiers
gebaseerd op de 51
verschillende vormen van
belaging komen we tot een
resultaat van 93
belagingsacties. Dit geeft
een gemiddelde van 3,1
belagingsacties per dossier
aangehaald door het
slachtoffer. (M = 3,10 ; SD
= 1,605)

De grafiek geeft procentueel
weer in welke mate de
verschillende categorieën
van belaging
voorkomen. Zo merken we op
dat bijna 40 % van alle
belagingsacties uit
ongewenste
communicatie bestaat,
waarvan 65 % bestaat uit
telefoneren en SMS berichten
versturen. Met
bijna 20% van alle
belagingsacties is
huisterreur de tweede
grootste categorie. Vooral
aanbellen, in de buurt van
het huis rondhangen en
eigendommen vernielen worden
aangehaald (66%).

Besluit
8.5.2
Het aantal belagingsacties
in geseponeerde
gerechtelijke dossiers is
significant lager dan in
gevonniste gerechtelijke
dossiers. (U (53) = 28.50 ,
p
<
0.01)
We maken gebruik van de
Mann-Whitney test. Dit is
een non-parametrische test
die we gebruiken
bij het maken van een
vergelijking tussen
gemiddelden van een
onafhankelijke variabele met
een
ordinaal meetniveau en
waarbij de afhankelijke
variabele van het nominaal
meetniveau is.
Indien we chi² zouden
gebruiken bekomen we volgend
resultaat: (x²(53,12)=37,394
, p
<
.01).

Van alle ongewenste
communicatie handelingen in
de 53 gerechtelijke
dossiers, vindt 43,4 %
plaats in de gevonniste
dossiers (M = 2,00 ; SD = 1)
en 56,6% in de geseponeerde
dossiers
(M = 1,23 ; SD = 0,774).
Het is in deze categorie dat
het verschil tussen de
geseponeerde –en de
gevonniste dossiers het
grootste is. Het is echter
niet significant. (x² (53,4)
= 10, 542 , p
>
0,05)

De percentages van volgende
onderzoeken geven weer in
welke mate bepaalde
belagingsvormen
voorkomen. Het percentage
telefoontjes, fysieke
intimidatie en belaging van
familie komt sterk
overeen met onze
bevindingen. Verschillen
merken we echter op bij de
belagingsactiviteiten:
volgen, ongewenste brieven,…
en betreden eigendom. Zo
komen Budd, Sherdidan en
Brewster tot
veel hogere resultaten voor
‘achtervolgen’. Hun
resultaten schommelen tussen
39% en 82% waar
wij in ons onderzoek van
gevonniste gerechtelijke
dossiers slechts 30,4%
bekomen. Ook het
betreden van eigendommen
komt minder voor in ons
onderzoek (43.5%) dan in dit
van Sheridan
(68%). Het grootste verschil
is merkbaar in de categorie
ongewenste brieven, faxen,
mails en SMS.
In meer dan 75% van al onze
belagingsdossiers is sprake
van ongewenste communicatie
via
brieven, mail en SMS. Dit in
tegenstelling tot
bevindingen van Purcell en
Brewster die
respectievelijk 19% en 59,3%
bekomen. Een mogelijke
verklaring hiervoor kan zijn
dat het gebruik van gsm en
e-mail de laatste jaren
sterk is toegenomen en dus
ook als belagingsmiddel
steeds vaker worden
gehanteerd.
Gevolgen voor het
slachtoffer
Op basis van ons
literatuuronderzoek over de
gevolgen voor het
slachtoffer van belaging
hebben
we getracht de uitspraken
van de slachtoffers over wat
zij ervaren als gevolg van
de
belagingsperiode te
categoriseren. We hebben de
hoofdindeling psychisch,
fysiek en
materiaal/financieel uit ons
literatuuronderzoek behouden
en van daaruit de
verschillende
uitspraken gaan indelen. Zie
bijlage 2.
Figuur 16 : Gevolgen van
belaging voor het
slachtoffer
Psychisch
Materieel/financieel
Fysiek
Net zoals het
literatuuronderzoek aangeeft
zijn de gevolgen voor een
belagingsslachtoffer niet te
onderschatten. Zelfs in
geseponeerde gerechtelijke
dossiers waar het algemeen
gesproken over
lichtere feiten gaat komen
deze drie categorieën aan
bod. Ook merken we op dat
ieder slachtoffer
de belaging anders beleefd
en verwoord. Het gebrek aan
een standaard bemoeilijkt
het onderzoek.
Gevolgen voor de omgeving
Niet alleen het slachtoffer
draagt gevolgen van belaging
(de persoon die klacht
neerlegt). Ook
mensen uit het sociale
netwerk van het slachtoffer
kunnen op hun beurt
slachtoffer van de dader
worden. De belager zal er
immers alles aan doen om in
de buurt te kunnen komen van
het
slachtoffer. Zodoende zal de
belager vaak ook familie,
vrienden, kennissen,
collega's of de
werkgever van het
slachtoffer lastig vallen.
Uit de gerechtelijke dossier
hebben we onderstaande
gevolgen voor de omgeving
gehaald.
Figuur 17: Gevolgen voor de
omgeving
Uit bovenstaande figuur
kunnen we afleiden dat de
belaging gevolgen heeft voor
heel de omgeving van het
slachtoffer. Vooral de
kinderen ervaren de belaging
als angstwekkend, stressvol
en bedreigend. Dit is haast
onvermijdelijk aangezien de
kinderen onder één dak leven
met het slachtoffer en
minder gewapend zijn tegen
deze vorm van geweld.
De grote impact van de
belaging op de omgeving
maakt het noodzakelijk om zo
spoedig mogelijk
klacht neer te leggen en de
naaste omgeving te
verwittigen.
Tevens blijkt uit de analyse
van verschillende dossiers
dat de belager vaak het kind
als reden
aanhaalt voor de ‘belaging’.
De belaging wordt niet
aanzien als een misdrijf
maar eerder als een
toenadering om met de
ex-partner een regeling te
treffen en afspraken te
maken rond
bezoekrecht, alimentatie,…
Dit wordt echter vaak niet
zo aanzien door het
slachtoffer die de
constante benadering als
bedreigend ervaart voor
zichzelf en de kinderen.

