| |
Hechting
Hechting, hoe doe je dat, en
waarom?
Zita
van der Heyden
VOC - Nederland
Iedereen
zegt het, iedereen weet het:
de hechting tussen een kind
en zijn ouders is
belangrijk, de basis voor
een gezonde emotionele,
sociale, verstandelijke en
zelfs motorische
ontwikkeling. Maar wat is
hechting? Hoe breng je een
gezonde hechting tot stand?
Gebeurt het niet gewoon
vanzelf?
Wat
is hechting?
Met hechting wordt bedoeld
de wederzijdse band tussen
een kind en zijn ouders,
eventueel verzorgers. Soms
hoor je een moeder wel eens
zeggen: ik zit met duizend
touwtjes aan mijn kind vast.
Die touwtjes, dat is
hechting. De eerste twee
jaren in het leven van een
mens is de meest gevoelige
periode om een veilige
hechting op te bouwen.
In feite begint de hechting
tussen moeder en kind
natuurlijk niet bij de
geboorte, maar al eerder.
Wanneer? Bij de uitslag van
de zwangerschapstest? Bij de
eerste echo? De eerste keer
horen van de hartslag? De
eerste borrelingen in de
baarmoeder?
Toch is de baby bij de
geboorte een allemansvriend.
Hij herkent weliswaar de
stem en geur van zijn
ouders, maar iedereen kan
troosten en kalmeren, hij
geniet van ieders aandacht.
Maar in de loop van de tijd
zal de baby de gewoontes van
zijn vaste verzorgers
(meestal de moeder/ouders)
herkennen. Hij herkent
geluiden, geuren, maar ook
vormen en de manier van
aanraken, en hij reageert
daar positief op. Bij een
heel klein kind zijn de
reacties heel klein en moet
je goed opletten , als het
kind groter wordt zal het
glimlachen, maar ook huilen
kan een (re-)actie zijn. Als
de ouder zich goed kan
inleven in wat het kind
nodig heeft en daarop (snel)
reageert, krijgt het kind
vertrouwen, het basisgevoel
van veiligheid.
Lichaamscontact is
belangrijk, daarom zullen de
verpleegkundigen in het
ziekenhuis lichaamscontact
stimuleren. Het is dus
belangrijk dat er
continuďteit is in de
verzorging, dat er
tenminste één vaste
verzorger is van het kind,
want voor hechting zijn er
twee partijen nodig: de
vaste verzorger (meestal de
ouder
s ) én het kind.
Een veilig gehecht kind is
meestal niet dwars, gaat
makkelijk om met vreemden
maar zonder een
allemansvriend te zijn. Als
het kind en de ouder
tijdelijk gescheiden zijn,
kan het kind dat aan, omdat
hij weet dat de ouder weer
terugkomt. Veilig gehechte
kinderen houden meestal van
lichamelijk contact.
Fysieke hechting, hechting
door aanraking en aangeraakt
worden, ligt aan de basis
van en is voorwaarde voor
een gezonde ontwikkeling van
de daaropvolgende fasen:
emotionele hechting en de
ontwikkeling van
beheersingspatronen. Maar om
fysiek te kunnen hechten,
moet je wel overleven! Er
kan - letterlijk of
figuurlijk - nog geen
'ruimte' voor zijn: doordat
het kind in de couveuse
moet, of omdat het ziek is
en bijvoorbeeld geopereerd
moet worden. Als deze
periode langer is dan
ongeveer vijf dagen is het
vertrouwen van het kind om
op de aangeboden fysieke
hechting in te gaan niet
meer vanzelfsprekend.
Als er niet of onvoldoende
wordt voldaan aan de
behoeften van het kind, kan
een onveilige hechting
ontstaan. Een aantal
kinderen bouwt geen veilige
hechting op. Vaak wordt er
dan gedacht aan bijvoorbeeld
adoptie- of pleegkinderen,
maar in de meeste gevallen
gaat het om een eigen kind
en was het zeer gewenst.
Vaak is het wel zo dat het
kind door omstandigheden een
tijd gescheiden is van (een
van) de ouders, bijv. door
ziekenhuisopname.
Je kunt uitgaan van twee
verschillende vormen van
onveilige hechting.