8.6 Conclusie / discussie
Uit onze literatuurstudie is
gebleken dat er reeds veel
onderzoek is gedaan naar het
fenomeen
belaging en dit vooral in
Noord-Amerika, Australië en
Groot-Brittannië. Maar ook
in België hebben
verschillende onderzoeken
geleid tot de tot het
creëren van een beter
wettelijk kader ter
bescherming van slachtoffers
van belaging (wet van 30
oktober 1998).
Door het analyseren van
gerechtelijke dossiers,
waarvan 23 gevonniste
dossiers en 30
geseponeerde, hebben we
verschillende vormen van
belagingsactiviteiten kunnen
onderscheiden.
In totaal hebben we 51
vormen van belaging kunnen
onderscheiden, die we
ingedeeld hebben in
acht categorieën: ‘belaging
van familie en vrienden’,
‘bedreigingen’,
‘achtervolgen’, ‘ongewenste
communicatie’, ‘huis
terreur’, ‘verbale
agressie’, ‘neerhalen’ en
‘fysieke agressie’
Er dient rekening mee
gehouden te worden dat het
in zo goed als alle gevallen
van belaging gaat
over een combinatie van deze
verschillende
belagingsactiviteiten. Vaak
komen er zelfs 10 tot 15
verschillende vormen van
belaging voor wat het dus
fysiek als psychologisch
zeer zwaar maakt
voor het slachtoffer.
Eén van deze acht
categorieën, namelijk
‘huisterreur’ is in geen
enkel onderzoek terug te
vinden.Toch vonden we het opportuun
om deze categorie in het
leven te roepen aangezien
zeer veel
belagingsvormen zich
afspelen in en rond het huis
van het slachtoffer die deze
als zeer bedreigend en
vrijheidsberovend ervaren.
Een strengere aanpak van
politionele diensten is
misschien dan ook
gewenst aangezien bij deze
vorm van belaging blijkt dat
de rust van het slachtoffer
zeer ernstig
wordt verstoord. Ons
onderzoek bracht ook aan het
licht dat kinderen vaak een
grotere rol spelen in heel
de belagingsdynamiek dan tot
uiting komt in de
literatuurstudie. Kinderen
worden, zoals uit ons
onderzoek blijkt, vaak als
reden van belaging
aangehaald door de daders.
De belagers stellen dat zij
de slachtoffers niet belagen
maar louter en alleen
contact zoeken om regelingen
te treffen rond onder andere
bezoekrecht en alimentatie.
Daarbij komt nog eens dat
deze kinderen niet alleen
als drogreden worden
aangehaald voor de belaging
maar vaak ook zelf het
slachtoffer worden van
belaging en pesterijen, wat
uiteraard zeer zwaar weegt
op deze kwetsbare groep.
Opvallend is ook dat in de
classificatie van de
slachtoffers in het
literatuuronderzoek nergens
sprake is van belaging van
familieleden. Zo maken Boon
& Sheridan (2002) en Mullen,
Pathé &
Purcell (2000) een
classificatie op basis van
ex-relaties,
vrienden/kennissen,
professionele
contacten, collega’s,
vreemden en beroemdheden.
Over familieleden die
slachtoffer zijn van
belaging is hier dus geen
sprake. Dit in tegenstelling
tot ons onderzoek waar 10%
van de
slachtoffers in de
geseponeerde dossiers
familie is van de belager.
Dit onderzoek heeft een
opsomming gegeven van de
verschillende vormen van
belaging die
kunnen voorkomen. Toch
merken we op dat er
waarschijnlijk nog meerdere
vormen bestaan die
niet aan bod zijn gekomen in
ons onderzoek. Verder
onderzoek zal deze lijst
ongetwijfeld nog
verder aanvullen.

8.7. Evaluatie
Het onderzoeken van het
fenomeen ‘belaging’ was een
boeiend maar af en toe
moeizaam
leerproces, met ups en
downs. Nieuwe kennis
vergaren via
literatuuronderzoek,
analyseren van
gerechtelijke dossiers en
praten met deskundigen
hebben onze blik op het
fenomeen belaging sterk
verruimd. Zoals eerder
vermeld verliep het
onderzoek bij de aanvang wat
stroef, dit omdat
medewerking noodzakelijk is
van verschillende instanties
die gebonden zijn aan
beroepsgeheim en ethische
codes. Na veel
briefwisseling en contacten
te leggen zijn we dan toch
van start kunnen gaan met de
medewerking van
verschillende gerechtelijke
arrondissementen.
Wat me persoonlijk is
opgevallen is hoe je groeit
in heel het proces. Bij de
aanvang van je
onderzoek weet je niet echt
van welk hout pijlen te
maken en naarmate je meer en
meer
ingewerkt geraakt in het
onderwerp voel je ook dat je
kennis verruimd over
belaging en je
inzicht krijgt in heel de
dynamiek van het
belagingsproces en de
gevolgen hiervan voor het
slachtoffer.

8.8. Aanbevelingen
Sinds de wet van 30 oktober
1998 kunnen slachtoffers van
belaging een gerichte klacht
neerleggen. Toch lijkt het
ons (door te praten met
personen van de rechtbank)
dat het fenomeen
belaging nog te sterk in de
taboesfeer zit. Een
mogelijke verklaring
hiervoor kan zijn dat
slachtoffers niet makkelijk
in de openbaarheid treden
uit angst om niet serieus
genomen te worden door zowel
politie als derden. Hierdoor
gebeurt het vaak dat
slachtoffers te lang wachten
met een klacht neer te
leggen met alle gevolgen van
dien. Het onderzoek toont
namelijk aan dat belaging
een groot probleem vormt dat
zowel psychisch, fysiek en
materieel/financieel grote
gevolgen kan hebben voor het
slachtoffer en alleen maar
erger wordt naarmate de
belaging aansleept. Het is
dan ook belangrijk om deze
taboesfeer te doorbreken.
Dit kan men doen door
allerlei campagnes te
organiseren door zowel
hulpverleningsinstellingen
als politionele diensten,
duidelijke
informatieverstrekking,
efficiënte hulpverlening en
doorverwijzing, en het
afstemmen van
hulporganisaties op elkaar.
Tijdens het doornemen van de
verschillende gerechtelijke
dossiers is ons opgevallen
dat kinderen
vaak een grotere rol spelen
in heel de belagingsdynamiek
dan tot uiting komt in onze
literatuurstudie. Kinderen
worden, zoals uit ons
onderzoek blijkt, vaak als
reden van belaging
aangehaald door de daders.
De belagers stellen dat zij
de slachtoffers niet belagen
maar louter en
alleen contact zoeken om
regelingen te treffen rond
onder andere bezoekrecht en
alimentatie.
Daarbij komt nog eens dat
deze kinderen niet alleen
als drogreden worden
aangehaald voor de
belaging maar vaak ook zelf
het slachtoffer worden van
belaging en pesterijen, wat
uiteraard zeer
zwaar weegt op deze
kwetsbare groep.
Uit ons onderzoek is
gebleken dat er een groot
verschil bestaat in de
aanpak van gerechtelijke
dossiers. In sommige
gerechtelijke
arrondissementen was er
steeds sprake van een
persoonlijkheidsanalyse van
de dader door een
gerechtspsychiater/psycholoog.
Deze analyse werd dan bij
het dossier gevoegd wat een
duidelijker beeld gaf van
heel het belagingsproces en
de onderliggende motivatie
van de belaging. Het
opstellen van een
gestandaardiseerd draaiboek
voor politionele diensten en
zelfhulpgroepen zou een stap
vooruit zijn in de goede
richting.
In gerechtelijke
arrondissementen waar
belagers worden onderworpen
aan een
persoonlijkheidsanalyse
blijkt dat velen een
psychische en/of agressieve
persoonlijkheidsstoornis
hebben. Veel van deze
belagers hebben dan ook al
een gerechtelijk verleden of
hebben al één of
meer maal psychische
verzorging gehad. Dit bleek
ook uit een gesprek met de
substituut van
Mechelen, Linda De Vriend
die stelde dat verschillende
daders van belaging niet
thuis horen in een
gevangenis maar
psychologische bijstand
nodig hebben. Het
systematisch onderwerpen van
de daders aan een
psychologisch onderzoek en
hen helpen en begeleiden
waar nodig is, liefst in een
zo vroeg mogelijk stadium,
kunnen recidieven en
escalaties voorkomen.