In de ene vorm zie je dat
een kind onzeker is en zich
vastklampt aan zijn
ouder(s). Het kind huilt
veel en is angstig. Je ziet
dat het kind weinig
vertrouwen heeft in de
opvoeder, en twijfelt aan de
betrouwbaarheid. Zo'n kind
is angstig en geblokkeerd
als het in een situatie komt
die hij niet kent en hij is
vaak maar moeilijk te
troosten. Soms accepteert
zo'n kind wel lichamelijk
contact, maar niet altijd.
Je ziet ook dat er niet veel
direct oogcontact is.
Aan de andere kant zie je
dat de betreffende ouder
voor het kind onvoorspelbaar
reageert, en de reacties
zijn voor het kind niet
duidelijk, ze reageren op
het verkeerde moment, of op
de verkeerde manier
(bijvoorbeeld een glimlach
of een boos geluid van de
ouder) of de ouder stopt met
reageren, of reageert
helemaal niet terwijl het
kind dat wel verwacht had.
De ouder is onhandig en
onduidelijk naar het kind
toe.
Bij de andere vorm vraag je
je soms af of er wel sprake
is van hechting. Je ziet dan
dat het kind ieder
aanhankelijkheid afweert en
geen contact maakt. Het
lijkt of het kind een
negatieve reactie wil
voorkomen. Hij vraagt niet
(meer) om zorg en
bescherming, hij wil niet
worden getroost. Zo'n kind
gedraagt zich als een
allemansvriend: gaat op
schoot zitten bij vreemden
en heeft geen moeite met
kusjes geven aan iedereen.
Het kind lijkt onverschillig
en vlak, is ongedurig, snel
geďrriteerd en agressief,
ongeduldig en trekt zich
weinig van anderen aan.
Echte vriendjes zijn er
meestal niet.
Van de kant van de ouder zie
je dat het kind wordt
afgewezen. Ouders die zich
niet in hun kind kunnen of
willen inleven en dus niet
reageren op zijn behoeftes.
De ouder past zich niet aan,
aan het ritme van het kind,
accepteert soms niet dat het
krijgen van een kind zijn
leven veranderd. Vaak zie je
ook dat de ouder een afkeer
heeft van lichamelijk
contact - soms omdat zij/hij
zelf ook onveilig gehecht
is.
Er kunnen door de situatie
ook spanningen optreden in
de relatie tussen ouders die
weer hun weerslag hebben op
het kind.
Ontstaan
Hechtingsstoornissen kunnen
ontstaan bijvoorbeeld door
te veel wisseling van de
vaste verzorgers van een
kind, zoals bijvoorbeeld bij
langdurige ziekenhuisopname,
maar ook bij adoptie. Het
kind heeft geen kans zijn
verzorger goed te leren
kennen zodat hij weet dat de
reacties van de verzorger
betrouwbaar zijn. Ook andere
zaken, zoals bijvoorbeeld
traumatische ervaringen
kunnen een veilige hechting
in de weg staan. Kinderen
die onveilig gehecht zijn
kunnen later sociale en
emotionele problemen
krijgen, die zelfs op
volwassen leeftijd nog
merkbaar zijn. Veiligheid en
geborgenheid blijken
fundamenteel te zijn voor
groei en ontwikkeling.
Een hechtingsachterstand,
opgelopen in de gevoelige
eerste twee jaar, kan
gedeeltelijk of geheel
worden ingehaald. Het is
daarbij vooral nodig dat de
opvoeders het
basisvertrouwen aan het kind
kunnen geven. Daardoor kan
het kind de veiligheid en
geborgenheid die het in de
beginperiode heeft gemist,
alsnog ervaren. Vanuit deze
ervaring kan het kind zich
dan verder ontwikkelen. Soms
kun je dat als ouder niet
zonder hulp. Dan is
begeleiding door een
deskundige nodig - bijv een
orthopedagoog. Ouders leren
daarbij goed te kijken naar
het kind en adequaat te
reageren op het gedrag van
het kind. Hierbij wordt
tegenwoordig vaak gebruik
gemaakt van video-opnamen om
zelf met hulp van een
therapeut te analyseren wat
het kind in zijn gedrag
aangeeft, hoe jij als ouder
reageert en wat de reactie
van het kind daarop dan weer
is.
De laatste jaren is er meer
aandacht voor de gevolgen
van onveilige hechting, en
daarom is er ook vraag naar
onderzoek en voorlichting.
Specialisten en
ervaringsdeskundigen
(ouders) verzamelen gegevens
hierover. Zo worden verhalen
geregistreerd van ouders van
kinderen tussen de 2 en 24
jaar. Vaak zijn het treurige
verhalen over ernstig
verstoorde relaties binnen
en buiten het gezin waar
niemand raad mee weet.
Hulpverleners pikken de
signalen van ouders vaak
niet goed op, misleidt door
het vaak voorbeeldig gedrag
van het kind
(schijnaanpassing). De
meeste ouders zijn niet op
het spoor van een
hechtingsstoornis gebracht,
ondanks vaak veelvuldige
hulpverleningscontacten.
Bij gericht doorvragen bij
ouders hoor je vaak verhalen
van allerlei traumatische
ervaringen rond de geboorte,
zoals complicaties rond de
geboorte, het kind is direct
na de geboorte bij de moeder
(*)
(bijvoorbeeld voor adoptie)
weggehaald, er vonden
medische ingrepen plaats, de
baby had erg veel energie
nodig om te overleven enz.
* f4j.be noot: waarom
spreekt men hier enkel van
de moeder?
Wij zijn uiteraard blij dat
hulpverleners die met
pasgeborenen en hun ouders
werken zich steeds bewuster
worden van het belang van
een goede hechting tussen
ouders en kind, en dus ook
hun best doen om dat te
stimuleren. De
ontwikkelingsgerichte zorg,
zoals die in opkomst is in
een aantal ziekenhuizen
speelt een belangrijke rol
om te komen tot een goede
interactie tussen de ouders
en het kind in de
stressvolle en moeilijke
couveuseperiode.
Symptomen van
hechtingsstoornissen (De
Lange)
Babyleeftijd:
- veel huilen, onrust, niet
geknuffeld willen worden,
niet willen aankijken, niet
aan moeders borst willen
drinken, verstijven als het
wordt opgepakt
Peuterleeftijd:
- De actieve peuter: zich
niets aantrekken van de
ouders, gevoel- en
emotieloze indruk, niet
bereikbaar voor de ouders
(geen gevoel van
wederkerigheid), chaotisch
- De passieve peuter: nooit
aandacht vragen, niet
huilen, zich laten verzorgen
en meespelen, zonder plezier
te hebben.
Basisschoolleeftijd:
a. het
driftenkind laat zich leiden
door eigen wensen, doet wat
er in hem opkomt
b. het schijnbaar aangepaste
kind:
o ontkent eigen wensen en
past zich in schijn aan
o wil sterke controle hebben
over omgeving.
o maakt met 'alles en
iedereen' contact
(allemansvriend). c. Het
kind met twee gezichten: is
thuis onhandelbaar en
buitenshuis zeer aangepast
(of omgekeerd) .
d. Het agressieve kind daagt
uit, scheldt, schopt, pest,
vernielt enz.
e. Het kind dat het laat
afweten, trekt zich terug in
zichzelf en zou het liefste
dood willen zijn.
f. Het kind dat nergens raad
mee weet en een chaotische
indruk maakt.
g. Het kind dat zich richt
op leren en presteren en
zijn gevoelens van
onveiligheid en
ongeborgenheid onderdrukt.
Bronnen:
G. Baan, 'Niet alle banden
binden even vast'
Tijdschrift voor
Kinderverpleegkunde 4 - 99
B. Wester,
'Hechtingsstoornissen'
Tijdschrift voor
Kinderverpleegkunde, 1 -
2001
* Dr. G. De Lange 1991,
Hechtingsstoornissen, -
orthopedische
behandelstrategieën, Van
Gorcum.
* Boek: Bodemloos bestaan,
Greetje van Egmond (1987)
Met dank aan Zita van der
Heyden, Vereniging van
Ouders van Couveusekinderen
- Nederland
E-mail deze pagina naar
een kennis
Opmerkingen/suggesties?
E-mail ons
hier A.U.B.
| |