9. Besluit
Prevalentiecijfers tonen aan
dat belaging een omvangrijk
maatschappelijk probleem
vormt. De wet van 1998 heeft
tot gevolg gehad dat
belaging beter strafbaar
gesteld kan worden. Zowel de
literatuurstudie als ons
onderzoek geven aan dat
belagers en slachtoffers een
zeer heterogene
groep vormen. Iedereen loopt
een reële kans ooit belaagd
te worden. Slachtoffers van
belaging
verstaan onder belaging het
lastig gevallen worden, maar
ook fysieke en mentale
bedreigingen
waarbij angst wordt
opgeroepen bij zichzelf
en/of bij personen in de
omgevingssfeer, als ook het
beschadigen van eigendommen.
Het gevolg is vaak dat ze
een lager zelfbeeld
ontwikkelen omdat
hun persoonlijkheid wordt
afgebroken en ze fysische en
psychische klachten gaan
vertonen.
Aangezien het groot aantal
geseponeerde dossiers doet
vermoeden dat vroegtijdig
signaleren van
belaging een escalatie kan
vermijden en bemiddeling
mogelijk maakt moeten
slachtoffers
gemotiveerd worden om zo
snel mogelijk aangifte te
doen van belaging.

Bibliografie
Boeken
Baarda, D. B., de Goede,
M.P.M. & Teunissen, J.
(2005). Basisboek
Kwalitatief Onderzoek,Groningen/Houten,
Wolters-Noordhoff, 376 p.
Boon, J. & Sheridan, L.
(2002). Stalking and
Psychosexual
Obsession.Pscycoligical
Perspectives for
Prevention, Policing and
Treatment, West Sussex,
Wiley Series, 248 p.
Brewster, M. P. (1997). An
exploration of the
experiences and needs of
former intimatestalking victimes, West
Chester, West Chester
University, 92 p.
Budd, T. & Mattinson, J.
(2000). The extent and
nature of stalking: Findings
from the Britisch
Crime Survey, Londen, Home
Office, 141 p.
Finch, E. (2001). The
criminalisation of stalking:
constructing the problem and
evaluating the
solution, London, Cavendish
Publishing Limited, 345 p.
Groenen, A. (2000).
Fenomeenonderzoek stalking.
Niet gepubliceerd
onderzoeksrapport.
Preventiedienst Politiezone
Leuven.
Hall, D. M. (1998). Victims
of stalking, p. 115-117. In
Meloy, J.R. (1998). The
psychologie of
stalking, clinical and
forensic perspectives, San
Diego, Academic Press, 327
p.
Meloy, J.R. (1998). The
psychologie of stalking,
clinical and forensic
perspectives, San Diego
Academic Press, 327 p.
Mullen, P.E, Pathé, M. &
Purcell, R. (2000). Stalkers
and their victims,
Cambridge, Cambridge
University Press, 310 p.
Van Den Wijngaert, C.
(1994). Strafrecht en
Strafprocesrecht in
hoofdlijnen, 2 dln.,
Antwerpen,
Maklu, 855 p.
Verkaik, R. & Pemperton, A.
(2001) Bedreiging in
Nederland. Aard, omvang,
achtergronden en
mogelijkheden voor een
aanpak. Leiden, Research
voor Beleid, 71 p.
Walby, S.& Allen, J. (2004).
Domestic violence,sexual
assault and stalking :
Findings from the
Britisch Crime Survey,
Londen, Home Office, 146 p.
Westrup, D. (1998). Applying
Functional Analysis to
Stalking Behavior. In Meloy,
J.R. (1998). The
psychologie of stalking,
clinical and forensic
perspectives, San Diego,
Academic Press, 275 – 294 p.

Tijdschriften
Abrams, K.M. & Robinson,
G.E. (2002). Occupational
effects of stalking. The
Canadian journal of
psychiatry, Vol.47 (5), p.
486–472.
Baas, N.J. (1998), Stalking:
slachtoffers, daders en
maatregelen tegen deze vorm
van belagen.
Onderzoeksnotities van het
Wetenschappelijk Onderzoek-
en Documentatiecentrum van
het
Ministerie van Justitie.
Baas, N.J. (1999-2000),
Onderzoek naar het
verschijnsel stalking.
Proces,
p.35-9.
Blaauw, E. & Sheridan, L.
(2001). De macht van de
stalker. Psychologie,
Vol.20, p. 28-31.
Debruyne, S., Dillen, C. &
Cosyns, P. (2002).
Ceux qui harcèlent, une
nouvelle catégorie de
coupables. Panopticon, p.
7-21.
Groenen, A., Huysmans, V. &
Stevens, L. (2002). BASTA:
de belager belaagd, Alert,
afl. 5, p. 81-
89.
Meloy, J.R. & Gothard, S.
(1995). A demographic and
clinical comparison of
obsessional followers
and offenders with mental
disorders, American Journal
of Psychiatry, 152, p.
258-263.
Mohandie, K., Meloy, J.R.,
McGowan, M.G., & Williams,
J. (2006). The RECON
typology of stalking:
Reliability and Validity
based upon a Large Sample of
North American Stalkers.
Journal of Forensic Science,
51 (1), p. 147-155.
Mullen, P.E., Pathé, M.,
Purcell, R. & Stuart, G.W.
(1999). A study of stalkers.
American Journal of
Psychiatry, 156, p.
1244-1249.
Rosenfeld, B., O’Connor, M.
et al. (2004). Is it
Stalking?: Perceptions of
Stalking among College
Undergraduates. Criminal
Justice and Behavior, 31, p.
73-96.
Pathé, M. & Mullen, P.E.
(1997).
The impact of stalkers on
their victims. British
Journal op
Psychiatry, 170, p. 12-17.
Perez, C. (1993). Stalking:
when does obsession become a
crime?, American Journal of
Criminal
Law, volume 20, number 2, p.
263 -280.
Purcell, R., Pathé M. &
Mullen, P.E. (2002). The
prevalence and nature of
stalking in the Australian
community, Australian and
New Zealand Journal of
Psychiatry, p.115-166.
Sheridan, L, Davies, G. &
Boon, J. (2001). The course
and nature of stalking: a
victim perspective.
The Howard Journal, p.
215-234.
Stevens, L. (1999).
Stalking strafbaar,
Rechtskundig Weekblad, nr.
38, 22 mei, p. 1377-1380.
Tjaden, P. & Thoennes, N.
(1998). Stalking in America:
Findings From the National
Violence
Against Women Survey,
Washington, U.S. Department
of Justice, p. 20.
Tseloni, A., K. Pease
(1996). Nuisance’ phone
calls to women in England
and Wales.
European Journal on Criminal
Policy and Research, Vol. 6
(1), p. 91-111.
Websites
SASAM, datum van inzage 15
maart 2006
http://www.sasam.be/de_gevolgen_van_belaging_.html
Wet 30 oktober 1998 die een
artikel 442bis in het
strafwetboek invoegt met het
oog op de
strafbaarstelling van de
belaging, B.S. 17 oktober
1998; art. 442bis Sw. datum
inzage 3 januari
2006.
http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/49/1046/49K1046001.pdf
Sheridan, L. (2005), Key
findings from staking
survey, september 2005.
datum inzage 19
december 2005 (www.stalkingsurvey.com)
Wetsvoorstel tot aanvulling
van artikel 442bis van het
Strafwetboek Ingediend door
mevrouw Mia
De Schamphelaere. datum
inzage 3 januari 2006
http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPub.html&COLL=S&LEG=2&NR=1304&PUID=33577861&LANG=nl
Stevens, L. (2002).
Strafrecht. Seksualiteit,
reproductie, fysiek en
psychisch geweld. 51 p.
datum
inzage 15 december 2005
http://users.pandora.be/BlackMaster/rechtspraakdocumenten/strafrecht.pdf
Hatjerine Ramsland, Stalker:
the psychological terrorist,
datum inzage 19 februari
2006
http://www.crimelibrary.com/criminal_mind/psychology/stalkers/1.html
|